Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:1389

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-04-2022
Datum publicatie
12-04-2022
Zaaknummer
16/169888-20; 22/002519-18 (vordering tenuitvoerlegging) (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het verkregen Encrochat bewijs rechtmatig. Verdachte wordt veroordeeld voor het leiding geven en deelnemen aan een criminele organisatie die zich bezighield met de productie van crystal meth. Deze organisatie had de leiding over 4 drugslaboratoria in Herwijnen, Kerkenveld, Ridderkerk en Lelystad en een opslaglocatie in Zwijndrecht. Verdachte nam ook deel aan een aparte organisatie die een cocaïnewasserij in Nijeveen runde. De verdachten waren onderdeel van een zeer professionele organisatiestructuur, te vergelijken met dat van een legaal bedrijf. Zo hielden zij zich van A tot Z bezig met het gehele productieproces van crystal meth. Zij gingen over onder andere (de prijzen van) grondstoffen, de productielocaties, de verkoop, het afvoeren van drugsafval en het aansturen van Mexicaanse ‘koks’ die in de drugslabs de crystal meth produceerden. Het productieproces werd van begin tot eind gemonitord, waarover constant afstemming plaatsvond tussen de leden van de organisatie. Er bestond een duidelijke hiërarchie en taakverdeling, waarbij sprake was van een leider, een boekhouder, investeerders, coördinatoren en uitvoerders. Uit het onderzoek naar de drugslabs bleek dat zij een capaciteit hadden om honderden kilo’s methamfetamine te produceren. Verdachte was de leider van deze organisatie. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straffen de hiervoor omschreven omvang meegewogen en daarnaast de verwoestende verwerking van crystal meth op gebruikers en de milieuschade die bij de productie wordt veroorzaakt. Ten slotte heeft de rechtbank bij het bepalen van de straffen gelet op de rol van verdachte in de organisatie en veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van 9 jaar en een geldboete van 60.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/169888-20; 22/002519-18 (vordering tenuitvoerlegging) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 april 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

(hierna: verdachte).

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 september 2020, 17 december 2020, 9 maart 2021, 3 en 17 juni 2021, 17 augustus 2021, 10 januari 2022, 17, 21 en 22 februari 2022, 8 en 29 maart 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officieren van justitie mrs. E.M. van den Burg en N.T.R.M. Franken (hierna gezamenlijk te noemen: officier van justitie) en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 3 juni 2021 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2020 te Herwijnen, Ridderkerk, Kerkenveld, Lelystad, Nijeveen en Zwijndrecht leiding heeft gegeven aan een organisatie, bestaande uit verdachte en tien andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

  • -

    de productie van en handel in methamfetamine en cocaïne en

  • -

    de invoer van cocaïne.

3 RECHTMATIGHEID ENCROCHAT BEWIJS

3.1

Aansluiting bij rechtmatigheidsverweren andere raadslieden in Appel

Onder ‘het standpunt van de verdediging’ zal slechts uiteen worden gezet welke rechtmatigheidsverweren ten aanzien van het onderzoek naar Encrochat en het gebruik van de Encrochat data als bewijs in strafzaken de desbetreffende raadsman/raadsvrouw – zowel schriftelijk op voorhand als mondeling ter terechtzitting – heeft aangevoerd. De rechtbank benadrukt echter op voorhand dat zij bij het weergeven van de standpunten van de verdediging en het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de rechtmatigheid van de Encrochat data ervan uitgaat dat alle raadslieden in onderzoek 03Appel20 (hierna: Appel) – ongeacht hoe expliciet zij dit hebben verzocht ter terechtzitting – zich hebben aangesloten bij de formele verweren die zijn gevoerd door de andere raadslieden in dit onderzoek. Daarnaast zal de rechtbank alle formele verweren, waaronder de op voorhand toegezonden schriftelijke standpunten en formele verweren gevoerd door raadslieden van medeverdachten, integraal als ter terechtzitting voorgedragen beschouwen in de zaak van verdachte.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Aanhoudingsverzoek

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, desnoods voor een periode van 6 maanden, omdat in Frankrijk het Constitutioneel Hof naar verwachting binnen twee maanden uitspraak zal doen en een mogelijke uitkomst daarvan kan zijn dat de wijze waarop de Encrochat hack heeft plaatsgevonden onrechtmatig is volgens Frans recht en dit onmiskenbaar consequenties heeft voor de onderhavige strafzaak.

Unierecht en prejudiciële vragen

De verdediging heeft aangevoerd dat het verwerken, bewaren en gebruiken van de Encrochat data valt onder de werkingssfeer van Richtlijn 2002/58 van de EU en daarmee het Unierecht, omdat de autoriteiten zich hebben begeven op het terrein van de elektronische communicatiediensten en hebben gedaan wat in andere situaties een dergelijke dienst wordt verplicht te doen. Daarom dient te worden getoetst aan de bepalingen van de Richtlijn, in het licht van de bepalingen zoals genoemd in het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest). Wanneer de verwerking, bewaring en gebruikmaking van de data niet valt binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2002/58, valt het binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2016/680 en dus het Unierecht, hetgeen geen verschil maakt voor de uit te voeren rechtmatigheidstoets. De verdediging stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een inbreuk op de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest nu er sprake is van algemene en ongedifferentieerde data, waarin verkeers-, locatie-, en persoonsgegevens en inhoudelijke communicatie zijn opgenomen. Die dataset heeft geen houdbaarheidsdatum en kan onbeperkt gebruikt worden door autoriteiten, terwijl er geen zicht is op wat er met de data gebeurt, tenzij het wordt gebruikt voor een strafrechtelijk onderzoek, waarvoor dan een controle van de rechter-commissaris plaatsvindt. Door het opslaan en gebruiken van deze gegevens is informatie voorhanden waaruit, in het geheel beschouwd, zeer precieze conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de personen van wie de gegevens zijn bewaard. De wettelijke grondslag voor de inbreuk op deze grondrechten, te weten artikelen 126uba en 126t van het Wetboek van Strafvordering (Sv), voldoet hierbij niet aan de eisen die het Unierecht stelt. Het bewaren van de gegevens is niet strikt noodzakelijk, omdat bij een groot deel van de gebruikers, waaronder in deze zaak, helemaal geen verdenking bestond op basis waarvan kon worden geoordeeld dat er een noodzaak bestond om in de data te zoeken, waardoor het bewaren en gebruiken van de data zich niet verhoudt met het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 52 van het Handvest.

Gelet op het voorgaande verzoekt de verdediging de rechtbank primair om de aan het dossier toegevoegde Encrochat berichten van het bewijs uit te sluiten, hetgeen tot een integrale vrijspraak zou moeten leiden.

Subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie). De interpretatie van de betrokken Unierechtelijke bepalingen is relevant voor de beoordeling van de vragen van artikel 348 en 350 Sv. Er is geen sprake van een acte éclaire of een acte clair. Daarnaast bestaat de noodzaak uit het feit dat de beantwoording van de vragen van doorslaggevend belang zijn voor de beoordeling van het bewijs tegen verdachte, betreffen het rechtsvragen waarover niet eerder in Nederlandse jurisprudentie inhoudelijk is beslist en is het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en een efficiënte rechtsbedeling noodzakelijk om helderheid te krijgen over de rechtmatigheid van het bewaren en gebruiken van de data, ook voor andere strafzaken.

Interceptie van de data in Frankrijk en verwerking van de data in 26Lemont

De verdediging stelt zich op het standpunt dat zij wenst te toetsen of bij de inzet van de interceptietool en de verwerking van de data in 26Lemont werd voldaan aan de eisen die gesteld worden door artikelen 126t en 126uba Sv, artikel 8 EVRM en in het verlengde daarvan artikel 6 EVRM en zo niet, welke rechtsgevolgen aan de vastgestelde vormverzuimen dienen te worden verbonden. De inbreuk op de privacy is evident en al bereikt als iemand praat over een geboortedatum of kinderen, terwijl het natte vingerwerk is om te bepalen hoeveel gebruikers uitsluitend of voornamelijk bezig waren met criminaliteit. Daarvoor moet de verdediging toegang krijgen tot de Franse stukken die zien op de inzet van de interceptietool en het onderscheppen van de data en de stukken die betrekking hebben op de verwerking van de data in 26Lemont, waaronder de originele versie van de machtiging van de rechter-commissaris. Omdat de verdediging in een zeer vroegtijdig stadium onderzoekswensen heeft ingediend om in het kader van een eerlijk proces en het equality of arms beginsel verweer te kunnen voeren en de rechtbank deze verzoeken heeft afgewezen, de beperking van het recht op kennisname niet noodzakelijk was en er onvoldoende compenserende maatregelen (counterbalancing measures) zijn getroffen, betekent dit effectief dat bijna 100% van het belastende bewijs op geen enkele wijze door de verdediging is getoetst. Om die reden zou de rechtbank de eerdere onderzoekswensen alsnog moeten inwilligen. Een veroordeling zou in strijd zijn met een eerlijk proces en het equality of arms beginsel in de zin van artikel 6 EVRM. Om die reden zou het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard of verdachte dient integraal te worden vrijgesproken.

Vertrouwensbeginsel

De verdediging heeft aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel in de onderhavige zaak opzij moet worden geschoven, omdat Nederland medeverantwoordelijk moet worden geacht voor de inzet van de interceptietool en het hacken mede op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden, waardoor de rechter ook dient te beoordelen of, naast artikel 6 EVRM, het Nederlandse recht en de overige grondrechten van het EVRM, waaronder artikel 8 EVRM, zijn nageleefd. Ten eerste hebben de Nederlandse autoriteiten op alle vlakken intensief samengewerkt met Frankrijk in de aanloop naar de hack. In de Britse stukken wordt de hack consequent omschreven als een actie van het JIT, oftewel een gezamenlijk optreden van de Franse en Nederlandse autoriteiten. Voorts is er binnengedrongen in de telefoons van individuele gebruikers, waarvan een deel zich in Nederland bevond, waardoor de hack deels op Nederlands grondgebied plaatsvond en er dus sprake is van buitenlandse opsporingshandelingen in Nederland, zonder dat daarvoor toestemming was gegeven door de Nederlandse autoriteiten, en daarmee de soevereiniteit van Nederland is geschonden en het vertrouwensbeginsel niet op gaat. Als Nederland daar wel mee heeft ingestemd, is er sprake van actieve betrokkenheid bij de informatieverzameling en gaat het vertrouwensbeginsel ook niet op. Ten slotte zijn alle berichten die op de telefoons werden opgeslagen drie maanden lang gekopieerd. Naast het feit dat artikel 126uba Sv niet voldoet als wettelijke grondslag voor het doorzoeken en verwerken van bulkgegevens, is bij de interceptie door Frankrijk en de verwerking door Nederland niet voldaan aan de waarborgen die dit artikel voorschrijft. Het in strijd met de waarheid en verkeerd voorlichten van de rechtbank en de verdediging door het Openbaar Ministerie, alsmede het pertinent weigeren om nadere stukken te verstrekken is onrechtmatig conform artikel 359a Sv. De verdediging heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, nu er sprake is van een handelswijze waarbij er sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of tenminste met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan en er sprake is van een zodanige fundamentele inbreuk dat die tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om alle berichten uit te sluiten van het bewijs en verdachte vrij te spreken en geheel subsidiair om strafvermindering toe te passen.

3.3

Het standpunt van de officier van justitie

Hieronder wordt het standpunt van de officier van justitie weergegeven, ook ten aanzien van verweren die door raadslieden van medeverdachten zijn gevoerd.

Interceptie en overdracht

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inzet van de interceptietool heeft plaatsgevonden in een Frans opsporingsonderzoek onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten en met Franse rechterlijke toestemming, waarbij Nederland geen medewerking heeft verleend en waardoor Nederland ook niet (mede)verantwoordelijk is voor de inzet van de interceptietool en de verkrijging van de Encrochat data. Dat Frankrijk mogelijk – gedoogd – de soevereiniteit van Nederland zou hebben geschonden omdat gebruikers zich in Nederland bevonden, is geen rechtens te respecteren belang van de verdachten. Het vertrouwensbeginsel verzet zich er dan ook tegen dat de Nederlandse rechter toetst of de verkrijging en de overdracht van de berichten in overeenstemming is met artikel 8 EVRM. Verder heeft de verdediging ter onderbouwing van een eventuele inbreuk op artikel 6 EVRM de beschikking gekregen over een groot aantal stukken en hebben de verdachten het bewijs tegen hen volledig en voldoende kunnen toetsen. Het equality of arms beginsel houdt geen onbeperkt recht op verstrekking van stukken in en een verstrekking van Franse stukken of stukken over de internationale samenwerking zou in strijd zijn met de bedoeling van het vertrouwensbeginsel. Er is daarom geen schending van artikel 6 EVRM.

Verwerking en analyse

Hoewel dit niet wettelijk vereist was en de verkregen Encrochat data op grond van de Wet politiegegevens en/of artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gedeeld mochten worden met andere onderzoeken, heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen een vordering ex artikel 126uba Sv aan te vragen bij de rechter-commissaris. Uit de toegevoegde 26Lemont stukken waaronder de 126uba-machtiging van de rechter-commissaris en de daaraan ten grondslag liggende vordering, blijkt niet dat er sprake is van één en hetzelfde onderzoek naar zowel Encrochat als bedrijf als de gebruikers ervan en evenmin dat de reden voor interceptie van de Encrochat data verhuld is. Er is daarom geen sprake van misleiding en de gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweren dienen dan ook te worden verworpen. Ten aanzien van de machtiging van de rechter-commissaris en de uitvoering daarvan heeft de officier van justitie gesteld dat deze in overeenstemming is met artikel 8 EVRM. Daarbij geldt dat de data pas binnen een opsporingsonderzoek geanalyseerd werd na toestemming van de rechter-commissaris om hier onderzoek naar te doen en dus nadat geconcludeerd was dat er een verdenking is voor het plegen van misdrijven in een georganiseerd verband.

EU-recht

Het vertrouwensbeginsel brengt met zich mee dat ervan uit kan worden gegaan dat de Franse interceptie heeft plaatsgevonden in overeenstemming met het Unierecht. Ten aanzien van de verwerking door de Nederlandse autoriteiten heeft de officier van justitie gesteld dat deze verwerking niet binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2002/58 valt. Richtlijn 2016/680 is in de nationale wetgeving geïmplementeerd, te weten in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en daarmee is een rechtstreeks beroep op de Richtlijn niet mogelijk. De rechtbank dient opnieuw het verzoek tot prejudiciële vragen af te wijzen nu een beslissing over de uitleg of geldigheid van het Unierecht niet nodig is om uitspraak te kunnen doen. Ook ten aanzien van de grondrechten neergelegd in het Handvest geldt dat het vertrouwensbeginsel van toepassing is en voor zover er wel aan de grondrechten uit het Handvest zou moeten worden getoetst, volgt er uit artikel 52 lid 3 van het Handvest dat artikelen 7 en 8 van het Handvest (recht op privéleven) conform artikel 8 EVRM moeten worden uitgelegd. Er hoeft dus geen aparte toetsing aan die artikelen uit het Handvest plaats te vinden.

Aanhoudingsverzoek

De door de verdediging gedane (voorwaardelijke) aanhoudingsverzoeken om een uitspraak van het Franse Conseil constitutionnel af te wachten dienen te worden afgewezen, omdat de verdediging niet heeft onderbouwd welke onrechtmatigheid zou kunnen blijken en wat dus de relevantie is voor Nederlandse strafzaken. Daarnaast zal slechts aan de orde zijn of er meer informatie met betrekking tot de werking van de interceptietool met de verdediging in Franse zaken moet worden gedeeld. Dit zegt dus nog niets over de rechtmatigheid van de inzet van het middel.

Start van het onderzoek

Per 1 april 2020 werd door de rechter-commissaris toestemming gegeven voor het gebruik van de dataset bestaande uit 27 tegencontacten van [medeverdachte 10] . De politie Midden-Nederland beschikte dus al vanaf 1 april 2020 rechtmatig over de data van het grotere georganiseerde verband Primero. Vanaf 23 april 2020 werd een kleiner deel van dit netwerk in een nieuw onderzoek ondergebracht. De vijf vermoedelijk in Utrecht gelokaliseerde tegencontacten van [medeverdachte 10] zijn vervolgens onderdeel gaan uitmaken van onderzoek Fruit, een titel V onderzoek naar het beramen en plegen van misdrijven met een strafoplegging van 8 jaar of meer in een georganiseerd verband, gericht op georganiseerd harddrugshandel in Utrecht. Op 27 april 2020 is vervolgens toestemming verleend voor onderzoek Fruit. Dit levert geen onrechtmatigheid op. Mocht de rechtbank dit wel onrechtmatig achten, dan zijn de verdachten hiermee niet in hun belangen geschaad, omdat vier dagen later alsnog toestemming is verleend door de rechter-commissaris.

3.4

Het oordeel van de rechtbank 1

3.4.1.

Onderzoek naar het bedrijf Encrochat en NN-gebruikers

Al vanaf 2017 vinden er in onder meer Frankrijk en Nederland onderzoeken plaats naar het bedrijf Encrochat, een communicatieaanbieder die telefoons aanbood waarmee via de applicatie Encrochat versleutelde chatberichten, bestaande uit tekst en afbeeldingen, konden worden verzonden en ontvangen, waarmee onderling gebeld kon worden en waarmee notities op telefoontoestellen konden worden aangemaakt. Communicatie kon tot stand komen nadat een gebruiker zijn ‘username’ stuurde naar een andere gebruiker, met het verzoek om toegevoegd te worden aan diens contactenlijst. Gebruikers konden elkaars username opslaan in hun contactenlijst onder een zelfgekozen omschrijving (‘nickname’). De kosten voor een Encrochat telefoon bedroegen ongeveer € 1.500,- voor een abonnement van zes maanden. Geschat werd dat er wereldwijd circa 55.000 Encrochat telefoons werden gebruikt, waarvan er mogelijk circa 12.000 Nederlandse gebruikers waren en circa 3000 Franse gebruikers.

In Frankrijk werd het bedrijf Encrochat eind 2018 al onderzocht in het kader van de volgende strafrechtelijke kwalificaties:

- criminele organisatie met als doel het plegen van misdrijven of vergrijpen waarop

tien jaar gevangenisstraf staat;

- de verstrekking van een cryptologisch middel dat zonder voorafgaande verklaring

niet uitsluitend authenticatie- of integriteitscontrolefuncties verschaft;

- overdracht van een cryptologisch middel dat zonder voorafgaande verklaring niet

uitsluitend authenticatie- of integriteitscontrolefuncties verschaft, vanuit een

lidstaat van de Europese Unie;

- import van een cryptologisch middel dat zonder voorafgaande verklaring niet

uitsluitend authenticatie- of integriteitscontrolefuncties verschaft.

Op 10 februari 2020 werd in Nederland een opsporingsonderzoek gestart onder de naam 26Lemont, welk onderzoek voortkwam uit een langer lopend onderzoek genaamd Bismarck. 26Lemont richtte zich op de verdenking tegen het bedrijf Encrochat en op de NN-gebruikers (onbekende gebruikers) van Encrochat telefoons die zich bezighielden met diverse vormen van georganiseerde criminaliteit.2 De onmogelijkheid om de telefoons te herleiden tot de persoon die de telefoon gebruikte, zou maken dat deze dienst populair was binnen de georganiseerde criminaliteit, vergelijkbaar met andere versleutelde communicatieaanbieders zoals Ennetcom, PGPSafe en IronChat. In reeds lopende onderzoeken waar het IMEI-nummer van de gebruiker bekend was, is getracht toegang te krijgen tot de inhoud van de uitgewisselde chatgesprekken, hetgeen in geen enkel onderzoek succesvol is geweest terwijl dat toestel in gebruik was bij verdachten.

De functionaliteiten van ‘burn-time’ (waarmee een bericht na een vooraf ingestelde tijd automatisch wordt verwijderd) en ‘panic wipe’ (waarmee de inhoud van een telefoon volledig kon worden gewist) zorgden er bovendien voor dat ook op het moment dat een dergelijke telefoon eenmaal in beslag was genomen én forensisch kon worden ontgrendeld, er zeer beperkt berichtenverkeer kon worden uitgelezen.

In Nederland wees onderzoek in de politiesystemen uit dat er in (tenminste) 95 lopende onderzoeken zicht was op het gebruik van Encrochat telefoons door een of meerdere subjecten binnen criminele samenwerkingsverbanden. Uit onderzoek naar de Encrochat telefoons die in het kader van lopende strafrechtelijke onderzoeken in beslag zijn genomen en wél konden worden gekraakt door het NFI kwam naar voren dat de gebruikers nagenoeg alleen maar betrokken lijken te zijn bij strafbare feiten die in georganiseerd verband worden gepleegd/beraamd en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer staat, zoals omschreven in artikel 126uba Sv.3

Uit in het dossier gevoegde stukken en met name uit door de verdediging in het geding gebrachte Engelse stukken volgt dat er in de eerste maanden van 2020 overleg is gevoerd door politie en justitie uit verschillende Europese landen, waaronder Nederland en Frankrijk, met als doel te komen tot een gecoördineerde aanpak bij de vervolging van Encrochat.

3.4.2.

Interceptie van de Encrochat data en overdracht naar Nederland

3.4.2.1. Feitelijke uitvoering van de interceptie en overdracht

Uit de hiervoor genoemde Engelse stukken blijkt dat de server van Encrochat was gevestigd bij het bedrijf [onderneming 2] in Roubaix, Frankrijk. Bij het verzenden van een Encrochat bericht van het ene naar het andere toestel, verloopt de (versleutelde) communicatie via deze server. Op 22 januari 2020 hebben de Franse autoriteiten de Engelse autoriteiten meegedeeld dat zij een ‘implant’ (interceptietool) zouden inzetten op alle Encrochat toestellen wereldwijd via een update vanaf de server in Frankrijk. Dit middel zou allereerst de op de toestellen vastgelegde data verzamelen en deze verzenden naar de Franse autoriteiten, waarbij het gaat om onder andere IMEI-gegevens, gebruikersnamen, wachtwoorden, opgeslagen chatberichten, afbeeldingen, locatiegegevens (‘geodata’) en notities. Vervolgens werd communicatie, zoals op de Encrochat toestellen opgeslagen chatberichten, verzameld. Uit een Frans proces-verbaal blijkt dat de interceptietool is ontworpen door de Service Technique National de Captation Judiciaire (STNCJ), een dienst die gerechtigd is dergelijke middelen te ontwerpen en kon worden ingezet door de Service Central de Renseignement Criminel (SCRCGN) van de Franse Gendarmerie.4

Op 30 januari 2020 heeft een Franse onderzoeksrechter een machtiging verleend om de hierboven omschreven interceptietool in te zetten. Deze machtiging is telkens verlengd en de verdenking die ten grondslag lag aan de aanvraag om de interceptietool in te zetten betrof – naast de hiervoor genoemde strafrechtelijke kwalificaties (opgenomen onder het kopje 3.4.1. van het vonnis) – onder andere drugshandel/-smokkel, witwassen en wapenhandel/-bezit.5 Vervolgens heeft de Franse Gendarmerie op 1 april 2020 om 17:15 uur op afstand de interceptietool geïnstalleerd vanaf een informaticapunt in Pontoise.6 Het Franse onderzoeksteam verzamelde de Encrochat data vanaf 1 april 2020 om 17:15 uur tot en met 26 juni 2020 omstreeks 17:00 uur. Het Franse onderzoeksteam bewaarde deze data gedurende deze periode op computersystemen in Frankrijk en heeft vervolgens de Nederlandse politie toegang gegeven tot de data over een beveiligde verbinding met die computersystemen. Deze informatie-uitwisseling vond zijn basis in de overeenkomst die is gesloten in het kader van de samenwerking in een Joint Investigation Team (JIT).

Van 1 april 2020 omstreeks 18:00 uur tot 29 juni 2020 om 13:15 uur heeft de Nederlandse politie de Encrochat data gekopieerd over de beveiligde verbinding naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie. Hierbij werd een wijze van kopiëren gebruikt waarbij met een zo klein mogelijke vertraging de nieuwe Encrochat data werden gekopieerd en waarbij met hashwaardes werd geverifieerd dat de data die werd weggeschreven na verzending over een computernetwerk, identiek is aan de data die werd gelezen in de bron.7

3.4.2.2. Het internationaal vertrouwensbeginsel en (mede)verantwoordelijkheid van Nederland

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt dat ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat (zoals Frankrijk), de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt is te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels. Daarbij brengt het vertrouwensbeginsel mee dat het recht op een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM – in geval van een schending van enig ander recht dan artikel 6 EVRM – niet inhoudt dat ten toets staat van de Nederlandse strafrechter of in het recht van het desbetreffende buitenland al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, en of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat aan een schending van artikel 8 EVRM geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd en het in de Nederlandse strafzaak niet ten toets staande buitenlandse recht van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van een dergelijke inbreuk.8

Ten aanzien van de door de verdediging gevoerde verweren, inhoudende dat in de fase vanaf de inzet van de interceptietool tot en met de overdracht sprake was van een zodanige bemoeienis van de Nederlandse autoriteiten waardoor de verantwoordelijkheid (deels) bij Nederland komt te liggen en het vertrouwensbeginsel om die reden aan de kant dient te worden geschoven, stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 1 april 2020 hebben de Franse en Nederlandse onderzoeksteams een JIT opgericht, welke JIT-overeenkomst op 10 april 2020 is ondertekend. De rechtbank neemt ook aan dat in het kader van dit JIT de Nederlandse autoriteiten in vergaande mate zullen hebben samengewerkt met de Fransen, met name wat betreft de distributie van de te verkrijgen resultaten. Uit de stukken blijkt dat er actieve betrokkenheid van Nederland bestond in de zogenaamde aanvangsfase of het startmoment van de operatie, wat onder meer blijkt uit (notities over) bijeenkomsten die hebben plaatsgevonden waarbij allerlei onderdelen van de operatie zijn besproken, waaronder technische en juridische aspecten. Daarnaast geldt – zoals de rechtbank reeds in haar tussenbeslissing uiteen heeft gezet en het Openbaar Ministerie ook onderkent – dat vanaf het begin duidelijk was dat bij de inzet van de interceptietool er Encrochat data van Nederlandse gebruikers zouden worden verkregen. Vanaf de server in Frankrijk werd immers een update (met de interceptietool) verstuurd naar alle Encrochat accounts – waaronder de gebruikers van Encrochat die zich op dat moment in Nederland bevonden – en die interceptietool werd vervolgens op de telefoon geïnstalleerd, waarna de data van die telefoons weer werden teruggestuurd naar het Franse onderzoeksteam.

De rechtbank is gelet op hetgeen over de feitelijke gang van zaken van de interceptie (paragraaf 3.4.2.1) is vastgesteld, van oordeel dat er geen sprake is van een verschuiving van verantwoordelijkheid naar Nederland voor welk onderdeel dan ook vanaf de interceptie tot en met de overdracht van de data aan Nederland. Het vertrouwensbeginsel is om die reden van toepassing ten aanzien van alle door de Franse opsporingsdiensten verrichte onderzoekshandelingen.

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de stukken gebleken dat in een Frans strafrechtelijk onderzoek naar Encrochat de Franse autoriteiten een interceptietool hebben ontwikkeld en deze zelfstandig hebben ingezet op een server die in Frankrijk stond. Hiervoor is door de Franse onderzoeksrechter een machtiging verleend op basis van informatie uit Franse strafrechtelijke onderzoeken en op basis van Franse wetgeving, waarbij deelneming door het bedrijf Encrochat aan door gebruikers gepleegde misdrijven ten grondslag heeft gelegen aan de aanvraag tot die machtiging. Ook is niet uit de stukken gebleken dat Nederland zelfstandig een actieve of fysieke inzet van opsporingsbevoegdheden heeft toegepast bij de verkrijging van de Encrochat data, bijvoorbeeld omdat Nederlandse opsporingsambtenaren (fysiek) bij de hack betrokken zijn geweest of dat bij de aanvraag van de Franse rechterlijke machtiging feiten en omstandigheden zijn aangedragen over Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken. Er is daarom geen sprake van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering (mede) onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden.

De verdediging heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel ook niet van toepassing is omdat vanaf het begin van de operatie duidelijk was dat met de interceptietool ook in telefoontoestellen op Nederlands grondgebied zou worden binnengedrongen en Encrochat data van Nederlandse gebruikers zou worden verkregen. Verwezen wordt naar de jurisprudentie over buitenlandse opsporing in Nederland. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

De interceptietool is door de Franse politie en vanuit Frankrijk op de toestellen van de individuele gebruikers – ongeacht waar zij zich bevonden – geïnstalleerd. De aldus verkregen data zijn vervolgens verzameld en verzonden naar de Franse autoriteiten. Er is geen aanwijzing dat de Nederlandse autoriteiten de Franse autoriteiten hebben aangestuurd bij het binnendringen van de telefoons van gebruikers op Nederlands grondgebied (bijvoorbeeld door aan te sturen op het binnendringen van specifieke telefoons van Nederlandse gebruikers) ofwel het actief delen van informatie uit of resultaten van elkaars opsporingsonderzoek. Aldus is de situatie in jurisprudentie waarnaar de verdediging in dit kader verwijst9 wezenlijk anders. Van een situatie dat er een zodanige nauwe en directe samenwerking tussen de opsporingsteams is ontstaan dat daardoor het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is, is dan ook niet gebleken. Gezien bovenstaande, kan het binnendringen van Nederlandse telefoons door de Franse autoriteiten niet worden beschouwd als een onderzoekshandeling waarvan de uitvoering (mede) onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geschied.

3.4.2.3. Schending van equality of arms in artikel 6 EVRM

De verdediging heeft aangevoerd dat het equality of arms beginsel ex artikel 6 EVRM is geschonden, nu zij geen toegang heeft gekregen tot (Franse) stukken die betrekking hebben op de fase van de inzet van de interceptietool in Frankrijk tot en met de overdracht van de data aan Nederland. De rechtbank stelt vast dat de verdediging volgens dit beginsel inderdaad toegang moet krijgen tot het bewijs en in beginsel ook tot stukken die kunnen zien op onrechtmatigheden in het onderzoek. De verdediging heeft daartoe ook specific reasons aangevoerd. In de onderhavige zaak staat het vertrouwensbeginsel er echter aan in de weg om kennis te nemen van de verzochte (Franse) stukken die betrekking hebben op de inzet van de interceptietool en de overdracht van de Encrochat data. De rechtbank is met verwijzing naar haar beslissing d.d. 17 juni 2021 dan ook nog steeds van oordeel dat bij toewijzing van het verzoek, de Nederlandse strafrechter alsnog via een omweg van artikel 6 EVRM de rechtmatigheid van het Franse strafrechtelijke optreden zou toetsen, hetgeen in strijd is met de bedoeling van het vertrouwensbeginsel. Daarbij overweegt de rechtbank dat de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot equality of arms geen directe toepassing vindt in deze zaak, nu het in de aangehaalde zaken ging om (binnenlandse) procedures waarbij het interstatelijke vertrouwensbeginsel geen rol speelde. Ten slotte heeft de verdediging de mogelijkheid gehad om het directe bewijs (alle Encrochat berichten die door het Openbaar Ministerie worden gekoppeld aan verdachte en medeverdachten van hetzelfde criminele samenwerkingsverband) in de strafzaak tegen verdachte te onderzoeken. De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende mogelijkheden gehad om de inhoud van de data te onderzoeken, te controleren en te betwisten en een effectieve verdediging te voeren. De rechtbank concludeert dan ook dat er geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM.

3.4.2.4. Schending van artikel 8 EVRM (en vervolgens artikel 6 EVRM)

De verdediging heeft aangevoerd dat in de fase van de inzet van de interceptietool in Frankrijk tot en met de overdracht van de data aan Nederland een schending van artikel 8 EVRM heeft plaatsgevonden. Voorop staat dat op basis van het vertrouwensbeginsel de rechtbank erop dient te vertrouwen dat de interceptie in Frankrijk en de overdracht op basis van een toereikende wettelijke grondslag en in overeenstemming met artikel 8 EVRM heeft plaatsgevonden. De door de verdediging aangehaalde jurisprudentie vindt daarnaast geen toepassing in de onderhavige zaak, omdat het EHRM in het aangehaalde arrest heeft bepaald dat een toets dient plaats te vinden bij informatie-uitwisseling tussen een Verdragsstaat en een niet-Verdragsstaat, omdat Verdragsstaten anders hun verplichtingen onder het EVRM zouden kunnen omzeilen.10 Nu Frankrijk zelf al is gebonden aan de verplichtingen die uit het EVRM voortvloeien, stuit een eventuele toets aan artikel 8 EVRM af op het reeds besproken vertrouwensbeginsel, hetgeen daarom ook geldt voor een daaruit voortvloeiende toets aan artikel 6 EVRM.

3.4.3.

Verwerking van de Encrochat data in Nederland

3.4.3.1. Feitelijke uitvoering van de verwerking

Op 13 maart 2020 heeft het Openbaar Ministerie schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris te Rotterdam een machtiging verleent tot het binnendringen en onderzoeken in een geautomatiseerd werk ex artikel 126uba Sv in combinatie met een bevel tot opnemen van (tele)communicatie ex artikel 126t Sv, welke (tele)communicatie plaatsvindt via de IMEI-nummers van de NN-gebruikers van Encrochat. De rechter-commissaris heeft op 27 maart 2020 onder voorwaarden de gevorderde machtiging verleend voor een periode van maximaal vier weken en op grond van deze machtiging heeft de officier van justitie op 1 april 2020 een bevel 126uba Sv afgegeven. Deze machtiging (met instandhouding van de gestelde voorwaarden) en het bevel zijn beide meerdere malen verlengd. Op de wijze zoals omschreven onder paragraaf 3.4.2.1. kwamen met ingang van 1 april 2020 Encrochat berichten en andere data van de op dat moment nog onbekende gebruikers van Encrochat ter beschikking van het Nederlandse onderzoeksteam van 26Lemont voor opsporingsdoeleinden. Deze berichten en andere data worden samen ook wel de “dataset 26Lemont” (hierna: de dataset) genoemd. Vervolgens heeft de Nederlandse politie de dataset op verschillende manieren geanalyseerd en verwerkt ten behoeve van reeds bestaande of nog te starten onderzoeken.

3.4.3.2. Schending van artikel 8 EVRM bij de verwerking van de Encrochat data

De rechtbank is van oordeel dat het vertrouwensbeginsel in deze fase van het onderzoek niet langer van toepassing is, nu onderzoek 26Lemont een onderzoek was van Nederlandse opsporingsdiensten gericht op verdachten die zich in Nederland bevonden. Niet is gebleken van enige betrokkenheid van Franse autoriteiten op de voortgang van 26Lemont en/of de daaruit volgende onderzoeken. Het is voorts evident dat met het kennis (kunnen) nemen van de dataset en de inhoud van de berichten de gebruikers van Encrochat in hun recht op privacy zijn geschaad.

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat verwerking van de dataset in strijd is met artikel 8 EVRM en niet voldoet aan de door het EHRM gestelde criteria in de arresten Big Brother Watch e.a. t. het Verenigd Koninkrijk en Centrum För Rättvisa t. Zweden, stelt de rechtbank voorop dat de feiten en omstandigheden in deze arresten niet gelijk te stellen zijn met de feiten en omstandigheden van onderzoek 26Lemont en de daaruit volgende onderzoeken (waaronder onderzoek Appel). In de voornoemde arresten ging het immers om bulkinterceptie, uitgevoerd door inlichtingendiensten ten behoeve van nationale veiligheidsbelangen. Bulkinterceptie kenmerkt zich door ongerichte interceptie van data, waarbij de data van een niet-afgebakende groep mensen wordt onderschept. In het onderhavige onderzoek is er echter sprake van een door de Franse opsporingsautoriteiten gerichte interceptie op de server van Encrochat, terwijl het bedrijf Encrochat zelf verdacht werd van (deelname aan) strafbare feiten, hetgeen onderbouwd is op basis van informatie uit strafrechtelijke onderzoeken van Encrochat gebruikers. De daadwerkelijk onderschepte data was van een afgebakende groep, namelijk de gebruikers van Encrochat die zelf ook verdacht werden van deelname aan georganiseerde criminaliteit. Dat is een essentieel verschil met bijvoorbeeld het bewaren van de metadata van alle abonnees van een telecomprovider ten behoeve van eventuele toekomstige strafrechtelijke onderzoeken of screening in het kader van terrorismebestrijding. De Encrochat hack betreft dus geen bulkdata interceptie als bedoeld in de aangehaalde jurisprudentie van het EHRM. Op deze vorm van interceptie kunnen de criteria zoals genoemd in deze jurisprudentie niet één op één worden toegepast. Dat voorgaande neemt niet weg dat bij de Encrochat hack een grote hoeveelheid data van vooraf onbekende gebruikers is onderschept, wat een inbreuk op de privacy oplevert. De rechtbank zal de verwerking van deze Encrochat data dan ook kritisch moeten toetsen aan artikel 8 EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat juist in de fase van het verwerken van de dataset de mate van inbreuk op artikel 8 EVRM het grootst is, nu de Nederlandse opsporingsdiensten bij de analyse van de Encrochat berichten zich (onder meer) bezig hielden met de identificatie van de NN-gebruikers en daarbij op basis van privégegevens van het account de gebruiker probeerden te identificeren. Juist in die fase worden aldus privégegevens van verdachte(n) geanalyseerd hetgeen een inbreuk op artikel 8 EVRM oplevert. Vervolgens moet worden beoordeeld of deze inbreuk toegestaan is. Uit artikel 8 EVRM vloeit voort dat inmenging van het openbaar gezag in ieders recht op privéleven en correspondentie alleen is toegestaan voor zover dat bij de wet is voorzien, een legitiem doel heeft en noodzakelijk is in een democratische samenleving waarbij dient te worden voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Bij wet voorzien

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat artikel 126uba Sv de juiste wettelijke grondslag is voor het doorzoeken en analyseren van de Encrochat data. Uit het eerste lid onder d, volgt dat de bevoegdheid strekt tot vastlegging van gegevens die in het geautomatiseerde werk zijn opgeslagen, voor zover redelijkerwijs nodig om de waarheid aan de dag te brengen. Uit de Memorie van Toelichting bij de inwerkingtreding van dit artikel blijkt dat de vastlegging van gegevens niet beperkt is tot de vaststelling van bepaalde kenmerken, maar dat het geautomatiseerde werk kan worden doorzocht en dat in het belang van het onderzoek gegevens of gegevensbestanden kunnen worden vastgelegd. Dit is niet beperkt tot de gegevens die zijn opgeslagen, maar kan ook betrekking hebben op gegevens die na het tijdstip van afgifte van het bevel worden opgeslagen.11 Artikel 126uba Sv biedt dus de mogelijkheid om een geautomatiseerd werk te hacken, de data op te slaan en te analyseren met als doel om die data in een strafrechtelijke procedure te gebruiken. Het feit dat de hack zelf (het binnendringen in het geautomatiseerde werk) door de Franse autoriteiten heeft plaatsgevonden maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarmee artikel 126uba Sv niet meer van toepassing is op hetgeen na die hack is gebeurd: het analyseren van de data. Anders gezegd: als artikel 126uba Sv het meerdere toestaat (het hacken, opslaan en daarna onderzoeken) dan staat 126uba Sv ook het mindere toe. De opslag en verwerking van de data wordt daarnaast gereguleerd door de artikelen 9 en 10 van de Wet politiegegevens. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verwerking van de dataset bij de wet is voorzien.

Rechtmatig gebruik dataset

Daarnaast dient de inbreuk een legitiem doel, te weten het voorkomen en vervolgen van ernstige strafbare feiten.

Ten aanzien van de vraag of de inbreuk noodzakelijk was in een democratische samenleving en voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit verwijst de rechtbank allereerst naar de machtiging van rechter-commissaris Schols van 27 maart 2020 in onderzoek 26Lemont en de door hem gestelde voorwaarden. Op basis van door de officier van justitie overgelegde informatie uit lopende strafrechtelijke onderzoeken waarbij gebruik is gemaakt van Encrochat heeft de rechter-commissaris in de machtiging overwogen dat het aannemelijk is dat communicatie via Encrochat in een groot tot zeer groot aantal gevallen betrekking heeft op ernstige strafbare feiten in georganiseerd verband. Het op enige wijze kennisnemen van die communicatie acht de rechter-commissaris dan ook dienstbaar aan en noodzakelijk voor het onderzoek naar ernstige te plegen of gepleegde strafbare feiten. In het kader van de toetsing aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit acht de rechter-commissaris van belang dat het niet mogelijk was om op een andere effectieve wijze dan zoals gevorderd onderzoek te doen naar de inhoud van deze communicatie en er geen of zeer weinig andere (effectieve) en minder ingrijpende methoden van opsporing en onderzoek ten dienste staan voor wat betreft deze ernstige, in georganiseerd verband gepleegde of te plegen strafbare feiten. Door middel van de aanvullende voorwaarden die door de rechter-commissaris zijn gesteld, is de rechter-commissaris tegemoet gekomen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze voorwaarden golden al op het moment dat Nederland de dataset ontving uit Frankrijk.

Een punt dat door de verdediging in verschillende vormen naar voren is gebracht, is (samengevat weergegeven) dat de dataset mocht worden onderzocht zonder dat er een gegronde reden bestond jegens de individuele gebruiker om daarvan kennis te nemen. Daarmee is een inbreuk gemaakt op de verwachting die gebruikers van communicatie mogen hebben dat hun communicatie niet wordt afgeluisterd en dat een inbreuk slechts kan worden gerechtvaardigd indien er meer dan een beginnend vermoeden ten aanzien van de relatie tussen communicatie en ernstige strafbare feiten is. Uit de machtiging van de rechter-commissaris blijkt dat dit punt expliciet onder ogen is gezien. Uit de door de rechter-commissaris gestelde voorwaarden volgt dat de dataset niet grenzeloos onderzocht en doorzocht mocht worden en dat de berichten van gebruikers die niet verdacht werden van het plegen van strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd en een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken en die niet behoorden tot onderzoeken die op de op voorhand overgelegde lijst stonden, in beginsel op geen enkele wijze konden worden onderzocht. Verder was de officier van justitie voor toekomstige onderzoeken gehouden om die voor te leggen aan de rechter-commissaris zodat telkens een tussentijdse rechterlijke toetsing plaatsvond voor het gebruik van de dataset ten behoeve van onderzoeken waarbij sprake was van ernstige, het maatschappelijk verkeer ontwrichtende feiten, gepleegd in georganiseerd verband, zoals benoemd in artikel 126o Sv. Ten slotte golden er naast de door de rechter-commissaris gestelde voorwaarden wettelijke bepalingen die de opslag en bewaartermijn van de data reguleren, te weten de Wet politiegegevens, en de vastlegging van gegevens over de uitvoering van een bevel in logbestanden, te weten het Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk.

De rechtbank concludeert dat de rechter-commissaris in redelijkheid de machtiging 126uba heeft afgegeven. De rechtbank is van oordeel dat bij het verwerken van de dataset geen schending van artikel 8 EVRM heeft plaatsgevonden.

3.4.4.

Van onderzoek Primero naar onderzoek Appel

3.4.4.1. Het ontstaan van onderzoek Appel

In de periode september 2019 tot en met maart 2020 werd door het Quick Response Team (QRT) van de Dienst Regionale Recherche, eenheid Midden-Nederland, onderzoek gedaan naar de handel in verdovende middelen in Utrecht. Dit onderzoek was genaamd Primero. Begin maart 2020 werd in dit onderzoek een drietal verdachten, waaronder de verdachte [medeverdachte 10] , aangehouden.12 Uit het vonnis van verdachte [medeverdachte 10] blijkt dat hij is veroordeeld voor het leiding geven aan een criminele organisatie, waarbij hij anderen aanstuurde en dealers voorzag van grotere hoeveelheden verdovende middelen.13 Bij een doorzoeking in een woning waar [medeverdachte 10] werd aangehouden, werd een PGP-toestel aangetroffen van het merk BQ, type Aquaris. Op deze telefoon werd de chatapplicatie Encrochat aangetroffen. In verband met het aantreffen van dit Encrochat account werd onderzoek Primero opgenomen op de lijst van onderzoeken waarvoor door de rechter-commissaris te Rotterdam op 27 maart 2020 een machtiging ex artikel 126uba, lid 1 sub a t/m d Sv werd afgegeven.14 Deze telefoon werd nader onderzocht en de gebruiker van dit Encrochat account bleek 27 tegencontacten te hebben, welke eveneens gebruikmaakten van een Encrochat account. De rechtbank stelt dus vast dat onderzoek Primero een onderzoek betreft naar de handel in verdovende middelen in georganiseerd verband, meer specifiek cocaïnehandel in Utrecht, waarbij lopende het onderzoek een Encrochat telefoon is aangetroffen.

Van de 27 tegencontacten van de gebruiker van de in onderzoek Primero aangetroffen Encrochat telefoon, bevonden er zich vermoedelijk 5 in Utrecht.15 Dit betroffen de tegencontacten die later geïdentificeerd werden als [medeverdachte 7] , [K] , [T] , [M] en [N] .16 Er is een nieuw onderzoek ingesteld naar deze 5 tegencontacten die verdacht werden van een georganiseerd verband met betrekking tot het produceren en het binnen en/of buiten het grensgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen. Dit betrof onderzoek 03Fruit20 (Fruit).17 Het onderzoeksteam kreeg op 27 april 2020 toestemming van rechter-commissaris Schols om in dit onderzoek gebruik te maken van de dataset 26Lemont. In het kader van onderzoek Fruit is [medeverdachte 7] geobserveerd op 12 mei 2020, terwijl een IMSI-catcher werd ingezet om te achterhalen waar de gebruiker van het Encrochat account [account medeverdachte 7] zich bevond, waarbij verbalisanten hem hebben waargenomen in de directe nabijheid van het terrein van [straatnaam] te [plaatsnaam] .18 Deze locatie bleek later – zoals nader in het vonnis wordt besproken – in gebruik voor de opslag van chemicaliën en productiemiddelen ten behoeve van de productie van onder andere synthetische drugs. Hierna werd op 15 mei 2020 onderzoek Appel gestart naar aanleiding van TCI-informatie betreffende [medeverdachte 7] en hetgeen drie dagen ervoor werd waargenomen, waarna op 29 mei 2020 door rechter-commissaris Schols toestemming werd gegeven om in dit onderzoek gebruik te maken van de dataset 26Lemont.

3.4.4.2. Vormverzuimen

De verdediging heeft gesteld dat een vormverzuim heeft plaatsgevonden in het kader van onderzoek Fruit: de politie had al vanaf 23 april 2020 gebruik gemaakt van de dataset 26Lemont, terwijl de toestemming van de rechter-commissaris pas op 27 april 2020 werd gegeven. De rechtbank deelt dat standpunt niet. De rechtbank stelt vast dat uit de hiervoor uiteengezette feitelijke gang van zaken blijkt dat onderzoek Fruit feitelijk gezien een onderzoek betreft naar een klein deel van de tegencontacten van de in het onderzoek Primero aangetroffen telefoon. In het kader van onderzoek Primero mocht de politie op basis van de machtiging van de rechter-commissaris al vanaf 1 april 2020 gebruik maken van de dataset 26Lemont. Dat vervolgens voor onderzoek Fruit opnieuw toestemming is gevraagd, doet aan dit voorgaande niet af. De rechtbank is dus van oordeel er geen vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek hebben plaatsgevonden.

3.4.5.

Unierecht

Met betrekking tot hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van het Unierecht overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van de hiervoor omschreven fase van de inzet van de interceptietool tot en met de overdracht van de Encrochat data naar Nederland verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder paragraaf 3.4.2.2. heeft overwogen met betrekking tot het vertrouwensbeginsel en gaat er daarom van uit dat dit heeft plaatsgevonden in overeenstemming met het Unierecht.

Ten aanzien van de verwerking van de Encrochat data in Nederland overweegt de rechtbank als volgt.

Toepassingsbereik van Richtlijn 2002/58/EG

Richtlijn 2002/58/EG heeft blijkens artikel 1, eerste lid, betrekking op “de verwerking van persoonsgegevens in de sector van elektronische communicatie.” Deze Richtlijn is van toepassing in gevallen waarin een lidstaat maatregelen treft met betrekking tot het verwerken van dergelijke gegevens door aanbieders van elektronische-communicatiediensten en het verlenen van toegang van overheidsinstanties tot die gegevens. In het arrest van het Hof van Justitie van de EU (Hof van Justitie) van 6 oktober 2020 (La Quadrature du net) legt het Hof van Justitie uit: “Wanneer de lidstaten daarentegen rechtstreeks maatregelen toepassen die inbreuk maken op het beginsel van vertrouwelijkheid van elektronische communicatie, zonder dat zij verwerkingsverplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronische communicatiediensten, wordt de bescherming van de gegevens van de betrokken personen niet beheerst door Richtlijn 2002/58, maar uitsluitend door nationaal recht, behoudens de toepassing van richtlijn 2016/680 (...), wat betekent dat de betrokken maatregelen met name in overeenstemming moeten zijn met het nationale constitutionele recht en met de vereisten van het EVRM.19 Zoals de rechtbank reeds in haar tussenbeslissing van 17 juni 2021 heeft overwogen is bij de interceptie van de Encrochat data geenszins sprake geweest van een verwerking van persoonsgegevens door een elektronische communicatiedienst (het ‘bedrijf Encrochat’ heeft immers geen data van Encrochat gebruikers aan de Franse of Nederlandse autoriteiten verstrekt), maar is er sprake van rechtstreekse interceptie van Encrochat data door de Franse staat (buiten medeweten van het ‘bedrijf Encrochat’ om) en verwerking van die gegevens door de Nederlandse autoriteiten. Dit valt niet onder werkingssfeer van Richtlijn 2002/58.

Richtlijn 2016/680

Richtlijn 2016/680 heeft blijkens artikel 2, eerste lid, betrekking op “de verwerking van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid”. In (onder meer) de Wet politiegegevens (Wpg) is uitvoering gegeven aan de Richtlijn.

In het arrest van het Hof van Justitie van 2 juni 202120, is uiteengezet dat twee stappen moeten worden doorlopen om vast te stellen of een verwerking binnen de werkingssfeer van de Richtlijn valt. Voor de toepasselijkheid van de Richtlijn gelden de volgende cumulatieve voorwaarden: 1) de verwerking gebeurt door de bevoegde autoriteit en 2) de bevoegde autoriteit verwerkt de persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid.21

Onder bevoegde autoriteit moet (onder meer) worden verstaan “iedere overheidsinstantie die bevoegd is voor de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid”. Gelet op voornoemd toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat bij de verwerking van de Encrochat data door de Nederlandse opsporingsdiensten, voldaan is aan beide voorwaarden genoemd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en die verwerking valt binnen de werkingssfeer van de Richtlijn. Gelet op artikel 51, eerste lid, van het Handvest zijn de grondrechten uit het Handvest, alsmede de algemene beginselen van het Unierecht (zoals het evenredigheidsbeginsel) aldus van toepassing op de verwerking van de Encrochat data in Nederland.

De verdediging stelt dat bij de verwerking van de Encrochat data in strijd is gehandeld met de grondrechten opgenomen in de artikelen 7 (eerbiediging van het privéleven), 8 (bescherming van persoonsgegevens) en 11 (vrijheid van meningsuiting) van het Handvest. In artikel 52 dat gaat over de reikwijdte van de in het Handvest opgenomen grondrechten, wordt in het derde lid bepaald dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en de reikwijdte ervan dezelfde is, waarbij wordt opgemerkt dat deze bepaling niet verhindert dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.

Nu de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest corresponderen met artikel 8 van het EVRM, en de rechtbank reeds in paragraaf 3.4.3.2. heeft geoordeeld dat bij het verwerken van de dataset in deze fase geen schending van rechten uit het EVRM heeft plaatsgevonden, komt de rechtbank tot datzelfde oordeel bij toetsing aan de grondrechten uit het Handvest.

De verdediging heeft zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof van Justitie –voorts op het standpunt gesteld dat bij de verwerking van de Encrochat data sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. Artikel 52, eerste lid, van het Handvest bepaalt dat met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel alleen beperkingen kunnen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden. De rechtbank ziet zoals zij in paragraaf 3.4.3.2 uiteen heeft gezet niet in dat de verwerking van de Encrochat data in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Er is geen sprake van ongerichte interceptie van bulkdata. Voorts geldt dat de toegang tot de dataset slechts mogelijk was onder voorwaarden die de rechter-commissaris heeft gesteld. De voorwaarden maken dat slechts nadat een concrete verdenking van ernstige, in georganiseerd verband gepleegde criminaliteit aan de rechter-commissaris is voorgelegd en indien door de rechter-commissaris toestemming wordt verleend, er persoonsgegevens van gebruikers mogen worden geanalyseerd en verwerkt. De jurisprudentie die de verdediging ter onderbouwing van haar standpunt aanhaalt – in het bijzonder het arrest van het Hof van Justitie in de zaak La Quadrature du net – is wezenlijk anders, nu het daar ging om algemene en ongedifferentieerde bewaring van persoonsgegevens.

Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is van schending van het Unierecht.

3.4.6.

Voorwaardelijk aanhoudingsverzoek Frankrijk

Op basis van de door de verdediging overgelegde stukken ten aanzien van de procedure bij de Franse Grondwettelijke Raad concludeert de rechtbank dat de Grondwettelijke Raad enkel een oordeel zal geven over de reikwijdte van het staatsgeheim en of het inroepen daarvan is toegestaan zonder informatie te verstrekken over de werking van de interceptietool. Het starten van een procedure zegt daarmee nog niets over de vraag of de interceptie van de berichten in Frankrijk (on)rechtmatig is geweest naar Frans recht, laat staan in strijd is met artikel 6 EVRM. Daarmee raakt het ook niet direct de rechtmatigheid van het gebruik van de Encrochat berichten in onderzoek Appel. De rechtbank wijst het verzoek dus af.

3.4.7.

Voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen

De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie indien – kort gezegd – de rechtbank de verweren inzake het Unierecht niet volgt. Die voorwaarde doet zich voor. De rechtbank zal echter geen prejudiciële vragen stellen omdat zij zich na de inhoudelijke behandeling, bestudering van alle stukken, en nadere bestudering van de jurisprudentie van het Hof van Justitie voldoende in staat acht een beslissing te nemen die in overeenstemming is met het Unierecht. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

3.4.8.

Conclusie

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de rechtmatigheid van de Encrochat data, verwerpt de rechtbank de verweren van de verdediging, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, bewijsuitsluiting en/of strafvermindering. Ook wijst de rechtbank af de (voorwaardelijke) verzoeken tot aanhouding, nader onderzoek en/of het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

4 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5 WAARDERING VAN HET BEWIJS

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en daartoe aangevoerd dat verdachte niet kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van de accounts [account verdachte] (hierna: [account verdachte]) en [account verdachte] (hierna: [aanduiding verdachte]). Het feit dat verdachte in het dagelijks leven vanwege werk of persoonlijke relaties contact heeft met medeverdachten is daarvoor niet redengevend, alsmede het feit dat verdachte lang is, hetgeen niet uitzonderlijk is in Nederland, en in [plaatsnaam] woont. Verder woont er een stukadoor in de buurt van verdachte, die ook de meeste medeverdachten kent en twee zoons heeft. Daarbij is van belang dat verdachte binnen zijn bedrijf niet de stukadoor is, maar betonreparateur. Ten slotte past verdachte niet in de bijnaam ‘ [....] ’ (vertaald: dunne), omdat hij bij zijn aanhouding 110 kilogram woog, hetgeen een contra-indicatie is dat verdachte de gebruiker was van de voornoemde accounts.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de berichten in Appel onvolledig zijn en dat de interceptietool onbetrouwbaar was. Daarmee kon geen volledig zicht worden verkregen op wat er in de ten laste gelegde periode is gebeurd, hetgeen weer effect heeft op de waardering van het bewijs en de eventuele rol van de verdachten in de organisatie. De Encrochat berichten kunnen daarom niet gebruikt worden voor het bewijs. Subsidiair heeft de raadsvrouw een voorwaardelijk verzoek ingediend om het NFI nader onderzoek te laten verrichten naar de omvang van de ontbrekende berichten in de dataset.

Verder is ten aanzien van locatie Nijeveen niet gebleken dat in de berichten gesproken wordt over cocaïne omdat het ook kan gaan over andere goederen die gesmokkeld kunnen worden uit Zuid-Amerika. Daarbij kan de rol van verdachte niet worden vastgesteld.

Ten aanzien van het ten laste gelegde leiding geven, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat – voor zover er al sprake is van een organisatie – het beschouwd moet worden als een soort VOF met allemaal gelijkwaardige partners. Er wordt altijd gesproken over de groep in de meervoudsvorm en over ‘onze pot’, waar alles mee wordt gedaan en waar iedereen aan meedoet. Verdachte kan daarom niet als leider van de organisatie worden aangemerkt en moet van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Het overzicht van de bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid en volledigheid Encrochat berichten

De rechtbank stelt op basis van de door het NFI uitgebrachte rapportages22 vast dat de dataset met betrekking tot de verdachten in onderzoek Appel niet compleet is. In de dataset ontbreken bij alle verdachten in meer of mindere mate berichten. Dit kan een enkel bericht zijn, maar ook langere perioden aan ontbrekende berichten komen voor. Het NFI heeft eveneens onderzoek gedaan naar correctheid van de inhoud van de berichten.23 In dit onderzoek zijn de berichten die in vijf ontsleutelde inbeslaggenomen Encrochat telefoons zijn aangetroffen vergeleken met de berichten zoals die na de inzet van het technisch hulpmiddel van die gebruiker zijn aangetroffen in de dataset. Conclusie van dit onderzoek is dat er geen redenen zijn gevonden om te twijfelen aan de correctheid van de berichten die met het technisch hulpmiddel zijn onderschept, behalve voor berichten van het type outgoing call en incoming call (audiogesprekken). Kort gezegd geldt voor de inhoud van de uitgewisselde chatberichten dat er geen verschillen in de tekst zijn geconstateerd. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de conclusie van het Engelse onderzoek, waaruit de verdediging afleidt dat de interceptietool onbetrouwbaar was. Echter, die onbetrouwbaarheid van de interceptietool heeft slechts betrekking op het feit dat tijdens de tweede fase niet alle berichten werden onderschept. Die conclusie zegt dus niets over de betrouwbaarheid van de inhoud van de berichten die wél zijn onderschept. Aldus is er – gelet op de inhoud van het door het NFI verrichte onderzoek – geen reden om te veronderstellen dat de berichten die wel in de dataset voorkomen op een of andere manier onbetrouwbaar zijn of dat van de juistheid van die berichten niet zou kunnen worden uitgegaan.

De verdediging heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat de dataset zodanig onvolledig is dat de rechtbank niet in staat is de vragen van artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden. De Encrochat data zullen dus wel worden gebruikt voor het bewijs. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij de Encrochat berichten op zichzelf moet beoordelen en de berichten moet bezien in de context van het overige bewijs. De rechtbank zal bij de weging van het bewijs dan ook rekening houden met het feit dat de dataset onvolledig is en terughoudend omgaan met de interpretatie van de inhoud. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging, strekkende tot het uitsluiten van de Encrochat data voor het bewijs en wijst het voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek af.

Identificatie [account verdachte] en [aanduiding verdachte]

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde pleegperiode de gebruiker is geweest van respectievelijk de accounts [account verdachte] en [aanduiding verdachte]. Ten eerste is gebleken dat [account verdachte] op enig moment om een nieuw account vraagt met de naam [aanduiding verdachte] en zijn tegencontact een dag later aangeeft dat het [aanduiding verdachte] is geworden. De rechtbank concludeert daarom dat deze accounts dezelfde gebruiker hebben gehad.

Waar alle in de bewijsmiddelen genoemde factoren afzonderlijk bezien niet zouden hoeven uitsluiten dat er sprake kan zijn van een andere gebruiker dan verdachte, zoals de verdediging ook heeft betoogd, blijkt juist uit de combinatie van deze identificerende factoren dat niemand anders dan verdachte de gebruiker kan zijn geweest van de accounts [account verdachte] en [aanduiding verdachte]. Immers, met elke toevoeging van een identificerende overeenkomst uit de berichten van de accounts en verdachte wordt de kans kleiner dat het om een ander gaat. Daarvoor wijst de rechtbank op het gegeven dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] (gebruiker van het account [account medeverdachte 1]) zwagers zijn en hun bedrijven hetzelfde bezoekadres hebben, het feit dat de vriendin van verdachte (net als [account verdachte]) op dat moment een oma van precies 87 jaar had, dat de bijnaam ‘ [....] ’ ook past bij verdachte en hij zo wordt genoemd en dat hij met medeverdachte [medeverdachte 2] (gebruiker van het account [account medeverdachte 2]) al jaren samenwerkt en sinds jonge leeftijd bevriend is, hetgeen allemaal ook in het berichtenverkeer van [account verdachte] naar voren komt.

Het is volstrekt onaannemelijk dat al deze identificerende factoren ook van toepassing zijn op een andere in [plaatsnaam] wonende stukadoor.

De rechtbank concludeert dat verdachte de vaste gebruiker is geweest van respectievelijk de accounts [account verdachte] en [aanduiding verdachte].

Criminele organisatie – juridisch kader

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet (Ow), een organisatie die zich specifiek bezig houdt met drugshandel. Dit betreft een zogenoemde lex specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Een organisatie in de zin van deze artikelen is een samenwerkingsverband tussen verdachte en ten minste één andere persoon met een zekere duurzaamheid en structuur. Dit kan blijken uit een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. De samenstelling van het samenwerkingsverband hoeft niet steeds hetzelfde te zijn en niet is vereist dat de verdachte samenwerkte of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie.

Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd.

Om van deelneming in de zin van artikel 11b Ow te kunnen spreken is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en dat hij een aandeel heeft in – of ondersteuning geeft aan – gedragingen die strekken tot óf rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Die gedragingen kunnen bestaan uit het (mede)plegen van de misdrijven, maar ook het verrichten van hand- en spandiensten (die op zichzelf niet strafbaar zijn) kan daaronder vallen. De betrokkenheid bij het samenwerkingsverband enerzijds en het hebben van een aandeel in of ondersteunen van dat verband anderzijds zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogt. Niet is vereist dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende.

Criminele organisatie – productie crystal meth

De rechtbank is van oordeel dat uit de opgenomen bewijsmiddelen naar voren komt dat tussen diverse verdachten sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven, in die zin dat de organisatie zich bezig hield met het initiëren, opzetten en coördineren van de productielocaties van verdovende middelen, waarbij de specialisatie de productie van methamfetamine (‘crystal meth’) was. Dit samenwerkingsverband was gericht op de productie en de gecoördineerde verkoop van methamfetamine.

Er bestonden twee productielocaties (Herwijnen en Kerkenveld) waar het verhandelbare eindproduct crystal meth werd gemaakt. Op locaties in Ridderkerk werden de hiervoor benodigde grondstoffen omgezet naar base-olie, wat nodig is om uiteindelijk crystal meth te kunnen maken. In Lelystad werd een plan gemaakt om een derde productielocatie op te starten en in Zwijndrecht bevond zich een opslagplaats/loods waarin naast methamfetamine verschillende aan het productieproces gerelateerde goederen en grondstoffen werden aangetroffen. Crystal meth is een zeer verslavende harddrug die buitengewoon winstgevend is voor de personen die het produceren en erin handelen. Uit de bewijsmiddelen volgt dan ook dat met de werkwijze van de betrokkenen grote geldbedragen gemoeid waren. Het oogmerk – geldelijk gewin door middel van het plegen van misdrijven zoals omschreven in de Opiumwet – is daarmee een gegeven.

Uit hetgeen de politie en de forensische opsporing hebben geconcludeerd ten aanzien van de potentiële productie en omzet van alle locaties, leidt de rechtbank af dat deze samenwerking niet incidenteel kan zijn geweest. Dit vindt bevestiging in de Encrochat berichten, waaruit de rechtbank afleidt dat er juist sprake was van een duurzame en zeer professionele organisatiestructuur. Uit de inhoud van de Encrochat berichten volgt dat het gehele productieproces van het aanleveren van de grondstoffen voor de methamfetamine tot en met de verkoop van het eindproduct werd gemonitord, waarover constant afstemming plaatsvond via Encrochat tussen de leden van het samenwerkingsverband. Uit de berichten volgt verder dat er een duidelijke hiërarchie en taakverdeling was en iedereen in verhouding tot zijn rol in de organisatie werd beloond, hetgeen ook door een boekhouder gecontroleerd werd. De organisatie bestond uit een duidelijke top-down structuur met een leider, investeerders, coördinatoren en uitvoerders. De professionele organisatiestructuur week daarmee niet veel af van de bedrijfsvoering van een legaal bedrijf. De rechtbank leidt uit de inhoud van de Encrochat berichten af dat in ieder geval vanaf januari 2020 sprake was van een criminele organisatie.

Criminele organisatie - leiding geven

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 140 Sr en de vaste jurisprudentie omtrent het begrip ‘leider’ duidt op een bijzondere kwaliteit van de dader, als degene die een centrale rol speelt binnen de organisatie. De leider hoeft niet de hoogste leider te zijn of het meest te verdienen. Doorslaggevend is uiteindelijk of de betrokkene binnen de organisatie een bepaalde macht heeft of een bepaald gezag bezit. De leider onderscheidt zich van de overige deelnemers door gedragingen als het nemen van initiatieven, het verdelen van taken, het geven van opdrachten, het (eventueel) sanctioneren van overtredingen van binnen de organisatie geldende regels of afspraken of het verdelen van de opbrengst van de criminele activiteiten.24

De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte de leider is geweest van de hiervoor omschreven criminele organisatie, voor zover dit ziet op de productie van en handel in methamfetamine in Herwijnen, Kerkenveld, Ridderkerk, Lelystad en Zwijndrecht. Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen Encrochat berichten volgt dat verdachte degene is die voortdurend de feitelijke zeggenschap heeft in de organisatie. Zo is hij degene die ‘de baas’ genoemd werd door anderen, toestemming moest geven voordat er geld van de organisatie werd uitgegeven, de verkoopprijs van het eindproduct bepaalde, geld investeerde in de locaties en door de boekhouder op de hoogte moest worden gehouden van de financiële staat en de verschillende ‘potten’ van de organisatie. Ook als zaken niet goed lopen, of er onderling tussen de leden van de organisatie onenigheid is, is verdachte degene die hen daarop aanspreekt.

Deze berichten zijn echter slechts een illustratie van de rol van verdachte. Uit het hele dossier volgt namelijk dat verdachte zich van A tot Z bezighield met het gehele proces, van het bepalen van (de prijzen van) grondstoffen, tot en met de coördinatie van de verkoop van het eindproduct. Met zijn aansturing wordt voor een groot gedeelte de dagelijkse gang van zaken op de productielocaties bepaald. Uit het geheel van berichten valt op dat verdachte degene is die de touwtjes in handen heeft, ook als het gaat om de dagelijkse werkzaamheden op de productielocaties zelf, van het aansturen van de Mexicaanse ‘koks’ tot aan het afvoeren van het drugsafval. Verdachte geeft de opdrachten en verdeelt de taken, waarbij de uitvoering telkens (soms meermalen per dag) aan hem wordt teruggekoppeld. Verdachte zorgt ervoor dat er overzicht bestaat over wanneer en waar er wordt gewerkt en wat er met de opbrengsten van de eindproducten wordt gedaan.

De rechtbank concludeert dat naast verdachte de gebruikers van de volgende Encrochat accounts en enkele (niet geïdentificeerde) anderen als leden van de criminele organisatie kunnen worden aangemerkt:

  • -

    [account medeverdachte 3] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 3] );

  • -

    [account medeverdachte 4] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 4] );

  • -

    [account medeverdachte 1] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 1] );

  • -

    [account medeverdachte 5] & [account medeverdachte 5] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 5] );

  • -

    [account medeverdachte 6] & [account medeverdachte 6] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 6] );

  • -

    [account medeverdachte 7] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 7] );

  • -

    [account medeverdachte 2] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 2] );

  • -

    [account medeverdachte 8] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 8] );

  • -

    [account medeverdachte 9] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 9] ).

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte leiding heeft gegeven aan een organisatie die als oogmerk had de productie van en handel in methamfetamine.

Criminele organisatie – cocaïnewasserij

De rechtbank is van oordeel dat tevens uit de opgenomen bewijsmiddelen naar voren komt dat tussen diverse verdachten sprake was van een separaat duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven, in die zin dat de organisatie zich bezighield met het initiëren, opzetten en coördineren van een cocaïnewasserij in Nijeveen, waar cocaïne werd teruggewonnen uit dragermateriaal. De forensische opsporing concludeerde op basis van de aangetroffen arbeidskrachten, omvang, apparatuur en schaalgrootte dat een zeer hoge productie van cocaïne gerealiseerd kon worden. Ook is uiteengezet dat dit proces van cocaïne terugwinnen uit dragermateriaal een uiterst secuur, ingewikkeld en gevaarlijk chemisch proces is dat alleen kan worden uitgevoerd door mensen met specialistische kennis hiervan. Op deze locatie werden 16 personen aangehouden, vrijwel allemaal afkomstig uit Colombia. Ten slotte bleek uit Encrochat berichten dat de gebruiker van het account [account van O] ( [O] , alias ‘ [O (bijnaam)] ’) samen met anderen op zoek was naar een locatie in Nederland ten behoeve van het hiervoor omschreven plan en vervolgens vanaf 27 maart 2020 met onder andere verdachten [verdachte] en [medeverdachte 6] over investeringen in cocaïnetransporten uit Colombia sprak en overlegde over wat er gedaan moest worden om dit plan te realiseren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband achter de voornoemde plannen zat. De invoer, bewerking en verkoop van cocaïne is buitengewoon winstgevend, waarmee het criminele oogmerk een gegeven is.

De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had de invoer van cocaïne en vervolgens de bewerking en verkoop daarvan. De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van de cocaïnewasserij in Nijeveen sprake is van een separate criminele organisatie, bestaande uit een andere groepering dan het criminele samenwerkingsverband dat zich bezighield met de productie en handel in crystal meth. De groepering rondom Nijeveen bestond uit verdachten [verdachte] , [medeverdachte 6] , [O] en anderen. Uit de berichten volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6] een locatie hebben gevonden die ter beschikking kon worden gesteld voor het opzetten van een cocaïnewasserij. Zij hebben dit vervolgens voorgelegd aan [O] , waarna deze locatie in gebruik is genomen door [O] en diens medewerkers. Ook concludeert de rechtbank – op basis van de Encrochat berichten in combinatie met de aangetroffen cocaïnewasserij – dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 6] hebben geïnvesteerd in een cocaïnetransport uit Colombia, opgezet door [O] .

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook leiding heeft gegeven aan deze organisatie. Uit het dossier volgt namelijk dat verdachte en [medeverdachte 6] geen zelfstandige bevoegdheden hebben, sterk afhankelijk lijken te zijn van [O] en dat zij feitelijk niet meer hebben gedaan dan een locatie aanleveren en investeren in een transport (met vervolgens verwerking van de cocaïne). Er is dus niet gebleken dat zij een bepaalde macht of een bepaald gezag bezaten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk had het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren en binnen het grondgebied brengen van cocaïne en spreekt hem partieel vrij van het ten laste gelegde ‘leiding geven’.

6 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2020 te Herwijnen en Ridderkerk en Kerkenveld en Lelystad en Zwijndrecht, leiding heeft gegeven aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het opzettelijk bereiden en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben en vervaardigen van methamfetamine, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

en

in de periode van 27 maart 2020 tot en met 30 juni 2020 te Nijeveen heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 6] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het opzettelijk bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en vervoeren van cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

7 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid en vierde lid van de Opiumwet

en

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid en vijfde lid van de Opiumwet.

8 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 OPLEGGING VAN STRAF

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 9 jaren, met aftrek van het voorarrest;

- een geldboete van € 60.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 318 dagen hechtenis.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de bedrijfsverplichtingen van verdachte en de straf van verdachte aanzienlijk te matigen in overeenstemming met soortgelijke zaken.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Persoon van verdachte

Uit een de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 9 december 2021 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.

Ernst van het feit

Verdachte heeft voor een periode van 6 maanden leiding gegeven aan een criminele organisatie die zich bezighield met de productie van en handel in methamfetamine. Hij had daarbij de leiding over drugslabs in Herwijnen en Kerkenveld en daarnaast een productielocatie en een opslagplaats die ten dienste stonden aan deze labs, Ridderkerk en Zwijndrecht. Verder was hij betrokken bij een plan om een nieuwe productielocatie op te starten in Lelystad. Uit het onderzoek naar de drugslabs is gebleken dat zij een capaciteit hadden om honderden kilo’s methamfetamine te produceren. Uit de Encrochat berichten en de aangetroffen crystal meth in de drugslabs blijkt dat een dergelijke productie ook feitelijk is gerealiseerd. Methamfetamine of crystal meth is een zeer verslavende harddrug met een verwoestende werking op de fysieke en mentale gezondheid van gebruikers, waarmee het wellicht op dit moment de gevaarlijkste harddrug is voor de volksgezondheid.

De productie van methamfetamine vond plaats in daarvoor opgebouwde drugslabs en er werd gebruikgemaakt van chemische grondstoffen. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat de grondstoffen in deze labs op een zodanig ondeskundige manier werden opgeslagen en bewerkt dat er ontploffingsgevaar bestond op het moment van aantreffen. Indien dit gevaar zich had gerealiseerd, zou dit zeer ernstige gevolgen hebben gehad voor niet alleen de personen ter plaatse, maar ook voor de personen die zich op dat moment in de directe omgeving van de labs bevonden. Dat dit gevaar voorstelbaar is, blijkt tevens uit ongelukken die de laatste jaren in illegale productielocaties van synthetische drugs hebben plaatsgevonden, soms met dodelijke afloop. Daarbij is ook uit berichtenverkeer van medeverdachten die in Ridderkerk aan het werk waren, gebleken dat er levensgevaarlijke situaties zijn ontstaan en zij gezondheidsklachten ervaren bij het werk dat zij verrichtten.

Het productieproces van methamfetamine levert bovendien grote hoeveelheden schadelijke afvalstoffen op die, zo leert de praktijk, illegaal onder andere in natuurgebieden worden gedumpt. Ook bij deze drugslabs waar verdachte verantwoordelijk voor was, zijn – zo kan uit het berichtenverkeer worden afgeleid – duizenden liters drugsafval afgevoerd. Gezien het feit dat van drugsafval niet op legale wijze kan worden afgekomen, is de kans groot dat afval van alle labs waar verdachte betrokken bij was, ook in het milieu is geloosd, met alle schadelijke gevolgen voor het milieu van dien. De grondeigenaren, vaak natuurbeheer, en de overheid worden door de reinigingswerkzaamheden opgezadeld met hoge kosten. Geld dat bedoeld is voor natuurbehoud gaat dan naar het verwijderen en verwerken van drugsafval. Daarmee vormt het dumpen van drugsafval een maatschappelijk probleem. Een omstandigheid waar verdachte duidelijk geen boodschap aan had. In een gesprek met een medeverdachte over het afvoeren van het drugsafval zegt verdachte dat hij daar ‘schijt aan heeft’, maar als er een sloot in de buurt is, dat niet heel erg slim is omdat de vissen en alles dan dood gaan en “ze dan gaan meten”, dus handiger is om het in de grond te laten lopen waarbij grondboor er “lekker diep” in moet. Uit deze berichten blijkt dat verdachte wel degelijk beseft wat de gevolgen van het dumpen van drugsafval voor het milieu zijn, maar zich voornamelijk zorgen maakt over de mogelijke ontdekking van het drugslab.

Doordat het aanbod van methamfetamine nog relatief schaars is en de productiecomplex, is de handel erin buitengewoon winstgevend, een gegeven waar verdachte zeer goed van op de hoogte was gelet op het berichtenverkeer over de enorme geldbedragen die door hem in de locaties zijn geïnvesteerd. Zoals reeds in de bewijsoverweging uiteen is gezet, had verdachte vanaf het opzetten van deze labs tot zijn aanhouding op 30 juni 2020 de hoogste positie in deze organisatie en kwamen de meeste belangrijke beslissingen en opdrachten van hem, allemaal in het kader van het vergroten van de omzet.

Uit zijn berichtenverkeer is af te leiden dat verdachte zich in eerste instantie richtte op een relatief korte periode waarin hij snel rijk wilde worden, maar dat hij op enig moment begon te twijfelen aan de winstgevendheid van de methamfetamine op lange termijn en daarom op zoek ging naar nieuwe initiatieven. Vervolgens heeft hij deelgenomen aan een criminele organisatie die zich richtte op de invoer van cocaïne. De internationale cocaïnehandel is een wereld waar veel geweld in plaatsvindt, maar verdachte was naar eigen zeggen verslaafd, omdat hier het echte geld in zat. Deze organisatie zat achter de grootste cocaïnewasserij die ooit in Nederland is aangetroffen. Uit het forensische onderzoek is gebleken dat de productiecapaciteit werd geschat op tussen de 150 en 200 kilogram cocaïne per dag.

Voorts acht de rechtbank van belang dat bij de productie van de methamfetamine gebruik werd gemaakt van zogenaamde ‘koks’, afkomstig uit Mexico, die naar Nederland kwamen om de methamfetamine te produceren en verdachte daarnaast investeerde in drugstransporten afkomstig uit Colombia en een cocaïnewasserij in Nijeveen waar Colombianen zijn aangehouden. Dit wijst op een zorgwekkende samenwerking tussen de organisaties waar verdachte toe behoorde en buitenlandse drugscriminelen.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier is gebleken dat verdachte geen boodschap had aan al het voorgaande. Hij heeft puur vanuit het oogpunt van financieel gewin gehandeld. De hoeveelheid berichten die verdachte dagelijks stuurde en ontving met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten getuigen van een fulltime betrokkenheid bij deze activiteiten en daarmee een weloverwogen keuze voor criminaliteit en het verkrijgen van illegale inkomsten, ondanks alle hiervoor genoemde schadelijke effecten voor de samenleving.

Conclusie

Gelet op de aard en omvang van de bewezen verklaarde feiten vindt de rechtbank geen aansluiting bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting (LOVS), is zij gebonden aan het wettelijke strafmaximum en zijn er ook weinig vergelijkbare strafzaken waaruit een passende straf kan worden afgeleid. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met geen andere straf kan worden volstaan dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf die het reeds ondergane voorarrest van verdachte overstijgt. Ook gelet op zijn leidinggevende rol, zijn ontkennende proceshouding, de inkomsten die verdachte met zijn criminele werkzaamheden zal hebben verdiend en het daarmee nog altijd aanwezige recidiverisico, acht de rechtbank het van belang dat verdachte een hogere straf krijgt opgelegd dan de medeverdachten in onderzoek Appel. Met betrekking tot de geldboete verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de milieuschade en is daarmee van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde geldboete geenszins een verkapte ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel moet voorstellen, maar bestaat ter compensatie van de maatschappelijke kosten die door verdachte zijn veroorzaakt.

Alles afwegende legt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 9 jaren, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest en een geldboete ter hoogte van € 60.000,-, te vervangen door 318 dagen hechtenis.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

10 VOORLOPIGE HECHTENIS

De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 EVRM volgt dat verdachte het recht heeft om zijn proces in vrijheid af te wachten zolang hij niet veroordeeld is door een rechter. De rechtbank overweegt dat uit de beslissing van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden d.d. 30 juni 2021 is gebleken dat de voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst, omdat er destijds naar het oordeel van het hof nog geen zicht was op een inhoudelijke behandeling en daarom het persoonlijk belang van verdachte zwaarder woog dan het maatschappelijk belang om verdachte gedetineerd te houden.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid die destijds aanleiding gaf om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen, thans niet meer aan de orde is. Daarbij overweegt de rechtbank – met verwijzing naar de motivering van de strafoplegging – dat de ernstige bezwaren en de recidivegrond nog aanwezig zijn en de ernst van de veroordeling maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het maatschappelijk belang bij het voortduren van de voorlopige hechtenis zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van verdachte om een eventueel hoger beroep in vrijheid af te wachten.

De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van de schorsing van de officier van justitie toe en heft het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van 13 april 2022 te 15:00 uur.

11 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij arrest van het gerechtshof te Den Haag van 14 maart 2019 (parketnummer 22/002519-18) is verdachte een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank ziet echter vanwege de omvang van de in dit vonnis opgelegde straffen geen redenen om de vordering toe te wijzen en wijst de vordering af.

12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11b van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 60.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 318 dagen;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van 13 april 2022 te 15:00 uur;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 22/002519-18

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Spee, voorzitter, mr. J.G. van Ommeren en mr. P.M. Leijten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Jaâter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 april 2022.

Bijlage I: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2020 te Herwijnen en/of Ridderkerk en/of Kerkenveld en/of Lelystad en/of Nijeveen en/of Zwijndrecht en/of elders in Nederland, leiding heeft gegeven aan, althans heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] en/of [K] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of een of meerdere anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het opzettelijk bereiden en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben en vervaardigen van methamfetamine en/of cocaïne, zijnde (telkens) middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (zaaksdossier 3, 4, 5, 6, 7 en p. 4978 ev) en/of

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (zaaksdossier 5);

(Art 11b Opiumwet, art 10 lid 3 Opiumwet, art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 2 ahf/ond D Opiumwet)

Bijlage II: Bewijsmiddelen

1 Productielocaties en opslagplaatsen

1.1.

Herwijnen

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen, staat onder meer het volgende:

Op vrijdag 6 juni 2020, omstreeks 05.20 uur en later hebben wij (…) een onderzoek ingesteld op het terrein en in enkele opstallen van het perceel [adres] te [plaatsnaam] . Op dit perceel bevindt zich aan de zijde van de [straatnaam] het woonhuis met daaraan in noordelijke richting gelegen geschakelde opstallen bestaande uit een loods, schuren en in aanbouw zijnde loodsen. Tevens stonden op zowel links als aan de achterzijde van het terrein verspreidt tegen de erfgrens diverse zeecontainers opgesteld.25

Gezien vanuit de richting van de [straatnaam] bevond zich in een gedeelte van een aan de woning geschakelde aanbouw links de aangetroffen productielocatie van de metamfetamine.

Links in deze gang bevond zich een douchebak en rechts een doorgang naar een ruimte die was ingericht als weeg/droogruimte. Recht tegenover de doorgang stond een henneptent waarin een bed stond. Rechts in de weeg/droogruimte was door middel van plastic en latten op de vloer een droogbak gemaakt. In deze droogbak stonden twee kunststof bakken met daarin metamfetamine. Rechts van de ingang stond een vrieskast en enkele ventilatoren. Op de vloer in deze ruimte stonden drie kunststofbakken met daarin metamfetamine nabij een tafelweegschaal. Tevens stond daarbij een doos met daarin 17 bakken metamfetamine inhoudende circa 1 kilogram metamfetamine. Links in de weeg/droogruimte bevond zich een doorgang die afsluitbaar was door middel van een blauw zeil. Deze doorgang gaf toegang tot een ruimte die was ingericht als kristallisatie ruimte. In deze ruimte stonden diverse speciekuipen, emmers, pannen, maatbekers, enkele centrifuges, een kookopstelling bestaande uit een open gasbrander aangesloten op een gasfles.

In diverse speciekuipen, emmers maatbekers werden vloeistoffen en/of substanties dan wel restanten van vloeistoffen en/of substanties aangetroffen die indicatief positief werden geïdentificeerd als zijnde stoffen vermeld in de Opiumwet.

Links van het perceel [adres] stonden aan de zijde van de aangetroffen productielocatie enkele zeecontainers. Deze zeecontainers werden gebruikt als opslagruimte.26 In de containers werden diverse goederen, chemicaliën en middelen aangetroffen, die gerelateerd waren aan de productie van synthetische drugs. In dit geval de vervaardiging van methamfetamine.

Bij benadering werd door ons aangetroffen:

Circa 75,84 kilogram metamfetamine kristallen/poeder

Circa 1200 kilogram vermoedelijk l-metamfetamine

Circa 775 liter metamfetamine olie.27

1.2.

Kerkenveld

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen, staat onder meer het volgende:

Op vrijdag 26 juni 2020 van omstreeks 11.58 uur en later heb ik (…) onderzoek verricht op de locatie [adres] te [plaatsnaam] . In de schuur geschakeld aan de boerderijwoning was vermoedelijk een productieplaats van verdovende middelen aangetroffen.

Omschrijving locatie

De locatie betreft een boerderijwoning met een geschakelde schuur en een aantal vrijstaande opstallen. De geschakelde schuur van de boerderijwoning, tevens te betreden via de woning, bestond uit een begane grond en een 1e verdieping.

Op de begane waren twee ruimtes in gebruik voor de opslag van chemicaliën gerelateerd aan de vervaardiging c.q. bewerking van (synthetische) drugs, namelijk ruimte [A] en ruimte [B].28 De 1e verdieping van de schuur was ingericht en in gebruik ten behoeve van de vervaardiging en bewerking van synthetische drugs, vermoedelijk metamfetamine. Deze ruimte wordt verder aangeduid met het kenmerk [L].29

De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn typische goederen en chemicaliën welke aangetroffen worden op locaties waar synthetische drugs vervaardigd of bewerkt worden. Ruimte [L] was gezien de aanwezigheid van de grote hoeveelheden chemicaliën en eindproduct metamfetamine ingericht en gebruikt voor de grootschalige vervaardiging en bewerking van metamfetamine (…). Op deze locatie werden in totaal 56,085 kilogram aan kristallen metamfetamine (indicatief) en 756,175 liter aan metamfetamine base (indicatief) (olie en deels olie met kristallen).30

1.3.

Ridderkerk

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen, staat onder meer het volgende:

Op dinsdag 30 juni 2020 van omstreeks 08.30 uur heb ik (…) in het kader van het onderzoek 03Appel20 op de volgende locaties onderzoek verricht, namelijk:

- [adres] te [plaatsnaam] ;

- [adres] te [plaatsnaam] ;

- [adres] te [plaatsnaam] .31

[adres] te [plaatsnaam]

De locatie bestond onder andere uit een loods en een bedrijfsterrein waarop een groot aantal zeecontainers stonden opgeslagen. De loods was verdeeld in een aantal ruimtes. In een aantal ruimtes van de loods en in een aantal zeecontainers werden goederen aangetroffen welke gerelateerd waren aan de vervaardiging c.q. bewerking van (synthetische) drugs heroïne, metamfetamine en cocaïne (…).32

[adres] te [plaatsnaam]

De locatie betrof een bedrijfspand met op de begane grond een bedrijfsruimte toegankelijk

middels een roldeur en via de kantoorruimte. De 1e etage bestond uit een hal en twee ruimtes. De bedrijfsruimte op de begane grond en de ruimtes op de 1e etage waren ingericht en gebruikt voor de vervaardiging c.q. bewerking van cocaïne, namelijk het terugwinnen van cocaïne uit een dragermateriaal.33

[adres] te [plaatsnaam]

De locatie betrof een bedrijfspand in gebruik voor de opslag van diverse goederen. In een stelling stonden een aantal verpakkingen met chemicaliën opgeslagen, namelijk:

  • -

    Jerrycans gevuld met een heldere vloeistof, FD=aceton, totaal 525 liter;

  • -

    Jerrycans gevuld met een heldere vloeistof, FD=petroleumether, totaal 540 liter.

De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn typische goederen en chemicaliën welke aangetroffen worden op locaties waar (synthetische drugs) vervaardigd of bewerkt worden. De locatie [adres] te [plaatsnaam] was in gebruik voor de opslag van chemicaliën en productiemiddelen ten behoeve van de vervaardiging c.q. bewerking van heroïne, cocaïne, MDMA en metamfetamine. Mogelijk is de wasplaats ruimte [05] gebruikt voor de vervaardiging c.q. bewerking van deze verdovende middelen. De locatie [adres] was ingericht en gebruikt voor de vervaardiging c.q. bewerking van verdovende middelen, namelijk het bewerken en terugwinnen van cocaïne uit een dragermateriaal. 34

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen, staat onder meer het volgende:

Op dinsdag 30 juni 2020 van omstreeks 16.30 uur heb ik (…) in het kader van het onderzoek 03Appel20 op locatie [adres] te [plaatsnaam] onderzoek verricht.35

De aangetroffen chemicaliën zijn typische chemicaliën welke aangetroffen worden op locaties waar (synthetische) drugs vervaardigd of bewerkt worden. Gezien de combinatie van aceton en petroleumether zeer waarschijnlijk voor de vervaardiging c.q. bewerking van cocaïne.36

1.4.

Nijeveen

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen, staat onder meer het volgende:

Op vrijdag 7 augustus 2020, omstreeks 10.00 uur en later hebben wij (…) een onderzoek ingesteld naar de aangetroffen situatie op een manege aan de [adres] te [plaatsnaam] . In en rondom dit laboratorium werden 16 manspersonen aangehouden.37

Geconstateerd is dat;

  • -

    in de manege aan de [adres] te [plaatsnaam] met behulp van isolatiepanelen een complete cocaïnewasserij was gebouwd welke verdeeld was in 10 ruimtes, waaronder 2 grote en een kleinere productieruimte, opslagruimtes, slaapverblijven en een kantine;

  • -

    in een naastgelegen stal een industriële aggregaat was ingebouwd welke via elektriciteitskabels was aangesloten op de elektriciteitsvoorziening in de cocaïnewasserij;

  • -

    in de gebouwde ruimtes grote hoeveelheden chemicaliën en productieapparatuur stonden opgeslagen welke konden worden en/of waren gebruikt voor de extractie van cocaïne uit een drager materiaal;

  • -

    Er tevens productieapparatuur aanwezig was voor de verdere verwerking van de cocaïne, in casu droogapparatuur, persen en verpakkingsmateriaal.

Conclusie:

De productieruimtes waren geschikt en zijn gebruikt om op zeer grote en professionele schaal cocaïne te extraheren uit drager materiaal. (mogelijk zwart koolachtig materiaal). Vervolgens werd/kan deze cocaïne daar worden gezuiverd, geperst en verpakt. Capaciteit op basis van de aanwezige arbeidskrachten, apparatuur en schaalgrootte wordt geschat op tussen de 150 en 200 kg cocaïne per dag. Inrichting en opzet van de cocaïne wasserij was zeer professioneel en van industriële schaal.38

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] staat onder meer het volgende:

Tevens is

  • -

    in de zuiveringsruimte, in groene tonnen zakken met in totaal 106,76 kilogram cocaïne base,

  • -

    in de zuiveringsruimte, diverse 80 liter heldere vloeistof, bevattende cocaïne,

  • -

    in de zuiveringsruimte, 270 liter gele olieachtige vloeistof, bevattende cocaïne,

  • -

    in de zuiveringsruimte 400 liter heldere vloeistof, bevattende cocaïne,

  • -

    in de droogruimte, restanten wit poeder, cocaïne,

  • -

    in de droogruimte, in een IBC 2 boterhamzakjes met 1000 gram wit poeder, cocaïne HCL,

  • -

    in de droogruimte, op filtreerpapier op de droogtafel wit poeder, cocaïne HCL,

  • -

    in de droogruimte, op de droogtafel een zak met 160 gram wit poeder, cocaïne HCL,

  • -

    in de extractieruimte, op diverse plekken 72 gram cocaïne HCL,

aangetroffen en in beslag genomen.39

1.5.

Zwijndrecht

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen, staat onder meer het volgende:

Op dinsdag 30 juni 2020 omstreeks 8.15 uur en later heb ik (…) een onderzoek ingesteld aan diverse goederen en chemicaliën, welke waren aangetroffen in een garagebox gelegen op perceel [adres] te [plaatsnaam] .40

Ter plaatse is het volgende aangetroffen:

900 gram metamfetamine

2 kg pseudoefedrine

4,595 kg phenetylamine

24 volle zakken wijnsteenzuur, totaal 600 kg

24 lege zakken wijnsteenzuur, wat neerkomt op 600 kg

4 emmers met wijnsteenzuur, totaal 100 kg

Zak met aluminiumfolie snippers

15 liter zoutzuur

40 liter methylthioglycolaat

10 kg kwikchloride

40 kg dimyristyl peroxy dicarbonaat.41

Het aantreffen van aluminiumfolie en kwikchloride past bij de productie van metamfetamine vanuit BMK via de aluminium amalgaam route. Het aantreffen van zoutzuur past bij het kristalliseren van de metamfetamine olie in kristallen. (Pseudo)efedrine is een geneesmiddel dat ook als grondstof gebruikt kan worden voor de productie van metamfetamine.42

1.6.

Lelystad

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 22] staat onder meer het volgende:

Op 29 juni 2020 werd binnengetreden op grond van artikel 9 van de Opiumwet in de loodsen [straatnaam] [.] te [plaatsnaam] . In de loodsen werd een grote afgeschermde ruimte aangetroffen, die kennelijk werd ingericht om als productielocatie voor de productie van synthetische drugs te gaan dienen.

Door medewerkers van de afdeling Forensische Opsporing (FO) van de Landelijk Eenheid werd een onderzoek ingesteld in de afgeschermde ruimte van de loods aan de [adres] in [plaatsnaam] .

Door medewerkers van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning en Ontmantelen (LFO) werd eveneens een onderzoek ingesteld in de afgeschermde ruimte van de loods aan de [adres] in [plaatsnaam] . Zij stelden vast dat in deze locatie een productielocatie voor de productie van synthetische drugs in opbouw was.43

2 Criminele organisatie (CSV A)

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] staat onder meer het volgende:

Uit het onderzoek is gebleken dat er vermoedelijk sprake is van een crimineel samenwerkingsverband (CSV) dat verantwoordelijk was voor het initiëren, opzetten en coördineren van de diverse productielocaties van verdovende middelen. Waarna dezelfde criminele organisatie zorg droeg voor een gecoördineerde verkoop van de eindproducten drugs. Teneinde de verkregen winst voor een gedeelte uit te keren aan de leden van de organisatie en de rest opnieuw te investeren waardoor de productie van verdovende middelen exponentieel kon groeien. De specialisatie van dit CSV was de productie van methamfetamine; de ‘ijsjes’, ‘ ice ’, ‘pegels’ van goede kwaliteit.

De leden van het CSV hebben zich toegelegd op methamfetamine, maar wanneer zich andere kansen voordoen, zoals cocaïne wassen, dan staan ze daarvoor open en overwegen om hun toekomst te verleggen.

De doelstelling om verdovende middelen te produceren en verhandelen, op dusdanige wijze dat de organisatie steeds blijft groeien en de omzet vermeerdert, wordt meermaals expliciet benoemd in Encrochat-gesprekken.44

In het bijgevoegde Excel-bestand Encrochat-berichten t.a.v. productielocatie methamfetamine Herwijnen staat onder meer het volgende:

9 april 2020

[account verdachte]

Over rekening red hebben we het nog.

Daarom is die ketel ook grkoeld

[account medeverdachte 3]

We zijn al vanaf januari daar bezig

Nou45

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] staat onder meer het volgende:

De hoeveelheid dagelijkse Encrochat-berichten die de verdachten naar elkaar versturen over allerhande bezigheden die te maken hebben met de productie, handel en distributie van verdovende middelen, toont aan dat zij een groot gedeelte van hun tijd aan dit ‘werk’ besteden. Kennelijk hebben velen van hen er letterlijk een ‘dagtaak’ aan.

Men is dagelijks bezig met het opzetten, coördineren en runnen van de methamfetamine productielocaties. Wat hierbij opvalt, is de professionele en gestructureerde wijze waarmee er ‘onder de radar’ wordt geopereerd. Uit de bevindingen in het onderzoek blijkt dat er binnen deze structuur sprake is van een bepaalde rolspecificatie waarbij iedere deelnemer zorg draagt voor een onmisbaar onderdeel in het proces. Het heeft discipline, onderlinge afstemming en een groot netwerk van de deelnemers gevergd om een organisatie van deze aard en omvang in bedrijf te hebben en te houden. Daarbij werd deze organisatie [....] tijd effectief onttrokken aan het oog van politie en justitie.46

Aan de hand van de financiën en de wijze waarop de verdachten betaald krijgen voor hun werkzaamheden, valt eveneens een hiërarchische structuur te ontwaren.47

3 Criminele organisatie Nijeveen (CSV C)

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] staat onder meer het volgende:

De verdachte [U] is aangehouden in ruimte 6, slaapkamer 2, van het in werking zijnde laboratorium/wasserij.

Hij heeft verklaard dat hij de verdachte [B] heeft aangesproken alszijnde de chef van het laboratorium/wasserij.

De verdachte [C] is aangehouden in ruimte 6, slaapkamer 2, van het in werking zijnde laboratorium/wasserij.

Hij heeft de verdachte [D] aangewezen als degene die zich bezig heeft gehouden met de elektriciteit en de bewaking van de anderen.48

Het proces van terugwinnen van opgeloste cocaïne uit dragermateriaal is een secuur, ingewikkeld en gevaarlijk chemisch proces. Hiervan is bekend dat dit slechts uitgevoerd kan worden door mensen met kennis hiervan, niet alleen vanwege de gevaarzetting, maar ook gezien vanuit het winstbelang. Onzorgvuldig handelen, leidt tot verlies van de grondstoffen en dus verlies in opbrengsten. Personen die werkzaam zijn in een dergelijk laboratorium/wasserij hebben dus verstand van (een gedeelte van) dit proces.49

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] staat onder meer het volgende:

Uit het onderzoek naar de Encrochat data blijkt dat [account van O] ( [O] ) vermoedelijk onder andere [P] (NN) gebruikt om zaken in Nederland te regelen. In april 2020 hebben [account van O] en [P] onderling contact over het regelen van een locatie. Deze locatie blijkt achteraf vermoedelijk de [adres] te [plaatsnaam] te zijn en wordt niet door [account van O] in gebruik genomen. Halverwege mei 2020 wordt er vermoedelijk een andere locatie gevonden, namelijk de [adres] te [plaatsnaam] .50

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] staat onder meer het volgende:

27 maart 2020

[account medeverdachte 6]

Maat overleg even met [.]

Hij wil dat we zijn blokken verkopen

[.]

Origineel

27500

Die [.] van ons

[.]

Er is nu binnen gekomen van hem

Heel veel

Hij vroeg het

(…)

27250 op aantallen

Wij eten met hem denk

Hij zeg vraag 2750051

23 april 2020

[account verdachte]

Ik kom daar zoiezo niet. als hun bouwen en chauff hebben. Wij hebben de mensen. Als de grenzen open gaan

(…)

(…)

[account verdachte]

Zou mooi zijn voor dat in systeem. Ik ga nu containers laten plaatsen enz. maar is veel gedoe

We gaan er net lekker draaien. Straks moeten we stoppen om die blokken te doen

[account medeverdachte 6]

Ja precies52

25 april 2020

[account verdachte]

[account van O] : Ja alles is goed maat, de eerstvolgende zitten de spullen erin
[account verdachte] : Ben benieuwd. Man
[account van O] : Doe eerst 200 als erna alles goed gelijk een ton erin
[account verdachte] : Serieus
: Poeh

snap je maat

[account medeverdachte 3]

Ik ga me boot vasr bestellen maat

[account verdachte]

Je twijffel

Ik zag het

(…)

Daarom ben ik zo happig op dit verhaal

Hier zit het echte geld in

In betaald 4800€ inkoop

Dus als we 100kg doen

Ga zelf maar rekenen

480k

Dat kunnen we met onze ploeg makkelijk

[account medeverdachte 3]

Ik twijfel niet maat

[account verdachte]

Dit zijn goeie contacten maat. Ik heb nog meer van zulke. Alleen ik ben nog niet zo kappitaal krachtig. Beetje pech gehad.

[account medeverdachte 3]

Ik ben voorzichtig

[account verdachte]

En heb geld weg gelegd voor al fout gaat53

4 Betrokkenheid criminele organisatie bij productielocaties en opslagplaatsen

In het bijgevoegde Excel-bestand Encrochat-berichten t.a.v. productielocatie methamfetamine Herwijnen staat onder meer het volgende:

6 juni 2020

[aanduiding verdachte]

Maat gaat niet door

[account medeverdachte 5]

Meen je niet

[aanduiding verdachte]

Ja maat

[account medeverdachte 5]

Onze plek

Niemand gepakt

[aanduiding verdachte]

Jawel

[account medeverdachte 5]

Wees maar blij dat het wat trager ging

Van ons gepakt. Die mex toch niet

[aanduiding verdachte]

Jawel

Maar we kunne. Gewoon dokr maat

[account medeverdachte 5]

Welk hok is nu weg dan

Maar. Wat is er. Nu precies aan de hand

[aanduiding verdachte]

Waar ze de olie afdraaiden voor ons

[account medeverdachte 5]

Mexicanen

[aanduiding verdachte]

Yep

[account medeverdachte 5]

Pfff

Die jongen die bij mijn was

Of die niet

Maar met wat heb die ollie te maken dan

Die ollie is er toch nog

[aanduiding verdachte]

In preciepe niks

Maar zonder locatie ken je niet afmaken he

Maat je mag het tegen niemand zeggen he

Dat van oms was

[account medeverdachte 5]

Ik zeg niks54

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] staat onder meer het volgende:

8 juni 2020

[aanduiding 5]

Hij zei me net dat dit was niet door de telefon iemand heeft tips aan popo gezegd over de locatie

(…)

(…)

[aanduiding 5]

55

(*Ivm herleidbaarheid is de afbeelding verwijderd.)

(…)

(…)

[aanduiding 5]

56

(*Ivm herleidbaarheid is de afbeelding verwijderd.)

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] staat onder meer het volgende:

Op 26 juni 2020 werd er op het adres [adres] te [plaatsnaam] een productielocatie van verdovende middelen aangetroffen.57

[aanduiding 1] deelt verschillende afbeeldingen.58

7 juni 2020

[account medeverdachte 6]

Thank you

Is allemaal 2 die 1 is al weg.

[aanduiding 1]

734 fotos allemaal van die boer dat ie in de tuin aan het werk is hrb nu binnen gehangen.59

Hieronder wordt foto 18 uit PV AH-002-01 getoond. Er zijn een aantal rode cirkels weergegeven. Bij elk van deze cirkels staat een cijfer dat refereert aan een afbeelding die [aanduiding 1] aan [account medeverdachte 6] heeft gestuurd.

(*Ivm herleidbaarheid is de afbeelding verwijderd.)

Op 7 juni 2020 stuurt [aanduiding 1] de volgende afbeeldingen (1 en 2) door naar [account medeverdachte 6] . Deze afbeeldingen zijn vermoedelijk overeenkomstig met de rode cirkel 1 op foto 18 van PV AH-002-01. De overeenkomsten zijn onder andere:

- de houten kap boven het kookstel
- de witte kleine lamp die aan de houten kap is vastgemaakt
- het soort pan

- het kookstel dat naast de pan staat

- het tafeltje waar het kookstel op staat (de tegels, vorm en houten rand van het blad)

- de ondergrond (smalle houten planken)60

Afbeelding 1.

(*Ivm herleidbaarheid is de afbeelding verwijderd.)

.

Afbeelding 2.

(*Ivm herleidbaarheid is de afbeelding verwijderd.)

Op 7 juni 2020 stuurt [aanduiding 1] afbeelding 3 naar [account medeverdachte 6] . Deze afbeelding toont overeenkomsten met cirkel 2 van foto 18 van PV AH-002-01 . De overeenkomsten zijn onder andere:

- de roodzwarte pannen

- de blauwe grote emmer onder de tafel

- de metalen pan onder de tafel

- de houten planken op de vloer61

Afbeelding 3.

Op 7 juni 2020 stuurt [aanduiding 1] afbeelding 4 naar [account medeverdachte 6] . Deze afbeelding toont vermoedelijk overeenkomsten met cirkel 3 van foto 18 van PV AH-002-01. De overeenkomsten zijn onder andere:

- de plastic emmer die voor een deel gevuld is met een donkere substantie

- de plastic vierkante emmer die achterin staat

- de houten ondervloer

- het blauwe vat met een wit etiket

- een witte emmer voor het blauwe vat

Afbeelding 4. 62

(*Ivm herleidbaarheid is de afbeelding verwijderd.)

Hieronder wordt foto 15 uit PV AH-002-01 getoond. Ook is er een rode cirkel weergegeven. Bij deze cirkel staat een cijfer dat refereert aan een afbeelding die [aanduiding 1] aan [account medeverdachte 6] heeft gestuurd.

(*Ivm herleidbaarheid is de afbeelding verwijderd.)

Op 7 juni 2020 stuurt [aanduiding 1] de afbeelding 5 (zie hierna) door naar [account medeverdachte 6] . Deze afbeelding is

vermoedelijk overeenkomstig met de rode cirkel 1 op foto 15 van PV AH-002-01. De overeenkomsten zijn onder andere:

- de witte (vries)kist

- het rooster en de gele sticker/label aan de onderkant/zijkant van de vrieskist

- de groene Heineken krat op het vriezer

- de poot van de tafel naast de vrieskist

- de houten planken vloer63

Afbeelding 5.64

(*Ivm herleidbaarheid is de afbeelding verwijderd.)

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 13] staat onder meer het volgende:

Ik verbalisant herkende de verstuurde foto’s van “ [account medeverdachte 5] ” als de productielocatie [adres] te [plaatsnaam] . Ik baseer mijn herkenning op het feit dat ik als pand-coördinator op 30 juni 2020, ruim 12 uur op genoemde locatie aanwezig was. Zowel door collega’s van het LFO als door mij zijn tientallen foto’s gemaakt van de situatie ter plaatse. Een aantal van die foto’s zullen in dit proces-verbaal worden vergeleken met de verstuurde foto’s van “ [account medeverdachte 5] ”.65

Uit Encrochat-berichten via toestel met het IMEI-nummer [IMEI-nummer] , zoals in gebruik bij de verdachte [medeverdachte 5] , waarbij deze gebruikmaakt van zijn Encrochat-account; [account medeverdachte 5] , blijkt het volgende:

[account medeverdachte 5] stuurde foto’s naar de account van [account verdachte] .

Foto 1: Bron: Foto LFO

Soortgelijke bakstenen als op foto 2.

Foto 2: Bron: Foto Encrochat [account medeverdachte 5] (verdachte [medeverdachte 5] )

Foto 3: Bron: Foto verbalisant [verbalisant 13]

Foto 4: Bron: Foto Encrochat [account medeverdachte 5]

Ik verbalisant herken de ruimte zoals getoond op foto 4. Dit betreft dezelfde ruimte als foto 3. Tijdens mijn aanwezigheid daar, trof ik in die wasruimte dezelfde roldeur, het grondrooster, de containers, de tegelvloer en wandtegels aan. Ik kan mij hierin niet vergissen.66

Foto 5, 6 en 8 zijn op 30 juni 2020 door opsporingsambtenaren gemaakt in perceel [adres] te [plaatsnaam] .

Foto 7 en 9 zijn afkomstig uit de Encrochat van [account medeverdachte 5] .

De overeenkomsten zijn de tegelvloer, het rooster, de roldeur, soortgelijke blauwe vaten en jerrycans met rode dop.67

Foto 10 is door verbalisant gemaakt op 30 juni 2020 in perceel [adres] te [plaatsnaam] .

Foto 11 is afkomstig van [account medeverdachte 5] en staat hieronder.

De overeenkomsten tussen foto 10 en 11 zijn;

  • -

    de vloer en wandtegels

  • -

    de rood-bruine ijzeren stellage

  • -

    de blauwe containers

Ik verbalisant herken de situatie op beide foto’s als de “wasplaatsruimte” in perceel [adres] te [plaatsnaam] .68

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 14] staat onder meer het volgende:

In onderzoek 26Rockdale onderzocht ik gegevens uit 26lemont, te weten Encrochat-berichten die betrekking hebben op de feiten uit 26Rockdale. In de gegevens zag ik de hier onder weergegeven foto’s.

Foto verzonden door [account medeverdachte 6] aan [account verdachte] op 12 juni 2020 om 06.19 uur (UTC).

Foto verzonden door [account medeverdachte 6] aan [account verdachte] op 12 juni 2020 om 06.19 uur (UTC).69

Foto verzonden door [account medeverdachte 6] aan [account verdachte] op 12 juni 2020 om 06.19 uur (UTC).

Foto verzonden door [account medeverdachte 6] aan [account verdachte] op 12 juni 2020 om 06.19 uur (UTC).70

Foto verzonden door [account medeverdachte 6] aan [account verdachte] op 12 juni 2020 om 06.19 uur (UTC).

Ik herkende de hal op deze foto’s als de manege ‘ [.] ’ op het adres Nijeveense

[adres] in [plaatsnaam] waar op vrijdag 7 augustus 2020 een in werking zijnde cocaïne-wasserij werd aangetroffen. Ik herkende de ruimtes in aanbouw op de foto’s als de ruimtes waarin deze cocaïne-wasserij zich bevond, Op 7, 8 en 9 augustus 2020 doorzocht de Rechter-Commissaris deze manege en was ik, verbalisant, daar aanwezig ten behoeve van het onderzoek. Bij het onderzoek in Nijeveen werden op 7, 8 en 9 augustus 2020 onder meer onderstaande foto’s gemaakt, waarop overeenkomsten te zien zijn met de bovenstaande foto’s.

Afbeelding: manegehal met scheidingswand met ingang cocaïnewasserij. 71

Afbeelding: bovenaanzicht ingebouwde ruimtes.72

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 15] staat onder meer het volgende:

20 mei 2020

[account medeverdachte 1]

Goedemiddag chef

Heb je nog ijsjes leggen

[aanduiding 1]

Ja maat

[account medeverdachte 1]

Hoeveel heb je er nog

[aanduiding 1]

Ik dacht nog 48 ofzo ik moet echt effe nakijken

[account medeverdachte 1]

Kun je mij dat laten weten aub ben met paar bestellingen bezig73

(…)

(…)

[account medeverdachte 1]

Kan je ze toevallig brengrn vrijdag? Of moeten we ze ophalen

[aanduiding 1]

Ok ja vrijdag brengen lukt wel

[account medeverdachte 1]

Oke top zou perfect zijn zelfde plek als laatst

(…)

(…)

21 mei 2020

[aanduiding 1]

Hoe laat wil je die stukken hebben morgen

[account medeverdachte 1]

Hoe laat voor jou uit kom

Het liefst rond 12 net als laatst74

(…)

(…)

[aanduiding 1]

Heb jij nog adres voor de zekerheid

[account medeverdachte 1]

Zelfde als laats

[straatnaam] [plaatsnaam]75

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 16] staat onder meer het volgende:

27 mei 2020

[account medeverdachte 4]

Jo maat waar moeten we wezen en moet vroeg mogelijk als het kan ivm met die koks

Dus zeg het maar

[aanduiding 8]

Zeg maar 9 uur

[account medeverdachte 4]

En waar is het?

[aanduiding 8]

[plaatsnaam] [straatnaam]76

5 Identificaties gebruikers Encrochat accounts

5.1.

[account medeverdachte 1] , [account verdachte] , [aanduiding verdachte] en [account medeverdachte 2]

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] staat onder meer het volgende:

(…) vond onderstaand chatcontact plaats tussen [account medeverdachte 1] en [e-mailadres]

(…)

11 mei 2020

[account medeverdachte 1]

Ben zo ff naar die kleine van me man die is opgenomen in het ziekehuis man met een herseschudding pfff77

Op 15 mei 2020 vond onderstaand chatcontact plaats tussen [account medeverdachte 1] en [.] .

15 mei 2020

[aanduiding 4]

Heb miss een klusje voorje

[account medeverdachte 1]

Ja hou maar op heb nog nooit zoveel gewerk laatste tijd

[.]

[aanduiding 4]

Hahaha

Vloer glad makrn van bedrijfspand

[account medeverdachte 1]

Wat vlak maken egaliseren?

[aanduiding 4]

Ja

(…)

(…)

[account medeverdachte 1]

Ja laay hem maar bellen

Uit bovenstaand chatbericht valt op te maken dat [account medeverdachte 1] mogelijk werkzaam is in bouwwerkzaamheden/vloeren.

Op basis van bovenstaande bevindingen is er een zoekslag gemaakt in de systemen van de politie om criminele contacten van [account medeverdachte 4] te achterhalen die aan deze bevindingen voldoen. Hieruit is naar voren gekomen: [medeverdachte 1] , geboren op [1987] te [plaatsnaam] , GBA ingeschreven op de [adres] te [plaatsnaam] en met bekend woonadres [adres] te [plaatsnaam] . Beide adressen zijn op loopafstand van de [straatnaam] . Verder is [medeverdachte 1] gekoppeld aan het bedrijf [onderneming 1] , wat zich onder andere bezig houdt met betonvloeren.

Uit verder onderzoek in de systemen is gebleken dat [medeverdachte 1] samen met [E] , geboren op [1993] te [plaatsnaam] , een kind heeft, [Q] , geboren op [2019] te [plaatsnaam] .78

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 18] staat onder meer het volgende:

Tijdens de doorzoeking op de [adres] te [plaatsnaam] zijn de onderstaande digitale goederen in beslag genomen.79

Samengevat werd het volgende bevonden omtrent de veiliggestelde data van de iPhone:

- De Apple ID betreft [e-mailadres] . [G] betreft de vriendin van

verdachte [verdachte] .

In de chatberichten vond een ik een WhatsApp bericht tussen [G] en “ [H] ”. [G] zegt dat ze [R] naar school moet brengen en dat [Q] in het ziekenhuis ligt.

11 mei 2020

[G]

Ben morgen iets later. Moet [R] naar school brengen. Doe slaap heir want [Q] ligt in het ziekenhuis

[H]

Oh wat heeft hij? Ernstig?

[G]

Een hersenschudding gevallen op z’n hoofdje. Moet een nachtje blijven ter observatie.80

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 19] staat onder meer het volgende:

(…) vond er op 30 juni 2020 te 06:31 uur een doorzoeking ter inbeslagneming plaats in de woning, [adres] [postcode] te [plaatsnaam] , zijnde van de onder dit onderzoek bekende verdachte:

Naam: [medeverdachte 1]

Voornamen: [medeverdachte 1]

Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte [medeverdachte 1] werd er een doosje aangetroffen waarin een mobiele telefoon heeft gezeten. Op dit doosje stond het IMEI-nummer [IMEI-nummer] en IMSI [imsi] afgedrukt. (Zie afbeelding in de bijlage.)

Uit het onderzoek 03appel20 is naar voren gekomen dat het IMEI-nummer [IMEI-nummer] is gekoppeld aan de Encrochat gebruiker met de naam [account medeverdachte 1] en het emailadres: [account medeverdachte 1] en dat de gebruiker hiervan is de verdachte [medeverdachte 1] .81

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] staat onder meer het volgende:

In een chat op 1 april 2020 tussen [account verdachte] en [aanduiding 9] @ [.] lijkt een nieuwe chat te starten en vraagt [aanduiding 9] aan [account verdachte] : “Wie is dit?”. [account verdachte] antwoordt hierop met “ [....] [.] ”.82

Uit deze analyse kwam naar voren; [verdachte] , geboren op [1981] te

[plaatsnaam] . [verdachte] blijkt een VOF ( [verdachte] & [medeverdachte 2] ) te hebben samen met de eerder genoemde [medeverdachte 2] , gevestigd op de [adres] te [plaatsnaam] . Ook het bedrijf van [medeverdachte 1] , [onderneming 1] , heeft op internet het bezoekadres [adres] te [plaatsnaam] .

Daarnaast blijkt uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) dat [verdachte] op de [adres] te [plaatsnaam] woont. [verdachte] woont samen en heeft twee kinderen met [medeverdachte 1] , [I] , geboren op [1978] te [plaatsnaam] . Deze [G] is de zus van de eerder genoemde [medeverdachte 1] .83

18 april 2020, 16:01 uur

[aanduiding 3]

Ja goed loop [.] /dagen te teksrn maar geen gehoor (…)

[account medeverdachte 1]

Ja die zit op ze boot die is aan het zinken

Hij reageer bij mij ook niet

[aanduiding 3]

Oke heb je met die ouwe dingen hr84

18 april 2020, 16:19 uur

[account verdachte]

Was er wel gister. Alleen beetje druk. Me boot was bijna gezonken

(…)

(…)

[aanduiding 3]

Ja hoorde het je swager zij die ouwe booten zinken allemaal.85

In het eerste deel van dit proces-verbaal werd al beschreven dat de gebruiker van [account verdachte] -/ [account verdachte] zowel zichzelf als door anderen ‘de [....] ’ genoemd wordt. In de systemen van de politie, meer specifiek Basis Voorziening Handhaving (BVH), is een signalement van [verdachte] vastgelegd, waarbij een lichaamslengte van 1,91m vastgelegd is.

1 april 2020

[account verdachte]

Ja veel oude mensen gaan dood. Is echt erg. Wij (…) ook voor onze oma. 87 jaar

Naar aanleiding van dit bericht is er gekeken in het GBA naar de oma’s van zowel [verdachte] als die van zijn vrouw/vriendin [G] . Hieruit bleek nog maar één oma in leven te zijn, namelijk mevrouw [J] , geboren op [1932] te [plaatsnaam] . Dit is de oma aan de moederszijde van [medeverdachte 1] . Mevrouw [J] is ten tijde van het verstuurde chatbericht 87 jaar oud, wat dus past bij [verdachte] als gebruiker van de Encrochat-accounts [account verdachte] -/ [account verdachte] .86

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 20] staat onder meer het volgende:

Uit een CIOT bevraging blijkt dat het nummer + [telefoonnummer] op naam stond van [medeverdachte 2] en [verdachte] . Dit nummer stond geregistreerd op het adres van [verdachte] , namelijk de [adres] te [plaatsnaam] . In een BVH registratie uit 2017 staat dat [verdachte] gebruik maakt van het mobiele telefoonnummer + [telefoonnummer] .

Op 25 juni 2020 vond er een telefoongesprek plaats tussen [telefoonnummer] [medeverdachte 1] en [telefoonnummer] [verdachte] [medeverdachte 1] opende het gesprek met “Hé [....] .” Vervolgens vraagt [medeverdachte 1] naar de kosten van een omvormer.87

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 20] staat onder meer het volgende:

18 mei 2020

[account verdachte]

Moet eeen nieuwe naam hebben voor [.]

ben de verzinner

(…)

(…)

(…)

[account medeverdachte 6]

[aanduiding verdachte]

[account verdachte]

Ik hoop het

[account medeverdachte 6]

Je naam

[account verdachte]

Ja ga ik doen88

18 mei 2020

[account verdachte]

Ken je voor mij een telefoon regelen

[aanduiding 2]

Kan maat een [.] ?

(…)

(…)

[account verdachte]

[aanduiding verdachte] . Ken dat

[aanduiding 2]

Kan ik morgen voor je checken of die naam lukt systeem zit bij me neef

Denk wel dat tie pakt

(…)

(…)

19 mei 2020

[aanduiding 2]

Hee maat [aanduiding verdachte] gaat niet heb er [aanduiding verdachte] van gemaakt

[account verdachte]

toppie89

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] staat onder meer het volgende:

Op 3 juni 2020 vond onderstaand chatcontact plaats tussen [account medeverdachte 1] en [account medeverdachte 2] waaruit blijkt dat er een ontmoeting plaats gaat vinden waarbij [account medeverdachte 2] betrokken is. Bij deze ontmoeting zou er vermoedelijk geld overgedragen worden aan [account medeverdachte 2] .

3 juni 2020, 18:36 uur

[account medeverdachte 1]

5 minuten is die er maat

[account medeverdachte 2]

Ok ik stavin een grijze caddy

Bovenstaande ontmoeting is tijdens een actie van het observatieteam waargenomen en fotografisch vastgelegd. Onderstaande foto’s tonen de bestuurder van de grijze Caddy die overeenkomstig met de chats op de genoemde locatie en tijdstip daar stond en daar een ontmoeting had met een voor het onderzoeksteam onbekende persoon.

Foto 1. 90

(*Ivm de herleidbaarheid naar een natuurlijk persoon is de foto verwijderd.)

Foto 2.

(*Ivm de herleidbaarheid naar een natuurlijk persoon is de foto verwijderd.)

Uit bovenstaande berichten valt op te maken dat de persoon op foto 1 en foto 2 de gebruiker is van [account medeverdachte 2] .

Bij het bekijken van de foto van [medeverdachte 2] , afkomstig uit de Strafrechtsketendatabank (SKDB) herkende ik deze persoon als de persoon die op bovenstaande foto’s te zien is.91

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] staat onder meer het volgende:

Op 6 april 2020 vond er een chatgesprek plaats tussen gebruiker [account medeverdachte 2] en [account medeverdachte 9] .

6 april 2020 14:57 uur

[account medeverdachte 9]

Yo maat alles oke?

Kan je me bellen voor stuc klusje wat ik je laatst vroeg voor bij mij thuis

[account medeverdachte 2]

Jojo

[.]

(…)

(…)

[account medeverdachte 2]

Ja ik kqn niet bellen met deze hahhahaha

[account medeverdachte 9]

En wanneer hedde tijd daarvoor?

[telefoonnummer]

Is [.]

(…)

(…)

[account medeverdachte 2]

Ok maat ik bel je

Hahahahahahahahaha

Gekke driekus

Ben bijna thuis bel je zo ff maat

Uit onderzoek 03Appel20 blijkt dat de verdachte [medeverdachte 2] ( [account medeverdachte 2] ) de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Van dit nummer werden de historische verkeersgegevens telefonie bevraagd over de periode 25 december 2019 tot en met 25 juni 2020 (808069). Bij analyse van deze gegevens bleek dat het telefoonnummer [telefoonnummer] ( [medeverdachte 2] ) op 6 april 2020 omstreeks 17.34 uur contact had met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Telefoonnummer [telefoonnummer] werd door [account medeverdachte 9] opgegeven in bovengenoemde chatgesprek.92

In een Antwoord Details Afdrukrapport van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) staat onder meer het volgende:

Telefoonnummer: [telefoonnummer]

Voorletters: [.]

Achternaam: [medeverdachte 2]93

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] staat onder meer het volgende:

30 maart 2020

[account verdachte]

Ik ben met paar grote projecten bezig maat. Echt groot

En grote groepen. Dus hopelijk klaar deze jaar

[account medeverdachte 2]

Hahahhaha ik ben niet achterlijk maat ik ken je pas 35 jaar

Vergeet je maat niet dan kan ik mischien een uurtje per dag minder gaan werken zou top zijn94

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard:

Ik ken [medeverdachte 2] al heel lang, van kinds af aan ongeveer.95

In het proces-verbaal van verdenking van verbalisant [verbalisant 21] staat onder meer het volgende:

Op 25 februari 2017 werd [medeverdachte 2] aangehouden in verband met de verdenking van diefstal/heling van een scooter. Bij zijn verhoor gaf [medeverdachte 2] aan dat hij woonachtig was op de [adres] in [plaatsnaam] en dat hij als zelfstandig stukadoor zou werken.96

In het bijgevoegde Excel-bestand Encrochat-berichten t.a.v. productielocatie methamfetamine Herwijnen staat onder meer het volgende:

28 maart 2020

[aanduiding 6]

(…) Als ik indicatie heb zet ik in ieder geval me wekker anders ben ik niet te bereiken net als kingkongflappie97

5.2.

Bijnamen

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] staat onder meer het volgende:

In dit proces-verbaal worden de eigen namen genoemd van de geïdentificeerde gebruikers van de diverse chataccounts.

Account

Gebruiker

Bijnamen in de chat

[account verdachte]

[verdachte]

[....]

[account medeverdachte 6]

[medeverdachte 6]

[....]

[account medeverdachte 2]

[medeverdachte 2]

[....]

[account medeverdachte 3]

[medeverdachte 3]

[....]

[account medeverdachte 1]

[medeverdachte 1]

[....]

[account medeverdachte 5]

[medeverdachte 5]

[....]

[account medeverdachte 9]

[medeverdachte 9]

[....]

[account medeverdachte 8]

[medeverdachte 8]

[account medeverdachte 4]

[medeverdachte 4]

[....]

[account medeverdachte 7]

[medeverdachte 7]

[....] 98

6 Betrokkenheid [account verdachte] en [aanduiding verdachte] bij productielocaties en opslagplaatsen

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 15] staat onder meer het volgende:

17 april 2020

[account medeverdachte 3]

Ik ga straks ff met die [....] overleggen ook99

(…)

(…)

[account medeverdachte 5]

Hij reageert nog niet.

[account medeverdachte 3]

Die olie moet toch klaar denk ik maat

Zien we later wel hoe we afbal kunnen verminderen

[account medeverdachte 5]

Oke. Dan ga ik door

[account medeverdachte 3]

De baas moet beslissen100

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] staat onder meer het volgende:

27 maart 2020

[account verdachte]

(…)

: Is alleen maar zooitje daar. Slecht geregeld ook. (..) Denk dat jullie er te makkelijk over gedacht hebben.

(…)
[account medeverdachte 2] : Nee maat het is een zooitje geworden door die olie maken echt waar lag net plat in die container door die kkzooi allemaal hun zijn achter in die container aan het zoeken.
[account verdachte] : ik neem aan dat je gs gescheiden weg zet. Sorteren. Net als bij je werk.

: Is gewoon een troepje zo. En iedereen geeft elkaar de schuld.

: En dan komen ze weer bij mij terecht

[account medeverdachte 2] : je hebt gelijk maat

[.] : Ik ga kijken wat ik kan doen nu
[account verdachte] : Ok

(…)101

29 april 2020

[account verdachte]

ik koop nu aan 6.5 maat dus als je voor die prijs kan doen

: wat koop die aan?

[account medeverdachte 6] : voor die ijsjes

[account medeverdachte 6] : ben je alles kwijt onder de radar

: is dat voor alles102

: tik die ze gelijk af. Alles

[account medeverdachte 6] : Ja

[account medeverdachte 6] : en kunne dan alles iedere keer brengen

[account medeverdachte 6] : denk wel beter

: ok dan moet je met [.] overleggen.

: dan ga ik met [....] overleggen

[account medeverdachte 3]

Dat is voor wat er nu nog ligt?

[account verdachte]

Nee blijkbaar koper voor alles wat er kom. Zoals ik lees

Ik ga vragen want er komen 400 bij ons en noorden maak ook nog wel 200

(…)

(…)

[account verdachte]

Ja maar we zijn niet de enige. 3 jaar geleden 13000

We moeten nu knallen. En wanneer markt kapot is kappen

[account medeverdachte 3]

Ja als je het mij vraag is dat beter gelijk alles weg toch

[account verdachte]

: 400 tot 600 per maand

: met groningen erbij

(…)

: 1000 liter doen ze 14 dagen over. Dus 380 stuks

: Misschien kunnen we nog opvoeren

: Maar veel niet meer denk

[account medeverdachte 6] : Ja is beter zeg die

(…)

[account medeverdachte 6] : hij geef vanavond bevesteging maar denk dat het door gaat

[account verdachte]

Ja en cashen

Beste maat

Geen risico ook

(…)

(…)

[account verdachte]

[....] . Ken max 1000 maken per maand. Als red ook 1000 aanlever

Dan hebben we massa productie 760 per maand

5.6 mil omzet

Maar goed dit is je eigen rijk rekenen

Maar om op dat level te komen zullen we door moeten pompen103

(…)

(…)

[account verdachte]

Ik heb alles in mijn telefoon staan

Op de euro nauwkeurig

Maar ik moest ook beetje schuiven met geld. Om naar dit level te komen

Dat snap je wel denk. Anders was het nooit gelukt.

Ik heb dat geld van die vriend van mij van die appaan alles door geduwd. Geld van [....] 60k. geld van mij. geld van jou

Maar we zijn er bijna. We hebben nu het geld in handel leggen

(…)

(…)

[account verdachte]

Laat zeggen 100k ik. 60k [....] . 60k jij. 150k die maat

Maat ik heb noorden ook nog. Zoals ik je zei. Dit gaat niemand geld kosten104

28 mei 2020

[aanduiding 7]

Schat [.] heeft met je al gesproken?

[account medeverdachte 1]

Er is nof geem geld

[aanduiding 7]

Okee ik ga [account verdachte] effe maile. Omdat kok heeft afspraak om geld te sturen naar mx en die vraag me elke x

[account medeverdachte 1]

Ik kan er niet bij zo

Moet eerst van jeffe horen dat ik het kan pakken snapje

Anders kan ik niet bij de papieren komen.105

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] staat onder meer het volgende:

12 mei 2020

[account verdachte]

Maar wat denk je kwa prijs

[account medeverdachte 6]

De helft naar ons

Zakken ook

Is niet anders

[account verdachte]

Denbosch is klaar en grensen gaan weer open

Die moet steigen hoor

[account medeverdachte 6]

Ja of wachtenn

Ja denk ik ook

[account verdachte]

6600€ laten vragen nu door [....]106

20 mei 2020

[account verdachte]

Heb je balans noorden voor mij

130k. [.]

62500,- [.]

42500,- [.]

Zo moet die trouwens he

[.] 62500

En vam die 130k geef ik jou en flap even wat leefgeld107

(…)

(…)

[account medeverdachte 1]

Dit is den nieuwe uitgave dan van gronibgen

Chef. 20.000

Chef. 90.000

Investering [.] . 130.000

Investering [.] . 62.500

Investering [.] . 42.500

Enndit de inkomsten

Startpot. 25.275.

10 retesteker. 65.000.

3 [....] 19.500

40 [....] . 254.320.

4 [.] . 27.000

15 [....] 97.500

3 retesteker 19.500.

5 lip. (2.25 betaal. 14.000108

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] staat onder meer het volgende:

[verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] even rustig moet doen en noemt [medeverdachte 1] een ‘halve haan’ omdat [verdachte] net een project rondgemaakt heeft via ‘hem’; ‘2500 liter base wassen naar coke’. Hierop stuurt [verdachte] de foto van het screenshot van een gesprek met de satellietweergave van de locatie in Nijeveen.

109

(*Ivm herleidbaarheid is de afbeelding verwijderd.)

15 mei 2020

[account medeverdachte 6]

Ik heb die locatie twente

Boederij alles van hem huis ernaast

[account verdachte]

Mooi wat zeg [.]110

(…)

(…)

[account medeverdachte 6]

.111

(*Ivm herleidbaarheid is de afbeelding verwijderd.)

15 mei 2020

[account verdachte]

Ja klop. Maar kijkneens wat we nu hebben.

[.] . Jullie

En vandaag was project rond gemaakt.

En overal heb ik geld in gedaan he112

7 juni 2020

[aanduiding verdachte]

In princiepe hoeven wij niks te doen

[aanduiding verdachte]

Wij hebben de locatie geregeld voor hun. En helpen hun met allerlij dingen

[aanduiding verdachte]

Daardoor kunne. Wij mee spelen op hun lijnen

(…)

(…)

[aanduiding verdachte]

Zo hebben wij ook gedaan. 10 gedaan. Daarna 40 (..)113

In het bijgevoegde Excel-bestand Encrochat-berichten t.a.v. productielocatie methamfetamine Herwijnen staat onder meer het volgende:

11 juni 2020

[account van O]

165500

Voor 36 stuks erbij

Is 15.000.000 colo peso

Rate 3250

[aanduiding verdachte]

Ik ga dat geld straks naar vitral laten brengen goed

[account van O]

Is goed

[aanduiding verdachte]

Wanneer gaat de volgende maat

[account van O]

Met 10 dagen

[aanduiding verdachte]

Dat is deze toch

[account van O]

Ja

[aanduiding verdachte]

Gaat die erna als deze aangekomen is.

Dan ken ik daar rekening mee houden

[account van O]

Heb 2 lijnen met 2 bedrijven

Doe dezr beide

10 dagen daar zit je dan beide op

(…)

(…)

[account van O]

Kijk je zit op 2/lijnen systeem met deze

40 op de ene en 36 op de andere

Plus dan nog de eerste die is binnen al in NL nu maar volgende week gaan ze er aan beginnen blokjes maken ook

Daar zat je op met 10 en heb er nog 10 meer opgezet voor je, die 10 stuks extra dus 20 totaal

Die 10 onkost verreken ik met je als die blokken van de band rollen

[aanduiding verdachte]

Ja die andere 10 zijn voor die andere gasten met wie wij zijn

Zo hebben wij het gedaan zeg mqar

Ken ik morgen ochtend brengen. Die jongen wil nu niet meer naar de stash maat

[account van O]

Ja dat is geen probleem maat

[aanduiding verdachte]

Ok ga ik je maat berichten om af te atemmen. Bedankt he. Als dit echt zo loop maat dan ga ik alleen dit nog doen whahhahah

(…)

(…)

[aanduiding verdachte]

Hahahah nee ga gewoon alles doen. Ben verslaafd

[account van O]

Ik ook

(…)

Deze is met vlieger

Systeem

70 kilo ook.

[aanduiding verdachte]

Mooi man (...)

[account van O]

Staat in stahs in nl nu (...)

(...)

(...)

12 juni 2020

[aanduiding verdachte]

Gdm heer

Geld is afgegeven

[account van O]

Goedemorgen alles goed?

Ok top vitrus had ook doorgegeven114

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 15 maart 2021, genummerd PL0900-2020149453, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 9233. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer naar een processtuk wordt verwezen dat afzonderlijk is toegevoegd, wordt hieraan (A) toegevoegd.

2 Proces-verbaal aanvraag bevel binnendringen en onderzoek doen geautomatiseerd werk (A).

3 Proces-verbaal aanvraag bevel binnendringen en onderzoek doen geautomatiseerd werk (A).

4 Een proces-verbaal van onderzoek, p. 2733 en 2734.

5 Een proces-verbaal van onderzoek, p. 2740 en 2741.

6 Een proces-verbaal van onderzoek, p. 2733 en 2734.

7 Een proces-verbaal van veiligstellen, p. 2753 en 2754.

8 HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, r.o. 4.4.1.

9 Rb Rotterdam 16 april 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW3203.

10 EHRM 25 mei 2021, 58170/13, 62322/14 & 24960/15 (Big Brother Watch e.a. t. het Verenigd Koninkrijk) par. 497.

11 Kamerstukken II 2015/2016, 34372, nr. 3, par. 2.3.2.

12 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 11.

13 Rechtbank Midden-Nederland, 23 juli 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:4819.

14 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 11.

15 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 11.

16 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 2765.

17 Een proces-verbaal van bevindingen, p. 2764.

18 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 949 en 950.

19 Hof van Justitie van de Europese Unie 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18 en C-520/18 (La Quadrature du Net e.a), ECLI:EU:C:2020:791, r.o. 103.

20 Hof van Justitie van de Europese Unie 22 juni 2021 B tegen Latvijas Republikas Saiema, ECLI:EU:C:2021:504, rechtsoverwegingen 69-72.

21 Zie voor dit kader de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:571, rechtsoverweging 7.1.

22 NFI-rapportage ‘Sporenbeschrijving van EncroChat uit de 26Lemont gegevens in [.] ’ d.d. 17 maart 2021, NFI-rapportage ‘Onderzoek naar volledigheid en correctheid van Encrochatberichten verzameld met een technisch hulpmiddel’ d.d. 25 januari 2021 en NFI-rapportage ‘Onderzoek naar volledigheid van Encrochat berichten in de Flamenco dataset’ d.d. 3 februari 2022.

23 NFI-rapportage ‘Onderzoek naar volledigheid en correctheid van Encrochatberichten verzameld met een technisch hulpmiddel’ d.d. 25 januari 2021.

24 Kamerstukken II 1997-1998, 25 638, nr. 3, p. 3 en nr. 6, p. 2 en 4.

25 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3395.

26 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3396.

27 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3397.

28 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3512.

29 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3513.

30 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3514 en 3515.

31 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4049.

32 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4050.

33 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4051.

34 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4052.

35 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4133.

36 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4134.

37 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3705.

38 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3714.

39 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3801.

40 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4782.

41 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4784.

42 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 4785.

43 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 5342.

44 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 41.

45 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een Excel-bestand Encrochat-berichten t.a.v. productielocatie methamfetamine Herwijnen, nummer 5587 t/m 5590 (A).

46 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 61 en 62.

47 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 73.

48 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3778.

49 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3780.

50 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3934.

51 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3863.

52 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3873.

53 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3874.

54 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een Excel-bestand Encrochat-berichten t.a.v. productielocatie methamfetamine Herwijnen, nummer 15778 t/m 15856 (A).

55 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3030.

56 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3031.

57 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3551.

58 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3553.

59 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3554 tot en met 3560.

60 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3561.

61 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3562.

62 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3563.

63 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3564.

64 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3565.

65 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3974.

66 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3975.

67 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3976.

68 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3977.

69 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3919.

70 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3920.

71 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3921.

72 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3922.

73 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3678.

74 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3679.

75 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3680.

76 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 5000.

77 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 603.

78 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 604.

79 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 5274.

80 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 5282.

81 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 605 en 606.

82 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 810.

83 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 811.

84 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 813.

85 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 812.

86 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 813.

87 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 815.

88 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 5047.

89 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 5048.

90 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1030.

91 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1031.

92 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1383 en 1384.

93 Een Antwoord Details Afdrukrapport van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT), BOB-dossier [medeverdachte 2] , pagina 42 (digitale nummering) (A).

94 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3866.

95 Een proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 17, 21 en 22 februari 2022, 8 en 29 maart 2022.

96 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1026.

97 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een Excel-bestand Encrochat-berichten t.a.v. productielocatie methamfetamine Herwijnen, nummer 895 (A).

98 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 38 en 39.

99 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 5349.

100 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 5350.

101 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 2930.

102 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 2974.

103 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 2975.

104 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 2976.

105 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3021.

106 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3605.

107 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3622.

108 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3623.

109 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3898.

110 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3893.

111 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3894.

112 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3860.

113 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3902.

114 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een Excel-bestand Encrochat-berichten t.a.v. productielocatie methamfetamine Herwijnen, nummer 5199 t/m 5466 (A).