Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:1292

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-04-2022
Datum publicatie
14-06-2022
Zaaknummer
535250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot verwijdering registraties in IR, EVR en IVR afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/535250 / KG ZA 22-82

Vonnis in kort geding van 6 april 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H.M.J. Simonis te Breda ,

tegen

de coöperatie

[gedaagde] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

kantoorhoudende in [plaatsnaam 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.L. Thirij te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met als bijlagen producties 1 tot en met 17;

  • -

    de brief van [eiser] van 21 maart 2022 met als bijlage productie 18;

  • -

    de brief van [eiser] van 22 maart 2022 met als bijlage productie 19;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde] met als bijlagen producties 1 tot en met 9;

  • -

    de mondelinge behandeling op 23 maart 2022;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Daarna is er bepaald dat er op 6 april 2022 vonnis wordt gewezen.

2 Waar gaat dit kort geding over?

2.1.

[eiser] is meerdere jaren als zzp’er werkzaam geweest bij [gedaagde] als extern medewerker bij de afdeling [afdeling 1] (hierna: [afdeling 1] [.] ). Deze afdeling maakt geregeld gebruik van ondersteuning van externe medewerkers bij de beoordeling van de dossiers om achterstanden in de afwikkeling van de dossiers weg te werken. Om haar moverende redenen wilde [gedaagde] van de inzet van zzp’ers voor deze werkzaamheden af. Om die reden werden de contracten met deze externe medewerkers, en dus ook met [eiser] , in 2020 niet meer verlengd. Omdat mede daardoor een capaciteitstekort dreigde te ontstaan heeft [gedaagde] een overeenkomst gesloten met een nieuwe opgerichte onderneming genaamd [onderneming 1] B.V. (hierna [onderneming 1] ). [eiser] heeft [onderneming 1] met het oog op de voor [gedaagde] te verrichten werkzaamheden opgericht op 30 juni 2020 en is indirect bestuurder en aandeelhouder van deze onderneming.

2.2.

Op 24 december 2020 heeft [eiser] een gedeelte van zijn indirecte aandelenbelang in [onderneming 1] overgedragen aan de persoonlijke holdingvennootschap [onderneming 2] B.V. Van deze vennootschap is de heer [A] , bestuurder en enig aandeelhouder. [A] is tot 1 april 2021 werkzaam geweest als manager op de afdeling [afdeling 1] [.] .

2.3.

Op 15 maart 2021 ontving [gedaagde] een anonieme melding dat er mogelijk sprake was van een belangenconflict binnen de afdeling [afdeling 1] [.] . Naar aanleiding van deze melding heeft [gedaagde] een onderzoek gelast naar de vermeende belangenverstrengeling.

2.4.

Uit dit onderzoek van de afdeling [afdeling 2] (hierna: het onderzoek) is naar voren gekomen dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke samenwerking tussen [A] en [eiser] . Hierover is op 26 juli 2021 een rapport opgemaakt (hierna: het rapport).

2.5.

Op basis van de bevindingen uit het onderzoek vermoedt [gedaagde] dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan niet-ambtelijke corruptie (artikel 328ter Wetboek van Strafrecht). Zij heeft op 13 januari 2022 hiervan aangifte gedaan.

2.6.

Bij brief van 18 januari 2022 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat zijn gegevens zijn opgenomen in haar Incidentenregister (hierna: IR) en het bijbehorend Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR), voor een periode van 4 jaar, en in het Intern Verwijzingsregister (hierna: IVR), voor een periode van 8 jaar. [gedaagde] heeft in die brief uitgelegd dat de bevindingen uit het onderzoek zoals opgenomen in het rapport hiertoe aanleiding hebben gegeven.

2.7.

[eiser] is het met de registraties niet eens. Volgens hem heeft hij wel aandelen overgedragen aan [A] , maar dat rechtvaardigt niet dat hij in het IR, EVR en IVR staat opgenomen. [eiser] vordert daarom in dit kort geding:

primair:

I. om binnen drie dagen na betekening van het vonnis alle door [gedaagde] uitgevoerde registraties van [eiser] binnen het IR, IVR en EVR te verwijderen en het verwijderd te houden;

II. betaling van een dwangsom van € 5.000 per dag of dagdeel met een maximum van € 500.000;

III. de proces- en nakosten te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;

subsidiair:

I. de duur van de registraties binnen het IR en IVR te beperken tot 1 jaar en binnen EVR te beperken tot 2 maanden en deze aanpassingen binnen drie dagen na betekening van het vonnis door te voeren;

II. betaling van een dwangsom van € 5.000 per dag of dagdeel met een maximum van € 500.000;

III. de proces- en nakosten te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

2.8.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat zij goede gronden heeft voor de registraties. [eiser] pleegde namelijk willens en wetens zeer verwijtbare gedragingen en integriteitsschendingen die elk op zichzelf en zeker in combinatie met elkaar een bedreiging vormen voor de integriteit van [gedaagde] en het financiële stelsel. Die verwijtbare gedragingen rechtvaardigen een EVR-registratie en dus ook de minder ver gaande IVR en IR registraties. [gedaagde] heeft daarom gevraagd de vorderingen van [eiser] af te wijzen en [eiser] te veroordelen in de proces- en nakosten.

2.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 Wat oordeelt de voorzieningenrechter?

Is er een spoedeisend belang?

3.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering en is door [gedaagde] ook niet weersproken.

Inhoudelijke beoordeling

3.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in een kort geding gaat om de vraag of – vooruitlopend op de uitkomst van een bodemprocedure – een voorlopige voorziening moet worden gegeven. Dat betekent kort gezegd dat, zonder verder onderzoek, al voldoende duidelijk moet zijn dat een bodemrechter de vorderingen zal toewijzen. In deze zaak is dat onvoldoende duidelijk geworden, zodat de vorderingen zullen worden afgewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.

Mogen de bevindingen uit het rapport worden gebruikt? Ja

3.3.

In deze zaak staat het rapport met de bevindingen van het onderzoek centraal. Op basis van het rapport heeft [gedaagde] aangifte gedaan tegen [eiser] en hem geregistreerd in het IR, IVR en EVR. [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] met het onderzoek zijn privacy heeft geschonden. Uit het rapport blijkt namelijk dat [gedaagde] zijn [gedaagde] e-mailaccount heeft ingezien evenals zijn privérekeningen. [eiser] heeft in de dagvaarding gevraagd hier rekening mee te houden. Op de zitting heeft [eiser] dit gespecificeerd door te vragen om de resultaten van het onderzoek niet te gebruiken bij de beoordeling omdat die verkregen zijn door schending van zijn privacy. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet om de volgende redenen.

3.3.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het gebruik van bewijs dat (mogelijk) onrechtmatig is verkregen, niet zonder meer onrechtmatig is. Voor het antwoord op de vraag wat de betekenis moet zijn van het gebruik van bewijs dat is verkregen door de gestelde schending van de privacy van [eiser] , is relevant wat de ernst van de inbreuk op het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is (geweest) en welke belangen worden gediend door het gebruik van het betreffende bewijs.

3.3.2.

De [gedaagde] heeft tijdens het onderzoek het Protocol Internal Investigations Fraud & Corporate Security toegepast. Hierbij is het mogelijk om de zakelijke [gedaagde] e-mail- en chatberichten en bancaire (persoons)gegevens te onderzoeken. Daaraan voorafgaand is een zogenaamde proportionaliteitsmatrix gemaakt om te beoordelen of de inzet van het middel in het licht van de te onderzoeken misstanden proportioneel was. Bij zowel de e-mailgegevens, chatgesprekken en het inzien van de bancaire gegevens is die gebruikt. Het onderzoek naar relevante gegevens is beperkt gebleven tot de periode van 1 januari 2020 tot en met 24 maart 2021 en er is alleen gezocht op relevante zoektermen. Uit een en ander kan worden afgeleid dat het onderzoek proportioneel is geweest en niet een breed inzicht in het (privé) leven van [eiser] heeft gegeven. Ook uit het rapport blijkt dat [gedaagde] zeer zorgvuldig is omgegaan met de gegevens die ze heeft verkregen. In het rapport staan namelijk zo min mogelijk privégegevens van [eiser] en de medewerkers die dergelijke onderzoeken uitvoeren moeten zich houden aan een geheimhoudingsplicht.

3.3.3.

[eiser] heeft in algemene termen gesteld dat zijn privacy is geschonden. Welk nadeel hij daarvan heeft ondervonden heeft hij niet uiteengezet en blijkt ook niet uit de stukken. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat het enige nadeel dat [eiser] heeft ondervonden, het aan het licht komen van zijn zakelijke samenwerking met [A] is en dat het belang van [eiser] bij zijn beroep op bescherming van zijn privacy er in gelegen is dat die zakelijke informatie niet bekend zou worden en gebruikt wordt. [eiser] wenst daarbij dat ook informatie buiten beschouwing wordt gelaten die verkregen is vanuit onderzoek naar (privé) gegevens van [A] . Zijn belang is in die zin dus afgeleid van het vermeende belang dat [A] zou kunnen hebben bij de bescherming van diens persoonsgegevens. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit belang van [eiser] niet een belang dat artikel 8 EVRM beoogt te beschermen of in dit geval bescherming verdient. Te meer om dat uit de inhoudelijke beoordeling van de vraag of de verkregen informatie moet leiden tot de registraties (zie hierna) volgt dat het belang van de [gedaagde] bij gebruik van de verkregen informatie groot is.

3.4.

De conclusie is dat de voorzieningenrechter bij de verdere beoordeling de volledige inhoud van het rapport zal betrekken.

Mocht de [gedaagde] overgaan tot de registraties? Ja

3.5.

[eiser] heeft de in dit rapport genoemde gang van zaken niet of nauwelijks betwist. De punten die hij wel heeft betwist heeft hij onvoldoende concreet gemaakt. Hij zegt dat de lezing van [gedaagde] niet klopt. Maar [eiser] geeft geen andere interpretatie van de feiten. Een voorbeeld hiervan is dat [eiser] zegt dat de chatgesprekken tussen hem en [A] anders uitgelegd moeten worden omdat de context mist. Maar hij legt niet uit van welke context de voorzieningenrechter wel uit moet gaan. Dat betekent dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om de gesprekken zoals die zijn opgenomen in het rapport anders te lezen dan in de context die uit het onderzoek naar voren komt. Die context en de interpretatie daarvan door de [gedaagde] staat als volgt beschreven.

3.5.1.

Op pagina 3 en 4 van het rapport:

“1.Aanwijzingen mogelijke verwevenheid tussen de heren [A] en [eiser]

Uit de analyse van de [gedaagde] e-mailaccounts van de heren [A] en [eiser] en de bij- en afschrijvingen van de Rabobankrekeningen van de heren [A] en [eiser] en aan hun gelieerde ondernemingen voor de periode 1 januari 2020 tot en met 24 maart 2021 zijn de volgende aanwijzingen voor mogelijke verwevenheid naar voren gekomen:

a) Besprekingen met betrekking tot de oprichting van een nieuwe onderneming

Chatbericht d.d. 25 maart 2020 tussen de heren [A] en [eiser] waarin de heer [A] refereert aan een, samen met de heer [eiser] , nieuw op te zetten business.

Chatbericht d.d. 15 april 2020 tussen de heren [A] en [eiser] waarin de heer [A] refereert aan een gezamenlijke afspraak op een advocatenkantoor;

De ondernemingen [onderneming 3] B.V. en [onderneming 2] B.V., gelieerd aan de heer [A] en de ondernemingen [onderneming 1] B.V., [onderneming 4] B.V. en [onderneming 5] B.V., gelieerd aan de heer [eiser] zijn allen op 12 juni 2020 opgericht. De oprichtingsaktes van deze ondernemingen zijn opgesteld door notaris [B] te [plaatsnaam 2] en de kosten worden door [onderneming 6] en [onderneming 3] via pinbetalingen op nagenoeg hetzelfde tijdstip voldaan.

Op 12 juni 2020 worden (een deel van) de aandelen in [onderneming 5] B.V. overgedragen.

b) [onderneming 1] B.V.

Op 16 november 2020 stuurt de heer [eiser] namens [onderneming 5] B.V. het voorstel voor de outsourcing van [.] & [..] dossier review aan [onderneming 5] B.V. naar het [gedaagde] e-mailaccount van de heer [A] . Volgens de documenteigenschappen van dit document is de heer [A] auteur van dit document en is het document op 16 november 2020 om 13:23 uur voor het laatst bewaard door ' [A] / [onderneming 3] '.

Op 17 november 2020 stuurt de heer [eiser] (info@ [onderneming 5] .com) een e-mail naar het [gedaagde] e-mail account van de heer [A] met als bijlage een PowerPoint presentatie met het voorstel voor de outsourcing van [.] & [..] dossier review aan [onderneming 1] B.V. Het voorstel van [onderneming 1] B.V. is nagenoeg identiek aan het voorstel van [onderneming 5] B.V.

De heer [A] heeft op 4 januari 2021 een bedrag van € 750 overgemaakt naar de ING-rekening ( [rekeningnummer 1] ) t.n.v. [onderneming 1] B.V. met als omschrijving 'opstartlening'. Op 4 januari 2021 heeft de heer [eiser] namens [onderneming 6] een bedrag van € 750 heeft overgemaakt naar de ING-rekening ( [rekeningnummer 1] ) t.n.v. [onderneming 1] B.V. met als omschrijving 'Lening d.d. 4 januari 2021'.

Op 14 maart 2021 stuurt de heer [A] vanuit zijn [gedaagde] e-mail account een e-mail naar [A (voornaam)] @ [onderneming 3] .nl met onder andere als bijlage een bestand getiteld 'prognose'. Dit bestand bevat een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven over 2021. Volgens dit overzicht verwacht de heer [A] een dividenduitkering van €500.000 te ontvangen van [onderneming 1] .

c) [onderneming 5] B.V.

De heer [A] heeft in totaal € 15.000 overgemaakt naar de ING-rekening

( [rekeningnummer 2] ) t.n.v. [onderneming 5] B.V. met als omschrijving lening. De heer

[eiser] heeft namens [onderneming 6] In totaal €15.000 overgemaakt naar

de naar de ING-rekening ( [rekeningnummer 2] ) t.n.v. [onderneming 5] B.V. met als omschrijving lening.

Op 14 maart 2021 stuurt de heer [A] vanuit zijn [gedaagde] e-mail account een e-mail naar [A (voornaam)] @ [onderneming 3] .nl met onder andere als bijlage een bestand getiteld 'prognose'. Dit bestand bevat een overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven over 2021. Volgens dit overzicht verwacht de heer [A] een dividenduitkering van €25.000 te ontvangen van [onderneming 5] .

Twee medewerkers van [onderneming 5] B.V. worden via [onderneming 7] B.V. gedetacheerd bij de afdeling [afdeling 1] . Uit e-mailcorrespondentie blijkt dat de heer [A] betrokken is bij de sollicitatieprocedure van deze medewerkers. Daarnaast is de heer [A] eigenaar van de initiële werkopdracht in Fieldglass.”

3.5.2.

In de brief van 18 januari 2022:

“De conclusie die [gedaagde] trok op grond van haar onderzoek en het Rapport was dat u samen met de heer [A] (“ [A] ”) een plan bedacht waarbij (ook) [A] kon profiteren van de werkzaamheden die [onderneming 1] (en [onderneming 5] ) in opdracht van [gedaagde] uitvoerden, terwijl [A] gezien zijn functie als manager [.] op dat moment belangrijke invloed uitoefende bij de selectie van [gedaagde] contractspartners, zoals [onderneming 1] (en [onderneming 5] ). Kort gezegd waren [onderneming 1] en [onderneming 5] joint ventures (dan wel samenwerkingsverbanden) en profiteerde (ook) [A] daadwerkelijk van de werkzaamheden die [onderneming 1] en [onderneming 5] in opdracht van [gedaagde] uitvoereden. [gedaagde] staat dergelijke (financiële) belangen (van in opdracht van haar handelende personen) in contractspartners op grond van haar beleid niet toe.

Kort gezegd werd op 24 december 2020 – kort voordat de Overeenkomst werd gesloten – (een deel) van de aandelen in [onderneming 1] door u overgedragen aan [A] . Daarnaast heeft [gedaagde] meerdere aanknopingspunten om te vermoeden dat u tevens een aandelenbelang in [onderneming 5] heeft overgedragen aan [A] .

U was overigens ermee bekend dat het [A] op grond van het beleid van [gedaagde] niet was toegestaan een dergelijke aandelenbelangen te hebben. U verklaarde bovendien ten overstaan van de onderzoekers van [gedaagde] herhaaldelijk dat geen aandelen in [onderneming 1] (en [onderneming 5] ) waren overgedragen aan [A] . Later kwam juist – nota bene als gevolg van een door uzelf en [onderneming 1] ingenomen standpunt – in rechte vast te staan dat u weldegelijk een aandelenbelang in [onderneming 1] over had gedragen aan [A] . Daarmee stond ook vast dat u (i) bewust in strijd handelde met het beleid van [gedaagde] , (ii) herhaaldelijke bewust onjuiste verklaringen aflegde ten overstaan van (onderzoekers van) [gedaagde] , en (iii) in het verlengde van het voorgaande herhaaldelijk (en op verschillende punten) bewust uw bankierseed schond.”

3.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de [gedaagde] is op grond van de hiervoor weergegeven inhoud van het rapport en de daaruit getrokken conclusies gerechtigd was [eiser] te registreren in het IR, IVR en EVR. Dat zal hierna per register worden uitgelegd

IR

3.6.1.

Het IR is een register waarin gegevens over incidenten en de bij die incidenten betrokken personen worden vastgelegd. Het register is bedoeld om de veiligheid en de integriteit van de financiële sector te waarborgen. Het IR is onderdeel van een waarschuwingssysteem dat voortvloeit uit het Protocol Incidenten-waarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: PIFI). Uit artikel 4.1.1 van het PIFI volgt dat een incident in het eigen incidentenregister wordt opgenomen als dat de veiligheid en integriteit van de financiële sector dient. In dit geval is het incident aangemaakt nadat de vertrouwenscommissie van de [gedaagde] besloot een onderzoek in te stellen naar aanleiding van de anonieme melding op 15 maart 2021. Volgens [gedaagde] is hierbij de proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van het rapport, onvoldoende aanleiding om [gedaagde] te verplichten om [eiser] uit het IR te verwijderen.

EVR

3.6.2.

Het EVR is eveneens onderdeel van het waarschuwingssysteem dat voortvloeit uit het PIFI. Dit bevat de personalia van personen en bedrijven die bij een incident betrokken zijn geweest. Het EVR kan ook door andere financiële instellingen worden bekeken. Uit artikel 5.2.1 uit het PIFI volgt dat hiervoor aan drie elementen moet worden voldaan:

a. a) de gedragingen van de betreffende persoon vormen een bedreiging voor i) de (financiële) belangen van cliënten en/of de financiële instelling zelf, of ii) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector,

b) er staat in voldoende mate vast dat de persoon betrokken was bij de betreffende gedraging(en). Dat houdt volgens het PIFI in dat als sprake is van strafbare feiten daarvan aangifte wordt gedaan, en

c) het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen.

3.6.3.

[gedaagde] heeft uiteengezet dat de gedragingen van [eiser] een bedreiging vormen voor [gedaagde] en de integriteit van de financiële sector. Zij verwijst daarbij naar het feit dat [eiser] samen met manager [A] ervoor heeft gezorgd dat [onderneming 1] een overeenkomst met [gedaagde] heeft gesloten. [eiser] heeft toen bleek dat de overeenkomst zo goed als rond was een deel van de aandelen van [onderneming 1] overgedragen aan [A] . Dat is een schending van het tegenstrijdig belang-beleid van [gedaagde] . Dit is volgens [gedaagde] te kwalificeren als niet-ambtelijke omkoping in de zin van artikel 328 Sr. Bovendien richtte [eiser] samen van [A] de joint venture [onderneming 5] op. [A] had hierdoor invloed op de selectie van externe [afdeling 1] -analisten. Door [afdeling 1] -analisten in te huren van [onderneming 5] had [A] een direct financieel belang bij de detachering van [onderneming 5] -medewerkers aan [gedaagde] . [eiser] heeft hier willens en wetens aan meegewerkt. Al deze gedragingen zijn ook af te leiden uit het rapport. Dat betekent dat de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat aan het eerste element is voldaan.

3.6.4.

Het tweede element voor een registratie in het EVR is dat in voldoende mate vast moet staan dat [eiser] betrokken is bij deze gedragingen. Als dit betekent dat er sprake is van strafbare feiten moet daar in principe aangifte van worden gedaan. [gedaagde] heeft aangifte gedaan van niet-ambtelijke omkoping. Dit is door [eiser] niet betwist. Voor het overige geldt dat uit het eerste element in combinatie met het rapport voorshands voldoende is komen vast te staan dat [eiser] samen met [A] heeft samengewerkt bij het opzetten van [onderneming 5] . Bovendien wist [eiser] ook dat [A] in strijd handelde met het tegenstrijdig-belangbeleid van [gedaagde] . Interne en externe medewerkers moeten namelijk jaarlijks via CAFE (Compliance Automated Forms for Employees) verklaren dat zij bekend zijn met de Compliance statement. Hierin staan onder meer dat degene die dat verklaart het tegenstrijdig-belangbeleid heeft gelezen en begrepen. [eiser] heeft dit sinds 2016 ook jaarlijks gedaan. Volgens [gedaagde] heeft hij dat zelfs nog op 18 januari 2021 gedaan. Dit laatste heeft [eiser] betwist. Maar dat maakt geen verschil. [eiser] heeft namelijk wel erkend dat hij dit in 2020 nog heeft gedaan. Niet is gebleken dat de inhoud van dit statement recent nog is gewijzigd. Hieruit volgt in ieder geval dat [eiser] op de hoogte was van het tegenstrijdig-belangbeleid. Desondanks heeft hij samengewerkt met [A] .

3.6.5.

Tot slot is de proportionaliteit nog van belang. Hierbij geldt dat de [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende heeft onderbouwd dat de handelwijze van [eiser] voldoende ernstig is om een gevaar te vormen voor de integriteit van [gedaagde] en de financiële sector in het algemeen. Juist van een [afdeling 1] -analist mag verwacht worden dat die niet meewerkt aan (constructies die de schijn wekken van) vriendjespolitiek en het gebruik maken van iemands rol en functie binnen een bankinstelling voor gedeeld financieel belang.

3.6.6.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in dit geval te oordelen dat [gedaagde] [eiser] ten onrechte in het EVR heeft opgenomen.

IVR

3.6.7.

Het IVR is een register dat alleen door [gedaagde] of één van de [gedaagde] Groepsonderdelen kan worden bekeken. [eiser] heeft de vordering met betrekking tot dit register verder niet specifiek onderbouwd en is in de dagvaarding alleen ingegaan op de overige registers. Dit geldt eveneens voor het verweer van [gedaagde] . De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om dit onderdeel van de vordering toe te wijzen.

Bankierseed

3.6.8.

In de stukken en op de zitting is uitgebreid ingegaan op de bankierseed die [eiser] heeft geschonden. Omdat [eiser] ook als extern medewerker verplicht was om belangenverstrengeling tegen te gaan en daar niet aan mee te werken kan in het midden blijven of hij wel of niet vast zat aan deze bankierseed.

Conclusie primaire vordering

3.7.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om [gedaagde] in dit kort geding te veroordelen om de registraties te verwijderen. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.

Subsidiaire vordering: verkorting termijn registraties

3.8.

Subsidiair heeft [eiser] gevraagd [gedaagde] te veroordelen tot het beperken van de termijn van de registraties. Ook hier geldt als uitgangspunt dat het belang van de [gedaagde] bij de registratie groot is. Het gegeven dat [eiser] niet ziet dat wat hij heeft gedaan de toets der kritiek niet kan doorstaan bevestigt de noodzaak van de registraties en zijn een contra-indicatie voor termijnverkorting. Daar komt bij dat [eiser] op de zitting heeft verklaard dat hij op dit moment werk heeft, ook al is dat volgens hem onder zijn niveau. Hij voert als zelfstandige administratieve werkzaamheden uit en verdient € 60,00 per uur. Daarmee kan hij een behoorlijk inkomen verwerven. Het is dus niet zo dat de registraties hem, zoals in de stukken wordt gesuggereerd, brodeloos maken. De belangen afwegend ziet de voorzieningenrechter daarom vooralsnog geen aanleiding om de termijnen van de registraties te verkorten.

Proceskosten

3.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 676,00

- salaris gemachtigde € 1.016,00

Totaal € 1.692,00

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.692,00;

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.P. Killian, op 6 april 2022.1

1 type: coll: