Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:112

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-01-2022
Datum publicatie
19-01-2022
Zaaknummer
16/244837-18 en 16/100970-19 (gev. ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft niet de overtuiging gekregen dat verdachte zich in 2018 en 2019 schuldig heeft gemaakt aan het stichten van drie branden. Op basis van het bewijs kan niet worden uitgesloten dat de branden door een ander dan verdachte zijn gesticht. De rechtbank vindt wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering, witwassen en diefstal. Het gaat om bedrag van bijna € 500.000, -. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De vordering van de benadeelde partij wijst de rechtbank grotendeels toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/244837-18 en 16/100970-19 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 januari 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1983] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 oktober 2019, 8 januari 2020, 23 januari 2020, 7 september 2020,

13 april 2021, 1 en 2 december 2021 (inhoudelijke behandeling) en 5 januari 2022 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Drogt en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de toelichting van dhr. [aangever 1] op de door [bedrijf 1] B.V. ingediende vordering tot schadevergoeding.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging in de zaak met parketnummer 16/244837-18 is op de zitting van 8 januari 2020 nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging en de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 16/100970-19 zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/244837-18

feit 1

op 6 juni 2019 te [woonplaats] brand heeft gesticht in de woning aan het [adres] ,

waardoor gemeen gevaar voor goederen te vrezen was;

feit 2

op 16 november 2018 te [woonplaats] brand heeft gesticht in de woning aan de

[adres] , waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor

personen te vrezen was;

feit 3

op 16 juli 2018 te [woonplaats] brand heeft gesticht in de woning aan de [adres]

waardoor gemeen gevaar voor goederen te vrezen was;

16/100970-19

feit 1

op 4 april 2018 te [woonplaats] € 75.000,00 en/of € 50.000,00 van [bedrijf 2] BV (hierna

[bedrijf 2] ) heeft verduisterd in dienstbetrekking;

feit 2 primair

in de periode van 10 tot en met 12 september 2018 te [woonplaats] [aangever 2]

en/of [aangever 1] en/of [bedrijf 1] BV heeft opgelicht voor € 500.000,00;

feit 2 subsidiair

op 12 september 2018 te [woonplaats] in totaal € 400.000,00 van [bedrijf 2] heeft

verduisterd in dienstbetrekking;

feit 3

op 4 april 2018 te [woonplaats] in totaal € 75.000,00 heeft witgewassen;

feit 4 primair

in de periode van 12 september 2018 tot en met 14 september 2018 te [woonplaats] in totaal

€ 400.000,00 heeft witgewassen;

feit 4 subsidiair

in de periode van 12 september 2018 tot en met 14 september 2018 te [woonplaats] in totaal een bedrag van € 400.000,00 eenvoudig heeft witgewassen;

feit 5

in de periode van 28 oktober 2018 tot en met 15 januari 2019 te [woonplaats] tankpassen van

[bedrijf 2] heeft verduisterd in dienstbetrekking en/of

in de periode van 28 oktober 2018 tot en met 15 januari 2019 te [woonplaats] in totaal

€ 27.027,30 van [bedrijf 2] heeft gestolen, door brandstofkosten van [bedrijf 3] BV te

betalen met de tankpassen van [bedrijf 2] .

3 VOORVRAGEN

Geldigheid van de dagvaarding

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in de zaak met parketnummer 16/100970-19 de dagvaarding (partieel) nietig is. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat wat betreft feit 1 (verduistering) en feit 3 (witwassen) uit de tenlastelegging niet kan worden afgeleid of het verwijt ziet op de overboeking van het bedrag van € 75.000,00 van [bedrijf 2] naar [getuige 1] of op de overboeking van het bedrag van € 76.000,00 van [getuige 1] aan [bedrijf 4] . Hierdoor is een behoorlijke verdediging niet mogelijk.

Wat betreft feit 4 volgt uit de tenlastelegging niet op welk grondfeit het witwasverwijt ziet, terwijl twee onverenigbare opties uit de tenlastelegging blijken: het door oplichting verkrijgen van € 500.000,00 of subsidiair het verduisteren van € 400.000,00. Daarmee is de tenlastelegging onvoldoende feitelijk omschreven, zodat de dagvaarding op dit punt in strijd is met het bepaaldheidsgebod uit artikel 261 Wetboek van Strafvordering en is het voeren van een effectieve verdediging onmogelijk.

3.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding in de zaak met parketnummer 16/100970-19 geldig is.

Naar het oordeel van de rechtbank is de dagvaarding voldoende duidelijk, nu de bedragen waar het verwijt op ziet telkens in de tenlastelegging zijn opgenomen en zodoende duidelijk is op welke gedragingen de verwijten betrekking hebben. Bovendien sluit de inhoud van het dossier daarop aan, zodat verdachte in staat moet worden geacht om zich behoorlijk te kunnen verdedigen.

De dagvaarding voldoet dan ook aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De dagvaarding in de zaak met parketnummer 16/244837-18 voldoet eveneens aan de wettelijke eisen.

3.3

De overige voorvragen

De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

16/244837-18

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de drie tenlastegelegde branden zijn veroorzaakt dan wel aangestoken door verdachte. Daartoe heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.

feit 1 - brandstichting 6 juni 2019 aan het [adres] te [woonplaats]

Verdachte verbleef sinds december 2018 in deze woning.

Op 6 juni 2019 is om 13:38 uur een brandmelding gedaan, nadat de tuinman van de naast gelegen woning kort daarvoor rook uit het dak van de aanbouw van de woning zag komen. Uit de verschillende rapporten die over de brand zijn opgemaakt volgt dat de brand in de slaapkamer op de 1e etage is ontstaan. Gelet op de conclusies van het NFI is een technische oorzaak van de brand niet aannemelijk en is brandstichting wel aannemelijk. De brand is ofwel ontstaan binnen 20 minuten voor ontdekking ofwel 75 minuten of langer voor ontdekking.

Het scenario dat de brand is ontstaan binnen 20 minuten voor ontdekking is hoogst onaannemelijk, omdat in die periode niemand bij de woning is gezien. De enige mogelijkheid om buiten de heimelijk geplaatste camera’s om ongezien de woning binnen te gaan was via een schuifdeur, geheel rechts van de serre van de woning. De persoon moet dan wel eerst over een hoge schutting zijn geklommen en vervolgens vlak langs de muur zijn blijven lopen om te voorkomen dat diens aanwezigheid werd geregistreerd door de camera’s. Dat scenario is hoogst onaannemelijk, ook gezien de aanwezigheid van de tuinman in de tuin van de naastgelegen woning.

De enige andere mogelijke optie is een brand die zich vanaf ongeveer 12:15 uur langzaam heeft ontwikkeld. Verdachte is die morgen om 11:30 uur bij de woning aangekomen en verdachte heeft de woning om 12:15 uur weer verlaten. Nu niemand anders dan verdachte bij de woning is gezien, is maar één conclusie mogelijk, namelijk dat het verdachte is geweest die brand heeft gesticht in de slaapkamer van de woning.

feit 2 - brandstichting 16 november 2018 aan de [adres] te [woonplaats]

Op 16 november 2018 om 02:00 uur heeft de politie een brandmelding ontvangen voor het pand op bovengenoemd adres, dat door verdachte werd gehuurd. Uit het

politieonderzoek is gebleken dat er brand is geweest in de ruimte onder de garage van de woning, waarbij archiefmappen met rekeningen zijn verbrand. Uit het forensisch onderzoek volgt dat een technische oorzaak van de brand uitgesloten is, omdat er geen aangesloten elektrische apparaten waren. Er was dus sprake van brandstichting. De ruimte waar de brand heeft gewoed was toegankelijk via een trap in de garage en via een trap in de hal van de woning.

Op de camerabeelden is te zien dat om 01:42 uur verdachte nog in de woonkamer was. Verdachte heeft verklaard dat [getuige 1] rond 00:00 uur naar bed is gegaan, dat hij zelf eerst nog zijn administratie heeft gedaan en dat hij daarna naar bed is gegaan. Op de beelden is om 01:53 uur te zien dat de verlichting van de twee lichtmasten die op het terrein waren geplaatst uitvalt en 2 minuten daarvoor is de eerste rookpluim te zien. Gezien het brandonderzoek is sprake geweest van een langzaam startende brand. De brand moet dan zijn gestart rond het tijdstip dat verdachte nog beneden in de woning was.

Die avond was op het terrein vanaf 22:43 uur een beveiliger aanwezig, die tot 01:12 uur diverse rondes over het terrein heeft gelopen. Daarna zat de beveiliger in zijn surveillanceauto, die op het terrein geparkeerd stond en van waaruit hij zicht had op de woning en de ingang van het terrein. De beveiliger heeft geen andere personen op het erf gezien. Op de camerabeelden van het terrein zijn geen andere personen te zien dan de beveiliger en verdachte. Ook is niet gebleken dat iemand vanuit het weiland naar de woning is gelopen. De verse sporen die sporenonderzoekers van defensie hebben aangetroffen in het weiland achter het perceel zijn verklaarbaar, nu de buren hebben verklaard dat zij na een eerdere brand met een schade-expert nagenoeg dezelfde route hebben afgelegd als de sporenonderzoekers. Gezien dit alles kan het niet anders dan dat verdachte de brand heeft gesticht. Daarbij komt dat verdachte een motief had voor de brand, te weten het verloren doen gaan van administratie om mismanagement te verdoezelen.

feit 3 - brandstichting 16 juli 2018 aan de [adres] te [woonplaats]

De woning aan de [adres] te [woonplaats] was door verdachte gekocht en de eigendomsoverdracht zou op 28 september 2018 plaatsvinden.

Op 16 juli 2018 omstreeks 19:05 uur komt er een brandmelding binnen ten aanzien van deze woning. Het brandonderzoek is door verzekeringsbedrijf Achmea uitgevoerd. De conclusie is dat een elektrisch technische oorzaak uitgesloten is en dat de brand is ontstaan door het al dan niet opzettelijk bijbrengen of achterlaten van vuur in enigerlei vorm, mogelijk brandstichting.

Uit de camerabeelden bij de woning aan de [adres] te [woonplaats] blijkt dat verdachte daar om 18:42 uur is weggereden en dat hij om 19:06 uur weer terug was. De afstand tussen de [adres] en de [adres] is ongeveer 10 minuten rijden. Verdachte heeft dus rond 18:54 (de rechtbank begrijpt: 18:56) uur de woning aan de [adres] verlaten. De brandmelding is dus gedaan 9 minuten nadat verdachte de woning heeft verlaten. Aangezien verdachte er 10 minuten over heeft gedaan, terwijl de brand net daarvoor is ontdekt, had verdachte (anders dan door betrokkenheid) geen wetenschap van deze brand kunnen hebben. De buurman op de [straat] te [woonplaats] heeft echter verklaard dat hij verdachte heeft horen roepen dat er brand was. Dat had verdachte toen nog niet kunnen weten, tenzij hij de brand zelf heeft veroorzaakt.

Daarnaast is het opvallend dat verdachte naar de woning ging om de ramen te sluiten voor de glazenwasser. De glazenwasser had namelijk aangegeven dat hij niet zou komen naar deze woning en ook had verdachte geen contact gehad met een van de bewoners van de woning om de ramen te sluiten.

Het is verder onduidelijk hoe verdachte de koopsom voor de woning op 28 september 2018 had kunnen overmaken, omdat het niet goed ging met de bedrijven waar verdachte bij betrokken was en ook privé was zijn financiële situatie niet rooskleurig. Gevolg van de brand is geweest dat de koopovereenkomst is ontbonden.

Ook bij deze brand is de conclusie dat verdachte de brand heeft gesticht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de drie tenlastegelegde brandstichtingen. De raadsman acht het, voor het geval dat de rechtbank zich (nog) niet voldoende geïnformeerd acht om op basis van het dossier tot vrijspraak te komen van het tenlastegelegde, noodzakelijk dat de rechtbank overgaat tot het horen van een viertal getuigen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 1, 2 en 3 - vrijspraak

Algemeen

De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 350 Wetboek van Strafvordering dient te beoordelen of zij bewezen acht wat aan verdachte ten laste wordt gelegd. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen is nodig dat de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Er moet meer dan waarschijnlijkheid zijn. Het gaat erom of in redelijkheid niet kan worden getwijfeld aan de juistheid van dat wat verdachte wordt verweten. Het is aan het Openbaar Ministerie om voldoende wettig bewijsmateriaal aan te dragen om de rechter tot die overtuiging te brengen, waarbij het niet aan verdachte is om zijn onschuld te bewijzen of om het aangedragen bewijsmateriaal te ontzenuwen.

Voor alle drie de branden geldt dat er geen forensisch bewijs is waaruit volgt dat verdachte de branden heeft gesticht of waaruit zijn betrokkenheid bij de branden blijkt. Ook zijn er geen getuigen die hebben gezien dat verdachte de branden heeft aangestoken. Er is dus geen rechtstreeks bewijs waaruit het daderschap van verdachte voor één van de drie branden volgt.

Bovendien kan op basis van het dossier bij geen enkele brand worden uitgesloten dat de brand door een ander of anderen dan verdachte is gesticht.

Meer specifiek

feit 1 – brand [adres] te [woonplaats]

De brand op 6 juni 2019 is ongeveer 75 minuten nadat verdachte de woning had verlaten ontdekt. Uit de rapporten van de deskundigen blijkt dat de brand weliswaar al 75 minuten voor ontdekking kan zijn ontstaan, op welk moment verdachte bij de woning was, maar volgt ook dat de brand pas 20 minuten voor ontdekking kan zijn ontstaan. Op dat moment was verdachte niet meer bij de woning. Uit het dossier blijkt verder dat een gedeelte van de woning buiten het bereik van de heimelijk geplaatste camera’s viel en dat het daardoor voor iemand mogelijk was om (via de serre) de woning binnen te gaan zonder door de camera’s te worden gedetecteerd. Tot slot blijkt uit het dossier dat als de brand 20 minuten voor ontdekking zou zijn ontstaan, de tuinman die de brand heeft ontdekt op dat moment in de naastgelegen woning was en daardoor geen zicht had op de woning van verdachte. Dit alles laat de mogelijkheid open dat een ander verantwoordelijk is voor de brand.

feit 2 – brand [adres] te [woonplaats]

Op het moment van de brand van 16 november 2018 was verdachte niet alleen in de woning, maar samen met [getuige 1] . Er zijn geen feiten die betrokkenheid van [getuige 1] bij de brand volledig uitsluiten. Daarnaast hebben sporenonderzoekers van defensie na de brand in het nabijgelegen weiland sporen van 1 tot 3 onbekende(n) aangetroffen, welke sporen tussen de 2 en 12 uur oud waren. Deze sporen liepen richting het pand van verdachte, waarbij tevens over of onder het schrikkeldraad is gegaan. Dat deze sporen van de buren zouden zijn die met een verzekeringsagent in het weiland hebben gelopen, zoals door de officier van justitie gesteld, acht de rechtbank niet zonder meer aannemelijk. Uit de verklaring van schade-expert [schade-expert] blijkt immers dat hij al op 14 november 2018 in het weiland was met (alleen) de buurman en dat zij toen niet op het terrein van verdachte zijn geweest. Dat sluit niet aan bij het door de sporenonderzoekers geconstateerde tijdstip waarop de sporen zouden zijn ontstaan en bij het passeren van het schrikkeldraad. Daar komt bij dat de camera’s op het terrein van verdachte niet permanent opnamen maakten, maar de camera’s wisselden elkaar om de 20 seconden af. Hierdoor zijn er momenten geweest waarop iemand over het terrein heeft kunnen bewegen zonder dat de camera’s dit hebben vastgelegd.

Tot slot is er op de camerabeelden omstreeks 01:00 uur een persoon zichtbaar, die in het proces-verbaal niet wordt omschreven als verdachte of de beveiliger, zodat niet uitgesloten kan worden dat dit een onbekend persoon betreft. Dit alles laat ook voor deze brand de mogelijkheid open dat iemand anders betrokken kan zijn geweest bij de brand.

feit 3 – brand [adres] te [woonplaats]

Ook voor de brand op 16 juli 2018 geldt dat uit het bewijs niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij de brand. De omstandigheid dat verdachte stelt in de woning te zijn geweest om de ramen te sluiten voor de glazenwasser, terwijl de glazenwasser had geappt geen klanten te hebben in [woonplaats] , is onvoldoende om daarop een bewijs voor brandstichting te baseren. Temeer daar verdachte heeft verklaard dat de glazenwasser die dag wel naar zijn woning aan de [straat] in [woonplaats] zou komen en hij hoopte met de glazenwasser te regelen dat hij toch de ramen van de woning in [woonplaats] zou schoonmaken, omdat die woning in het buiten-gebied staat vlakbij [woonplaats] . Uit een factuur in het dossier blijkt dat de glazenwasser inderdaad op 16 juli 2018 in [woonplaats] is geweest.

Daarnaast heeft verdachte na de brand tegen de verzekeraar verklaard dat hij bij aankomst in de woning brood op de elektrische kookplaat aantrof, dat de kookplaat aanstond en dat het brood reeds verkoold was. Tevens verklaarde hij dat er een strijkbout met de onderkant op de strijkplank was geplaatst met de stekker in het stopcontact en dat er reeds een bruine rand op de plank geschroeid was. Deels had hij dit op de dag van de brand ook al tegen de politie verklaard. Uit het dossier volgt niet dat hier onderzoek naar is gedaan. Dit maakt dat de juistheid van deze verklaring niet kan worden uitgesloten. Bij dat scenario kan passen dat iemand anders dan verdachte de intentie had om de woning in brand te steken en ook rondom het tijdstip dat verdachte bij de woning was daar aanwezig is geweest.

De rechtbank hecht verder geen belang aan de verklaring van de buurman te [woonplaats] dat verdachte zou hebben geroepen dat er brand was, terwijl verdachte daar op dat moment nog geen kennis van zou kunnen hebben. Deze buurman heeft dit pas op 18 februari 2019 bij de politie verklaard. Bij de rechter-commissaris heeft de buurman later verklaard dat hij het woord brand opving terwijl hij bezig was en de melkmachine draaide, dat hij mogelijk dingen door elkaar heeft gehaald en dat verdachte in zijn beleving heeft gezegd dat er brand was en dat hij op basis van de omstandigheid dat verdachte zo in paniek was zeker weet dat verdachte heeft gezegd “er is brand.” Gelet op deze verklaring sluit de rechtbank niet uit dat de buurman mogelijk niet goed heeft verstaan of geïnterpreteerd wat verdachte zei. Het is daarmee niet uitgesloten dat klopt wat verdachte zelf zegt, namelijk dat hij tegen de buurman heeft gezegd dat er geprobeerd was om brand te stichten.

Gelet op het voorgaande kan ook bij deze brand betrokkenheid van een derde niet worden uitgesloten.

Conclusie

De conclusie is dat de rechtbank in deze zaak niet de overtuiging heeft gekregen dat verdachte de drie aan hem ten laste gelegde branden heeft gesticht. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Dit brengt mee dat de rechtbank niet hoeft te beslissen op het voorwaardelijk gedane verzoek van de verdediging tot het doen van aanvullend onderzoek.

De rechtbank merkt tot slot nog op dat zij zich na bestudering van het dossier niet aan de indruk kan onttrekken dat het onderzoek naar de dader van de branden zich met name heeft toegespitst op de persoon van verdachte. Mogelijke alternatieve scenario’s of betrokkenheid van anderen lijken niet of nauwelijks te zijn onderzocht, terwijl gelet op wat zich in die periode heeft afgespeeld hiervoor voldoende aanleiding zou zijn geweest. Het gevolg is dat andere, mogelijk voor verdachte ontlastende, scenario’s onvoldoende zijn betrokken in het onderzoek, hetgeen niet in het belang van de waarheidsvinding kan worden geacht.

16/100970-19

4.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de tenlastegelegde vermogensfeiten op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle vijf (primair) ten laste gelegde feiten.

4.5

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van alle aan hem ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

feit 1

Voor zowel het geldbedrag van € 75.000,00 als voor het geldbedrag van € 50.000,00 geldt dat uit de bewijsmiddelen niet de voor verduistering vereiste wederrechtelijkheid en/of opzet kan worden afgeleid. Voor het bedrag van € 75.000,00 heeft voorts te gelden dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat sprake is van toe-eigening door verdachte.

feit 2

Voor de primair tenlastegelegde oplichting wordt niet aan de vereisten voor een bewezen-verklaring voldaan. Er is geen bewijs dat verdachte door oplichtingsmiddelen [aangever 2] , [aangever 1] en/of [bedrijf 1] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van de lening, met het oogmerk om zichzelf te bevoordelen. Wat betreft de subsidiair ten laste gelegde verduistering geldt dat het ontbreekt aan toereikend bewijs voor wederrechtelijke toe-eigening van het geldbedrag.

De raadsman acht het, voor het geval dat de rechtbank zich (nog) niet voldoende geïnformeerd acht om op basis van het dossier tot vrijspraak te komen van het tenlaste-gelegde, noodzakelijk dat de rechtbank overgaat tot het horen van getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] .

feit 3

Het ontbreekt aan toereikend bewijs dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Voorts kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat sprake is geweest van het verbergen/verhullen als witwashandelingen.

feit 4

Het ontbreekt ten aanzien van het primair tenlastegelegde witwassen aan toereikend bewijs dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Daarnaast kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat verdachte het geldbedrag heeft verborgen of verhuld.

Wat betreft het subsidiair tenlastegelegde eenvoudig witwassen geldt dat het geld niet afkomstig is uit enig eigen misdrijf.

De verdediging acht het, voor het geval dat de rechtbank zich (nog) niet voldoende geïnformeerd acht om op basis van het dossier tot vrijspraak te komen van het tenlaste-gelegde, noodzakelijk dat de rechtbank overgaat tot het horen van getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] .

feit 5

Verdachte heeft niet het voor verduistering vereiste opzet gehad op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de tankpassen van [bedrijf 2] . Er was sprake van een noodsituatie en het gebruik van de tankpassen van [bedrijf 2] was een noodgreep om het bedrijf [bedrijf 3] van verdachte operationeel te houden. Wat betreft de tenlastegelegde diefstal geldt dat het ontbreekt aan toereikend bewijs dat verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had.

4.6

Het oordeel van de rechtbank

(Partiële) vrijspraken

feit 1 - vrijspraak verduistering € 50.000,00.

De rechtbank heeft niet de overtuiging gekregen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van het bedrag van € 50.000,00.

Om tot een bewezenverklaring van verduistering te kunnen komen zal de toe-eigening wederrechtelijk moeten zijn. Wederrechtelijkheid betekent in dit geval: handelen in strijd met het objectieve recht of zonder daartoe gerechtigd zijn als heer en meester over een goed beschikken.

Verdachte heeft op 4 april 2018 een bedrag van € 50.000,00 van de bankrekening van [bedrijf 2] overgeboekt naar zijn privé rekening, met omschrijving ‘voorschot herberekening salaris’. Verdachte heeft verklaard dat dit bedrag betrekking had op de derde verhoging van zijn salaris, aan welke verhoging nog geen uitvoering was gegeven.

Uit de stukken blijkt dat [bedrijf 2] in 2014 akkoord is gegaan met de in de brief van 5 juni 2014 neergelegde ingroeiregeling voor verdachte. Het salaris van verdachte zou met ingang van 1 april 2015 op basis van deze ingroeiregeling jaarlijks worden verhoogd, zodat verdachte na drie jaar eenzelfde beloning zou hebben als de hoogst betaalde medewerker binnen [bedrijf 2] .

Ondanks het feit dat de hoogst betaalde medewerker van [bedrijf 2] per 31 maart 2015 uit dienst is getreden, blijkt uit de stukken dat het salaris van verdachte in de jaren 2015 en 2016 toch is verhoogd. De aandeelhouders van [bedrijf 2] hebben daarvoor aan verdachte, in zijn hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 2] , decharge verleend.

De rechtbank heeft in het dossier geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat vanuit [bedrijf 2] of haar aandeelhouders op enig moment aan verdachte kenbaar is gemaakt dat geen verdere uitvoering zou worden gegeven aan de ingroeiregeling of dat zijn salaris niet verder meer verhoogd mocht worden.

De rechtbank is er gelet op het vorenstaande onvoldoende van overtuigd dat op het moment van overschrijving van de € 50.000,00 verdachte geen recht had op dit bedrag. De rechtbank zal om die reden verdachte voor dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

feit 2 primair – vrijspraak oplichting

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 10 tot en met 12 september 2018 schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Om tot een bewezenverklaring van oplichting te kunnen komen moet vaststaan dat het slachtoffer door het aanwenden van oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van enig goed. Voor beantwoording van de vraag of iemand is bewogen tot afgifte van enig goed moet aannemelijk zijn dat diegene onder invloed van de door het desbetreffende oplichtings-middel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot afgifte van dat goed. Wat betreft het in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddel ‘een samen-weefsel van verdichtsels’ geldt dat het in de kern gaat om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.

Uit de correspondentie in het dossier blijkt dat in de genoemde periode binnen [bedrijf 2] , althans door verdachte met de aandeelhouders, is gesproken over de afname van een grote hoeveelheid [omschrijving] en dat in dat kader aan de aandeelhouders is gevraagd om verstrekking van een bedrag van € 500.000,00. Uit het dossier blijkt verder dat verdachte op 11 september 2018 om 22:41 uur wist dat de leverancier, anders dan waar verdachte eerder van uitging, geen betaling verlangde van het volledige bedrag dat aan [omschrijving] van de leverancier zou worden afgenomen, maar dat de leverancier het exacte bedrag wenste waarvoor op dat moment zou worden afgenomen. Ondanks deze wetenschap bij verdachte heeft hij op 11 september 2018 om 22:41 uur een whatsapp-bericht verstuurd in de whatsappgroep van [bedrijf 2] , bestaande uit onder meer [aangever 2] , inhoudende - kort gezegd - dat er sprake is van daghandel, het per dag omhoog gaat en dat er snel geschakeld moet worden. De volgende dag is door [bedrijf 1] B.V. een bedrag van € 500.000,00 overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 2] .

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het vorenstaande dat alleen het whatsappsbericht van verdachte van 11 september 2018 van 22:41 uur als leugenachtig kan worden beschouwd, nu verdachte op het moment van versturen daarvan wist dat de leverancier, waarvan [omschrijving] zou worden afgenomen, niet direct betaling verlangde voor het volledige bedrag aan nog af te nemen [omschrijving] . Het dossier bevat geen aanknopings-punten dat verdachte ten tijde van het versturen van de eerdere berichten deze kennis reeds had.

Een enkele leugen is volgens vaste jurisprudentie echter onvoldoende om te kunnen spreken van een samenweefsel van verdichtsels. Van het gebruik van andere oplichtingsmiddelen is niet gebleken. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair tenlastegelegde oplichting.

De bewijsmiddelen1

Voor feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3 en feit 4

Uit een proces-verbaal van verdenking blijkt onder meer het volgende:

Op het perceel [adres] te [woonplaats] is onder meer [bedrijf 2] B.V gevestigd.

Deze onderneming is opgericht op 21 juni 2013.

Vanaf het moment van oprichting tot en met 30 april 2018 was [verdachte] , geboren [1983] , bestuurder van de onderneming. Per 1 mei 2018 tot en met heden (de rechtbank begrijpt 6 maart 2019) is het bestuur van [bedrijf 2] B.V. in handen van [bedrijf 5] B.V., waarvan [verdachte] de directeur/ grootaandeelhouder is.

Per 29 maart 2018 heeft [bedrijf 2] B.V. de volgende aandeelhouders:

[bedrijf 1] B.V.2

(…)

Uit een proces-verbaal van aangifte blijkt dat [aangever 1] namens [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. op 11 december 2018 aangifte van verduistering heeft gedaan. Verder blijkt uit het proces-verbaal onder meer het volgende:

Ik ben bestuurder van [bedrijf 1] BV, gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens ben ik bestuurder van [bedrijf 6] BV, gevestigd op hetzelfde adres.3

Op 4 april 2018 is vanuit de bankrekening met nummer [rekeningnummer] , van [bedrijf 6] BV, die boekhoudkundig is verbonden aan [bedrijf 1] BV, een bedrag van Euro 250.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 2] BV, te weten [rekeningnummer] .. Dit bedrag zou een lening zijn tussen [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV, zoals in het verleden al vaker schriftelijk werd overeengekomen. Onder dit bedrag ligt nog geen schriftelijke overeenkomst.

Op 12 september 2018 is vanuit de bankrekening met nummer [rekeningnummer] , van [bedrijf 6] BV, die boekhoudkundig is verbonden aan [bedrijf 1] BV, een bedrag van Euro 500.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 2] BV, te weten [rekeningnummer] . Deze betaling is gedaan op verzoek van [verdachte] voor de aankoop van goedkoop hooi. De bij deze overboeking behorende stukken voeg ik bij deze aangifte.

Na bestudering van deze bankrekening heb ik ontdekt dat:

2) op 4 april 2018 een bedrag van Euro 75.000,00 is overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [getuige 1] met als omschrijving Deposit Invoice [omschrijving] , zonder stukken in de administratie.4

6) Op 12 september 2018 een bedrag van Euro 400.000,00 is overgeboekt naar [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 5] (…) /Garantiebedrag/(…) Dit is het bedrag dat door [verdachte] aan [bedrijf 2] BV is onttrokken voor de aankoop van de boerderij in [woonplaats] .

Naar aanleiding van bovenstaande boekingen realiseer ik mij dat [verdachte] ten gunste van zichzelf gelden heeft overgeboekt vanuit [bedrijf 2] BV zonder toestemming en medeweten van de bestuurders/aandeelhouders van zowel [bedrijf 2] BV als ook van [bedrijf 1] BV.5

Uit een proces-verbaal van bevindingen betreffende de verstrekking en analyse van ABN AMRO-rekeningen blijkt onder meer het volgende:

Rekeningnummer

Tenaamgestelde

Periode

[rekeningnummer]

[bedrijf 2] BV

01-01-2017 t/m 12-12-2018

[rekeningnummer]

[verdachte]

01-01-2017 t/m 07-12-2018

[rekeningnummer]

[bedrijf 5] BV

01-01-2017 t/m 07-12-2018

[rekeningnummer]

[verdachte] / [bedrijf 4]

01-01-2017 t/m 07-12-20186

Onderstaande tabel toont de bedragen die door [bedrijf 1] BV via de rekening van [bedrijf 6] BV zijn verstrekt aan [bedrijf 2] BV.

Datum

Omschrijving

Bedrag

04-04-2018

Aanv. lening [bedrijf 1]

€ 250.000,00

12-09-2018

Aanv. lening [bedrijf 1]

€ 500.000,00

Alleen bij de laatste lening, van € 500.000 op 12 september 2018, is in de omschrijving expliciet opgenomen dat de lening als bestemming de aanschaf van hooi heeft. 7

Lening van € 250.000 ontvangen op 4 april 2018

Op 4 april 2018 zijn de volgende grote bedragen overgeboekt:

- € 75.000 € 75.000 naar rekening [rekeningnummer] op naam van [getuige 1] , met als omschrijving ‘Deposit Invoice [omschrijving] ’8

€ 75.000 naar [getuige 1] , ‘Deposit Invoice [omschrijving] ’

Rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [getuige 1] is niet bevraagd, maar op rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 4] wordt op 4 april 2018 een bedrag van € 76.000 ontvangen van [rekeningnummer] op naam van [getuige 1] .

Van rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 4] wordt, eveneens op 4 april 2018, € 75.000 overgemaakt naar [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 7] BV.

Lening van € 500.000 ontvangen op 12 september 2018

Op 12 september 2018 zijn vanaf [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 2] BV de volgende grote of opvallende uitgaven gedaan:

- € 400.000,00 € 400.000,00 naar [bedrijf 5] BV, met als omschrijving ‘Garantiebedrag’. 9

€ 400.000 naar [bedrijf 5] BV

Nadat de hierboven genoemde € 400.000 was ontvangen op rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [bedrijf 5] BV, werden vanaf dat rekeningnummer in de periode van 12 t/m 14 september 2018 de volgende grote of opvallende overboekingen gedaan:

  • -

    In totaal € 339.474,48 naar Notaris [notaris] Derdengelden, met als omschrijving ‘Nota zaaknummer [nummer] ’, ‘BTW roerende goederen zaak [nummer] ’ en ‘Aanvulling nota in zake zaak [nummer] ’.

  • -

    € 50.000 naar [rekeningnummer] op naam van [verdachte] , met als omschrijving ‘overboeking naar privé’;10

In het proces-verbaal algemeen dossier staat onder meer het volgende:

Op 12 september 2018 om 09:26 uur is op de rekening van [bedrijf 2] BV bedrag van

€ 500.000 ontvangen van de rekening van [bedrijf 6] BV, met als omschrijving ‘aanv. Lening [bedrijf 1] ivm hooi’. Op dezelfde dag is om 09:56 uur vanaf de rekening van [bedrijf 2] BV € 400.000 overgeboekt naar [bedrijf 5] BV.11

Uit een proces-verbaal van bevindingen betreffende nadere schriftelijke verklaringen van [aangever 1] en [getuige 5] blijkt onder meer het volgende:

Hierop ontving ik op 19 november 2019 het volgende antwoord van dhr. [getuige 5]

4. De overboeking van € 75.000 naar [getuige 1] op 4 april 2018 is geboekt op Crediteuren. Tegenover deze boeking in Crediteuren staat een inkoopfactuur geboekt voor € 75.000 op datum 31 maart 2018 met nummer [nummer] en met omschrijving: [getuige 1] . Deze inkoopfactuur is als volgt geboekt: € 50.000 als inkoop Hooi 6% en € 25.000 als inkoop Stro 6%, met omschrijving: Deposit harvest 2018. Elke boekregel bevatte hetzelfde factuurnr. [nummer] . 12

6. De overboeking van € 400.000 naar [bedrijf 5] BV op 12 september 2018 is geboekt op rek. [rekeningnummer] Waarborgsommen, met omschrijving: Waarborg [omschrijving] .13

Op 11 september 2018 om 22:41 uur heeft verdachte het volgende whatsappbericht in de groep verstuurd:

Inzake mijn e-mails over hooi, het is momenteel echt daghandel en per dag gaat t omhoog. Dus als we snel kunnen schakelen, graag. Schuur in [woonplaats] is schoon en leeg. Vanaf 1 oktober kan [bedrijf 2] 10.000 per week terug betalen aan [bedrijf 6] voor het voorschieten van inkoop en vanaf 1 januari kan dat dan opgehoogd worden naar 15.000 per week omdat effect van prijsverhoging dan voelbaar is op de bank.14

Uit een proces-verbaal van verhoor van verdachte blijkt onder meer het volgende:

O: Op dezelfde dag als dat deze lening van € 250.000 is ontvangen, namelijk 4 april 2018, is een bedrag van € 75.000 van de rekening op naam van [bedrijf 2] BV overgemaakt naar een rekening op naam van [getuige 1] . De omschrijving hiervan luidde ‘Deposit invoice [omschrijving] ’.

V: Wat kun je over deze overboeking verklaren?

A: Deze factuur is van april of maart, de overboeking is in april. De afspraak die ik met [getuige 1] had, met wederzijdse instemming, was dat [getuige 1] [bedrijf 2] een factuur zou sturen voor die € 75.000. Dat was opgesplitst in [omschrijving] . Met het doel om daarmee in de periode juni tot oktober [omschrijving] mee vast te leggen en aanbetalingen te doen. De reden dat die factuur al in april is gemaakt, was dat [getuige 1] een schuld had aan [bedrijf 4] , en die zou hij met dat geld betalen.15

V: Waarom heeft [bedrijf 4] op dezelfde dag nog (4 april 2018) € 75.000 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [bedrijf 7] BV?

A: Van [bedrijf 7] had ik de € 300.000 geleend die ik nodig had als 10% aanbetaling van het [adres] in [woonplaats] . Ik zou proberen om zonder [bedrijf 1] dat pand te kopen.16

O: Eén van die berichten, op 11 september 2018 om 22:41 uur, luidt: ‘Inzake mijn e-mails over hooi, het is momenteel echt daghandel en per dag gaat t omhoog. Dus als we snel kunnen schakelen, graag. Schuur in t goy is schoon en leeg. Vanaf 1 oktober kan [bedrijf 2] 10.000 per week terug betalen aan [bedrijf 6] voor het voorschieten van inkoop en vanaf 1 januari kan dat dan opgehoogd worden naar 15.000 per week omdat effect van prijsverhoging dan voelbaar is op de bank.

V: Wat kun je over dit bericht verklaren?

A: Je bedoelt of ik toen wist of er op 12 september 3 ton aan de notaris zou betalen? Ik wist toen dat Speer niet in één keer betaald hoefde te worden, en toen had ik van mezelf bedacht om het bedrag over te maken naar de notaris. Achteraf zou ik willen dat ik om handtekeningen had gevraagd, die ik waarschijnlijk van de helft zou hebben gekregen en van de helft niet.17

Uit een proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige 1] blijkt onder meer het volgende:

A: [verdachte] heeft via de rekening van [bedrijf 2] BV 75000 euro op 4 april 2018 naar mijn ABN-AMRO rekening overgeboekt als deposit [omschrijving] . Ik heb daar wat hooi of stro van betaald maar ik heb bijna het gehele bedrag van 76000 euro geboekt naar een rekening van [bedrijf 4] . Dat was ook op 4 april 2018.

A: De afspraak was dat ik 75000 euro zou krijgen om [omschrijving] te betalen. Ik heb daar ook een factuur van. Ik mocht er mee doen wat ik wilde. Maar later heb ik dat geld overgemaakt op het bedrijf van [bedrijf 4] . Van dat geld hebben wij auto’s gekocht en die zijn naar Polen gebracht.

V: Wat is jou rol bij [bedrijf 4] ?

A Soms heb ik auto’s gerepareerd. Verder had ik geen rol in [bedrijf 4] .

V: Wie kwam er met het idee om zo dat geld weg te zetten?

A: Wij, [verdachte] en ik, hebben ooit daarover gesproken. Eerst was het om er [omschrijving] voor te kopen. Later in het gesprek hebben wij er over gesproken dat wij er auto’s mee konden kopen en zo met de handel van [bedrijf 4] meer geld konden verdienen.18

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverweging

feit 1 – verduistering in dienstbetrekking van € 75.000,000 van [bedrijf 2]

De rechtbank acht bewezen dat verdachte € 75.000,00 van [bedrijf 2] heeft verduisterd in dienstbetrekking.

Voor bewijs van verduistering moet komen vast te staan dat verdachte rechtmatig de beschikking had over het geld en dat hij zich dat geld opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Op 4 april 2018 is van de rekening van [bedrijf 1] B.V., onder vermelding van ‘Aanv. lening [bedrijf 1] ’ een bedrag van € 250.000,00 overgeschreven naar de rekening van [bedrijf 2] .

Verdachte heeft op 4 april 2018, kort nadat het bedrag van € 250.000,00 op de rekening van [bedrijf 2] stond, een bedrag € 75.000,00 overgeboekt naar de bankrekening van [getuige 1] . Diezelfde dag heeft [getuige 1] € 76.000,00 overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 4] , een onderneming van verdachte, waarna verdachte van de rekening van [bedrijf 4] een bedrag van € 75.000,00 heeft overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 7] B.V.

Verdachte had in zijn hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 2] op 4 april 2018 de rechtmatige beschikking over de bankrekening van [bedrijf 2] . Uit de verklaringen van verdachte en [getuige 1] volgt dat verdachte op 4 april 2018 het bedrag van

€ 75.000,00 naar een rekening van [getuige 1] heeft overgeboekt met als doel om [getuige 1] in staat te stellen zijn schuld aan [bedrijf 4] af te lossen en/of om het geld te gebruiken voor de aankoop van auto’s.

Verdachte heeft aldus geld van [bedrijf 2] overgeboekt naar de rekening van [getuige 1] , zodat deze zijn schuld aan [bedrijf 4] van verdachte kon aflossen en waarmee vervolgens een privéuitgave is gedaan door [bedrijf 7] B.V. te betalen in verband met de aankoop door verdachte van de woning aan het [adres] in [woonplaats] . Hiermee heeft verdachte, via de rekening van [getuige 1] , geld van [bedrijf 2] gebruikt voor privé-doeleinden en zo opzettelijk geld van [bedrijf 2] zich wederrechtelijk toegeëigend. Dat verdachte bij [bedrijf 2] vrijheid had in zijn financiële handelingen moge zo zijn, maar nergens blijkt uit dat die vrijheid zo ver ging of dat verdachte kon veronderstellen dat die vrijheid zover ging dat verdachte zonder overleg met de aandeelhouders een dergelijk bedrag van [bedrijf 2] mocht gebruiken of aanwenden voor privédoeleinden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 april 2018 een bedrag van € 75.000,00 van [bedrijf 2] , welk bedrag hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

feit 2 subsidiair – verduistering gelden [bedrijf 2]

Wat betreft het voorwaardelijke verzoek tot het doen van aanvullend onderzoek door het horen van getuigen is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de voorhanden zijnde processtukken en het verhandelde ter terechtzitting, er geen noodzaak tot het horen van de getuigen is. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek daarom af.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 12 september 2018 schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van € 400.000,00 van [bedrijf 2] .

Zoals overwogen moet voor het bewijs van verduistering komen vast te staan dat verdachte rechtmatig de beschikking had over het geld en dat hij zich dat geld opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Op 12 september 2018 is om 09:26 uur een bedrag van € 500.000,00 overgeboekt van de rekening van [bedrijf 6] BV naar de rekening van [bedrijf 2] . Uit de stukken in het dossier - correspondentie en de omschrijving bij de overboeking - volgt dat aan deze overboeking een lening tussen [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] ten grondslag lag en dat het bedrag op nadrukkelijk verzoek van verdachte was overgemaakt voor de aankoop van [omschrijving] .

Desondanks, heeft verdachte op 12 september 2018 om 09:56 uur van de rekening van [bedrijf 2] een bedrag van € 400.000,00 overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 5] BV. onder vermelding van ‘Garantiebedrag’. Verdachte heeft dit bedrag vervolgens in de daaropvolgende dagen aangewend voor privédoeleinden, onder andere voor het betalen van de notaris voor een door verdachte in privé aangekocht pand. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte toestemming heeft gevraagd of heeft gekregen van (de aandeelhouders van) [bedrijf 1] B.V. of [bedrijf 2] om een bedrag van € 400.000,00 over te boeken naar

[verdachte] B.V. en het geld vervolgens verder te gebruiken voor privédoeleinden. Zoals hiervoor ook overwogen moge het zo zijn dat verdachte vrijheid had in zijn financiële handelingen, maar nergens blijkt uit dat die vrijheid zo ver ging of dat verdachte kon veronderstellen dat die vrijheid zover ging dat verdachte zonder overleg met de aandeel-houders een dergelijk bedrag van [bedrijf 2] mocht gebruiken of aanwenden voor privédoeleinden. De omstandigheid dat verdachte het geld heeft overgeboekt met de intentie om het later weer aan [bedrijf 2] terug te betalen - waarvan overigens niet is gebleken dat verdachte die intentie is nagekomen - maakt dit niet anders.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 12 september 2018 opzettelijk een bedrag van € 400.000,00 van [bedrijf 2] , welk bedrag hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking rechtmatig onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

feit 3 – witwassen van € 75.000,00

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 4 april 2018 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van € 75.000,00.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen en hetgeen onder de bewijsoverweging voor feit 1 is overwogen vast dat het geldbedrag van € 75.000,00 een criminele herkomst heeft, te weten het eigen misdrijf van verdachte (verduistering).

Verdachte heeft de overboeking naar de rekening van [getuige 1] van € 75.000,00 gedaan onder vermelding van ‘deposit invoice [omschrijving] ’. In de administratie van [bedrijf 2] heeft verdachte deze overboeking op crediteuren geboekt en tegenover deze boeking heeft hij een inkoopfactuur geboekt voor € 75.000,00 van 31 maart 2018 met omschrijving [getuige 1] . Verder hadden verdachte en [getuige 1] afgesproken dat [getuige 1] het geld zou overboeken naar de rekening van [bedrijf 4] , hetgeen daadwerkelijk is gebeurd. Vervolgens heeft verdachte het geld van de rekening van [bedrijf 4] weer overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 7] B.V. Niet blijkt dat met het geld hooi of stro is gekocht, zoals wel in de administratie is opgenomen.

Verdachte heeft met de hiervoor beschreven handelingen gedragingen verricht om daarmee de criminele herkomst van het (door hem verduisterde) bedrag van € 75.000,00 te verbergen dan wel te verhullen.

feit 4 – witwassen van € 400.000,00.

Wat betreft het voorwaardelijke verzoek tot het doen van aanvullend onderzoek door het horen van getuigen is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de voorhanden zijnde processtukken en het verhandelde ter terechtzitting, er geen noodzaak tot het horen van de getuigen is. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek daarom af.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich in de periode van 12 september tot en met 14 september 2018 schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van € 400.000,00.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen en hetgeen onder de bewijsoverweging voor feit 2 is overwogen vast dat het geldbedrag van € 400.000,00 een criminele herkomst heeft, te weten het eigen misdrijf van verdachte (verduistering).

Verdachte heeft op 12 september 2018 het door hem verduisterde bedrag van € 400.000,00 van de rekening van [bedrijf 2] overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 5] BV, met als omschrijving ‘Garantiebedrag’. [bedrijf 5] BV was op dat moment enig bestuurder van [bedrijf 2] . Verdachte heeft de overboeking in de administratie van [bedrijf 2] verwerkt in de grootboekrekening van [bedrijf 2] en geboekt onder waarborgsommen met als omschrijving: ‘Waarborg [omschrijving] ’. Verdachte heeft vervolgens van de rekening van [bedrijf 5] BV een bedrag van € 339.474,48 overgeboekt naar de rekening van notaris [notaris] voor de door verdachte aangekochte woning aan de [adres] te [woonplaats] .

Dat met het geld hooi of stro is aangeschaft is de rechtbank niet gebleken.

Verdachte heeft met de hiervoor beschreven handelingen gedragingen verricht om daarmee de criminele herkomst van het (verduisterde) bedrag van € 400.000,00 te verbergen dan wel te verhullen.

De bewijsmiddelen

Voor feit 5 – verduistering tankpassen en diefstal gelden [bedrijf 2]

Uit een brief, met bijlage, van 18 maart 2019, gevoegd bij het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, blijkt onder meer het volgende:

Van [bedrijf 8] B.V.

Aan [bedrijf 2] B.V.

Per adres [bedrijf 1] B.V.

Inzake: [bedrijf 9] GmbH

18 maart 2019

Uit onze administratie blijkt dat te uwen laste nog staat een bedrag ad. € 30.370,04. Blijkens de gegevens uit de Kamer van Koophandel bent u als vereffenaar aangesteld.19

Bijlagen:

Factuur [bedrijf 9] d.d. 31.10.2018 op naam van [bedrijf 2] van € 6.767,6020

Factuur [bedrijf 9] d.d. 30.11.2018 op naam van [bedrijf 2] van € 10.246,2221

Factuur [bedrijf 9] d.d. 15.12.2018 op naam van [bedrijf 2] van € 2.289,5322

Factuur [bedrijf 9] d.d. 31.12.2018 op naam van [bedrijf 2] van € 74,2423

Factuur [bedrijf 9] d.d. 15.01.2019 op naam van [bedrijf 2] van € 157,3124

Uit de samenvatting bij het proces-verbaal algemeen dossier 033Stro blijkt onder meer het volgende:

Het verschil tussen het totaalbedrag van de onderliggende facturen en het bedrag dat door [bedrijf 8] BV wordt geëist, wordt vermoedelijk veroorzaakt door in rekening gebrachte incassokosten die zijn veroorzaakt doordat [bedrijf 2] BV de facturen na de branden niet meer betaalde dan wel niet meer kon betalen.

De facturen van 30 november 2018, 15 december 2018, 31 december 2018 en 15 januari 2019 hebben allemaal betrekking op gebruik van de brandstofpassen na 27 oktober 2018, de dag waarop de activiteiten van [bedrijf 2] BV stil kwamen te liggen.

Blijkens de onderliggende facturen van [bedrijf 9] heeft van de factuur van 31 oktober 2018, van

€ 6.767,60, in totaal € 5.259,76 betrekking op gebruik van de brandstofpassen na de brand op 27 oktober.25

Uit een proces-verbaal van verhoor verdachte blijkt onder meer het volgende:

O: Dhr. [aangever 1] stuurde ons nog een rekening door voor brandstofkosten die zijn gemaakt met de brandstofpas van [bedrijf 2] BV.

V: Wat kun je hierover verklaren?

A: In [woonplaats] hadden wij een eigen dieseltank. Door de brand nummer 2 of 3 is de stroomtoevoer van deze brandstoftank verbrand, waardoor we gedwongen werden onderweg te tanken. Ik had nog geen tankpassen van [bedrijf 3] , die waren aangevraagd. Als tussenoplossing zijn de bestaande [bedrijf 9] -passen van [bedrijf 2] gebruikt.

V: Heb je het gebruik van die passen ook besproken met de aandeelhouders van [bedrijf 2] ?

A: Nee.

V: Toen de passen in november, december en januari gebruikt werden was [bedrijf 2] niet meer actief. Hoe zou dat verrekend worden?

A: [bedrijf 3] zou de facturen direct aan [bedrijf 9] betalen. De [bedrijf 9] -facturen zitten in de boekhouding van [bedrijf 3] en liggen bij de accountant.26

Uit een proces-verbaal van bevindingen van 5 maart 2020 blijkt onder meer het volgende:

Uit de mail van dhr. [verdachte] blijkt dat hij op 14 december 2018 de aandeelhouders van [bedrijf 2] BV op de hoogte stelde van het gebruik van brandstofpassen van [bedrijf 2] BV door [bedrijf 3] BV. Dit vond dus plaats nadat [bedrijf 3] haar eigen brandstofpassen van European Diesel Cards had gekregen en het gebruik van de brandstofpassen van [bedrijf 2] BV door [bedrijf 3] BV eindigde, en nadat de eerste rekeningen van [bedrijf 9] EuroService Benelux BV niet geïncasseerd konden worden, maar voordat de incasso in handen van [bedrijf 8] was gegeven.27

Bewijsoverweging feit 5

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van tankpassen en aan diefstal.

Op 27 oktober 2018 is de bedrijfsvoering van [bedrijf 2] stil komen te liggen. Verdachte heeft daarna tankpassen op naam van [bedrijf 2] , waarover hij als (middellijk) bestuurder van [bedrijf 2] de beschikking had, gebruikt ten behoeve van zijn eigen bedrijf [bedrijf 3] . Niet blijkt dat [bedrijf 2] daar enig belang bij had, terwijl het gebruik door [bedrijf 9] op grond van het contract met [bedrijf 2] wel bij [bedrijf 2] in rekening werd gebracht.

Verdachte heeft niet aan de aandeelhouders van [bedrijf 2] gevraagd of zij ermee instemden dat [bedrijf 3] tijdelijk gebruik zou gaan maken van tankpassen van [bedrijf 2] . Pas op 14 december 2018 zijn de aandeelhouders hiervan op de hoogte geraakt na het stellen van vragen aan verdachte over de brandstofkosten van [bedrijf 2] . Dat volgens verdachte sprake was van een noodtoestand binnen [bedrijf 3] , omdat de brandstoftank na een brand niet meer te gebruiken was en tankpassen op eigen naam nog niet waren ontvangen, rechtvaardigt nog niet het gebruik van tankpassen en het maken van kosten op naam van [bedrijf 2] door [bedrijf 3] . Van de tankpassen is dan ook onbevoegd gebruik gemaakt. Verdachte had geen reden te veronderstellen dat dit anders was, ook niet doordat [bedrijf 2] volgens verdachte in het verleden brandstofkosten op rekening van [bedrijf 3] heeft gemaakt.

Dat verdachte stelt voornemens te zijn geweest de bedragen aan [bedrijf 9] te voldoen maakt het vorenstaande niet anders, nu op het moment van het onbevoegde gebruik van de tankpassen de diefstal reeds was voltooid. Overigens heeft verdachte alleen de factuur van 7 december 2018 voldaan en zijn de overige facturen onbetaald gebleven.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte door de tankpassen van [bedrijf 2] , die hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking onder zich had, voor zijn eigen bedrijf te gaan gebruiken zich deze passen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Voorts volgt hieruit dat hij met deze passen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, een bedrag van € 18.027,06 (totaal van de facturen vanaf 27 oktober 2018 tot en met 15 januari 2019) van [bedrijf 2] heeft weggenomen.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 28 oktober 2018 tot en met 15 januari 2019 schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van tankpassen en aan diefstal met een valse sleutel van een bedrag van

€ 18.027,06 van [bedrijf 2] .

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

16/100970-19

feit 1

op 4 april 2018 te [woonplaats] , opzettelijk, een goed, te weten een geldbedrag van 75.000

euro, dat geheel toebehoorde aan [bedrijf 2] BV, in elk geval aan een ander dan aan

verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten

als bestuurder van [bedrijf 2] BV, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 2 subsidiair

op 12 september 2018 te [woonplaats] , opzettelijk een geldbedrag van in totaal 400.000 euro,

dat geheel toebehoorde aan [bedrijf 2] BV, en welk goed verdachte, uit hoofde van zijn

persoonlijke dienstbetrekking, te weten als bestuurder van [bedrijf 5] BV, die de

bestuurder was van [bedrijf 2] BV, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 3

op 4 april 2018 te [woonplaats] , van een geldbedrag van in totaal 75.000 euro, de werkelijke

aard, de herkomst, de vindplaats, en of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten [bedrijf 2]

BV, was, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel - onmiddellijk - afkomstig was uit enig

misdrijf;

feit 4 primair

in de periode van 12 september 2018 tot en met 14 september 2018 te [woonplaats] , van een

geldbedrag van in totaal 400.000 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en/of

de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op een voorwerp, te weten [bedrijf 2] BV, was, terwijl hij wist dat dat

voorwerp geheel - onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 5

in de periode van 28 oktober 2018 tot en met 15 januari 2019 te [woonplaats] , althans in

Nederland, opzettelijk telkens brandstofpassen/tankpassen, welke goederen toebehoorden

aan [bedrijf 2] BV, in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en welk goederen

verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als bestuurder van

[bedrijf 5] BV, die de bestuurder was van [bedrijf 2] BV, in elk geval anders

dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en

in de periode van 28 oktober 2018 tot en met 15 januari 2019 te [woonplaats] , althans in

Nederland, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, een geldbedrag van

in totaal 18.027,06 euro, dat geheel aan [bedrijf 2] BV toebehoorde, heeft weggenomen

terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van

een valse sleutel, door een of meerdere medewerkers van [bedrijf 3] BV met die

brandstofpassen/tankpassen voor brandstof te laten betalen terwijl die onkosten niet ten

behoeve van die [bedrijf 2] BV zijn gemaakt;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

16/100970-19

feit 1

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking onder zich heeft;

feit 2 subsidiair

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;

feit 3

witwassen;

feit 4 primair

witwassen;

feit 5

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft

en

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van het voorarrest.

De officier van justitie heeft verzocht om in het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt en overgaat tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur die langer is dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen en de gevangenneming te bevelen van verdachte.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor zover de rechtbank komt tot een veroordeling verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, het forse tijdsverloop sinds de start van het onderzoek en de overschrijding van de redelijke termijn sinds de (eerste) aanhouding van verdachte op 1 december 2018, de impact die de zaak op het persoonlijke leven van verdachte en zijn naasten heeft gehad en het lage recidiverisico zoals dat blijkt uit de rapportages over verdachte.

De vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis dient afgewezen te worden. De persoonlijke belangen van verdachte bij schorsing van zijn voorlopige hechtenis zijn er nog steeds. Verdachte is als vader weer betrokken bij de opvoeding van zijn kinderen. Hij heeft een nieuwe baan en een liefdevol netwerk van mensen om zich heen. Er hebben zich na zijn schorsing geen nieuwe branden meer voorgedaan. Dit alles maakt dat zijn persoonlijk belang zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang om over te gaan tot opheffing van de schorsing.

De raadsman heeft verzocht om de twee zaken alsnog op grond van artikel 285 derde lid Wetboek van Strafvordering te splitsen in de volgende twee gevallen:

- ingeval in één van beide onderzoeken (respectievelijk 16/244837-18 en/of 16/100970-19) een integrale vrijspraak volgt van de oorspronkelijk onder die nummers tenlastegelegde feiten en/of

- ingeval de rechtbank zich ter zake van één van beide onderzoeken (respectievelijk 16/244837-18 en/of 16/100970-19) vooralsnog onvoldoende geïnformeerd mocht achten om tot een eindbeslissing te komen en dientengevolge heropening van dat onderzoek gelast.

In de voornoemde gevallen kan immers niet worden gezegd dat een verband tussen de zaken bestaat althans de voeging kan niet in het belang van het onderzoek worden geacht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft in 2018 van [bedrijf 2] , het bedrijf waar verdachte jarenlang werkzaam was en tevens bestuurder van was, twee aanzienlijk geldbedragen verduisterd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de verduisterde geldbedragen. De geldbedragen heeft verdachte gebruikt voor privédoeleinden. Tot slot heeft verdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan verduistering en diefstal van [bedrijf 2] , door voor een bedrag van ongeveer € 18.000,00 tankpassen van [bedrijf 2] te gebruiken voor zijn eigen bedrijf.

Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de aandeelhouders van [bedrijf 2] in hem hadden en hij heeft met zijn handelen de toch al niet goed lopende bedrijfsvoering van [bedrijf 2] verdere schade berokkend. Daarbij zijn de feiten door verdachte gepleegd in een periode dat de bedrijfsvoering van [bedrijf 2] al ernstig te lijden had onder de gevolgen van de brandstichtingen. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden om geld van [bedrijf 2] te gebruiken voor eigen doeleinden. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 15 april 2021;

  • -

    een psychiatrisch onderzoek van 1 oktober 2019, opgemaakt door D. van Dam, psychiater en M. Kaan, AIOS supervisant;

  • -

    een psychologisch onderzoek van 7 oktober 2019, opgemaakt door A.M.T. Spies, GZ-psycholoog BIG;

  • -

    een reclasseringsadvies van 7 oktober 2019, opgesteld door E.A.M. van Rie, reclasseringswerker.

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor feiten als de onderhavige.

De deskundigen hebben verdachte onderzocht in verband met de onder 1 tenlastegelegde brandstichting op 6 juni 2019 in [woonplaats] , waarvoor verdachte wordt vrijgesproken. Volgens de psychiater was er bij verdachte ten tijde van de beoordeling sprake van een aanpassings-stoornis met een verlaagde en angstige stemming, maar speelde ten tijde van het tenlaste-gelegde geen psychopathologie. De psycholoog heeft gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en sombere stemming, chronisch van aard. Onbekend is of er een verband bestaat tussen de stoornis en de bewezenverklaarde vermogensfeiten, omdat het onderzoek niet is uitgevoerd in het kader van deze feiten. De deskundigen hebben geen interventieadviezen gegeven.

De reclassering heeft gerapporteerd naar aanleiding van de tenlastegelegde branden en geen strafadvies uitgebracht, omdat verdachte betrokkenheid bij die branden ontkent. De reclassering heeft op geen enkel leefgebied problemen bij verdachte geconstateerd en voor verder verdiepingsonderzoek worden geen aanknopingspunten gezien.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank ziet vanwege het financiële aspect van de feiten aanleiding om aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS in het geval van fraude. Bij een benadelingsbedrag tussen de € 500.000,00 tot € 1.000.000,00 wordt in beginsel uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 18 en 24 maanden.

In deze zaak is sprake van een benadelingsbedrag dat aan de onderkant van deze bandbreedte zit.

De rechtbank heeft laten meewegen dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte langere tijd als verdachte van de brandstichtingen is aangemerkt, in de media uitgebreid aandacht daarvoor is geweest, en de rechtbank hem uiteindelijk van die branden vrijspreekt. De rechtbank ziet aanleiding dit in enige mate te compenseren in de strafmaat voor de vermogensfeiten.

De rechtbank stelt verder vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal het laten bij de constatering dat hiervan sprake is. De rechtbank ziet geen reden om dit in strafmatigende zin te laten meewegen bij de bepaling van de straf. De procedure is in zijn algemeenheid voortvarend verlopen, de overschrijding is beperkt en de vertraging is mede het gevolg van onderzoekswensen van de verdediging.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest conform artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden. Doordat de duur van het voorarrest in de brandzaken van de straf wordt afgetrokken, heeft verdachte het onvoorwaardelijk deel van de straf reeds uitgezeten. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank tot een vrijspraak komt ten aanzien van de drie aan verdachte ten laste gelegde brandstichtingen.

Opheffing reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen, omdat verdachte wordt vrijgesproken van de feiten op grond waarvan de voorlopige hechtenis is bepaald.

Verzoek van de verdediging tot splitsing van de zaken

De rechtbank ziet, zoals ook uit wat hiervoor is overwogen volgt, op basis van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om terug te komen op haar beslissing van 1 april 2021 om de twee zaken te voegen en gevoegd te behandelen.

Het verzoek tot splitsing van de zaken wordt daarom afgewezen.

9 BESLAG

De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

  • -

    1 1 STK Digitale video recorder G2288889

  • -

    1 STK Spijkerbroek G2312541 (Omschrijving: Blauw)

  • -

    1 STK Trui G2312544

  • -

    1 STK Telefoontoestel G2312525 (Omschrijving: Zwart, merk: Iphone)

  • -

    1 STK USB-stick (memorykaart) G2312527 (Omschrijving: Usbstick safenet)

  • -

    1 STK Telefoontoestel G2312537 (Omschrijving: Iphone)

  • -

    1 STK Harde schijf G2312559 (Omschrijving: Wit, merk: Qnap a.2.5.)

  • -

    1 STK Computer G2312560 (Omschrijving: Hp Pavillion)

  • -

    2 STK Schoenen G2316261 (Omschrijving: Grotendeels verbrand)

  • -

    1 FLS Geurolie G2429794 (Omschrijving: Essential Olie)

10 BENADEELDE PARTIJ

[bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) heeft zich gevoegd als benadeelde partij en zij vordert een vergoeding van in totaal € 550.000,00 aan materiële schade, die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de aan verdachte onder 1 en 2 van parketnummer 16/100970-19 ten laste gelegde feiten.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [bedrijf 1] tot een bedrag van € 525.000,00 toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft het bedrag van € 25.000,00 dient [bedrijf 1] niet-ontvankelijk verklaard te worden.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [bedrijf 1] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op de door de verdediging bepleite integrale vrijspraak.

Daarnaast kan [bedrijf 1] niet als benadeelde partij worden aangemerkt, omdat zij geen rechtstreekse schade heeft geleden van enig tenlastegelegd feit. Voor zover er gelden zijn verduisterd is de schade als gevolg daarvan rechtstreeks geleden door [bedrijf 2] . Het vorderingsrecht komt dan toe aan de curator van [bedrijf 2] en niet aan [bedrijf 1] als de partij die het geld heeft verstrekt.

Mocht de rechtbank hieraan voorbij gaan dan geldt voor de vorderingen van € 75.000,00 en

€ 400.000,00, dat deze zijn betrokken in de afwikkeling van de faillissementen van [bedrijf 4] BV en [bedrijf 5] BV, die zijn opgeheven. Er ligt in dat kader ook beslag op de restopbrengst van de verkoop van [adres] te [woonplaats] . De vorderingen van de benadeelde partij kunnen deze rechtsgang niet doorkruisen althans nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Om die reden dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor het gevorderde bedrag van € 25.000,00 geldt dat het ontbreekt aan enige motivering over hoe deze schade zich verhoudt tot de tenlastegelegde feiten. De vordering dient als ontoereikend gemotiveerd te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Tot slot heeft de raadsman gesteld dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel geen gepaste maatregel is. De schadevergoedingsmaatregel is in het leven geroepen om (kwetsbare en niet juridisch geschoolde) slachtoffers van misdrijven het werk uit handen te nemen om een toegewezen vordering te innen. [bedrijf 1] voldoet hier niet aan en moet in staat worden geacht om zelfstandig haar vordering te kunnen incasseren.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit de feiten en omstandigheden in deze zaak en de ter terechtzitting gegeven toelichting af dat [bedrijf 1] optreedt als vereffenaar van [bedrijf 2] en dat zij in die hoedanigheid namens [bedrijf 2] schadevergoeding heeft gevorderd.

Niet blijkt dat het faillissement van [bedrijf 2] is uitgesproken en dat de rechtbank een curator heeft aangesteld. Hier is, in vennootschapsrechtelijke zin, sprake van een bestuurder (van die vennootschap) die als vereffenaar van die vennootschap optreedt. De rechtbank leidt hieruit af dat [bedrijf 2] als rechtspersoon is ontbonden, maar dat zij in het kader van de vereffening van haar vermogen is blijven voortbestaan

De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] , belast met vereffening van het vermogen van [bedrijf 2] , zich namens [bedrijf 2] als benadeelde partij in deze procedure kan voegen en dat [bedrijf 1] in die hoedanigheid tevens gerechtigd is om vergoeding te vorderen van schade die [bedrijf 2] als gevolg van een door verdachte gepleegd strafbaar feiten heeft geleden.

[bedrijf 1] heeft vergoeding gevorderd van € 550.000,00. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:

  • -

    het op 4 april 2018 door verdachte overgeboekte bedrag van € 75.000,00;

  • -

    het op 4 april 2018 door verdachte overgeboekte bedrag van € 50.000,00;

  • -

    het op 12 september 2018 door verdachte overgeboekte bedrag van € 400.000,00;

  • -

    en een op 1 mei 2018 door verdachte overgeboekt bedrag van € 25.000,00.

De rechtbank verwerpt het verweer van raadsman dat de bedragen van € 75.000,00 en van

€ 400.000,00 reeds zijn betrokken in de afwikkeling van het faillissement van [bedrijf 4] BV en van [bedrijf 5] BV. Elk van beide faillissementen is opgeheven bij gebrek aan baten. Dat betekent dat ervanuit moet worden gegaan dat in geen van de twee faillissementen de vorderingen van [bedrijf 2] (gedeeltelijk) zijn voldaan. Evenmin heeft het opheffen van de faillissementen bij gebrek aan baten tot gevolg gehad dat de schulden zijn komen te vervallen; het gevolg is dat de faillissementen zijn geëindigd en de situatie van voor de faillissementen weer is ingetreden. Op grond hiervan heeft [bedrijf 2] dus nog steeds een vordering op verdachte. Dat er beslag rust op de restopbrengst van de verkoop van de woning, maakt niet dat daarmee de schulden zijn voldaan.

De rechtbank heeft geoordeeld dat zij bewezen acht dat verdachte een geldbedrag van

€ 75.000,00 en van € 400.000,00 van [bedrijf 2] heeft verduisterd. Ten aanzien van deze twee bedragen staat vast dat [bedrijf 2] door dit handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden.

De schade voor zover die betrekking heeft op vergoeding van deze twee bedragen, in totaal

€ 475.000,00, komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 475.000,00 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 75.000,00, vanaf 4 april 2018 tot de dag van volledige betaling en vermeerderd met de wettelijke rente over € 400.000,00 vanaf 12 september 2018 tot de dag van volledig betaling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot vergoeding van de bedragen van € 50.000,00 en van € 25.000,00 en bepalen dat de benadeelde partij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Wat betreft het bedrag van € 50.000,00 geldt dat de rechtbank verdachte voor dit feit vrijspreekt. Voor het bedrag van € 25.000,00 geldt dat de benadeelde partij niet (met stukken) inzichtelijk heeft gemaakt wat de grondslag is van haar vordering en waarom verdachte aansprakelijk is voor het ontstaan van deze schade.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal overgaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op de wijze zoals in de beslissing vermeld. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen reden om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten. De rechtbank zal aan verdachte ten behoeve van [bedrijf 1] de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van € 475.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 75.000,00, vanaf 4 april 2018 tot de dag van volledige betaling en vermeerderd met de wettelijke rente over € 400.000,00 vanaf 12 september 2018 tot de dag van volledig betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 365 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 311, 322 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak parketnummer 16/244837-18

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Vrijspraak parketnummer 16/100970-19

- verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij

Bewezenverklaring parketnummer 16/100970-19

- verklaart ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

 1 1 STK Digitale video recorder G2288889;

 1 STK Spijkerbroek G2312541 (Omschrijving: Blauw);

 1 STK Trui G2312544;

 1 STK Telefoontoestel G2312525 (Omschrijving: Zwart, merk: Iphone);

 1 STK USB-stick (memorykaart) G2312527 (Omschrijving: Usbstick safenet);

 1 STK Telefoontoestel G2312537 (Omschrijving: Iphone);

 1 STK Harde schijf G2312559 (Omschrijving: Wit, merk: Qnap a.2.5.);

 1 STK Computer G2312560 (Omschrijving: Hp Pavillion);

 2 STK Schoenen G2316261 (Omschrijving: Grotendeels verbrand);

 1 FLS Geurolie G2429794 (Omschrijving: Essential Olie);

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [bedrijf 1] B.V., in haar hoedanigheid van vereffenaar van [bedrijf 2] B.V., toe tot een bedrag van € 475.000,00 aan materiële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [bedrijf 1] B.V., in haar hoedanigheid van vereffenaar van [bedrijf 2] B.V., van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over € 75.000,00 vanaf 4 april 2018 en de wettelijke rente over € 400.000,00 vanaf 12 september 2018 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [bedrijf 1] B.V., in haar hoedanigheid van vereffenaar van [bedrijf 2] B.V., voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [bedrijf 1] B.V., in haar hoedanigheid van vereffenaar van [bedrijf 2] B.V., aan de Staat € 475.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 75.000,00 vanaf 4 april 2018 en de wettelijke rente over

€ 400.000,00 vanaf 12 september 2018 tot de dag van volledige betaling tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 365 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Verzoeken verdediging

- wijst af het verzoek tot splitsing van de gevoegde zaken met parketnummers 16/244837-18 en 16/100970-19;

- wijst af het voorwaardelijke verzoek in de zaak met parketnummer 16/100970-19 tot het horen van getuigen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. Spruit, voorzitter, mrs. N.M. Spelt en M.E. Falkmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 januari 2022.

Bijlage: de tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 16/244837-18 wordt - na nadere omschrijving van de tenlastelegging - aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 6 juni 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland,

opzettelijk brand heeft gesticht in de woning, gelegen aan het [adres] ,

door een bed, althans een goed, met (open) vuur in aanraking te brengen, ten gevolge waarvan voornoemd bed en/of overige inboedel van de slaapkamer en/of het dak van voornoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor goederen in voornoemde woning en/of voor voornoemde woning en/of voor nabij gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

(Artikel 157 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 16 november 2018 te [woonplaats] , althans in Nederland,

opzettelijk brand heeft gesticht in de woning, gelegen aan/op de [adres] , door open vuur in aanraking te brengen met papieren administratie (kartonnen dozen met daarin ordners), althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die papieren administratie en/of de vloer (van de kelder van voornoemde woning) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde goederen en/of voor voornoemde woning en/of de inboedel van die woning,

in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [getuige 1] ,

in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

(Artikel 157 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 16 juli 2018 te [woonplaats] , althans in Nederland,

opzettelijk brand heeft gesticht in de woning, gelegen aan/op de [adres]

door de (laminaat)vloer van de bijkeuken, althans een goed, al dan niet na die te hebben besprenkeld met een brandversnellend middel, met (open) vuur in aanraking te brengen, ten gevolge waarvan (de inboedel van) de bijkeuken en/of de keuken en/of de woonkamer van voornoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor (overige kamers in) voornoemde woning en/of de (overige) inboedel van die woning en/of voor nabij gelegen panden en/of de inboedel van nabij gelegen panden,

in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

(Artikel 157 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

In de zaak met parketnummer 16/100970-19 wordt aan verdachte ten laste gelegd dat:

1

hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 4 april 2018 te [woonplaats] , althans in Nederland,

opzettelijk

een of meerdere goed(eren), te weten

- een geldbedrag van 75.000 euro en/of

- een geldbedrag van 50.000 euro,

in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 2] BV en/of [bedrijf 1] BV,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking,

te weten als bestuurder van [bedrijf 2] BV,

in elk geval anders dan door misdrijf,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

( art 321 Wetboek van Strafrecht, art 322 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 tot en met 12 september 2018 te [woonplaats] , althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of doorlistige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[aangever 2] en/of [aangever 1] en/of [bedrijf 1] BV heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld,

te weten het verstrekking van een lening van 500.000 euro aan [bedrijf 2] BV,

door

- op 10 september 2018 om 13:13 uur die [aangever 2] en/of [B] een e-mail te sturen met het verzoek om een geldbedrag van in totaal 500.000 euro naar de rekening van [bedrijf 2] over te maken om daarmee (groen) hooi en/of stro te kunnen bestellen en/of

- ( vervolgens) op 10 september 2018 om 22:05 uur die [aangever 2] en die [B] (wederom) een e-mail te sturen met de uitleg dat de lening van 500.000 euro als vooruitbetaling dient voor kosten van de komende tien maanden, die gemaakt zullen worden voor het inkopen van hooi en/of stro, en/of de mededeling dat er sprake is van spoed en/of

- ( vervolgens) op 11 september 2018 om 22:41 uur een whatsapp-bericht te sturen in de whatsappgroep “ [woonplaats] - [bedrijf 2] ”, met onder andere als deelnemers die [aangever 2] en/of die [B] , met de opmerkingen ‘het is momenteel echt daghandel en per dag gaat t omhoog. Dus als we snel kunnen schakelen, graag’ en/of ‘Vanaf 1 oktober kan [bedrijf 2]

10.000 per week terug betalen aan [bedrijf 6] voor het voorschieten van inkoop en vanaf

1 januari kan dat dan opgehoogd worden naar 15.000 per week omdat effect van prijsverhoging dan voelbaar is op de bank’,

terwijl verdachte het voornoemde geldbedrag wilde gebruiken voor de aankoop van een (door verdachte reeds aangekochte) woning en/of het betalen van (reeds bestaande) facturen van eerder aangekocht hooi en/of stro;

( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 september 2018 te [woonplaats] , althans in Nederland,

opzettelijk

een geldbedrag van in totaal 400.000 euro, in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 2] BV en/of [bedrijf 1] BV,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en welk goed verdachte,

uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als bestuurder van [bedrijf 5] BV, die de bestuurder was van [bedrijf 2] BV,

in elk geval anders dan door misdrijf,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

( art 321 Wetboek van Strafrecht, art 322 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 4 april 2018 te [woonplaats] , althans in Nederland,

van een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 75.000 euro,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten

[bedrijf 2] BV en/of [bedrijf 1] BV, was,

terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk ofmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

4

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2018 tot en met 14 september 2018 te [woonplaats] , althans in Nederland,

van een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 400.000 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp,

te weten [bedrijf 2] BV en/of [bedrijf 1] BV, was,

terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk ofmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2018 tot en met 14 september 2018 te [woonplaats] , althans in Nederland,

een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 400.000 euro, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;

( art 420bis.1 Wetboek van Strafrecht )

5

hij op een op meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 oktober 2018 tot en met 15 januari 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland,

opzettelijk

(telkens) een of meerdere goederen, te weten een of meerdere randstofpas(sen)/tankpas(sen), in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf 2] BV,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en welk goed verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als bestuurder van [bedrijf 5] BV, die de bestuurder was van [bedrijf 2] BV,

in elk geval anders dan door misdrijf,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(art 321 Wetboek van Strafrecht, art 322 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks van 28 oktober 2018 tot en met 15 januari 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

(telkens) een geldbedrag (van in totaal 27.027,30 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, te weten aan [bedrijf 2] BV,

heeft/hebben weggenomen

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door

- een of meerdere brandstofpas(sen)/tankpas(sen), welke is/zijn verstrekt door die [bedrijf 2] BV, aan een of meerdere medewerker(s) van [bedrijf 3] BV te verstrekken en/of

- ( vervolgens) die medewerker(s) met die brandstofpas(sen)/tankpas(sen) voor brandstof te laten betalen (terwijl die onkosten niet ten behoeve van die [bedrijf 2] BV zijn gemaakt);

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 28 november 2019, 5 maart 2020 en 3 september 2020, met onderzoeksnummer MDRR019051 (033STRO), opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1003. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verdenking van 6 maart 2019, p. 183.

3 Proces-verbaal aangifte, p. 144.

4 Proces-verbaal aangifte, p. 145.

5 Proces-verbaal aangifte, p. 146.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2019, p. 75.

7 Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2019, p. 76.

8 Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2019, p. 77.

9 Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2019, p. 78.

10 Proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2019, p. 79.

11 Proces-verbaal algemeen dossier van 28 november 2019, p. 21.

12 Proces-verbaal van bevindingen van 21 november 2019, p. 244.

13 Proces-verbaal van bevindingen van 21 november 2019, p. 245.

14 Bijlage proces-verbaal van verhoor getuige [aangever 2] van 13 november 2018, p. 113.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 48.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 49.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 58.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 100.

19 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 492.

20 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 495.

21 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 496.

22 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 497.

23 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 498.

24 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 499.

25 Proces-verbaal algemeen dossier, p. 27.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 58.

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 898.