Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:1054

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2022
Datum publicatie
22-04-2022
Zaaknummer
C/16/508373 / HA ZA 20-552
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

teksten op websites, inbreuk op auteursrechten, misleidende reclame

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/508373 / HA ZA 20-552

Vonnis van 2 maart 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

hierna [eiseres] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. Becker te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

hierna [gedaagde sub 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

hierna [gedaagde sub 2] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

hierna [gedaagde sub 3] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

hierna samen [gedaagde sub 1] c.s.,

advocaten mr. R.W. de Vrey en mr. Y. Çelebi te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de akte van [eiseres] met producties 1 tot en met 29,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 26,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties 30 tot en met 52,

  • -

    de akte van [eiseres] met producties 53 tot en met 59,

  • -

    de akte van [gedaagde sub 1] c.s. met producties 27 tot en met 33,

  • -

    de nagekomen aanvulling op productie 33 van [gedaagde sub 1] c.s.

1.2.

Op 22 november 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van pleitnota’s en vragen beantwoord van de rechtbank. Zij hebben geen regeling bereikt en om een vonnis gevraagd. De rechtbank heeft daarop bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2 Waar gaat het over?

2.1.

[eiseres] houdt zich bezig met dienstverlening op het gebied van preventief onderhoud en reiniging van computersystemen, hardware en serverruimtes en met aanverwante diensten, zoals schoonmaak van ICT-systemen en reparatie van computers en randapparatuur.

2.2.

[gedaagde sub 1] is een concurrent van [eiseres] . [gedaagde sub 1] houdt zich bezig met ICT-reiniging, waaronder reiniging van werkplekken, computers en randapparatuur, datacenters en technische ruimtes en met gerelateerde diensten, zoals afvoer van hardware, datavernietiging en werkplekbekabeling. [gedaagde sub 2] is een van de bestuurders van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 3] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [gedaagde sub 2] en zodoende middellijk bestuurder van [gedaagde sub 1] .

2.3.

Volgens [eiseres] zijn er zonder haar toestemming delen van auteursrechtelijk beschermde teksten van haar websites overgenomen op de website van [gedaagde sub 1] , zodat er sprake is van auteursrechtinbreuk. Ook worden daarop misleidende reclame-uitingen gedaan over de diensten van [gedaagde sub 1] , die tevens oneerlijke handelspraktijken opleveren. Dit handelen is onrechtmatig jegens [eiseres] en zij lijdt daardoor schade. [eiseres] houdt [gedaagde sub 1] c.s. daarvoor aansprakelijk. Door dit handelen is bovendien een eerder afgegeven onthoudingsverklaring geschonden, waardoor er door [gedaagde sub 1] c.s. boetes zijn verbeurd, aldus [eiseres] . [gedaagde sub 1] c.s. erkent dit alles niet.

2.4.

[eiseres] vordert daarom in conventie - samengevat - dat de rechtbank:

1. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] c.s. door het gebruik van de in de dagvaarding genoemde inbreukmakende teksten inbreuk heeft gemaakt en maakt op de auteursrechten van [eiseres] en onrechtmatig heeft gehandeld en handelt,

2. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] c.s. door het gebruik van de in de dagvaarding omschreven misleidende reclame, waaronder het misleidende reviewcijfer en de misleidende inbreukmakende tekst over werkplekken, zich schuldig heeft gemaakt en maakt aan misleidende reclame en oneerlijke handelspraktijken en onrechtmatig heeft gehandeld en handelt,

3. [gedaagde sub 1] c.s. ieder voor zich beveelt om zich onmiddellijk na betekening van dit vonnis te onthouden van iedere inbreuk op de auteursrechten van [eiseres] , waaronder maar niet beperkt tot de verveelvoudiging en/of openbaarmaking van de in de dagvaarding genoemde teksten in enige vorm, op straffe van een dwangsom,

4. [gedaagde sub 1] c.s. ieder voor zich beveelt om zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te onthouden van iedere misleidende reclame en/of misleidende handelspraktijk, waaronder maar niet beperkt tot het gebruik van de in de dagvaarding genoemde misleidende reclame-uitingen in enige vorm, op straffe van een dwangsom,

5. [gedaagde sub 1] c.s. ieder voor zich beveelt om zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te onthouden van ieder onrechtmatig handelen jegens [eiseres] zoals omschreven in de dagvaarding, op straffe van een dwangsom,

6. [gedaagde sub 1] c.s. ieder voor zich beveelt om zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te onthouden van iedere inbreuk op de auteursrechten en andere intellectuele eigendomsrechten van [eiseres] , op straffe van een dwangsom,

7. [gedaagde sub 1] c.s. ieder voor zich beveelt om zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te onthouden van iedere misleidende reclame, misleidende handelspraktijk en/of (reclame-)uiting waardoor onrechtmatig jegens [eiseres] wordt gehandeld, op straffe van een dwangsom,

8. [gedaagde sub 1] c.s. beveelt om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten een rectificatie op de homepage van de website www. [gedaagde sub 1] .nl te plaatsen op de wijze en met als tekst zoals in de dagvaarding is vermeld, op straffe van een dwangsom,

9. [gedaagde sub 1] c.s. beveelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op eigen kosten alle in de dagvaarding bedoelde inbreukmakende teksten en misleidende reclame en al het andere inbreukmakende, misleidende en/of onrechtmatige materiaal van www. [gedaagde sub 1] .nl te verwijderen en verwijderd te houden en alles te doen waardoor dit niet meer vindbaar zal zijn via zoekmachines en verwijderd wordt uit het cache-geheugen daarvan, op straffe van een dwangsom,

10. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] c.s., hoofdelijk en ieder voor zich, door het gebruik van de in de dagvaarding genoemde inbreukmakende teksten en omschreven misleidende reclame, de in de dagvaarding genoemde onthoudingsverklaring heeft overtreden en overtreedt en om die reden de in de dagvaarding vermelde verbeurde boetes (van in totaal minimaal € 2.782.500,00) aan [eiseres] moet betalen, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag aan verbeurde boetes,

11. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk en ieder voor zich veroordeelt om de in de dagvaarding genoemde bedragen aan verbeurde boetes wegens schending van de onthoudingsverklaring te betalen, althans de door de rechtbank bepaalde boetebedragen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente,

12. [gedaagde sub 1] c.s. veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan [eiseres] voor de schade die is ontstaan als gevolg van het gebruik van de inbreukmakende teksten en de misleidende reclame en het onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 1] c.s., zoals omschreven in de dagvaarding, nader op de maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente,

13. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding ex artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten.

2.5.

Volgens [gedaagde sub 1] c.s. handelt juist [eiseres] onrechtmatig, omdat zij in strijd met wet- en regelgeving op het gebied van biociden bepaalde producten aanbiedt dan wel gebruikt bij haar dienstverlening en daarbij uitingen doet die kwalificeren als misleidende reclame en/of oneerlijke handelspraktijken. Dit is onrechtmatig jegens [gedaagde sub 1] en zij lijdt daardoor schade. [eiseres] bestrijdt dit.

2.6.

[gedaagde sub 1] c.s. vordert daarom in reconventie - samengevat - dat de rechtbank:

a. voor recht verklaart dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde sub 1] c.s., althans [gedaagde sub 1] , en zich schuldig heeft gemaakt aan misleidende reclame en oneerlijke handelspraktijken zoals omschreven in de dagvaarding,

b. [eiseres] beveelt om zich onmiddellijk na betekening van dit vonnis te onthouden van ieder onrechtmatig handelen jegens [gedaagde sub 1] c.s., althans [gedaagde sub 1] , waaronder maar niet beperkt tot de in de dagvaarding omschreven oneerlijke handelspraktijken en misleidende reclame, op straffe van een dwangsom,

c. [eiseres] beveelt om zich onmiddellijk na betekening van dit vonnis te onthouden van ieder onrechtmatig handelen jegens [gedaagde sub 1] c.s., althans [gedaagde sub 1] , waaronder maar niet beperkt tot het in de dagvaarding omschreven handelen in strijd met wet- en regelgeving, op straffe van een dwangsom,

d. [eiseres] gebiedt binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een rectificatie te plaatsen op de homepagina’s van [website 1] , [website 2] en [website 3] , op de wijze en met tekst zoals in de dagvaarding is vermeld,

e. [eiseres] veroordeelt tot vergoeding van alle door [gedaagde sub 1] c.s. als gevolg van het onder a. t/m c. genoemde onrechtmatige handelen geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

f. [eiseres] veroordeelt in de kosten van het geding, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

in conventie

auteursrechtinbreuk?

3.1.

Ter beoordeling ligt allereerst voor of [gedaagde sub 1] met teksten op haar website inbreuk heeft gemaakt en maakt op auteursrechten van [eiseres] op de volgende door [eiseres] op haar websites gepubliceerde teksten:

1) een tekst over cleanrooms, [website 4] ,

2) een tekst over toetsenbordreiniging, [website 5] en

3) een tekst over het aanvragen van een offerte, [website 6] .

De rechtbank beantwoordt deze vraag met “ja” om de volgende redenen.

3.2.

Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, is op grond van artikel 1 jo artikel 10 Auteurswet en de jurisprudentie van de Hoge Raad vereist dat het werk een “eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijke stempel van de maker draagt”. Dit houdt kort gezegd in dat het werk niet ontleend mag zijn aan een ander werk en dat sprake moet zijn van een werk dat het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen dat zo banaal of triviaal is dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen. Verder vindt dit werkbegrip zijn begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter uitsluitend datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect. Daarnaast geldt dat ook een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen een (oorspronkelijk) werk kan zijn, mits die selectie het persoonlijke stempel van de maker draagt.

3.3.

[eiseres] heeft met betrekking tot de in 3.1. genoemde teksten aangevoerd dat haar werknemer, de heer [A] , tekst 2 en tekst 3 zelf heeft geschreven. Tekst 1 heeft [A] samen met een collega in concept geschreven, waarna een tekstschrijver, mevrouw [B] , de tekst heeft bewerkt. [eiseres] stelt onder verwijzing naar de verklaringen van [A] en [B] (producties 53 en 54 [eiseres] ) dat zij deze teksten niet hebben ontleend aan bestaande teksten en bij het schrijven daarvan (vrije) creatieve keuzes hebben gemaakt, die onder meer blijken uit de gekozen opzet, indeling en structuur en de gebruikte woordkeuzes en zinsopbouw, zodat er sprake is van auteursrechtelijk beschermde werken.

3.4.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft dit bestreden. Volgens haar bevat tekst 1 puur feitelijke informatie, die is ontleend uit een Engelstalig artikel van de heer T. Sandle dat in 2016 is gepubliceerd en is in eerder gepubliceerde artikelen ook al de koppeling gemaakt tussen datacenters, cleanrooms en de ISO-normen (producties 11, 30 en 31 [gedaagde sub 1] c.s.). Tekst 2 bevat feitelijkheden en tekst die zijn ontleend aan (publicaties over) een onderzoek van Microsoft en aan andere onderzoeken waarover [gedaagde sub 1] en anderen al eerder hebben bericht (producties 12, 13, 27 en 28 [gedaagde sub 1] c.s.). Tekst 3 bevat een set basale, feitelijke vragen, die noodzakelijk zijn om een offerte uit te brengen. Nu de drie teksten slechts feitelijkheden bevatten, die tot de algemene vakkennis behoren en standaard, banaal en triviaal zijn, komen zij niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking, aldus [gedaagde sub 1] c.s.

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] voldoende aangetoond dat de drie teksten door haar werknemers zijn geschreven, waarbij tekst 1 vervolgens nog is geredigeerd door een door haar ingeschakelde tekstschrijver. [eiseres] heeft erkend dat bij het schrijven van deze teksten gebruik is gemaakt van reeds bestaande elementen, zoals onderzoeksresultaten. Daarvoor kan op zichzelf geen auteursrechtelijke bescherming worden inroepen. Uit de wijze waarop de feitelijke gegevens in de teksten zijn verwerkt blijkt echter voldoende van gemaakte vrije en creatieve keuzes, zoals ten aanzien van de alinea- en zinsopbouw en het taalgebruik, en daarmee van het persoonlijke stempel van de makers. Dit geldt ook voor tekst 3. In die tekst zijn weliswaar bepaalde standaardelementen aan de orde gesteld, maar de maker heeft dat op een voldoende eigen, vrije, creatieve wijze gedaan, zoals onder andere blijkt uit de gekozen rangschikking van de vragen en de zinsopbouw. [gedaagde sub 1] c.s. heeft niet aangegeven welke tekstonderdelen uit eerdere publicaties in de drie teksten zijn overgenomen en niet concreet gemaakt dat ook de vormgeving van de drie teksten is ontleend. Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. zich op het standpunt stelt dat tekst 2 is ontleend aan een tekst van [gedaagde sub 1] , gaat de rechtbank daaraan voorbij. De stelling van [eiseres] dat zij tekst 2 eerder heeft gepubliceerd dan de tekst van [gedaagde sub 1] vindt steun in de als productie 12 overgelegde stukken. Hetgeen [gedaagde sub 1] c.s. daar tegenin heeft gebracht, doet daar niet voldoende aan af. De stelling dat aan de verklaring van [A] geen bewijskracht toekomt, omdat hij een partijgetuige is, vormt onvoldoende weerspreking op dit punt. Daarbij heeft [gedaagde sub 1] c.s. niet gezegd wanneer beide teksten volgens haar dan wel zijn geplaatst. De conclusie is daarom dat aan de drie teksten auteursrechtelijke bescherming toekomt.

3.6.

[eiseres] heeft toegelicht dat de auteursrechten op de door haar werknemers geschreven teksten op grond van artikel 7 Auteurswet aan [eiseres] toekomen en dat de door [eiseres] ingeschakelde tekstschrijver, die tekst 1 heeft bewerkt, het auteursrecht daarop aan [eiseres] heeft overgedragen (productie 10 [eiseres] ). Dit is door [gedaagde sub 1] c.s. niet bestreden, zodat [eiseres] als de rechthebbende op de auteursrechten op de teksten kan worden aangemerkt.

3.7.

Op grond van artikel 1 Auteurswet heeft de auteursrechthebbende als enige het recht om het werk openbaar te maken en te verveelvoudigen in de zin van artikel 12 en 13 Auteurswet. Anderen mogen dat in beginsel alleen met voorafgaande toestemming van de rechthebbende. De in de Auteurswet opgenomen uitzonderingen daarop doen zich hier niet voor.

3.8.

[eiseres] heeft in de dagvaarding een vergelijking gemaakt tussen de teksten 1, 2 en 3 en teksten die op de website van [gedaagde sub 1] zijn gepubliceerd, te weten respectievelijk:

a. a) een blog over cleanrooms, [website 7] ,

b) een blog over toetsenbordreiniging, [website 8] en

c) een tekst over het aanvragen van een offerte, [website 9] . Daarbij heeft [eiseres] aangegeven welke auteursrechtelijk beschermde elementen uit de teksten 1, 2 en 3 één op één of in bewerkte vorm zijn overgenomen in de teksten a, b en c. Bij de vergelijking tussen tekst 1 en tekst a heeft [eiseres] toegelicht dat bij het overnemen de opbouw en structuur van de tekst(delen) hetzelfde is gebleven en er alleen kleine verschillen zijn aangebracht doordat woorden in een zin zijn omgewisseld, een woord of zin is weggelaten of toegevoegd en zinnen enigszins zijn herschreven. Bij de vergelijking tussen tekst 2 en tekst b heeft [eiseres] , mede aan de hand van gele markeringen, toegelicht dat hele zinnen en zinsdelen zijn overgenomen, waarbij deze al dan niet in aangepaste vorm op een andere plaats in de tekst zijn gebruikt. Bij de vergelijking tussen tekst 3 en tekst c heeft [eiseres] toegelicht dat het eerste stuk tekst deels is overgenomen, de vragen en invulvelden van de offerte vrijwel exact zijn overgenomen en ook de opzet en indeling zijn ontleend aan het formulier van [eiseres] . De precieze tekst van de door [eiseres] gemaakte vergelijkingen is opgenomen in bijlagen 1, 2 en 3 bij dit vonnis. Deze bijlagen maken deel uit van het vonnis. Gelet op de zeer vergaande en opvallende gelijkenissen tussen alle teksten is er volgens [eiseres] evident sprake van ontlening. Nu daarvoor door haar geen toestemming is gegeven, levert dit gebruik auteursrechtinbreuk op.

3.9.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft dit betwist. Zij heeft aangevoerd dat de beschermingsomvang van het auteursrecht op de drie teksten van [eiseres] zeer gering is, zodat geringe afwijkingen daarvan er al toe leiden dat er geen sprake is van auteursrechtelijk relevant handelen. De teksten van [gedaagde sub 1] wijken volgens haar in voldoende mate af van de teksten van [eiseres] , zodat er geen sprake is van auteursrechtinbreuk. De enkele overeenkomsten betreffen de pure feitelijkheden. Daarbij verschilt de webpagina van [gedaagde sub 1] met tekst c veel met de webpagina van [eiseres] met tekst 3, omdat de opmaak anders is en de teksten verschillen qua woorden, lettertypen en plaatsing. Van auteursrechtelijke relevante ontlening en een overeenkomstige totaalindruk is, mede gelet op de zeer feitelijke aard van de informatie, daarom geen sprake.

3.10.

De rechtbank hanteert bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van auteursrechtinbreuk niet de totaalindrukkentoets. De Hoge Raad heeft dit criterium tot nu toe alleen toegepast bij (bepaalde) gebruiksvoorwerpen en zich nog niet uitgelaten over de vraag of dit criterium ook bij andere werken kan/moet worden toegepast. Daarom beoordeelt de rechtbank alleen of er auteursrechtelijk beschermde trekken van de drie teksten van [eiseres] zijn overgenomen en niet of dit, als dat het geval is, tot dezelfde totaalindruk leidt. De rechtbank vindt dat [eiseres] voldoende heeft aangetoond dat in de teksten a, b en c niet alleen feitelijkheden uit de teksten 1, 2 en 3 zijn overgenomen, maar ook auteursrechtelijk beschermde elementen daaruit en wel in zodanige mate dat de teksten a, b en c inbreuk maken op de auteursrechten op de drie teksten van [eiseres] . Er is namelijk te weinig afgeweken van de oorspronkelijke teksten, terwijl daar wel voldoende ruimte voor was in de vorm van keuzes bij de vormgeving van de feitelijke informatie.

3.11.

[gedaagde sub 1] is als houder van de website waarop de inbreukmakende teksten zijn geplaatst aansprakelijk te houden voor het inbreukmakende handelen en de eventuele daaruit voortvloeiende schade voor [eiseres] . [gedaagde sub 1] c.s. heeft nog aangevoerd dat de website van [gedaagde sub 1] vanwege een hack eind 2018 een tijdje offline is geweest en dat toen een door haar ingeschakelde gespecialiseerde derde partij tekst a en tekst b heeft opgesteld en dat [gedaagde sub 1] daar geen enkele bemoeienis mee heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank doet dit niet af aan de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] , omdat zij als houder van de website (eind)verantwoordelijk is voor de daarop geplaatste en openbaargemaakte content. Of er daarnaast voldoende grond is voor het aannemen van aansprakelijkheid van [gedaagde sub 3] ter zake, al dan niet via [gedaagde sub 2] , zal hierna worden beoordeeld (zie 3.28. e.v.).

misleidende reclame / oneerlijke handelspraktijken?

3.12.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor of [gedaagde sub 1] zich schuldig heeft gemaakt en maakt aan misleidende reclame ex artikel 6:194 BW dan wel aan misleidende handelspraktijken ex artikel 6:193b jo 6:193c e.v. BW door op haar website:

1. het reviewcijfer 8,6 te vermelden met sterrenaanduiding en daarbij de tekst

ONZE KLANTEN WAARDEREN ONS WERK GEMIDDELD MET EEN”, zoals hieronder is afgebeeld, o.a. [website 10] en [website 11] ,

en

2. in de hiervoor in 3.8. genoemde tekst c te vermelden “Ieder jaar reinigt [gedaagde sub 1] ICT apparatuur van zo’n 500.000 werkplekken in Nederland.”.

De rechtbank beantwoordt deze vraag met “nee” en zal hierna uitleggen waarom.

3.13.

[eiseres] heeft aangevoerd dat dit reclame-uitingen zijn van [gedaagde sub 1] c.s. in de uitoefening van beroep of bedrijf, omdat het openbare mededelingen zijn waarbij de diensten van [gedaagde sub 1] worden aangeprezen. Voor zover de reclame-uitingen zijn gericht op consumenten zijn dit volgens [eiseres] ook handelspraktijken, omdat deze reclame rechtstreeks verband houdt met verkoopbevordering. [gedaagde sub 1] c.s. heeft gemotiveerd weersproken dat [gedaagde sub 1] producten en diensten levert aan consumenten. Nu daarvan ook niet is gebleken, kan [eiseres] niet worden gevolgd in haar stelling dat sprake is van handelspraktijken in de zin van artikel 6:193a lid d BW. De wetsartikelen over oneerlijke handelspraktijken zijn daarom niet van toepassing.

3.14.

In artikel 6:194 BW, het wetsartikel over misleidende reclame, is bepaald dat degene die omtrent goederen of diensten die door hem of degene ten behoeve van wie hij handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf worden aangeboden, een mededeling openbaar maakt of laat openbaar maken, onrechtmatig handelt jegens een ander die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf, indien deze mededeling in een of meer opzichten misleidend is, zoals ten aanzien van:

- de aard, samenstelling, hoeveelheid, hoedanigheid, eigenschappen of gebruiksmogelijkheden (sub a),

- de toegekende onderscheidingen, getuigschriften of andere door derden uitgebrachte beoordelingen of gedane verklaringen, of de gebezigde wetenschappelijke of vaktermen, technische bevindingen of statistische gegevens (sub f) en

- de identiteit, hoedanigheden, bekwaamheid of bevoegdheid en degene door wie, onder wiens leiding of toezicht of met wiens medewerking de goederen zijn of worden vervaardigd of aangeboden of de diensten worden verricht (sub i).

Een onjuiste of onvolledige mededeling kwalificeert als misleidend indien redelijkerwijs aannemelijk is dat die mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, de maatman misleidt of kan misleiden en door haar misleidende karakter zijn economische gedrag kan beïnvloeden. De maatman is in dit geval de gemiddelde (potentiële) zakelijke klant van [gedaagde sub 1] tot wie de informatie op de website gericht is. Op grond van artikel 6:195 lid 1 BW rust op degene die de inhoud en inkleding van de mededeling (deels) heeft bepaald of doen bepalen de bewijslast ten aanzien van de juistheid of volledigheid van de feiten die in de mededeling zijn gedaan of daardoor worden gesuggereerd en waarop het beweerde misleidende karakter van de mededeling berust.

3.15.

[eiseres] heeft aangevoerd dat op internet nergens bewijs te vinden is dat [gedaagde sub 1] daadwerkelijk een 8,6 als reviewcijfer scoort. Er kan op de website van [gedaagde sub 1] niet worden doorgeklikt om de onderliggende reviews te bekijken en de bron wordt evenmin vermeld. De juistheid van de uiting is daardoor niet objectief controleerbaar. Op basis van Google-reviews scoort [gedaagde sub 1] slechts 3,5 uit 5 sterren en zij is niet vindbaar op enige andere beoordelings- of ratingsite. Gelet daarop moet volgens [eiseres] worden uitgegaan van de onjuistheid van het cijfer. Het reviewcijfer 8,6, dat hoger is dan het op de website van [eiseres] vermelde reviewcijfer van 8,4, staat zowel op de homepage als op de offertepagina van [gedaagde sub 1] vermeld. Door de presentatie van deze reclame-uiting met dit hoge cijfer en bijbehorende sterren zullen gemiddelde (potentiële) zakelijke klanten (kunnen) denken dat [gedaagde sub 1] door haar klanten wordt gewaardeerd met een 8,6 en vanwege deze misleiding ertoe (kunnen) worden gebracht een (aankoop)beslissing te nemen, die zij anders niet zouden hebben genomen. [eiseres] gaat er vanuit dat klanten vanwege het hogere reviewcijfer eerder zullen kiezen voor [gedaagde sub 1] dan voor [eiseres] voor dezelfde diensten.

3.16.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft hier tegenin gebracht dat het op haar website vermelde reviewcijfer 8,6 wel klopt. Dit cijfer komt naar voren uit de als productie 17 overgelegde (kopieën van) door klanten ingevulde fysieke beoordelingsformulieren en op basis van Google-reviews scoort [gedaagde sub 1] nog hoger namelijk 4,6 uit 5 sterren, dus (op een schaal van nul tot tien) een 9,2 (productie 18). [gedaagde sub 1] c.s. heeft betwist dat dit reviewcijfer het economische gedrag van (potentiële) klanten kan beïnvloeden. [eiseres] en [gedaagde sub 1] zijn de grootste spelers in de markt en al twee decennia actief en zodoende zeer bekend. De professionele klanten kijken niet op internet welk bedrijf een iets hoger reviewcijfer heeft, maar schakelen het bedrijf in waarmee zijzelf of de grotere schoonmaakbedrijven van Nederland waarmee [gedaagde sub 1] al jarenlang samenwerkt (in de vorm van onderaanneming) al goede ervaringen hebben opgedaan.

3.17.

De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar stelling dat het op de website van [gedaagde sub 1] vermelde reviewcijfer onjuist en misleidend is. De Richtlijn Consumentenbescherming waarnaar [eiseres] in dit verband heeft verwezen is niet van toepassing, omdat de dienstverlening van [gedaagde sub 1] zich niet op consumenten richt. De rechtbank vindt dat [gedaagde sub 1] c.s. aan de hand van de overgelegde stukken voldoende de juistheid van het reviewcijfer heeft aangetoond. Op de beoordelingsformulieren staan de namen van de klanten en hun positieve waardering van de diensten van [gedaagde sub 1] vermeld en uit het screenshot blijkt van de genoemde Google-reviews. Het gemiddelde van al die cijfers is een 8,68. Zonder nadere toelichting van [eiseres] , die ontbreekt, valt niet in te zien waarom niet van de juistheid en volledigheid van de overgelegde informatie kan worden uitgegaan. Daarbij heeft [eiseres] in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 1] c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit reviewcijfer van materieel belang is voor de beslissing van professionele klanten om al dan niet [gedaagde sub 1] in te schakelen. Stukken waaruit dit blijkt, heeft zij niet overgelegd. Verder heeft [eiseres] niet weersproken dat [gedaagde sub 1] haar klanten met name binnenhaalt via grote schoonmaakbedrijven voor wie zij als onderaannemer werkt en dus niet via haar website. Het feit dat bij het reviewcijfer op de website niet wordt verwezen naar daarmee corresponderende positieve klantervaringen waaruit blijkt van de echtheid van het cijfer, doet bovendien af aan de gestelde misleiding. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat professionele klanten, die zich ervan bewust zullen zijn dat aan reclame vaak een zekere overdrijving eigen is, zullen afgaan op een (op die site) niet nader onderbouwd reviewcijfer.

3.18.

Volgens [eiseres] is ook de uiting op de website van [gedaagde sub 1] over het aantal werkplekken waarvan jaarlijks de ICT apparatuur wordt gereinigd onjuist, omdat het genoemde aantal veel te hoog is. Deze uiting is misleidend, omdat er niet bij is vermeld hoe dit getal tot stand is gekomen. De (potentiële) afnemers zullen zijn afgegaan op de juistheid van deze misleidende reclame-uiting en zo (kunnen) zijn beïnvloed, aldus [eiseres] .

3.19.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft als verweer aangevoerd dat de vermelding dat [gedaagde sub 1] ieder jaar de ICT-apparatuur van 500.000 werkplekken reinigt overduidelijk een verschrijving is geweest. Na de hack eind 2018 heeft [gedaagde sub 1] de inhoud van haar website opnieuw doen plaatsen door een derde en toen is het aantal van 500.000 vermeld in plaats van het juiste aantal van 150.000. Dit is gecorrigeerd. Enige invloed op het commerciële gedrag van de (potentiële) professionele klanten kan dit volgens [gedaagde sub 1] c.s. niet hebben gehad, omdat bekend is dat [gedaagde sub 1] maar 12 werknemers in dienst heeft en iedere betrokkene in de sector dus onmiddellijk heeft begrepen dat dit een verschrijving betrof. Van misleiding is daarom geen sprake geweest.

3.20.

Vast staat dat het op de website van [gedaagde sub 1] vermelde aantal van 500.000 onjuist was. De enkele onjuistheid van de uiting is echter onvoldoende om deze als misleidend te kwalificeren. [eiseres] heeft op dit punt, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 1] c.s., eveneens onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de onjuistheid van materieel belang is geweest voor de beslissing van professionele klanten om al dan niet [gedaagde sub 1] in te schakelen. Zoals gezegd is niet weersproken dat [gedaagde sub 1] haar klanten voornamelijk binnenhaalt via grote schoonmaakbedrijven. [eiseres] heeft ook niet weersproken dat bekend is dat [gedaagde sub 1] maar 12 werknemers in dienst heeft en daarom nooit de apparatuur van 500.000 werkplekken per jaar zou kunnen reinigen. Gelet daarop is het niet aannemelijk dat er door deze onjuiste vermelding een onjuiste voorstelling kan zijn gewekt bij professionele klanten, waardoor zij kunnen zijn misleid.

overtreding onthoudingsverklaring?

3.21.

De volgende vraag die voorligt is of [gedaagde sub 1] c.s. als gevolg van de hiervoor vastgestelde auteursrechtinbreuken een boete verschuldigd is aan [eiseres] wegens schending van een eerder afgegeven onthoudingsverklaring. De rechtbank beantwoordt deze vraag met “nee” om de volgende redenen.

3.22.

Op 27 maart 2012 heeft [gedaagde sub 3] als middellijk bestuurder namens [gedaagde sub 1] een door de advocaat van [eiseres] opgestelde onthoudingsverklaring ondertekend (productie 8I [eiseres] ) waarin - voor zover van belang - is opgenomen:

“(…)

(…)”

3.23.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat hieruit volgt dat [gedaagde sub 1] zich sinds de ondertekening van de onthoudingsverklaring dient te onthouden van iedere inbreuk op auteursrechten van [eiseres] , zowel de op dat moment bestaande auteursrechten als de toekomstige auteursrechten, en dat [gedaagde sub 1] bij overtreding van deze verplichting een boete aan [eiseres] verschuldigd is. Volgens [eiseres] hebben partijen met het ondertekenen van de onthoudingsverklaring namelijk beoogd om alle, ook toekomstige, auteursrechtinbreuken onder de werking van de onthoudingsverklaring te brengen, zoals blijkt uit de formulering: “zal onthouden van” in combinatie met “iedere inbreuk op de auteursrechten (…) direct of indirect via derden (…) alsmede door ieder ander gebruik van (…) auteursrechtelijk beschermde werken”. [eiseres] verlangde de ondertekening van deze onthoudingsverklaring naar haar zeggen juist om toekomstige inbreuken te voorkomen. Dat (de tekst van) de onthoudingsverklaring ook uitdrukkelijk ziet op toekomstige inbreuken en op andere werken is verder benadrukt in de bijbehorende ondertekende e-mail van 26 maart 2012 met de tekst: “Deze finale kwijting geldt uitdrukkelijk niet voor toekomstige handelingen.”. De in de tekst opgenomen toenmalige inbreuken zijn slechts als voorbeeld genoemd en de onthoudingsverklaring is daartoe niet beperkt.

3.24.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft dit gemotiveerd bestreden. Zij heeft aangevoerd dat de onthoudingsverklaring is ondertekend om een dreigend kort geding af te wenden en dat de reikwijdte daarvan niet verder gaat dan de beweerdelijke beperkte inbreuk op de auteursrechten van [eiseres] waar het op dat moment om ging. Partijen hebben niet beoogd enige verdere uitleg te geven aan deze onthoudingsverklaring of om deze ongelimiteerd op alle (mogelijke toekomstige) auteursrechtinbreuken te laten zien en dat blijkt ook niet uit de formulering. Als [eiseres] dat had gewild, dan had het op haar weg gelegen om de bewoordingen “huidige en toekomstige (auteurs)rechten” te gebruiken. [gedaagde sub 1] zou daar overigens niet mee hebben ingestemd. Eventuele onduidelijkheden over de reikwijdte van de onthoudingsverklaring komen voor rekening van [eiseres] , die de tekst heeft opgesteld. [gedaagde sub 1] c.s. verwijst hierbij naar de uitspraken van de rechtbank Zutphen en het gerechtshof Arnhem in een zaak met een volgens haar vergelijkbaar feitencomplex, waarin is geoordeeld dat de onthoudingsverklaring enkel zag op de ten tijde van de ondertekening bestaande rechten en niet op toekomstige / ten tijde van de ondertekening nog niet bestaande rechten (ECLI:NL:RBZUT:2009:548 en ECLI:NL:GHARN:2012:3887).

3.25.

De rechtbank stelt vast dat partijen verdeeld zijn over de uitleg van de onthoudingsverklaring, meer in het bijzonder het daarin onder 1 bepaalde. Volgens vaste rechtspraak komt het bij de uitleg van een overeenkomst aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij daarbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle relevante omstandigheden van het geval van belang, in onderlinge samenhang bezien. Deze toetsingsmaatstaf is ook van toepassing bij de uitleg van de onthoudingsverklaring, omdat die verklaring is opgesteld en ondertekend om tot een regeling te komen van een tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] gerezen geschil over vermeende gepleegde inbreuken op auteursrechten van [eiseres] .

3.26.

De rechtbank weegt in dit geval de volgende feiten en omstandigheden mee. De onthoudingsverklaring is ondertekend om een kort geding, waarvoor al een datum was bepaald, te voorkomen. Uit het aan [gedaagde sub 1] toegestuurde concept van de kort-gedingdagvaarding (productie 8H [eiseres] ) blijkt dat [eiseres] (samen met een andere partij) onder meer vorderde:

- [gedaagde sub 1] te bevelen om elke inbreuk (direct of indirect via derden) op de in die dagvaarding omschreven auteursrechten van eiseressen op de Foto’s en Brochure te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom (i) en

- [gedaagde sub 1] te bevelen om zich te onthouden van het direct of indirect via derden inbreuk maken op de auteursrechtelijk beschermde werken van eiseressen, voor zover kenbaar uit de website(s), foto’s, brochures, reclamemateriaal en andere (reclame-)uitingen van eiseressen, op straffe van een dwangsom (iii).

Het kort geding was blijkens de tekst van het petitum van de conceptdagvaarding dus primair gericht op het beëindigen van de vermeende inbreuk op de auteursrechten op de bedoelde Foto’s en Brochure en daarnaast op het voorkomen van andere inbreuken op bestaande auteursrechten. Uit het petitum volgt niet dat de gevorderde bevelen ook zagen op toekomstige inbreuken op toekomstige auteursrechten van [eiseres] . In de tekst van de onthoudingsverklaring wordt onder “Overwegende” expliciet verwezen naar de inhoud van dit concept van de kort-gedingdagvaarding en de [gedaagde sub 1] verweten schending van de auteursrechten op de Foto’s en Brochure. Ook in de onder 1 opgenomen onthoudingsbepaling is als voorbeeld verwezen naar niet toegestaan gebruik van de Foto’s en Brochure. In die tekst is weliswaar ook opgenomen dat de onthouding daartoe niet beperkt is, maar niet dat de onthouding tevens betrekking heeft op toekomstige / op dat moment nog niet bestaande auteursrechten van [eiseres] . De tekst van de onthoudingsverklaring is opgesteld door de advocaat van [eiseres] . Als [eiseres] toekomstige auteursrechten ook onder de reikwijdte van de onthoudingsverklaring had willen brengen, dan had aan het bepaalde onder 1 bij “inbreuk op de auteursrechten” eenvoudig “huidige en toekomstige” kunnen worden toevoegen. Dat heeft de advocaat van [eiseres] niet gedaan. Ook uit de tekst van de e-mail van 26 maart 2012 blijkt niet dat de onthoudingsverklaring ook toekomstige auteursrechten van [eiseres] omvat.

3.27.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, samen en in onderling verband bezien, heeft [gedaagde sub 1] in redelijkheid niet hoeven verwachten dat [eiseres] bedoelde dat [gedaagde sub 1] zich door ondertekening van de onthoudingsverklaring ook verbond tot betaling van boetes voor toekomstige inbreuken op toekomstige rechten van [eiseres] en heeft [eiseres] in redelijkheid ook niet mogen begrijpen dat [gedaagde sub 1] zich daartoe verbond. Nu de hiervoor genoemde auteursrechtelijk beschermde teksten van [eiseres] dateren van na de ondertekening van de onthoudingsverklaring, levert de daarop gepleegde inbreuk door [gedaagde sub 1] dus geen schending van de onthoudingsverklaring op.

(bestuurders)aansprakelijkheid [gedaagde sub 3] ?

3.28.

Dan ligt de vraag voor of [gedaagde sub 3] in privé en / of via [gedaagde sub 2] naast [gedaagde sub 1] aansprakelijk kan worden gehouden voor de gepleegde auteursrechtinbreuken, zoals [eiseres] stelt en [gedaagde sub 1] c.s. betwist. De rechtbank beantwoordt ook deze vraag met “nee” om de volgende redenen.

3.29.

De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde sub 1] als houder van de website waarop de inbreukmakende teksten zijn geplaatst, aansprakelijk is voor het inbreukmakende handelen en de eventuele daaruit voortvloeiende schade. Alleen onder bijzondere omstandigheden is naast een vennootschap ook de (indirect) bestuurder van die vennootschap aansprakelijk te houden. Daarvoor is vereist dat die bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatige handelen, hetgeen afhankelijk is van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast kan persoonlijke aansprakelijkheid van een (indirect) bestuurder worden aangenomen als die bestuurder een op hem rustende zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.

3.30.

[eiseres] heeft in dit verband aangevoerd dat [gedaagde sub 3] in 2012 namens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] heeft getekend voor naleving van de onthoudingsverklaring en zo wist van het eerdere inbreukmakende handelen van [gedaagde sub 1] . Gelet daarop handelt [gedaagde sub 3] in strijd met de op hem rustende zorgvuldigheidsnorm jegens [eiseres] om inbreuken zoveel mogelijk te voorkomen. Volgens [eiseres] zijn de inbreukmakende teksten bovendien met medeweten en goedkeuring van [gedaagde sub 3] geplaatst. Gelet op de voorgeschiedenis tussen partijen en het structurele kopieergedrag van [gedaagde sub 1] , gaat [eiseres] ervan uit dat [gedaagde sub 3] de inbreukmakende teksten zelf online heeft gezet althans daartoe opdracht heeft gegeven. [gedaagde sub 3] wist namelijk van het bestaan van de drie teksten op de website van [eiseres] en daaraan zijn de inbreukmakende teksten ontleend. Verder staat [gedaagde sub 3] op diverse plekken op de website van [gedaagde sub 1] vermeld en zet hij zelf dit soort teksten op de website en op social media. Als dat al anders was, geldt dat [gedaagde sub 3] wist althans moet hebben geweten van de auteursrechtinbreuk en dat hij heeft nagelaten om die te voorkomen, terwijl hij daartoe wel in staat was en dit van hem gevergd kon worden. Gelet daarop valt [gedaagde sub 3] een persoonlijk ernstig verwijt te maken.

3.31.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft dit bestreden. [gedaagde sub 1] c.s. betwist dat [gedaagde sub 3] enige kennis had van het onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 1] . Volgens haar heeft [gedaagde sub 1] na de hack in 2018 een professionele derde ingeschakeld om haar website en de inhoud daarvan weer op orde te krijgen en heeft [gedaagde sub 3] daarmee geen bemoeienis gehad. [gedaagde sub 3] houdt zich als middellijk bestuurder van [gedaagde sub 1] alleen bezig met bestuurstaken en de ontwikkeling van het bedrijf en niet met het schrijven van blogs of het persoonlijk controleren van elke handeling van medewerkers van het bedrijf. Verder heeft [gedaagde sub 3] de onthoudingsverklaring alleen getekend als middellijk bestuurder, rechtsgeldig vertegenwoordiger van [gedaagde sub 1] , en niet in privéhoedanigheid. Hij heeft zich door die ondertekening dus niet persoonlijk verbonden. Het door [eiseres] gestelde eerdere onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 1] is ook niet erkend, zodat er geen sprake is van een derde opeenvolgende inbreuk zoals [eiseres] stelt.

3.32.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 1] c.s. haar stellingen onvoldoende toegelicht en onderbouwd om aan te kunnen nemen dat [gedaagde sub 3] ter zake een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken en/of dat hij een zorgvuldigheidsnorm jegens [eiseres] heeft overtreden. [eiseres] heeft niet genoeg feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 3] kennis had van het onrechtmatige handelen. Uit niets blijkt dat [gedaagde sub 3] de inbreukmakende teksten zelf heeft opgesteld of geplaatst dan wel dat hij een medewerker van [gedaagde sub 1] of een derde opdracht of instructie heeft gegeven om (auteursrechtelijk beschermde elementen uit) de drie teksten van [eiseres] over te nemen op de website van [gedaagde sub 1] , zoals [eiseres] beweert. Ook anderszins is niet gebleken van zodanige betrokkenheid van [gedaagde sub 3] dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het inbreukmakende handelen. Aan de voorgeschiedenis tussen partijen kunnen geen argumenten in het voordeel van [eiseres] worden ontleend, omdat de vermeende eerdere inbreuken niet zijn erkend. Verder geldt dat [gedaagde sub 3] de onthoudingsverklaring niet (mede) als privépersoon heeft ondertekend, zodat hij zich niet persoonlijk verbonden heeft tot nakoming daarvan. De omstandigheid dat pas een maand na de sommatie van [eiseres] , die ook aan [gedaagde sub 3] was gericht, twee pagina’s met inbreukmakende teksten van de website van [gedaagde sub 1] zijn afgehaald, levert onvoldoende grond op voor het aannemen van (bestuurders)aansprakelijkheid van [gedaagde sub 3] .

overig onrechtmatig handelen?

3.33.

Tot slot ligt de vraag voor of [gedaagde sub 1] c.s. op andere wijze onrechtmatig heeft gehandeld / handelt jegens [eiseres] . Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank met “nee”.

3.34.

[eiseres] heeft betoogd dat er sinds 2012 sprake is van een patroon van inbreuken op de auteursrechten van [eiseres] . Volgens haar heeft [gedaagde sub 1] c.s. in 2012 foto’s en de brochure van [eiseres] gekopieerd, in 2014 foto’s gemaakt van de door [eiseres] ontworpen reinigingskar met het doel deze te kopiëren en de afgelopen jaren teksten en thema’s van de websites van [eiseres] gekopieerd waaruit blijkt wie [eiseres] is, hoe zij werkt en hoe zij haar diensten in de markt zet, om deze te gebruiken als verkoopinstrument. [gedaagde sub 1] c.s. kopieert zodoende het hele bedrijfsmodel van [eiseres] . Zij lift mee / parasiteert op de inspanningen en investeringen van [eiseres] en profiteert daarmee op onrechtmatige wijze van het bedrijfsdebiet van [eiseres] . [gedaagde sub 1] c.s. heeft dit gemotiveerd weersproken.

3.35.

De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar betoog. De vermeende in 2012 en 2014 gepleegde inbreuken staan niet vast en deze liggen nu ook niet ter beoordeling voor. In deze procedure is alleen vastgesteld dat [gedaagde sub 1] inbreuk heeft gemaakt op drie auteursrechtelijk beschermde teksten van [eiseres] . [eiseres] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen dragen dat [gedaagde sub 1] c.s. op structurele wijze inbreuk maakt op de auteursrechten van [eiseres] en zodoende op onrechtmatige wijze profiteert van haar bedrijfsdebiet.

vorderingen

3.36.

Vervolgens moet worden nagegaan in hoeverre de vorderingen van [eiseres] toewijsbaar zijn gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.

3.37.

De onder 1. gevorderde verklaring voor recht is deels toewijsbaar. De rechtbank zal alleen voor recht verklaren dat [gedaagde sub 1] door het gebruik van de teksten a, b en c inbreuk heeft gemaakt en ten aanzien van tekst c nog maakt op de auteursrechten van [eiseres] . Daarvoor is redengevend dat de teksten a en b al offline zijn gehaald en dat de vermeende aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en het overig gestelde onrechtmatig handelen niet zijn aangenomen.

3.38.

De onder 2. gevorderde verklaring voor recht is niet toewijsbaar, omdat deze ziet op de vermeende misleidende reclame en oneerlijke handelspraktijken en die grondslagen falen.

3.39.

Het onder 3. gevorderde bevel is alleen toewijsbaar ten aanzien van [gedaagde sub 1] . Verder geldt dat het bevel te ruim is geformuleerd om voor toewijzing in aanmerking te komen. Het zal worden beperkt tot het zich onthouden van iedere inbreuk op auteursrechtelijk beschermde teksten op de websites van [eiseres] . Nu [gedaagde sub 1] c.s. heeft verzocht haar een termijn te geven van 14 dagen na betekening van het vonnis om aan het bevel te voldoen en daartegen geen verweer is gevoerd, zal die termijn worden opgenomen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en daaraan zal een maximum worden verbonden.

3.40.

De onder 4., 5. en 7. gevorderde bevelen zullen als ongegrond worden afgewezen.

3.41.

Het onder 6. gevorderde bevel zal eveneens worden afgewezen, nu er niet voldoende concrete verwijten zijn gesteld en aangenomen waaruit volgt dat er grond is voor het opleggen van een dergelijk algemeen verbod.

3.42.

De onder 8. gevorderde veroordeling tot plaatsing van een rectificatie zal worden afgewezen. Plaatsing van een rectificatie kan dienen ter versterking van een inbreukverbod of ter voorkoming van verdere schade. In dit geval heeft [eiseres] aangevoerd dat zij recht heeft op en belang heeft bij een rectificatie ten behoeve van afnemers die diensten van [gedaagde sub 1] hebben afgenomen onder aanprijzing van de inbreukmakende teksten en misleidende reclame. De rectificatie dient volgens haar om het publiek te informeren over het inbreukmakende handelen en om de misleiding recht te zetten. De rechtbank heeft de gestelde misleiding niet aangenomen. Ten aanzien van de inbreukmakende teksten geldt dat de teksten a en b inmiddels al geruime tijd van de website van [gedaagde sub 1] af zijn en daardoor geen commerciële invloed meer kunnen hebben. Tekst c zal op grond van dit vonnis op korte termijn van de website van [gedaagde sub 1] afgaan. Gelet hierop heeft [eiseres] onvoldoende belang bij een rectificatie. De door [eiseres] voorgestane rectificatie is in de gegeven omstandigheden bovendien disproportioneel.

3.43.

Voor toewijzing van het onder 9. gevorderde bevel ziet de rechtbank geen aanleiding, nu het gevorderde, voor zover toewijsbaar, al is toegewezen via het in 3.39. genoemde bevel. Voor het overige is het bevel te ruim geformuleerd om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen.

3.44.

De onder 10. gevorderde verklaring voor recht en de onder 11. gevorderde veroordeling tot betaling van boetes zullen als ongegrond worden afgewezen.

3.45.

Het onder 12. gevorderde zal worden toegewezen, met dien verstande dat alleen [gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en alleen ter zake van door [eiseres] als gevolg van de vastgestelde auteursrechtinbreuk geleden schade. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] de mogelijkheid van schade aan haar zijde door dat onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 1] voldoende aannemelijk gemaakt. De omvang van deze schade laat zich nu niet vaststellen. De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure is dan ook toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar.

proceskosten

3.46.

[eiseres] is ten aanzien van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in het ongelijk gesteld en moet daarom hun proceskosten betalen. Mrs. De Vrey en Çelebi zijn namens alle gedaagden verschenen en hebben een gezamenlijk standpunt ingenomen. Nu niet is gebleken dat met betrekking tot [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] afzonderlijke kosten zijn gemaakt, worden hun proceskosten op nihil begroot.

3.47.

[eiseres] is ten aanzien van [gedaagde sub 1] voor wat betreft het IE-deel van de zaak (auteursrechtinbreuk) in het gelijk gesteld en voor het overige in het ongelijk gesteld. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de volgende proceskostenveroordeling uit te spreken.

Het IE-deel van de zaak heeft betrekking op de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, zodat artikel 1019h Rv van toepassing is. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten die op grond van dat artikel voor vergoeding in aanmerking komen, gaat de rechtbank uit van de Indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 april 2017. De rechtbank merkt deze zaak aan als een normale bodemzaak waarvoor een maximaal tarief geldt van € 17.500,00 aan salaris advocaat exclusief btw. Het door [eiseres] opgevoerde bedrag aan advocaatkosten overstijgt dit tarief. [eiseres] heeft bij haar kostenspecificatie geen (duidelijk) onderscheid gemaakt tussen de tijd die is besteed aan het IE-deel en de tijd die is besteed aan het niet IE-deel van de zaak. De rechtbank schat in dat 50% van de zaak betrekking heeft op de auteursrechtinbreuk en zal daarom 50% van het genoemde maximale tarief toewijzen, te weten € 8.750,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met € 656,00 aan griffierecht (het tarief behorend bij vorderingen van onbepaalde waarde vanwege de toegewezen vorderingen) en € 83,38 aan kosten voor betekening van de dagvaarding. In totaal zal dus een bedrag van € 9.489,38 aan proceskosten worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen. De nakosten, waarvan [eiseres] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

in reconventie

overtreding wet- en regelgeving?

3.48.

Allereerst ligt ter beoordeling voor of [eiseres] door bepaalde producten aan te bieden dan wel te gebruiken bij haar dienstverlening in strijd heeft gehandeld en handelt met geldende wet- en regelgeving op het gebied van biociden en zodoende ook onrechtmatig handelt jegens [gedaagde sub 1] . De rechtbank beantwoordt deze vraag met “nee” om de volgende redenen.

3.49.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat de door [eiseres] gebruikte coating en de door [eiseres] aangeboden Happy Clean Hand Sanitizer en schoonmaakdoekjes onder de biocidewetgeving vallen. Zij stelt zich op het standpunt dat een reinigingsmiddel (in beginsel niet zijnde een biocide) dat (ook) een biocidale werking heeft, bedoeld is te werken als biocide of waarvan wordt geclaimd dat het biocidale werking heeft, dient te voldoen aan de biocidewetgeving. Volgens haar bedient [eiseres] zich van biocidale claims door op haar website te claimen dat de door haar gebruikte coating schadelijke bacteriën uitschakelt en door op de displaydoos waarin de schoonmaakdoekjes worden geleverd te claimen dat die doekjes hardware vrijhouden van bacteriën. Voor biociden geldt dat zij alleen na een daartoe verkregen toelating op de Europese markt mogen worden aangeboden en gebruikt. Volgens [eiseres] ontbreekt de vereiste toelating ten aanzien van de coating, hand sanitizer en schoonmaakdoekjes en handelt [eiseres] daarom in strijd met artikel 72 van de Wet gewassenbescherming en biociden dat bepaalt dat het verboden is een niet toegelaten biocide aan te prijzen of op de markt aan te bieden. Verder geldt ten aanzien van de schoonmaakdoekjes dat de verpakking / etikettering niet aan de voor biociden geldende vereisten voldoet, hetgeen op grond van artikel 43 lid 1 van de Wet gewassenbescherming en biociden verboden is. [eiseres] heeft dit alles gemotiveerd bestreden.

3.50.

De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] c.s. niet in haar stelling dat ook een reinigingsmiddel waarvan wordt geclaimd dat het biocidale werking heeft (maar dat die werking in feite niet heeft), dient te voldoen aan de biocidewetgeving. In artikel 3 lid 1 onder a van de Biocidenverordening1 is bepaald dat voor toepassing van die verordening onder “biociden” worden verstaan:

- alle stoffen of mengsels die, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, uit een of meer werkzame stoffen bestaan dan wel die stoffen bevatten of genereren, met als doel een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze te bestrijden;

- alle stoffen of mengsels die worden gegenereerd door stoffen of mengsels die zelf niet vallen onder het eerste streepje, en die gebruikt worden met als doel een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of op een andere dan louter fysieke of mechanische wijze te bestrijden.

Behandelde voorwerpen waarvan de primaire werking een biocidale werking is, worden beschouwd als biociden.

Uit het in de definitie opgenomen doel volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het middel in het algemeen geschikt moet zijn om biocidaal te werken om als biocide te kwalificeren. Uit de door [eiseres] gegeven toelichting blijkt dat de coating alleen een antistatische werking heeft en wordt aangebracht om een oppervlak vuilafstotend te maken nadat het door bestraling met UV-C licht is gedesinfecteerd, zodat bacteriën, virussen en schimmels zich daar minder snel aan hechten. De schoonmaakdoekjes zijn alleen bedoeld als reinigingsproduct voor het schoonmaken van hardware en mobiele apparaten oftewel voor het verwijderen van vuil om zoveel mogelijk te voorkomen dat micro-organismen zich kunnen handhaven, vermeerderen of verspreiden. De coating, hand sanitizer en schoonmaakdoekjes bevatten geen bestanddelen met biocidale werking en hebben als zodanig ook geen biocidale werking. Gelet daarop kwalificeren deze middelen naar het oordeel van de rechtbank niet als biociden en is de biocidewetgeving daarop niet van toepassing.

3.51.

Dit oordeel wordt onderschreven door de bevindingen van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) naar aanleiding van het door [gedaagde sub 1] gedane verzoek tot handhaving betreffende de Biocidenregelgeving (productie 32 [gedaagde sub 1] c.s. en productie 57A-F [eiseres] ). In onder meer de beslissing van 27 april 2021 heeft de ILT overwogen dat de coating en de schoonmaakdoekjes geen biociden zijn, maar een detergent / reinigingsmiddel. Verder heeft de ILT overwogen dat een onterechte biocidale claim een overtreding is van de Warenwet. Uit niets blijkt dat dit volgens de ILT ook een overtreding oplevert van de Biocideverordening. De ILT heeft ook overwogen dat in de coronaperiode een aantal tijdelijke vrijstellingen zijn vastgesteld en dat producten die voldoen aan de voorwaarden uit die vrijstellingen tijdelijk zonder toelating op de Nederlandse markt mogen worden aangeboden als desinfectiemiddel. Ten aanzien van de hand sanitizer, die [eiseres] tot medio maart 2021 heeft aangeboden, heeft de ILT overwogen dat dit middel viel onder de tijdelijke vrijstelling desinfectie 70% alcoholen Covid-19 voor professioneel gebruik. Dit alles betekent dat van de door [gedaagde sub 1] c.s. gestelde overtredingen van geldende wet- en regelgeving op het gebied van biociden door [eiseres] geen sprake is.

misleidende reclame / oneerlijke handelspraktijken?

3.52.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor of [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan misleidende reclame ex artikel 6:194 BW dan wel aan misleidende handelspraktijken ex artikel 6:193a e.v. BW door op haar websites:

- meerdere keren te vermelden dat zij bij haar reinigingswerkzaamheden gebruik maakt van een coating “die schadelijke bacteriën uitschakelt”,

- de Happy Clean Hand Sanitizer aan te bieden en

- schoonmaakdoekjes aan te bieden met op de displaydoos de tekst “Houdt je hardware vrij van bacteriën”.

Dat is naar het oordeel van de rechtbank deels het geval. Dit oordeel zal hierna worden toegelicht.

3.53.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat deze uitingen van [eiseres] kwalificeren als reclame-uitingen in de uitoefening van haar bedrijf, omdat het gaat om mededelingen die door [eiseres] openbaar zijn gemaakt op haar websites omtrent goederen en diensten die door haar worden aangeboden. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. biedt [eiseres] deze diensten en producten zonder onderscheid aan, zodat ook sprake is van handelspraktijken. [eiseres] heeft gemotiveerd weersproken dat zij zich met haar websites richt op consumenten en dat zij deze diensten en producten aan consumenten verkoopt of bij of voor consumenten inzet. Zij heeft er onder meer op gewezen dat haar websites zijn ingericht voor zakelijke klanten en dat de hand sanitizer alleen verkrijgbaar is in grootverpakkingen, die zijn bedoeld voor gebruik in een professionele omgeving en uitsluitend aan bedrijven worden geleverd. Dat [eiseres] deze diensten en producten ook aan consumenten levert, is de rechtbank niet gebleken. [gedaagde sub 1] c.s. heeft haar stelling dat [eiseres] de schoonmaakdoekjes via haar website en via bol.com ook aan consumenten levert niet met stukken onderbouwd. De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] c.s. daarom niet in haar stelling dat sprake is van handelspraktijken in de zin van artikel 6:193a lid d BW. De wetsartikelen over oneerlijke handelspraktijken zijn in dit geval niet van toepassing.

3.54.

Voor het juridisch kader ten aanzien van misleidende reclame verwijst de rechtbank naar overweging 3.14. Kort gezegd handelt iemand die in de uitoefening van een bedrijf in het openbaar een reclame-uiting doet onrechtmatig jegens een ander die handelt in de uitoefening van zijn bedrijf indien er sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling over bijvoorbeeld de aard of eigenschappen van een product en redelijkerwijs aannemelijk is dat die mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, de maatman misleidt of kan misleiden en door haar misleidende karakter zijn economisch gedrag kan beïnvloeden. De maatman is in dit geval de gemiddelde (potentiële) zakelijke klant van [eiseres] tot wie de informatie gericht is.

3.55.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft ten aanzien van de hand sanitizer aangevoerd dat [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan misleidende reclame, omdat zij niet bevoegd was om de hand sanitizer zonder toelating op de Nederlandse markt aan te bieden en zij deze essentiële informatie heeft weggelaten waardoor afnemers bewogen (kunnen) zijn tot het aangaan van een overeenkomst met betrekking tot dit product die zij anders niet waren aangegaan. Deze argumentatie gaat niet op. De ILT heeft immers geoordeeld dat dit product viel onder de tijdelijke vrijstelling desinfectie 70% alcoholen Covid-19 voor professioneel gebruik en daaraan voldeed, zodat [eiseres] de hand sanitizer zonder toelating op de Nederlandse markt mocht aanbieden als desinfectiemiddel (zie 3.50.). Van de gestelde misleiding van afnemers op dit punt is daarom geen sprake.

3.56.

Volgens [gedaagde sub 1] c.s. zijn de door [eiseres] op haar websites gedane reclame-uitingen ten aanzien van de coating misleidend, omdat er eigenschappen aan de coating zijn toegekend die de coating niet heeft. [eiseres] heeft de coating aangeprezen als biocide door te claimen dat deze schadelijke bacteriën uitschakelt, terwijl dat niet het geval is. Daarbij heeft [eiseres] essentiële informatie over de werking en eigenschappen van de coating weggelaten. De afnemers van de reinigingsdiensten waarbij de coating wordt aangebracht, zullen zich laten leiden door de daaraan door [eiseres] toegekende eigenschappen. Zeker ten tijde van corona zullen klanten afgaan op de claim dat apparatuur door toepassing van de coating langer vrij blijft van bacteriën en virussen en daarom voor [eiseres] kiezen. In de handhavingsprocedure heeft de ILT geoordeeld dat deze biocidale claim onjuist is en daarom niet is toegestaan. [eiseres] heeft op last van de ILT de tekst aangepast, zodat nu duidelijk is dat het uitschakelen van bacteriën niet door behandeling met de coating plaatsvindt maar door behandeling met UV-C licht.

3.57.

[eiseres] heeft hier tegenover gesteld dat uit de teksten op haar websites duidelijk blijkt dat het uitschakelen van de bacteriën wordt gedaan door bestraling met UV-C licht en dat de coating er vervolgens voor zorgt dat nieuwe bacteriën zich minder snel aan het oppervlak hechten. Waar stond vermeld dat bacteriën door de coating worden uitgeschakeld is bedoeld dat de aanhechting van bacteriën tijdelijk wordt verminderd, zoals uit de vele andere webpagina’s blijkt. Nu dit duidelijk op vele plaatsen op de website is vermeld, zal voor de zakelijke, oplettende afnemers, die een zekere mate van kennis bezitten op het gebied van schoonmaak en reiniging, voldoende duidelijk zijn dat in het reinigingsprocedé van [eiseres] bacteriën worden uitgeschakeld met UV-C licht. Er is geen informatie, laat staan essentiële, weggelaten hierover. De enkele verwijzing naar de coating zal ook niet van doorslaggevende betekenis zijn. Zakelijke afnemers zullen zich niet snel laten beïnvloeden, omdat bij reclame vaak sprake is van overdrijving en dergelijke mededelingen (zeer) gebruikelijk zijn in de markt en daarom niet al te letterlijk zullen worden opgevat.

3.58.

Vast staat dat de door [eiseres] op haar websites gedane mededeling dat de door haar gebruikte coating schadelijke bacteriën uitschakelt onjuist is. De coating heeft alleen antistatische eigenschappen, waardoor een oppervlak na het aanbrengen daarvan vuilafstotend wordt en nieuwe bacteriën zich daar minder snel aan hechten. De coating kan geen bacteriën uitschakelen. Naar het oordeel van de rechtbank vormt het aanbrengen van de coating een belangrijk onderdeel van het aangeboden reinigingsproces, zodat mededelingen daarover relevante informatie vormen voor afnemers van reinigingsdiensten. Gelet daarop is het voldoende aannemelijk dat er door deze onjuiste vermelding een onjuiste voorstelling kan zijn gewekt bij afnemers, waardoor zij kunnen zijn misleid en dit van invloed kan zijn geweest op de beslissing om diensten van [eiseres] af te nemen. Dat, zoals [eiseres] stelt, de meeste afnemers professionele klanten zijn, waarvan mag worden verwacht dat zij bekend zijn met en zich verder verdiepen in het schoonmaakprocedé, doet hier niet aan af. Daaruit volgt namelijk niet dat het voor alle afnemers duidelijk is geweest dat het uitschakelen van de bacteriën (alleen) wordt gedaan door bestraling met UV-C licht en niet door de coating. Dat andere marktdeelnemers vergelijkbare bewoordingen gebruiken voor hun reinigingsprocedés, zoals [eiseres] stelt, doet hier ook niet aan af. Ook daaruit volgt niet dat het voor alle afnemers duidelijk is geweest dat de coating geen bacteriën kan uitschakelen.

3.59.

Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is ook de door [eiseres] gedane reclame-uiting ten aanzien van de schoonmaakdoekjes misleidend, omdat er eigenschappen aan de doekjes zijn toegekend die zij niet hebben. Op de displaydoos waarin ze werden geleverd heeft [eiseres] geclaimd dat de doekjes hardware vrijhouden van bacteriën. Het vrijhouden van bacteriën betekent ofwel dat bacteriën die zich op een oppervlak bevinden daarop niet kunnen overleven en dus onschadelijk worden gemaakt, ofwel dat bacteriën worden afgeschrikt zich aan een oppervlak te hechten. In beide gevallen is sprake van biocidale werking in de wettelijke zin, zoals onder 3.49. weergegeven. Deze informatie is onjuist. In de handhavingsprocedure heeft de ILT geoordeeld dat de schoonmaakdoekjes kwalificeren als detergent/reinigingsmiddel, zodat deze biocidale claim niet op de box/displays van de doekjes mag worden vermeld. Op aanwijzing van IL&T heeft [eiseres] deze tekst moeten aanpassen. Doordat [eiseres] onterecht biocidale werking heeft geclaimd voor haar schoonmaakdoekjes, heeft zij haar product aantrekkelijker gemaakt dan het in werkelijkheid was en daarmee klanten misleid. Ten tijde van corona zullen klanten afgaan op de claim dat bacteriën onschadelijk worden gemaakt en daarom kiezen voor [eiseres] .

3.60.

[eiseres] heeft de gestelde misleiding gemotiveerd weersproken. Volgens [eiseres] zit in de schoonmaakdoekjes een biologisch reinigingsmiddel verwerkt, zodat er geen sprake is van een biocide. Op de displaydoos van de schoonmaakdoekjes staat groot vermeld “Reinigingsdoekjes” en op de bovenkant van de doos staat vermeld “Deze professionele reinigingsdoekjes zijn geschikt voor het schoonmaken van hardware en mobiele apparaten.”. [eiseres] spreekt dus over schoonhouden en niet over desinfecteren. De tekst “Houdt hardware vrij van bacteriën stond alleen op de achterkant van de displaydoos en niet op de verpakking van de doekjes zelf. Daarmee heeft [eiseres] geen biocidale werking geclaimd. Zij heeft onverplicht besloten mee te werken aan het verzoek van IL&T tot aanpassing van deze tekst. Uit de andere teksten op de doos en op de verpakking van de doekjes zelf blijkt duidelijk dat het gaat om schoonmaken. Voor de zakelijke afnemers van [eiseres] , die meestal professionals zijn met een zekere mate van kennis op het gebied van schoonmaak en reiniging, zal dit stukje tekst ook niet van doorslaggevende betekenis zijn geweest.

3.61.

De rechtbank stelt voorop dat de ILT heeft geoordeeld dat de vermelding “Houdt je hardware vrij van bacteriën” op de displaydoos van de schoonmaakdoekjes een onterechte biocidale claim was en daarom moest worden aangepast. Uit de toelichting van [eiseres] blijkt dat in de schoonmaakdoekjes geen biocide zit verwerkt, maar alleen een reinigingsmiddel waarmee kan worden schoongemaakt. Hoewel de aanduiding “vrijhouden van bacteriën” niet zo sterk is als de aanduiding “bacteriën uitschakelen”, kan deze op zichzelf worden opgevat als “bacteriën vernietigen”. Nu de schoonmaakdoekjes geen biocidale werking hebben, is de mededeling “Houdt je hardware vrij van bacteriën” ten aanzien van deze doekjes daarom onjuist geweest. De rechtbank acht het echter gelet op de door [eiseres] geschetste context waarin de mededeling was geplaatst onvoldoende aannemelijk dat deze onjuiste mededeling zakelijke afnemers kan of zal hebben misleid. De mededeling stond op de achterzijde van de displaydoos, die niet zichtbaar was op de website, en uit de andere aanduidingen op de displaydoos bleek duidelijk dat het om doekjes voor reiniging ging en niet om desinfectiedoekjes.

vorderingen

3.62.

Dan moet nog worden nagegaan in hoeverre de vorderingen van [gedaagde sub 1] c.s. toewijsbaar zijn gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.

3.63.

De onder a. gevorderde verklaring voor recht is deels toewijsbaar. De rechtbank zal alleen voor recht verklaren dat [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan misleidende reclame door op haar websites meerdere keren te vermelden dat zij bij haar reinigingswerkzaamheden gebruik maakt van een coating “die schadelijke bacteriën uitschakelt”. Het overig gestelde onrechtmatige handelen is niet aangenomen.

3.64.

Het onder b. gevorderde bevel tot staking van ieder onrechtmatig handelen, waaronder de gestelde oneerlijke handelspraktijken en misleidende reclame, zal worden afgewezen. Alleen de gestelde misleidende reclame is deels aangenomen. Nu vast staat dat de teksten met die betreffende mededeling al zijn aangepast, bestaat er geen belang bij het gevorderde bevel tot staking.

3.65.

Het onder c. gevorderde bevel tot staking van ieder onrechtmatig handelen, waaronder het gestelde handelen in strijd met wet- en regelgeving, zal als ongegrond worden afgewezen.

3.66.

De onder d. gevorderde veroordeling tot plaatsing van een rectificatie zal worden afgewezen. Als er sprake is van misleidende reclame kan plaatsing van een rectificatie dienen ter voorkoming van verdere schade. In dit geval is de betreffende mededeling echter al geruime tijd van de websites van [eiseres] af, zodat deze geen commerciele invloed meer heeft. Gelet daarop bestaat onvoldoende belang bij een rectificatie.

3.67.

Het onder e. gevorderde zal worden toegewezen, met dien verstande dat [eiseres] zal worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [gedaagde sub 1] ter zake van de vastgestelde misleidende reclame. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde sub 1] c.s. de mogelijkheid van schade aan de zijde van [gedaagde sub 1] als gevolg van dit onrechtmatige handelen voldoende aannemelijk gemaakt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geldt dat niet voor de mogelijkheid van schade aan de zijde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . De omvang van deze schade van [gedaagde sub 1] laat zich nu niet vaststellen. De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure is dan ook toewijsbaar.

proceskosten

3.68.

Nu de vorderingen van [gedaagde sub 1] c.s. slechts deels worden toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] door het gebruik van de hiervoor in 3.8. genoemde teksten a, b en c inbreuk heeft gemaakt en voor wat betreft tekst c nog maakt op de auteursrechten van [eiseres] ,

4.2.

beveelt [gedaagde sub 1] om zich vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis te onthouden van iedere inbreuk op auteursrechtelijk beschermde teksten op de websites van [eiseres] ,

4.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 per overtreding van de in 4.2. uitgesproken hoofdveroordeling en van € 1.000,00 per dag dat die overtreding voortduurt, totdat in totaal een maximum van € 500.000,00 is bereikt,

4.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van schadevergoeding aan [eiseres] voor de door [eiseres] als gevolg van het in 4.1. bedoelde inbreukmakende handelen geleden schade, nader op de maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 augustus 2020,

4.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op vandaag begroot op € 9.489,38, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

4.7.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de verklaring voor recht,

4.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.9.

verklaart voor recht dat [eiseres] zich schuldig heeft gemaakt aan misleidende reclame door op haar websites meerdere keren te vermelden dat zij bij haar reinigingswerkzaamheden gebruik maakt van een coating “die schadelijke bacteriën uitschakelt”,

4.10.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van schadevergoeding aan [gedaagde sub 1] voor de door [gedaagde sub 1] als gevolg van de in 4.9. bedoelde misleidende reclame geleden schade, nader op de maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

4.11.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de verklaring voor recht,

4.12.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op

2 maart 2022.2

Bijlage 1: de in de dagvaarding gemaakte vergelijking tussen tekst 1 en tekst a

Bijlage 2: de in de dagvaarding gemaakte vergelijking tussen tekst 2 en tekst b

Bijlage 3: de in de dagvaarding gemaakte vergelijking tussen tekst 3 en tekst c

1 Verordening 528/2012/EU betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden.

2 type: ID/4198 coll: RS/4234