Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:974

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
16/239581-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeersweg en artikel 7 van de Wegenverkeerswet. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Op grond van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) wordt als uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval met aanmerkelijke schuld met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden gehanteerd. Voor de strafmaat voor het verlaten van de plaats van het ongeval heeft de LOVS geen oriëntatiepunt opgesteld.

De rechtbank houdt in strafverhogende zin rekening met het feit dat het verkeersongeval het gevolg was van een verkeersruzie, waarbij verdachte het nodig vond om op een gevaarlijke en agressieve wijze achteruit te rijden om verhaal te halen.

Al met al zal de rechtbank, uitgaande van de oriëntatiepunten en gelet op de strafverzwarende omstandigheden, aan verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/239581-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1982] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] te [woonplaats] .

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.M. Tromp en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.M.J. van der Weide, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: primair: op 19 april 2019 te Leerdam als bestuurder van een bestelauto zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht dan wel zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair: op 19 april 2019 te Leerdam als bestuurder van een bestelauto door zijn gedragingen gevaar op de weg heeft veroorzaakt dan wel het verkeer op de weg heeft gehinderd;

feit 2: op 19 april 2019 te Leerdam de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of moest vermoeden dat aan een ander letsel en/of schade was toegebracht.

VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

WAARDERING VAN HET BEWIJS

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het rijgedrag van verdachte moet worden beschouwd als zeer onvoorzichtig.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde. Met betrekking tot feit 1 primair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid. Met betrekking tot feit 2 heeft zij aangevoerd dat verdachte niet heeft gemerkt dat hij iemand had aangereden en dat verdachte ook niet hoefde te vermoeden dat hij een ongeluk had veroorzaakt. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de klap niet heeft gehoord, omdat hij in zijn auto harde muziek had aanstaan.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

Het onderzoek van de dienst Verkeersongevallenanalyse

Bij het incident waren de volgende voertuigen betrokken:

Voertuig 1: bedrijfsauto,

- fabrieksmerk: Mercedes;

- type: Vito;

- kenteken: [kenteken] .

Voertuig 2: fiets.

Op vrijdag 19 april 2019 reed de bestuurder van een bedrijfsauto over de Patrimoniumstraat te Leerdam. Op het wegvak raakte de bestuurder van de bedrijfsauto betrokken bij een verkeersconflict met twee fietsers. De bestuurder van de bedrijfsauto reed vervolgens achteruit en reed daarbij een derde, niet bij het conflict betrokken, fietsster aan. De fietsster raakte ten gevolge van deze aanrijding ernstig gewond. De bestuurder van de bedrijfsauto heeft daarbij de plaats van het ongeval verlaten.2

De ter plaatse toegestane maximumsnelheid voor weggebruikers bedroeg 30 km/h.3

Uit de sporen aangetroffen op de Mercedes en de fiets, en de schade-inpassing, blijkt dat deze zeer waarschijnlijk met elkaar contact hebben gehad. Hierbij zijn onder andere de linkerzijde van het voorwiel en het stuur van de fiets in aanraking gekomen met de rechterachterzijde van de Mercedes.4

De camerabeelden waren na tactisch onderzoek veilig gesteld van een deurbelcamera. Ik, verbalisant, zag vervolgens aan de rechterzijde van het camerabeeld een donkerkleurige Mercedes Vito aan komen rijden. Ik zag dat deze tot stilstand kwam en ongeveer 7 seconden met een stationair draaiende motor stil bleef staan. Ik zag en hoorde vervolgens dat de Mercedes achteruit accelereerde en daarbij rechts uit het beeld verdween. Ik hoorde daarop een harde klap. Ongeveer 10 seconden na de door mij gehoorde klap hoorde ik dat er door een voertuig met dieselmotor wederom werd geaccelereerd. Ik zag vervolgens genoemde Mercedes aan de rechterzijde het beeld in komen rijden en aan de linkerzijde het beeld uit rijden richting de Kastanjestraat.5

De verklaring van [slachtoffer]

Ik fietste op een gegeven moment ter hoogte van de Patrimoniumstraat. Ik zag dat er een bus mij tegemoet kwam. Direct hierop voelde en hoorde ik een harde klap. Ik viel op de grond. Na de klap lag ik onder de bus.6

De geneeskundige verklaring van [slachtoffer]

Medische informatie betreffende: [slachtoffer]

Uitwendig waargenomen letsel:

- breuk wervel;

- > 8 gebroken ribben;

- schouderfractuur;

- bovenarmfractuur;

- ernstige beenwond.

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 19 april 2019.

Overige van belang zijnde informatie: ribben en beenwond geopereerd.

Geschatte duur van genezing: 6-12 maanden.7

De verklaring van [getuige 1]

Op 19 april 2019 zat ik samen met mijn vrouw op de bank in de woonkamer tv te kijken. Ineens hoorde ik een voertuig achteruit rijden en direct erna een klap. Ik keek uit het raam en zag een voertuig enkele seconden stilstaan en daarna met piepende banden wegrijden.8

[getuige 2] , de zoon van [slachtoffer] , heeft bij de politie een verklaring afgelegd. 9

De verklaringen van verdachte

Ik had sinds een week een bus. Ik bedoel een Mercedes Vito, kleur zwart/grijs.

V: Wat is er op vrijdag 19 april 2019 gebeurd?

A: Ik kwam op die vrijdagavond rond 21 uur de Patrimoniumstraat inrijden. Ik zag er vanaf de linkerkant gezien vanaf mij een man en een vrouw op de fiets aankwamen rijden. Ik passeerde die vrouw die stilstond en daarna de man.10 Ik reed nog een stukje door en toen reed ik weer achteruit. Ik heb mijn linker raam open gedaan en hing half uit het raam om naar achteren te kijken waar die man was. Ik heb op dat moment alleen maar op die man gelet. Ik was woedend op die man. Ik ben hard achteruit gereden. Ik heb flink gas gegeven. Toen ik ter hoogte van die man was, schold ik die man al uit. Ik zat vol adrenaline en heb de man echt verrot gescholden vanaf het moment dat ik achteruit reed. Hierna ben ik weer vooruit weggereden. Ik ben hierna doorgereden.11

Het was een smalle straat. Ik had hard gewerkt die week en er knapte iets in mij.12

4.3.2 Bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 1 primair

Schuld in de zin van artikel 6 WVW?

Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend, zeer onvoorzichtig/onoplettend en roekeloos rijgedrag.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in een smalle straat waar een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt, op agressieve wijze achteruit is gereden, terwijl daarvoor geen verkeerstechnische noodzakelijkheid bestond. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij verhaal wilde halen bij een fietser, [A] , omdat deze fietser volgens verdachte tegen de spiegel van zijn bestelbus zou hebben geslagen.

Achteruit rijden is een verkeersmanoeuvre waarvoor bijzondere voorzichtigheid is vereist. Verdachte had extra voorzichtigheid moeten betrachten door zich ervan te vergewissen dat de weg vrij was, voorafgaand aan en tijdens deze bijzondere manoeuvre, en door zijn snelheid aan te passen aan de situatie ter plaatse. Dit heeft hij niet gedaan. Verdachte heeft namelijk bij de politie verklaard dat hij door het lint is gegaan, hard achteruit is gereden en alleen op de meneer (de rechtbank begrijpt: [A] ) heeft gelet (de verklaring van verdachte, p. 159 en 160). Daarmee is verdachte in ernstige mate tekortgeschoten in de voorzichtigheid die van bestuurders van motorrijtuigen mag worden verwacht. Verdachte is daarbij tegen [slachtoffer] gebotst, waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen.

Conclusie

De rechtbank is op basis van het geheel van de gedragingen van verdachte van oordeel dat zijn rijgedrag moet worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig. Dit betekent dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW, zodat het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Wetenschap van het toebrengen van letsel of schade?

De rechtbank is van oordeel dat verdachte had moeten vermoeden dat door zijn handelen letsel of schade was ontstaan. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de aanrijding gepaard ging met een harde klap. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn linkerraam open had gedaan en half uit het raam hing terwijl hij achteruit reed (de verklaring van verdachte, p. 159). Het is onaannemelijk dat verdachte de harde klap niet heeft gehoord of gevoeld, temeer omdat de klap op de camerabeelden verderop in de straat is geregistreerd, en omdat getuigen die ten tijde van het ongeval binnen zaten (met de tv aan) de klap hebben gehoord. Ook indien verdachte, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, muziek had aanstaan, is het, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk dat hij de klap niet heeft kunnen horen.

Conclusie

De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel en/of schade was toegebracht, zodat het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1 primair:

op 19 april 2019 te Leerdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bestelauto (merk Mercedes-Benz, type Vito, gekentekend [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Patrimoniumstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, met het door hem bestuurde motorrijtuig

- met snelheid achteruit te rijden en

- daarbij onvoldoende te letten op mogelijke weggebruikers op die weg achter hem en

- niet te stoppen voor een zich dicht rechtsachter verdachte bevindende fietser en

- vervolgens tegen die fietser aan te botsen, waardoor die fietser, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten: meerdere gebroken ribben en een ernstige beenwond (waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was) en een breuk in de wervel en een schouderfractuur en een bovenarmfractuur;

ten aanzien van feit 2:

als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Leerdam op de Patrimoniumstraat, op 19 april 2019 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis;

- een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee (2) jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij de oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is zelfstandig ondernemer en zit in zware tijden door corona. Daarbij is verdachte first offender, is hij enorm geschrokken en heeft hij gedurende lange tijd in onzekerheid gezeten over de vraag of hij wel of niet vervolgd zou worden.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Hierbij is het toen 82-jarige slachtoffer ernstig gewond geraakt. In plaats van zich over het slachtoffer te bekommeren, heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten. Verdachte heeft hierdoor niet alleen het slachtoffer aan haar lot overgelaten, ook heeft hij het onmogelijk gemaakt zich te laten onderzoeken op het gebruik van alcohol en/of verdovende middelen. Ook na die noodlottige dag heeft verdachte de keuze gemaakt om geen contact op te nemen met het slachtoffer. Dit terwijl het verkeersongeval ingrijpende gevolgen heeft voor haar en haar familie. Ook nu nog, twee jaar na het ongeluk, wordt het slachtoffer elke dag geconfronteerd met de gevolgen ervan. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring die namens het slachtoffer ter zitting is voorgelezen.

Daarnaast veroorzaakt een delict als het onderhavige veel maatschappelijke onrust. Dit blijkt ook uit de ophef die het verkeersongeval in Leerdam en op internet heeft teweeggebracht.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 15 januari 2021, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

De straf

Op grond van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) wordt als uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval met aanmerkelijke schuld met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden gehanteerd. Voor de strafmaat voor het verlaten van de plaats van het ongeval heeft de LOVS geen oriëntatiepunt opgesteld.

De rechtbank houdt in strafverhogende zin rekening met het feit dat het verkeersongeval het gevolg was van een verkeersruzie, waarbij verdachte het nodig vond om op een gevaarlijke en agressieve wijze achteruit te rijden om verhaal te halen.

De rechtbank ziet in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om de straf te matigen. Wel zal de rechtbank een lichtere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist, omdat zij tot een andere mate van schuld komt.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal de rechtbank aan verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. Vaststaat dat verdachte op gevaarlijke wijze aan het verkeer heeft deelgenomen en een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt.

Al met al zal de rechtbank, uitgaande van de oriëntatiepunten en gelet op de strafverzwarende omstandigheden, aan verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden opleggen.

BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd met een vordering van € 10.859,65, bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 primair ten laste gelegde.

De benadeelde partij heeft de vordering ter terechtzitting ingetrokken, omdat een minnelijke regeling is getroffen tussen de verzekeraars van [slachtoffer] en verdachte, waarbij zij elkaar finale kwijting hebben verleend. Daarom zal de rechtbank geen beslissing nemen op de vordering.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    9, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Slager, voorzitter, mrs. J.G. van Ommeren en I. Jadib, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Broere, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 maart 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 19 april 2019 te Leerdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bestelauto (merk Mercedes-Benz, type Vito, gekentekend [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Patrimoniumstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met het door hem bestuurde motorrijtuig

- ( met een aanzienlijke snelheid) achteruit te rijden en/of

- ( daarbij) niet, althans onvoldoende te letten op de weg en/of mogelijke weggebruikers op die weg achter hem en/of

- niet (tijdig) te stoppen voor een zich (dicht) (rechts) achter verdachte bevindende fietser en/of

- ( vervolgens) tegen die fietser aan te rijden/botsen, waardoor die fietser, te weten [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

te weten: acht, althans een of meerdere gebroken ribben en/of een ernstige beenwond (waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was) en/of een breuk in de (nek)wervel en/of een schouderfractuur en/of een bovenarmfractuur;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 april 2019 te Leerdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bestelauto (merk Mercedes-Benz, type Vito, gekentekend [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Patrimoniumstraat, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd door met het door hem bestuurde motorrijtuig

- ( met een aanzienlijke snelheid) achteruit te rijden en/of

- ( daarbij) niet, althans onvoldoende te letten op de weg en/of mogelijke weggebruikers op die weg achter hem en/of

- niet (tijdig) te stoppen voor een zich (dicht) (rechts) achter verdachte bevindende fietser en/of

- ( vervolgens) tegen die fietser aan te rijden/botsen,waardoor die fietser, te [slachtoffer] (zwaar) gewond is geraakt;

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

2

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Leerdam op de Patrimoniumstraat, op of omstreeks 19 april 2019 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;

( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994 )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2019114916, opgemaakt door politie Midden-Nederland op 17 september 2019, doorgenummerd 1 tot en met 164 en ongenummerd tot en met 191. Tenzij anders vermeld, zijn deze processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse van 5 september 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , p. 81.

3 Een proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse van 5 september 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , p. 83.

4 Een proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse van 5 september 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , p. 91.

5 Een proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse van 5 september 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , p. 92.

6 Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] van 2 mei 2019, p. 143.

7 Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] van 1 mei 2019, p. 138.

8 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 23 april 2019, p. 42.

9 Een proces-verbaal van verhoor aangever [getuige 2] van 1 mei 2019, p. 141.

10 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 mei 2019, p. 158-159.

11 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 mei 2019, p. 159.

12 Verklaring van verdachte op de zitting van 25 februari 2021.