Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:879

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
16/277725-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige man uit Utrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De man heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersovertreding waarbij het slachtoffer als gevolg van deze overtreding zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte is beroepschauffeur en juist van een beroepschauffeur mag worden verwacht dat hij meer dan gemiddeld in staat is de verkeersvoorschriften na te leven en te anticiperen op situaties. Aangezien de rechtbank alleen tot een bewezenverklaring komt van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de WVW, is ten slotte een lagere straf op zijn plaats dan door de officier van justitie is geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/277725-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1988] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Wiersma en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair:

op 22 juli 2019 te Maarssen met een passagiersbus een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel, dan wel letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering van normale bezigheden is ontstaan, heeft opgelopen;

subsidiair:

op 22 juli 2019 te Maarssen met een passagiersbus gevaar en hinder op de weg heeft veroorzaakt.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Ter onderbouwing daarvan heeft hij - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte door rood is gereden. Dit volgt niet uit de Verkeersongevalsanalyse en kan ook niet worden vastgesteld op basis van de getuigenverklaringen. Daar komt bij dat verdachte niet het slachtoffer heeft aangereden, maar het slachtoffer tegen verdachte is aangereden.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Bewijsmiddelen 1

Uit het proces-verbaal Aanrijding misdrijf volgt het volgende:

Op 22 juli 2019 vond omstreeks 19.31 uur een ongeval plaats in Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, kruising Ruimteweg.2 Verdachte reed in een autobus met het kenteken [kenteken] (verder: voertuig 1).3

Betrokkene [slachtoffer] reed op een motorscooter met kenteken [kenteken] (verder: voertuig 2).4

In de Verkeersongevalsanalyse wordt het volgende gerelateerd:

Op 22 juli 2019 omstreeks 19:30 uur stond de bestuurder van voertuig 2 stil voor de verkeerslichten op de Lageweidseslag vlak voor het kruispunt met de Ruimteweg. Achterop zat een passagier.

De bestuurder van voertuig 1 reed over de Utrechtseslag en reed linksaf de Ruimteweg op. Op het kruispunt (de rechtbank begrijpt: van de Ruimteweg met de Lageweidseslag) botste de bestuurder van voertuig 2 tegen de rechter zijkant van voertuig 1. Hierdoor raakte de bestuurder van voertuig 2 zwaar gewond. Beide voertuigen raakten beschadigd.

Voertuig 2 stond op de rechter rijstrook van de twee rijstroken voor rechtdoorgaand verkeer.

De voorrang op het kruispunt werd geregeld door middel van een verkeersregelinstallatie.5

Wij zagen dat de verkeersregelinstallatie aan het regelen was. Wij zagen op de nummering van de verkeerslichten en op de door de wegbeheerder ter beschikking gestelde ontwerptekening dat de bestuurder van voertuig 1 richting 65 had gevolgd en de bestuurder van voertuig 2 richting 2. Wij zagen geen lampstoringen op die richtingen.6

Waarneming rechtbank: op bovenstaande foto’s zijn de verkeerslichten zichtbaar die de verdachte als laatste, voor de aanrijding, is gepasseerd. Te zien is dat deze kort voor het kruisvlak zijn geplaatst. Het verkeerslicht aan de rechterzijde is bevestigd aan dezelfde paal als het verkeerslicht dat geldt voor het van rechts komend verkeerd.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard:

Op 22 juli 2019 omstreeks 19.30 uur bestuurde ik een opleggercombinatie.
Ik stond met het voertuig op de linker rijstrook van de Lageweidseslag ter hoogte van de kruising met de Ruimtevaartweg (de rechtbank begrijpt: “Ruimteweg”). Ik stond links voorgesorteerd om naar links te gaan in de richting van de Floraweg.
Ik zag dat rechts naast mij een motorscooter stond met twee personen erop. Ik zag dat het verkeerslicht voor mij en de motorscooter op groen sprong. Ik trok op en zag van links een gele personenbus aankomen.
Ik vond dat de bestuurder van de bus hard reed voor het feit dat hij zou moeten stoppen voor ons. Ik zag dat de bus niet stopte voor het verkeerslicht en doorreed.

Ik zag plotseling de motorscooter mij rechts voorbij steken. Ik zag dat deze motorscooter een aanrijding met de bus niet meer kon voorkomen en tegen de zijkant van de bus reed.
Ik weet zeker dat de motorscooter en ik groen licht hadden bij het verkeerslicht.7

Betrokkene [slachtoffer] heeft verklaard:

Op 22 juli 2019 omstreeks 19.15 uur reed ik over de Lageweidseslag. Bij de kruising met de Ruimteweg reed ik over de rechterrijstrook. Links van mij op de linkerrijstrook stond een grote vrachtwagen te wachten voor het rode verkeerslicht. Ik stond eveneens voor hetzelfde rode verkeerslicht stil.
Nadat het verkeerslicht groen werd trok ik snel op. Bij het oprijden van de kruising werd ik aangereden door, wat mij later verteld werd, een stadsbus. Ik heb de bus nooit zien aankomen.8

Getuige [getuige 2] heeft verklaard:

Ik reed vandaag, 22 juli 2019 omstreeks 19.30 uur in mijn personenauto naar Maarssen via de Zuilense ring N230 en reed daar achter een bus van Qbuzz. Vanaf de Zuilense ring N230 reden wij rechtsaf richting Maarssen. Aan het eind van de afslag reden wij linksaf om in de richting van Maarssen te gaan.

Gekomen bij de kruising van de Lageweidseslag met de Ruimteweg zag ik dat het verkeerslicht voor mij en voor de bus op rood sprong. Ik liet mijn gas los en remde maar zag dat de bus geen snelheid minderde. Ik dacht nog, die bus rijdt door rood.
Toen de bus op de kruising reed zag ik dat er een motor van rechts tegen de bus reed.9

4.3.2.

Bewijsoverwegingen

Voor de rechtbank staat vast dat verdachte bij het passeren van het stoplicht bij de kruising tussen de Ruimteweg en de Lageweidseslag door rood licht is gereden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op de Lageweidseslag voor het rode stoplicht stond te wachten. Toen dit stoplicht op groen sprong, trok hij op en zag hij van links de bus van verdachte aan komen rijden, die niet stopte voor het voor hem geldende verkeerslicht.

Uit de afbeeldingen 3 en 4 van de Verkeersongevalsanalyse blijkt dat zowel het stoplicht voor verdachte als het stoplicht voor getuige [getuige 1] en het slachtoffer zich aan het begin van het kruispunt, in de directe nabijheid van het kruisvlak, bevinden. Het is daardoor onmogelijk dat én verdachte bij het passeren van dit stoplicht geel licht had én dat het stoplicht voor getuige [getuige 1] en het slachtoffer op groen sprong. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte dat het stoplicht geel licht uitstraalde toen hij erdoor reed op dit punt niet juist is. Zijn verklaring staat lijnrecht tegenover die van het slachtoffer en twee getuigen, die onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat het kruispunt voor hen leeg was toen het stoplicht voor hen op groen sprong. Dat verdachte door rood reed wordt bovendien bevestigd door de verklaring van getuige [getuige 2] , die achter verdachte reed en heeft verklaard dat het stoplicht voor haar en voor de bus op rood sprong, en dat verdachte vervolgens doorreed.

4.3.3.

De verkeersovertreding

Op grond van de onder 4.3.2. genoemde bewijsoverwegingen stelt de rechtbank vast dat verdachte een verkeersovertreding heeft begaan. Artikel 79, gelezen in samenhang met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv) bepaalt dat bestuurders bij een rood verkeerslicht moeten stoppen voor de stopstreep. Verdachte heeft zich niet aan deze verkeersregel gehouden.

4.3.4.

Het ongeval

Als gevolg van de onder 4.3.3. genoemde verkeersovertreding heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen de passagiersbus van verdachte en de motorscooter van het slachtoffer [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een aantal gebroken ribben, een schouderbladbreuk, een gebroken sleutelbeen en een gebroken pols.

4.3.5.

Vrijspraak primair tenlastegelegde

Voor een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW) moet het onder 4.3.4 genoemde verkeersongeval te wijten zijn geweest aan schuld van de verdachte in de zin van dit artikel. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet bij de beantwoording van de vraag of dit het geval is, het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval worden betrokken. Er kan niet uit de ernst van de gevolgen van de verkeersovertreding worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW. Om hiervan te kunnen spreken moet op zijn minst sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een falende waarneming, verkeerde anticipatie of tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft daardoor nog geen schuld in de zin van artikel 6 van de WVW op te leveren.

De rechtbank is van oordeel dat het door rood rijden van verdachte weliswaar als een falende waarneming, verkeerde anticipatie of onoplettendheid dient te worden aangemerkt, waarvan de gevolgen voor het slachtoffer groot zijn geweest, maar dat deze enkele verkeersovertreding op zichzelf niet genoeg is om te kunnen spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW. Ook is niet gebleken van bijkomende omstandigheden die meebrengen dat aan verdachte toch een schuldverwijt in de zin van artikel 6 van de WVW kan worden gemaakt. Zo kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld wat de snelheid van verdachte was ten tijde van de aanrijding. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de WVW.

4.3.6.

Bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte door het begaan van de onder 4.3.3. genoemde verkeersovertreding artikel 5 van de WVW heeft overtreden. Het staat immers vast dat verdachte door te rijden door een rood verkeerslicht gevaar en hinder op de weg heeft veroorzaak.

Dat het slachtoffer tegen verdachte is aangereden maakt de beoordeling niet anders, het neemt de gevaarzettende en hinderende gedraging van verdachte niet weg.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 22 juli 2019 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, als bestuurder van een voertuig (autobus), daarmee rijdende op de weg, de Ruimteweg,
- een kruising of splitsing met de Lageweidseslag, alwaar het verkeer door verkeerslichten werd geregeld en het licht voor de door verdachte te volgen rijrichting rood lichtuitstraalde, zonder tijdig zijn voertuig tot stilstand te brengen, die kruising of splitsing is opgereden en
- vervolgens in aanrijding is gekomen met een bestuurder van een motorscooter, die gezien verdachtes rijrichting, van rechtsgenoemde kruising bij groen licht was opgereden,
door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf van 90 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 45 dagen hechtenis;

- een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd.

Verdachte werkt nog steeds als buschauffeur en heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk. Daarom verzoekt de verdediging bij een bewezenverklaring in ieder geval geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een verkeersovertreding, waarvan de gevolgen voor het slachtoffer groot zijn. Het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , heeft als gevolg van de verkeersovertreding door verdachte zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank rekent het verdachte verder aan dat hij als beroepschauffeur een dergelijke verkeersovertreding heeft begaan. Juist van een beroepschauffeur mag worden verwacht dat hij meer dan gemiddeld in staat is de verkeersvoorschriften na te leven en te anticiperen op situaties, zoals een verkeerslicht dat een andere kleur licht gaat uitstralen.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij blijkens zijn justitiële documentatie d.d. 12 januari 2021 niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Aangezien de rechtbank alleen tot een bewezenverklaring komt van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de WVW, is ten slotte een lagere straf op zijn plaats dan door de officier van justitie is geëist.

Conclusie

Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, op zijn plaats. Daarnaast zal de rechtbank, ter voorkoming van recidive, een voorwaardelijke rijontzegging van drie maanden opleggen.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid:

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf:

veroordeelt verdachte tot:

- een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen;

ontzegt verdachte:

  • -

    de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden;

  • -

    bepaalt dat deze ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast;

  • -

    stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

  • -

    als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner, voorzitter, mrs. G. Perrick en
S.B. Smit-Colenbrander, rechters, in tegenwoordigheid van A.J. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 maart 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij:

op of omstreeks 22 juli 2019 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (autobus), daarmede rijdende over de weg, de Utrechtse Slag en/of de Ruimteweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- een kruising of splitsing met de Lageweidseslag, alwaar het verkeer door verkeerslichten werd geregeld en het licht voor de door verdachte te volgen rijrichting rood licht uitstraalde, zonder te remmen, althans zonder zijn snelheid tijdig en/of voldoende te minderen en/of tijdig zijn voertuig tot stilstand te brengen, in strijd met het aldaar voor het verkeer in verdachtes rijrichting rood uitstralende verkeerslicht die kruising of splitsing is opgereden en/of
- (vervolgens) in aanrijding of botsing is gekomen met een bestuurder van een motorscooter, die gezien verdachtes rijrichting, van rechts genoemde kruising bij groen licht was opgereden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere gebroken ribben en/of een gebroken schouderblad, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
(art 6 Wegenverkeerswet 1994)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
op of omstreeks 22 juli 2019 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht als bestuurder van een voertuig (autobus), daarmee rijdende op de weg, de Utrechtse Slag en/of de Ruimteweg,
- een kruising of splitsing met de Lageweidseslag, alwaar het verkeer door verkeerslichten werd geregeld en het licht voor de door verdachte te volgen rijrichting rood licht uitstraalde, zonder te remmen, althans zonder zijn snelheid tijdig en/of voldoende te minderen en/of tijdig zijn voertuig tot stilstand te brengen, in strijd met het aldaar voor het verkeer in verdachtes rijrichting rood uitstralende verkeerslicht die kruising of splitsing is opgereden en/of
- (vervolgens) in aanrijding of botsing is gekomen met een bestuurder van een motorscooter, die gezien verdachtes rijrichting, van rechts genoemde kruising bij groen licht was opgereden,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
(art 5 Wegenverkeerswet 1994)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers, zijn dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 24 september 2019 met nummer PL0900-2019219456, doorgenummerd pagina 1 tot en met 45, opgemaakt door de politie, Eenheid Midden-Nederland, Team Verkeer. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De bewijsmiddelen zijn zakelijk weergegeven.

2 Proces-verbaal Aanrijding misdrijf d.d. 24 september 2019, pagina 4.

3 Proces-verbaal Aanrijding misdrijf d.d. 24 september 2019, pagina 5.

4 Proces-verbaal Aanrijding misdrijf d.d. 24 september 2019, pagina 4, 5 en 6.

5 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 9 augustus 2019, pagina 11.

6 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 9 augustus 2019, pagina 13.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 juli 2019, pagina 44.

8 Proces-verbaal van verhoor betrokkene d.d. 5 september 2019, pagina 31.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 juli 2019, pagina 40.