Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:800

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
16/203612-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling terzake poging doodslag. Verdachte heeft het slachtoffer met een (groot) mes zes centimeter diep in de rechterzij gestoken. Gezien de plaats van de steekwond volgt uit de bewijsmiddelen dat - onder meer - de grote bloedvaten geraakt hadden kunnen worden, hetgeen had kunnen leiden tot een dodelijk bloeding. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, is de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel ontstaan.

De rechtbank is ook van oordeel dat de door verdachte verrichte geweldshandeling naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het gevolg - de dood van het slachtoffer - dat het niet anders kan dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Hij heeft immers het slachtoffer van achteren benaderd, en hem plotseling in de rechterzij gestoken met een groot mes. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op de dood van aangever.

Dat verdachte heeft verklaard dat hij geen herinnering meer aan het gebeuren heeft, leidt niet tot een ander oordeel. Dat zegt immers niets over geestelijke gesteldheid op het moment van handelen door verdachte. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat verdachte zich op dat moment niet bewust was van zijn handelen. Ook de naderhand verrichte onderzoeken naar verdachte bieden daartoe geen handvatten.

De verklaring van verdachte dat de aangever zichzelf wellicht heeft gestoken, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het komt de rechtbank zeer onaannemelijk voor dat aangever zichzelf op die plaats van het lichaam (de rechter-achterzij) zou hebben gestoken.

Gezien de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende reactie vormt. Gelet op het ernstige feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld, terwijl volstrekt onduidelijk is gebleven waarom verdachte daartoe is gekomen, vindt de rechtbank het van belang dat verdachte na zijn detentie door de reclassering kan worden gemonitord.(daarom deel voorwaardelijk).

De rechtbank stelt vast dat door de procesopstelling van verdachte weinig inzicht is verkregen in de persoon van verdachte en zijn houding ten opzichte van het door de rechtbank bewezenverklaarde misdrijf. Verdachte stelt immers hieraan geen herinnering (meer) te hebben. Dat verdachte de schuld evenwel buiten zichzelf blijft leggen en geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor hetgeen hij gedaan heeft, is kwalijk en zorgelijk.

Anderzijds zal de rechtbank bij de strafoplegging ook rekening houden met het gegeven dat verdachte een lichamelijk kwetsbare, hoogbejaarde man is die afhankelijk is van de zorg van anderen. Ook betrekt de rechtbank bij dit oordeel de wel bij verdachte vastgestelde milde cognitieve beperkingen, die - hoewel een causaal verband tussen deze beperkingen en het ten laste gelegde ontbreekt - mogelijk wel het handelen van verdachte in enige mate hebben gekleurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/203612-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1935] te [geboorteplaats] (Turkije),

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Grave te ’s-Gravenhage.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 november 2020, 30 november 2020, 4 december 2020 en 16 februari 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Drogt en van hetgeen verdachte en mr. S. Önemli, advocaat te Utrecht naar voren hebben gebracht op de zitting van 16 februari 2021.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partij dhr. [ slachtoffer] en zijn raadsvrouw, mr. N. Durdabak, op die zitting naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: op 9 augustus 2020 te Amersfoort opzettelijk heeft geprobeerd [ slachtoffer] van het leven te beroven, door een mes in de zij van [ slachtoffer] te steken.

Subsidiair: op 9 augustus 2020 te Amersfoort opzettelijk heeft geprobeerd [ slachtoffer] zwaar te mishandelen, door een mes in de zij van [ slachtoffer] te steken.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Verdachte heeft geen enkele herinnering aan het incident. Hierdoor kan de bewustheid die voor opzet vereist is, niet worden bewezen. Uit het dossier blijkt evenmin dat verdachte op enig moment het (voorwaardelijk) opzet had om aangever te doden of zwaar te verwonden, noch dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zou komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Subsidiair merkt de raadsvrouw op dat van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij een steekwond in de rug/buik in dit geval geen sprake is geweest, waarbij zij verwijst naar de letselrapportage. Daarin staat dat uit de medische literatuur naar voren komt dat steekwonden in de buik in 1 tot 3% van alle gevallen dodelijk aflopen. Dat is volgens de raadsvrouw geen aanmerkelijke kans te noemen. Verdachte heeft in ieder geval deze kans nimmer aanvaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de hierna opgenomen wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

De aangever, [ slachtoffer] , verklaarde als volgt:

Het was op 9 augustus. Ik kwam rond zes uur bij Opa (opmerking rechtbank: niet in geschil is dat aangever hiermee verdachte bedoelt). Ik liep door naar de keuken. Terwijl ik bezig was om de maaltijd voor te bereiden hoorde ik hem met de rollator over de deurpost gaan. Niet beter wetende dat hij op de stoel ging zitten ging ik verder met de maaltijd voorbereiding. Ik draaide mij naar links en ik voelde een soort kracht, een ademhaling achter mijn rug. Ik zag dat hij aan de linkerzijde leek te vallen. Ik wist niet wat er achter mij gebeurde, maar voelde dat er iets gebeurde. Ik begon te schudden. Ik zag hem langs mij vallen, op de grond zittend. Tegelijk voelde ik een warm gevoel in mijn rechter achterkant.2

Nog steeds had ik op dat moment niet door dat mij iets was aangedaan, totdat ik met mijn hand naar de plek ging en mijn vinger in de wond ging.

Hij maakte met zijn rechterarm een stekende beweging. Kennelijk heeft hij zich aan het mes vastgeklampt, want de wond was geen schone steek. Er is bewogen met het mes. Aan de ene kant dus het mes en de rest van het lichaam op mij leunend.3

Verbalisant [verbalisant] verklaarde als volgt:

Ik zag dat de verwonding van de aangever [ slachtoffer] zich in de rechterzijde van het lichaam, vlak boven de rechterheup van [ slachtoffer] bevond. Ik zag dat de verwonding een snede van ongeveer vier centimeter betrof. De diepte van de verwonding betrof ongeveer zes centimeter.4

Uit de letselrapportage Forensische geneeskunde GD regio Utrecht is het volgende gebleken:

De diepte van de steekwond bedroeg 6 centimeter blijkens het verslag van de Spoedeisende Eerste Hulparts. In de medische literatuur komt naar voren dat steekwonden in de buik in 1 tot 3 % dodelijk aflopen, met name wanneer grote bloedvaten zoals de aorta abdominalis of de vena cava inferior zijn geraakt. Gezien de plaats van de steekwond zouden ook de lever, rechternier, colon ascendens, aorta abdominalis, arteria/vena iliaca interna of externa (grote bloedvaten in de buik) of ureter (verbinding tussen nier en blaas) geraakt kunnen worden, hetgeen onder andere zou kunnen leiden tot dodelijke bloedingen, orgaanbeschadigingen van lever, nier, en ureter, alsmede aanprikken van de darm met als gevolg een buikvliesontsteking, bloedvergiftiging en daar weer uit voortvloeiende complicaties.5

Op 9 augustus 2020 heeft een forensisch onderzoek plaatsgevonden in de woning van verdachte aan [adres] te [woonplaats] . In de woning werd in de keuken een groot bebloed mes aangetroffen (SIN: AAN08980NL). Dit lag tussen het witte opstapje en de prullenbak. Dit mes is op de daartoe geschikte wijze veiliggesteld en overgedragen aan sporenbeheer van de Eenheid Midden-Nederland.6

Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is dit mes (AANO8980NL) vervolgens onderzocht op de aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA. Het heft van het mes is bemonsterd, gericht op het verzamelen van DNA van degene(n) die het mes heeft/hebben gehanteerd. Daarnaast zijn bloedsporen aan het lemmet veiliggesteld De bemonstering van het heft is als AANO8980NL#01 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek de bemonsteringen aan het lemmer als AANO8980NL#02, AANO8980NL#03 en AANO8980NL#04.7
Bij vergelijking met de DNA-profielen van verdachte en het slachtoffer [ slachtoffer] is een match gevonden met beide DNA-profielen wat betreft het heft. Voor deze bemonsteringen is de bewijskracht berekend met als conclusie:

DNA-mengprofiel AAN08980NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer

de bemonstering DNA bevat van verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon,

dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen
Met betrekking tot het lemmer is voor alle bemonsteringen een macht gevonden met het DNA-profiel van slachtoffer Inal:
DNA-profielen AAN08980NL#02, #03 en #04 zijn elk meer dan 1 miljard keer

waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [ slachtoffer] , dan wanneer het

DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon.. 8

Bewijsoverweging (voorwaardelijk) opzet

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat er in deze zaak sprake is geweest van een aanmerkelijk kans dat [ slachtoffer] zou komen te overlijden ten gevolge van het handelen van verdachte. Verdachte heeft het slachtoffer met een (groot) mes zes centimeter diep in de rechterzij gestoken. Gezien de plaats van de steekwond volgt uit de bewijsmiddelen dat - onder meer - de grote bloedvaten geraakt hadden kunnen worden, hetgeen had kunnen leiden tot een dodelijk bloeding. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, is de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel ontstaan.

De rechtbank is ook van oordeel dat de door verdachte verrichte geweldshandeling naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het gevolg - de dood van het slachtoffer - dat het niet anders kan dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Hij heeft immers het slachtoffer van achteren benaderd, en hem plotseling in de rechterzij gestoken met een groot mes. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op de dood van aangever.

Dat verdachte heeft verklaard dat hij geen herinnering meer aan het gebeuren heeft, leidt niet tot een ander oordeel. Dat zegt immers niets over geestelijke gesteldheid op het moment van handelen door verdachte. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat verdachte zich op dat moment niet bewust was van zijn handelen. Ook de naderhand verrichte onderzoeken naar verdachte bieden daartoe geen handvatten.

De verklaring van verdachte dat de aangever zichzelf wellicht heeft gestoken, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het komt de rechtbank zeer onaannemelijk voor dat aangever zichzelf op die plaats van het lichaam (de rechter-achterzij) zou hebben gestoken.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 9 augustus 2020 heeft geprobeerd [ slachtoffer] van het leven te beroven.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 augustus 2020 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[ slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [ slachtoffer] een mes in de zij heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Primair:

Poging tot doodslag.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie primair bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met als (bijzondere) voorwaarde verplicht reclasseringscontact.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte hoogbejaard is en geen strafblad heeft. Verdachte weet dat hij niet lang meer te leven heeft en dat zijn gezondheid achteruit gaat. Verdachte kampt met diverse ziektes en de afgelopen maanden in detentie waren zowel mentaal als fysiek heel zwaar voor hem. De raadsvrouw verzoekt aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om opheffing van de gevangenhouding.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft het slachtoffer, Ismael [ slachtoffer] , ogenschijnlijk zonder aanleiding benaderd en onverhoeds met een groot mes in de zij gestoken. Deze poging tot het opzettelijk benemen van iemands leven is in ons strafrechtstelsel een van de ernstigste misdrijven. Verdachte heeft de persoonlijke integriteit van het slachtoffer op grove wijze geschonden.

Uit de ter terechtzitting voorgehouden slachtofferverklaring van aangever en zijn emoties die de rechtbank ter zitting heeft waargenomen, blijkt van de grote impact die dit heeft gehad op zijn leven en dat hij nog dagelijks te kampen heeft met zowel de lichamelijke als de psychische gevolgen van hetgeen verdachte hem heeft aangedaan. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat het voor aangever moeilijk te begrijpen en accepteren is dat een oude man, over wie hij zich als vrijwilliger heeft ontfermd, hem dit heeft aangedaan.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 15 oktober 2020. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Het strafblad van verdachte zal dan ook niet in strafverzwarende zin meewerken;

- een Triple onderzoek Pro Justitia van 4 februari 2021, opgesteld door C.J. van Gestel, psychiater, E.J. Muller, klinisch psycholoog en M. van Reijssen, forensisch milieuonderzoeker;

- een (gedrags)neurologisch onderzoek Pro Justitia van 29 januari 2021, opgesteld door prof. dr. C. Jonker, gedragsneuroloog.

In de hiervoor genoemde onderzoeken Pro Justitia komen de deskundigen tot de vaststelling dat er sprake is van milde cognitieve problemen op basis van vaatlijden, bij een man met mogelijk narcistische en paranoïde trekken in de persoonlijkheid.

De milde cognitieve problemen bestonden al langer, maar onduidelijk is hoelang precies. Verdachte is en was onderhevig aan schommelingen in de gemoedstoestand door lichamelijke en situationele factoren, die wisselingen in zijn functioneren en gedrag konden geven. Of, en zo ja, hoe de milde cognitieve beperkingen en de eventuele narcistische en paranoïde kleur van zijn persoonlijkheid in verband zijn te brengen met hetgeen hem ten laste gelegde is gelegd, hebben onderzoekers niet kunnen vaststellen. Een doorwerking van de vastgestelde pathologie in het ten laste gelegde is daarmee onvoldoende te onderbouwen.

In meer algemene zin zien de onderzoekers wel een probleem wanneer verdachte met onvoldoende ondersteuning terug zou moeten naar een context waarin hij zich nauwelijks zelfstandig kan handhaven. Meer vanuit bestwil valt te overwegen om verdachte (na zijn detentie) te plaatsen in een voorziening waarin hij passende zorg en ondersteuning kan krijgen. Op basis van dit onderzoek zou de zorg niet zozeer psychogeriatrisch hoeven zijn, maar zou deze zich meer op ondersteuning in het algemeen dagelijks functioneren en lichamelijke verzorging moeten richten.

In het gedragsneurologisch onderzoek is het volgende geconcludeerd:

Bij verdachte zijn aanwijzingen voor hersenorganisch lijden in de zin van geringe geheugen- en oriëntatieproblemen op basis van corticale atrofie en vasculaire pathologie in de hersenen. Ook ten tijde van het tenlastegelegde bestond dit hersenorganisch lijden reeds. De gedragsneurologisch onderzoeker komt tot de conclusie dat het niet waarschijnlijk is dat het hersenorganisch lijden het gedrag van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde heeft beïnvloed. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor cognitieve executieve functiestoornissen, welke een verklaring zouden kunnen zijn voor impulsief gedrag.

De strafmotivering

Gezien de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende reactie vormt. De rechtbank zal een gedeelte van de gevangenisstraf echter in voorwaardelijke vorm opleggen. Met een deels voorwaardelijk strafdeel wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Tevens maakt dit toezicht en begeleiding door de reclassering mogelijk, wat de rechtbank noodzakelijk acht. Gelet op het ernstige feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld, terwijl volstrekt onduidelijk is gebleven waarom verdachte daartoe is gekomen, vindt de rechtbank het van belang dat verdachte na zijn detentie door de reclassering kan worden gemonitord.

De rechtbank stelt vast dat door de procesopstelling van verdachte weinig inzicht is verkregen in de persoon van verdachte en zijn houding ten opzichte van het door de rechtbank bewezenverklaarde misdrijf. Verdachte stelt immers hieraan geen herinnering (meer) te hebben. Dat verdachte de schuld evenwel buiten zichzelf blijft leggen en geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor hetgeen hij gedaan heeft, is kwalijk en zorgelijk.

Anderzijds zal de rechtbank bij de strafoplegging ook rekening houden met het gegeven dat verdachte een lichamelijk kwetsbare, hoogbejaarde man is die afhankelijk is van de zorg van anderen. Ook betrekt de rechtbank bij dit oordeel de wel bij verdachte vastgestelde milde cognitieve beperkingen, die - hoewel een causaal verband tussen deze beperkingen en het ten laste gelegde ontbreekt - mogelijk wel het handelen van verdachte in enige mate hebben gekleurd.

De rechtbank zal aan verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk. De rechtbank zal daarbij de duur van de proeftijd stellen op een termijn van drie jaren. Gezien de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf ziet de rechtbank geen meerwaarde om de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Bij de strafbepaling wijkt de rechtbank af van de strafeis van de officier van justitie, nu de rechtbank tot een andere weging komt op basis van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die naar voren zijn gekomen in de diverse omtrent verdachte opgemaakte rapportages en ter zitting. Verder heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

9 BENADEELDE PARTIJ

[ slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een schadevergoeding van in totaal € 6.648,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan. De gevorderde materiele schade (€ 148,75) bestaat uit de volgende posten:

  • -

    € 34,78 (reiskosten naar de huisarts, het ziekenhuis en de psycholoog);

  • -

    € 81,- (kosten behandelingen fysiotherapeut);

  • -

    € 32,97 (kosten kleding).

Daarnaast wordt een bedrag gevorderd van € 6.500,- aan immateriële schade. Ook worden de proceskosten gevorderd, bestaande uit de gemaakte reis- en parkeerkosten in verband met bezoeken aan de advocaat en de rechtbank. De proceskosten worden begroot op een bedrag van € 110,04.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van immateriële deel van de vordering heeft de officier van justitie gevorderd deze te matigen tot een bedrag van

€ 4.500,-, en voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk te verklaren, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich wat betreft de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht deze te matigen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat deze schade niet geheel aan verdachte kan worden toegerekend, omdat hij niet weet wat er is voorgevallen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade daarom geheel toewijzen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade oordeelt de rechtbank als volgt. Vast staat dat verdachte lichamelijk letsel heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde dan ook recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Om de omvang hiervan te bepalen heeft de rechtbank allereerst rekening gehouden met de aard en ernst van de gevolgen die het misdrijf bij de benadeelde teweeg heeft gebracht. De benadeelde partij heeft een steekwond opgelopen van 6 cm diep en heeft een litteken aan die verwonding overgehouden. Hij heeft lange tijd moeten herstellen en heeft nog altijd lichamelijke en ook psychische klachten als gevolg van het misdrijf. Bij de begroting heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij eerder in de jurisprudentie vastgestelde bedragen in vergelijkbare gevallen, en op basis daarvan begroot de rechtbank de immateriële schade van de benadeelde partij op € 4.500,-.

De vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van

€ 4.500,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 augustus 2020 tot de dag van volledige betaling.

Ten aanzien van de materiële schade zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen met als ingangsdatum de dag van dit vonnis, te weten 2 maart 2021.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [ slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 4.648,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij gebreke van betaling en verhaal zal deze verplichting worden vervangen door 56 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [ slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

De gevorderde proceskosten

Door de benadeelde partij zijn ook proceskosten gevorderd, die zijn begroot op de door de benadeelde partij gemaakte reis- en parkeerkosten in verband met bezoeken aan zijn advocaat en de rechtbank. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal verdachte worden veroordeeld tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten.

Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van de proceskosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (zie o.a. ECLI:NL:HR:2019:793). In civiele procedures wordt de maatstaf voor de toekenning van proceskosten ontleend aan de artikelen 237 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze regeling bevat een limitatieve en exclusieve regeling voor de proceskostenvergoeding (ECLI:NL:HR:2015:1600). Op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komen reis-, verlet en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting alleen voor vergoeding in aanmerking indien in persoon mag worden en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd.

In de onderhavige voegingsprocedure heeft de benadeelde partij met behulp van een advocaat geprocedeerd, die ook ter terechtzitting de vordering heeft toegelicht. Daarom komen de door de benadeelde partij gevorderde kosten die verband houden met het bijwonen van de zitting niet voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het bovenstaande, worden de proceskosten van de benadeelde partij tot op dit moment begroot op nihil.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het onder 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 1 (een) jaar niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:

* zich binnen 5 dagen na vrijlating meldt bij Reclassering Nederland te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [ slachtoffer] toe tot een bedrag van € 4.648,75;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [ slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over de immateriële schade van € 4.500, vanaf 9 augustus 2020 tot de dag van volledige betaling en voor de overige materiële schadeposten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2021, tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [ slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [ slachtoffer] aan de Staat € 4.648,75 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de immateriële schade van € 4.500,- vanaf 9 augustus 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 56 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffen van de voorlopige hechtenis en de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, voorzitter, mrs. E.J. van Rijssen en

R.A. Hebly, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J Gardenier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 maart 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 augustus 2020 te Amersfoort, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [ slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [ slachtoffer] (met kracht) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij, in elk geval het bovenlichaam, heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 augustus 2020 te Amersfoort, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [ slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [ slachtoffer] (met kracht) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij, in elk geval het bovenlichaam, heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal voorgeleiding van 10 augustus 2020, proces-verbaal raadkamer van 17 augustus 2020 en proces-verbaal einddossier van 20 oktober 2020 met nummer 2020257093 (1GA20MOLEN) bevinden, volgens de in deze dossiers toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pag. 105 (proces-verbaal van aangifte)

3 Pag. 106 (proces-verbaal van aangifte)

4 Pag. 66 (proces-verbaal van bevindingen)

5 Letselrapportage Forensische Geneeskunde GGD regio Utrecht van 5 februari 2021, opgesteld door F. Woonink, forensisch arts KNMG.

6 Pag. 120 (proces-verbaal forensisch onderzoek woning) en bijlage pag. 121

7 Pag. 168 (NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA onderzoek van 16 oktober 2020)

8 Pag. 169 (NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA onderzoek van 16 oktober 2020)