Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:779

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
C/16/502164 / FA RK 20-2976
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Geen partneralimentatie wegens ontbreken aanvullende behoefte. Verdeling gouden sieraden. Bruidsgave (mihir) valt in de gemeenschap, geen verknochtheid aan de vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummers: C/16/502164 / FA RK 20-2976 (echtscheiding)

C//16/506394 / FA RK 20-4343 (verdeling)

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking van 3 maart 2021

in de zaak van:

[de man] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.G.M. ter Avest,

tegen

[de vrouw] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D. Coskun.

1 Inleiding

1.1.

Deze zaak gaat over de echtscheiding van partijen. Zij zijn op [trouwdatum] 2018 met elkaar getrouwd in [woonplaats] . Zij hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. Partijen hebben de rechtbank verzocht om de echtscheiding uit te spreken en beslissingen te nemen over de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. In deze beschikking beslist de rechtbank op de verzoeken van partijen.

1.2.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het verzoekschrift van de man met bijlagen, binnengekomen op 8 mei 2020;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken);

  • -

    het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken met gewijzigde/aanvullende verzoeken;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw op de gewijzigde/aanvullende verzoeken;

  • -

    de brief van 4 februari 2021 van de man met bijlagen;

  • -

    de brief van 11 februari 2021 van de man met bijlagen;

  • -

    het F9-formulier van 18 februari 2021 van de man.

1.3.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 18 februari 2021. Daarbij waren aanwezig: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de advocaat van de man. De man heeft zich afgemeld vanwege ziekte.

2 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.1.

De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen en het Nederlands recht is van toepassing.

De echtscheiding

2.2.

De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken. Aan de wettelijke vereisten is voldaan. Partijen zijn het erover eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.

De partneralimentatie

2.3.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om partneralimentatie vast te stellen afwijzen. Een verzoek om partneralimentatie kan namelijk alleen worden toegewezen als iemand ‘behoeftig’ is en dat is hier niet het geval. De rechtbank zal dit hieronder toelichten.

2.4.

Bij het bepalen van de partneralimentatie is ten eerste van belang het bedrag dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat ook wel de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd. De vrouw stelt dat zij een huwelijksgerelateerde behoefte heeft van € 1.733,- netto en € 1.923,- bruto per maand. De man heeft de behoefte van de vrouw berekend op € 1.526,- netto per maand. Naast de behoefte moet worden onderzocht wat de vrouw redelijkerwijs zelf kan verdienen. Pas als dat bedrag lager is dan de behoefte is de vrouw ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie toewijzen. Als gezegd, is de rechtbank hier van oordeel dat de vrouw niet behoeftig is. Van de vrouw kan worden verwacht dat zij in haar eigen behoefte voorziet, zelfs als die behoefte € 1.923,- bruto per maand bedraagt.

2.5.

Daarbij is van belang dat een eventuele aanspraak op partneralimentatie pas ontstaat op het moment dat het huwelijk is ontbonden. Dat is op het moment dat de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De verwachting is dat de vrouw op dat moment (bijna) is afgestuurd aan de pabo. De vrouw heeft weliswaar studievertraging opgelopen, maar zij is bezig met haar afstudeeronderzoek en hoopt voor de zomer af te studeren. Vanaf dat moment kan zij als onderwijzeres aan de slag. Ook als het onverhoopt niet lukt om voor de zomer af te studeren en/of een dienstbetrekking als onderwijzeres te vinden, kan van de vrouw worden verwacht dat zij ten minste een bedrag van € 1.923,- bruto per maand gaat verdienen. Er is geen sprake van belemmeringen als gevolg waarvan zij niet (volledig) kan deelnemen aan het arbeidsproces, zoals de zorg voor jonge kinderen of ziekte. Bovendien heeft de vrouw ook een diploma bedrijfseconomie mbo-4 waar zij op terug kan vallen. Dat zij last heeft van de echtscheiding en de (gevolgen van) de Coronacrisis vindt de rechtbank begrijpelijk, maar geen reden waarom de vrouw niet in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien.

De verdeling

2.6.

De rechtbank zal de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vaststellen, in die zin dat ieder de gouden sieraden krijgt die hem/haar door de eigen familie zijn geschonken, met de veroordeling deze sieraden aan de ander te geven voor zover deze nog niet in het bezit van de ander zijn. Daarnaast zal de rechtbank beslissen dat de man een regresrecht heeft op de vrouw, voor zover hij meer dan de helft van de totale schuld van € 2.445,- aan de Belastingdienst heeft voldaan en/of meer dan de helft van de schuld van € 4.500,- aan zijn werkgever. De overige verzoeken zullen worden afgewezen. De rechtbank zal hieronder uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

2.7.

Partijen zijn gehuwd in een beperkte gemeenschap van goederen. De gemeenschap van goederen is ontbonden op het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding op 8 mei 2020. Dat is ook de peildatum waarop moet worden vastgesteld wat de omvang van de gemeenschap is. Partijen zijn het er niet over eens of:

  1. de gouden sieraden;

  2. de schuld aan de Belastingdienst;

  3. de schuld aan de werkgever van de man;

  4. e mihir (bruidsgave);

in de huwelijksgoederengemeenschap vallen en zo ja, wat er dan mee moet gebeuren. De rechtbank zal daar per bestanddeel op ingaan.

A. de gouden sieraden

2.8.

De vrouw heeft verzocht om afgifte van de gouden sieraden als omschreven in bijlage 1 bij haar verzoekschrift op straffe van een dwangsom voor elke dag dat de man hier niet aan voldoet. De man heeft primair verzocht de sieraden te verdelen overeenkomstig productie 2 bij zijn verweerschrift en subsidiair om de sieraden toe te delen aan de vrouw tegen een vergoeding van € 9.725,- aan de man. Het geschil tussen partijen komt in essentie neer op het antwoord op de vraag aan wie de gouden sieraden tijdens de bruiloft van partijen zijn geschonken: aan de vrouw of aan partijen samen. In het geval dat de sieraden aan de vrouw zijn geschonken vallen deze namelijk niet in de gemeenschap van goederen. De sieraden zijn dan privé-eigendom van de vrouw en hoeven niet te worden verdeeld. Als de sieraden aan partijen zijn geschonken dan vallen zij wel in de gemeenschap van goederen. In dat geval zullen de sieraden dus moeten worden verdeeld. De sieraden bevinden zich op één ketting na in een kluis waar de man wel toegang toe heeft en de vrouw niet. De vrouw heeft de ketting in haar bezit die niet in de kluis ligt.

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat de sieraden in de gemeenschap vallen en dus moeten worden verdeeld. De vrouw heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man namelijk onvoldoende onderbouwd dat de sieraden haar privé-eigendom zijn omdat deze exclusief aan haar zouden zijn geschonken. Weliswaar kan het naar Turks recht of gebruik zo zijn dat de sieraden de vrouw toekomen, maar de rechtbank moet hier oordelen naar Nederlands recht. Partijen wonen in Nederland, zij hebben (ook) de Nederlandse nationaliteit en zij zijn hier getrouwd. Het is hier gebruikelijk dat cadeaus die worden geschonken tijdens een bruiloft beide echtgenoten toekomen. Dat de vrouw de sieraden in ontvangst heeft genomen tijdens de bruiloft, maakt niet dat de sieraden aan haar in privé zijn geschonken en dus haar privé-eigendom zijn. Aan het horen van de gasten van de bruiloft als getuigen, zoals de vrouw heeft aangeboden, komt de rechtbank dan ook niet toe.

2.10.

De vervolgvraag is hoe de sieraden moeten worden verdeeld. In beginsel komt ieder de helft van de sieraden toe. Partijen hebben allebei een lijstje gemaakt met de aanwezige sieraden en hoe deze te verdelen. Deze lijstjes corresponderen niet met elkaar, omdat partijen ieder eigen benamingen en omschrijvingen gebruiken. Ondanks een poging daartoe tijdens de zitting, is het voor de rechtbank niet volstrekt helder geworden welke sieraden er precies te verdelen zijn. In dat licht acht de rechtbank het voorstel van de man dat ieder de sieraden krijgt die hen door de eigen familieleden zijn geschonken een redelijk voorstel. Door wiens familie de sieraden zijn geschonken, staat tussen partijen niet ter discussie. De rechtbank zal daarom beslissen dat ieder de sieraden krijgt die hem/haar door de eigen familie zijn geschonken, met de veroordeling deze sieraden aan de ander te geven voor zover deze nog niet in het bezit van de ander zijn.

B. de schuld aan de Belastingdienst

2.11.

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw hem een bedrag van € 3.472,- moet betalen ter voldoening van de schulden van partijen. Dit bedrag is opgebouwd uit de helft van een schuld van € 2.245,- aan de Belastingdienst en schuld van € 4.500 aan de werkgever van de man. De vrouw meent dat de schuld niet in de gemeenschap valt. De rechtbank is van oordeel dat een schuld aan de Belastingdienst ter hoogte van een bedrag van € 2.245,- in de gemeenschap van goederen valt. De rechtbank kan het betoog van de vrouw dat de schuld van 2018 van voor de peildatum dateert en de schuld van 2019 van na de peildatum en dus niet in de gemeenschap vallen niet volgen. Relevant is niet de datum van de belastingaanslag, maar de periode waarop de aanslag ziet. Die periode ligt in 2018 deels binnen het huwelijk, zodat een derde van de schuld wordt meegenomen, en in 2019 volledig.

C. De schuld aan de werkgever van de man

2.12.

De man stelt een bedrag van € 4.500,- bij zijn werkgever te hebben geleend voor een gemeenschappelijke vakantie. De vrouw betwist het bestaan van deze schuld. De man heeft ter onderbouwing van de schuld een overeenkomst van geldlening overgelegd alsmede een drietal bankrekeningen waaruit blijkt dat hij aflost op de lening. Volgens de vrouw is de overeenkomst gefingeerd omdat partijen op de datum waarop de overeenkomst is gedateerd (1 augustus 2019) samen op vakantie waren in Turkije. Dat enkele feit is gelet op de door de man overgelegde stukken echter niet voldoende om aan te nemen dat de overeenkomst is gefingeerd. De rechtbank acht voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist dat er een schuld bij de werkgever van de man is van € 4.500,-. De schuld valt in de gemeenschap. De vrouw is daarom draagplichtig voor de helft van die schuld. Voor zowel de schuld aan de werkgever van de man als de schuld aan de Belastingdienst geldt dat de man pas een bedrag op de vrouw kan verhalen (ook wel regres nemen genoemd) zodra hij meer dan de helft van de schuld aan heeft voldaan. Het verzoek om de vrouw te veroordelen tot het betalen van de helft van de schulden aan de man zal daarom worden afgewezen. In plaats daarvan zal de rechtbank beslissen dat de man een regresrecht heeft op de vrouw, voor zover hij meer dan de helft van een schuld heeft voldaan.

D. De mihir (bruidsgave)

2.13.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen tot betaling van een mihir van € 5.000,-. De man betwist ten eerste dat er een mihir is afgesproken en als er wel een mihir zou zijn afgesproken, dan vallen zowel de vordering van de vrouw als zijn schuld volgens de man in de gemeenschap van goederen. Volgens de vrouw zijn partijen tijdens hun religieus huwelijk in het bijzijn van een imam en getuigen mondeling overeengekomen dat de man de vrouw een mihir van € 5.000,- moet betalen. De man heeft dat pas tijdens de zitting betwist. Hij heeft die betwisting echter niet met redenen omkleedt, zodat het hier een zogenaamde ‘blote betwisting’ betreft, en dat is niet voldoende. Daarmee is vast komen te staan dat partijen een mihir van € 5.000,- zijn overeengekomen. Niet in geschil is dat de man de mihir niet heeft betaald.

2.14.

In de rechtspraak – zo ook in de uitspraken die door de man zijn aangehaald – wordt verschillend gedacht over het antwoord op de vraag hoe een mihir, naar Nederlands recht moet worden gekwalificeerd, als een gift of een vooraf bepaalde alimentatieverplichting. Volgens de rechtbank moet de mihir als een aparte rechtsfiguur worden gezien die op zichzelf los staat van de alimentatie, maar eventueel wel van invloed kan zijn op de behoefte of de draagkracht. Door de mihir te zien als een aparte rechtsfiguur die in ieder geval inhoudt een vordering van de vrouw op de man en een schuld van de man aan de vrouw, wordt relevant het antwoord op de vraag of de mihir al dan niet in de gemeenschap van goederen valt. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een vraag van uitleg van de overeengekomen mihir, meer in het bijzonder naar de eventuele verknochtheid van de mihir aan de vrouw. Van verknochtheid is sprake als tussen een echtgenoot en een goed een band bestaat waardoor de regel dat beide echtgenoten gerechtigd zijn tot een goed dat tot de gemeenschap behoort niet kan worden toegepast. Verknochtheid zorgt er dus voor dat een goed tot het privévermogen van een echtgenoot behoort.

2.15.

De rechtbank is van oordeel dat de overeengekomen mihir in dit geval in de beperkte gemeenschap van goederen valt en niet verknocht is aan de vrouw. Dit omdat in de verhouding tussen partijen vooral religieuze dan wel rituele betekenis aan de overeengekomen mihir moet worden toegekend. Weliswaar heeft de vrouw – onbetwist – gesteld dat de mihir strekt tot zekerheid voor de vrouw in het geval van een echtscheiding of het overlijden van de man, maar dat acht de rechtbank hier niet doorslaggevend. Als gezegd, wordt de rechtsverhouding tussen partijen volledig beheerst door het Nederlands recht. Het Nederlands rechtstelsel biedt (een zekere mate van) rechtsbescherming bij echtscheiding en het overlijden van een echtgenoot en de mogelijkheid om eigen keuzes te maken door het opstellen van huwelijkse voorwaarden en/of een testament. Ten tijde van het huwelijk had de vrouw bovendien in tegenstelling tot de man al een mbo-opleiding afgerond en was zij met een hbo-opleiding bezig, zodat zij in potentie meer verdiencapaciteit had dan de man. Er was dan ook geen financiële noodzaak voor de vrouw om een mihir af te spreken en de man had ook niet de financiële middelen om een mihir te betalen. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat partijen een rechtens afdwingbare vordering van de vrouw op de man zijn overeengekomen die aan haar verknocht is en dus niet in de gemeenschap van goederen valt. Dat zou, gezien de maatschappelijke posities van partijen, ook niet gepast zijn. Nu de mihir in de gemeenschap van goederen valt gaan de vordering van de vrouw en de schuld van de man door vermenging teniet. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van een mihir zal daarom worden afgewezen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [trouwdatum] 2018 in [woonplaats] ;

3.2.

stelt de verdeling van de ontbonden beperkte gemeenschap van goederen vast als volgt:

3.2.1.

ieder krijgt de gouden sieraden die hem/haar door de eigen familie zijn geschonken, met de veroordeling deze sieraden aan de ander te geven voor zover deze nog niet in het bezit van de ander zijn.

3.3.

bepaalt dat de man een regresrecht heeft op de vrouw, voor zover hij meer dan de helft van de totale schuld van € 2.445,- aan de Belastingdienst heeft voldaan en/of meer dan de helft van de schuld van € 4.500,- aan zijn werkgever;

3.4.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;

3.5.

wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.

Dit is de beslissing van rechter mr. M.A.A.T. Engbers, tot stand gekomen in samenwerking met mr. F. de Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.