Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:6643

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-12-2021
Datum publicatie
09-03-2022
Zaaknummer
9221604 LC EXPL 21-1238 BmR/842
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil in verband met het wegnemen van een taxushaag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Lelystad

zaaknummer: 9221604 LC EXPL 21-1238 BmR/842

Vonnis van 22 december 2021

inzake

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats]

2 [eiseres sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser sub 1] c.s.,

eisende partij,

gemachtigde: M.T.M. Fluitman BLL,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats]

2 [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde sub 1] c.s.,

gedaagde partij,

gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand, mr. G Visser.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - het tussenvonnis van 25 augustus 2021 - de vermeerdering van eis van 23 november 2021 - de vermeerdering van eis van 7 december 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] c.s. is eigenaar van het perceel aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] te [plaatsnaam] , gemeente [gemeente] . [gedaagde sub 1] c.s. is eigenaar van het perceel [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [plaatsnaam] , gemeente [gemeente] . De percelen grenzen aan elkaar.

2.2.

De percelen werden begrensd door een op de erfgrens geplaatste mandelige Taxus Baccata Media Heksii haag.

2.3.

In het najaar van 2018 of het voorjaar van 2019 zijn in opdracht van [gedaagde sub 1] c.s. voorbereidingshandelingen (sloop) uitgevoerd voor de geplande verbouwing van een garage zich bevindende op het perceel van [gedaagde sub 1] c.s.. Daartoe is door de heer [A] een aanvang gemaakt tot het verwijderen van voormelde taxushaag. Gedurende die werkzaamheden is door [eiser sub 1] uiteindelijk ingestemd met het verwijderen van de taxushaag over een lengte van ongeveer 20 meter. Het laatste gedeelte van de taxushaag is behouden gebleven.

2.4.

[onderneming 1] heeft op verzoek van [eiser sub 1] aan [gedaagde sub 1] c.s. op 26 februari 2019 een offerte gestuurd voor de plaatsing van een Taxus Baccata Media Heksii 200-225 cm voor een bedrag van € 9.598,46 over een lengte van 20 meter.

2.5.

Bij brief van 10 mei 2019 van de toenmalig gemachtigde van [eiser sub 1] c.s. aan [gedaagde sub 1] c.s. is het volgende medegedeeld:

“Dit voorjaar heeft u een gedeelte van de Taxus Baccata haag op de erfgrens van uw beider percelen verwijderd. Kennelijk was verwijdering van de haag nodig voor de verbouwing van uw woning. Alhoewel cliënt hier een zekere mate van begrip voor op kan brengen vindt cliënt het erg jammer dal u dit niet eerst met hem heeft overlegd.

De betreffende haag was gemeenschappelijk eigendom. Dit brengt met zich dat u de haag niet zonder toestemming van cliënt mocht verwijderen Nu u dat wel heeft gedaan bent u gehouden de haag ook weer terug te plaatsen. U heeft voorgesteld om op de erfscheiding coniferen te plaatsen ter vervanging van de oude haag. Voor cliënt is dit voorstel niet acceptabel. Cliënt wil dal de Taxus Baccata haag in de oude staat wordt teruggebracht. Dit onder meer omdat er nog tien meter van de oude haag staat.”

2.6.

De reactie van de toenmalige gemachtigde van [gedaagde sub 1] c.s. luidt onder meer:

“Partijen spraken ook af voor gezamenlijke kosten een nieuwe haag te planten

Tijdens hetzelfde gesprek is tussen partijen eveneens afgesproken dat voor gezamenlijke rekening een nieuwe haag zou worden geplant, naar alle waarschijnlijkheid zou dat een beukenhaag worden. Dat die afspraak is gemaakt, blijkt ook wel uit de brief die uw cliënt op 18 maart 2019 aangetekend verstuurt aan mijn cliënten. Daarin komt uw cliënt ineens terug op de afspraak om voor gezamenlijke rekening een nieuwe heg op de erfgrens te planten.

Cliënten zien geen aanleiding om de kosten van een haag volledig voor hun rekening te nemen Nu de haag in overleg met en met toestemming van uw cliënt is verwijderd, zullen mijn cliënten niet op eigen kosten een geheel nieuwe haag planten. Cliënten houden vast aan de afspraak dat beide partijen de helft van de kosten dragen van de nieuw te plaatsen (mandelige) haag.”

2.7.

Bij schriftelijke verklaring gedateerd 27 mei 2019 verklaart [A] eigenaar van het [onderneming 2] het volgende:

“(..) Alvorens de garage af te breken nam ik een aantal struiken weg op het perceel van [gedaagde sub 1] . De buurman (later hoorde ik dat dit de heer [eiser sub 1] was) kwam geïnteresseerd kijken wat er ging gebeuren. Op dat moment heeft er overleg plaatsgevonden tussen de heren [gedaagde sub 1] en [eiser sub 1] over de heg die als erfafscheiding diende. In mijn aanwezigheid werd besloten de heg te verwijderen en op een ander moment een nieuwe heg te plaatsen. [gedaagde sub 1] verwees naar de heg aan de andere kant van zijn perceel waar ook een nieuwe heg is geplant gezamenlijk met een nadere buurman. Op verzoek van de heer [eiser sub 1] heb ik de laatste 10 meter laten staan.”

2.8.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft begin 2020 uiteindelijk een nieuwe heg, een beukenhaag van ongeveer 1 meter hoog, op zijn eigen terrein geplaatst.

2.9.

[eiser sub 1] c.s. heeft op zijn terrein als erfafscheiding een (tijdelijk) scherm van landbouwplastic geplaatst evenwijdig aan de beukenhaag en verder voor het overige een houten schutting geplaatst tot aan de behouden taxushaag.

2.10.

Bij brief van 8 maart 2021 van de gemachtigde van [eiser sub 1] c.s. aan [gedaagde sub 1] c.s. is [gedaagde sub 1] c.s. aansprakelijk gesteld voor de door [eiser sub 1] geleden schade:

“(..) Cliënten informeerden mij over de heg bij u in de tuin, zie bijlage 1 voor foto’s van de situatie. Er stond altijd een coniferenhaag op de erfgrens van ruim 2 meter hoog, echter heeft u deze begin 2019 zonder toestemming verwijderd……(..)”

“Cliënten hebben daarop aangegeven dat u voor een nieuwe coniferenhaag moest zorgen, gelijk aan de bestaande. …..(..)”

“Door de coniferenhaag te verwijderen wordt inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van cliënten. Omdat het handelen aan u toerekenbaar is en ook aan de overige eisen van artikel 6:162 BW is voldaan, is sprake van een onrechtmatig handelen dat leidt tot een schadevergoedingsplicht….(..)”

2.11.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft elke aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] c.s. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - [gedaagde sub 1] c.s. ex artikel 6:162 BW te veroordelen tot betaling van € 9.598,46 aan [eiser sub 1] c.s. inzake veroorzaakte schade Taxushaag; - [gedaagde sub 1] c.s. ex artikel 5:42 leden 1 en 2 BW jo artikel 6:162 BW te veroordeling om de op zijn grond te dicht bij de erfgrens geplante beukenhaag te verwijderen op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [gedaagde sub 1] c.s. geen gehoor geeft aan deze veroordeling; - [gedaagde sub 1] c.s. ex artikel 6:162 BW te veroordelen tot betaling van € 3.316,52 voor veroorzaakte schade aan de grond en voor het plaatsen van een primitieve schutting; - veroordelen in de proceskosten en nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente;

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser sub 1] c.s. dat [gedaagde sub 1] jegens [eiser sub 1] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door de (mandelige) taxushaag zonder toestemming van [eiser sub 1] te verwijderen. Als gevolg daarvan heeft [eiser sub 1] c.s. schade geleden van € 9.598,46, gelijk aan het bedrag dat nodig is voor plaatsing van een nieuwe taxushaag. Daarnaast is in de tuin van [eiser sub 1] c.s. door de verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd in opdracht van [gedaagde sub 1] c.s. indertijd de grond vervuild. De kosten van vervanging van vervuilde grond voor nieuwe grond begroot [eiser sub 1] c.s. op een bedrag van € 500,00. Doordat [gedaagde sub 1] geen medewerking heeft verleend aan het terugplaatsen van de taxushaag was [eiser sub 1] c.s. genoodzaakt om een schutting te plaatsen en om deels een voorziening van afscheiding van landbouwdoek te treffen om zijn privacy te waarborgen, waarvan de kosten respectievelijk € 1.805,08 en € 1.011,44 hebben bedragen. Tot slot heeft [gedaagde sub 1] c.s. een beukenhaag geplaatst binnen een afstand van 50 centimeter van de erfgrens op grond waarvan verwijdering van die beukenhaag wordt gevorderd.

3.3.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser sub 1] c.s. in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde sub 1] baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende. [gedaagde sub 1] c.s. betwist dat zij zonder toestemming de taxushaag heeft verwijderd. Van onrechtmatig handelen aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. is geen sprake, zodat [gedaagde sub 1] c.s. ook niet schadeplichtig is, afgezien dat die schade ook nog eens niet is onderbouwd. [gedaagde sub 1] c.s. betwist bovendien de gestelde hoogte van de schade. Het is [eiser sub 1] c.s. die ervoor heeft gekozen een schutting en een afscheiding met landbouwdoek te plaatsen, zodat niet kan worden ingezien dat [gedaagde sub 1] c.s. daarvan de kosten zou moeten dragen. De vordering voor vermeende schade vanwege vervuilde grond is niet, althans onvoldoende, onderbouwd. [gedaagde sub 1] c.s. stelt verder dat zij niet kan worden verplicht de beukenhaag te verwijderen.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Toestemming

4.1.

Uit de door partijen overgelegde correspondentie en de behandeling ter zitting is komen vast te staan dat [eiser sub 1] c.s. toestemming heeft verleend voor het verwijderen van de taxushaag. Het standpunt van [eiser sub 1] c.s. dat zonder toestemming [gedaagde sub 1] c.s. de taxushaag heeft verwijderd en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 1] c.s. kan daarom niet worden gevolgd. Zowel [eiser sub 1] c.s. als [gedaagde sub 1] c.s. hebben ter zitting verklaard dat, nadat [onderneming 2] was begonnen met zijn werkzaamheden, ter plekke overleg is geweest over de (verwijdering van de) taxushaag. Beiden hebben toen ingestemd met het verwijderen van de taxushaag. Een en ander vindt nog zijn bevestiging in de verklaring van de heer [A] 27 mei 2019: “Op dat moment heeft er overleg plaatsgevonden tussen de heren [gedaagde sub 1] en [eiser sub 1] over de heg die als erfafscheiding diende. In mijn aanwezigheid werd besloten de heg te verwijderen en op een ander moment een nieuwe heg te plaatsen”; de e-mail van de toenmalige gemachtigde van [eiser sub 1] c.s. van 4 juli 2019: “Hierdoor kwam client er pas na de start van de werkzaamheden achter dat uw client de haag wilde verwijderen. Omdat client de relatie met zijn buurman goed wilde houden, heeft er in eerste instantie in toegestemd om geheel onverplicht bij te dragen in de kosten van de nieuwe haag”; en de ongedateerde brief van [eiser sub 1] aan de buurt: “Ik kon daar enig begrip voor opbrengen, maar zei direct dat hij door mocht gaan, maar dat hij voor een nieuwe heg moest zorgen, gelijk aan de bestaande. Er stond immers nog 10 meter van dezelfde heg, Voor een goede verstandhouding wilde ik wel aan de heg meebetalen.”.

4.2.

Het verschil van inzicht ziet dus niet op het al dan niet toestemming verlenen tot verwijdering van de taxushaag, maar op de vraag wat na verwijdering van die taxushaag daarvoor in de plaats diende te komen. [eiser sub 1] c.s. stelt zich kennelijk nu op het standpunt dat wel toestemming is verleend maar onder de voorwaarde dat (aanvankelijk op gemeenschappelijke kosten) een nieuwe taxushaag van dezelfde soort zou worden teruggeplaatst, terwijl [gedaagde sub 1] c.s. zich op het standpunt stelt dat is afgesproken dat een zelfde heg zou worden geplaatst als bij de buren aan de andere zijde van het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. te weten een beukenhaag. De kantonrechter begrijpt het ter zitting aangepaste standpunt van [eiser sub 1] c.s. aldus dat [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. heeft gehandeld door geen medewerking c.q. uitvoering te verlenen aan plaatsing van de taxushaag op de erfgrens. [eiser sub 1] c.s. heeft zijn aanvankelijke bereidheid om de taxushaag op basis van gemeenschappelijke kosten te vervangen ingetrokken en vordert thans een schadevergoeding, gelijk aan het bedrag dat volgens [eiser sub 1] c.s. nodig is om de taxushaag te vervangen op basis van de offerte van [onderneming 1] .

4.3.

Dat [eiser sub 1] c.s. de toestemming voor het verwijderen van de taxushaag heeft gegeven onder de voorwaarde dat een nieuwe taxushaag zou worden teruggeplaatst acht de kantonrechter meer waarschijnlijk dan de stelling van [gedaagde sub 1] c.s. dat kon worden volstaan met een beukenhaag, laat staan dat dat expliciet zou zijn afgesproken. De verwijzing naar de verklaring van de heer [A] is voor het vaststellen van een afwijkende afspraak daarvoor van onvoldoende gewicht en is bovendien voor meerdere uitleg vatbaar. De offerte van [onderneming 1] op verzoek van [eiser sub 1] c.s. aan [gedaagde sub 1] c.s. verzonden duidt nu juist op de (nadrukkelijke) wens van [eiser sub 1] c.s. tot plaatsing van een haag van gelijke soort, dus een taxushaag, evenals de brief van 10 mei 2019. Partijen waren dan ook gehouden een (mandelige) taxushaag terug te plaatsen. Verder staat vast dat tussen partijen is afgesproken dat de kosten daarvan zouden worden gedeeld.

Schade

4.4.

Hoewel vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de door [eiser sub 1] c.s. gekozen grondslag van de vordering, - een vordering uit hoofde van wanprestatie en vervangende schadevergoeding had meer voor de hand gelegen -, is voldoende komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] c.s. zijn medewerking aan plaatsing van een taxushaag heeft geweigerd en geweigerd heeft gehouden door vast te houden aan zijn wens tot plaatsing van een (thans eenzijdig op zijn erfdeel geplaatste) beukenhaag. Aldus is [gedaagde sub 1] c.s. schadeplichtig, maar dan voor de helft van de vervangingskosten van bedoelde taxushaag. De onderbouwing van de hoogte van de schade is evenwel onvoldoende. De kantonrechter zal die schade begroten. Uit algemene bron, zoals ook ter zitting is besproken, is kenbaar wat een Taxus Baccata Media Heksii ongeveer moet kosten. De prijs voor 20 meter bedraagt (ongeveer) € 3.312,00 (40 planten voor een plant van 175cm tot 200 cm). Dit betekent dat de helft daarvan € 1.656,00 door [gedaagde sub 1] c.s. als objectieve schade moet worden gedragen. Of [eiser sub 1] c.s. zelf alsnog overgaat tot plaatsing van de taxushaag op de erfgrens is daarvoor verder niet van belang.

4.5.

De overige vorderingen

Verwijdering beukenhaag

4.5.1.

[eiser sub 1] c.s. vordert op grond van artikel 5:42 BW verwijdering van de door [gedaagde sub 1] c.s. geplaatste beukenhaag, omdat deze binnen een afstand van vijftig centimeter van de erfgrens is geplaatst. [gedaagde sub 1] c.s. stelt evenwel dat de beukenhaag niet hoeft te worden verwijderd omdat uit artikel 5:42 lid 3 BW volgt dat een dergelijke verwijdering uitsluitend kan worden gevorderd indien die beukenhaag boven de ‘scheidsmuur’ komt. Daarvan is door de plaatsing van de ‘plastic’ schutting dus geen sprake. De kantonrechter is van oordeel dat de ‘plastic’ schutting echter een tijdelijke voorziening betreft. Dit betekent dat als [eiser sub 1] c.s. alsnog overgaat tot plaatsing van een taxushaag op de erfgrens, zoals ook tussen partijen de bedoeling was, niet langer kan worden gesproken van een scheidsmuur in de zin van artikel 5:42 BW. Alsdan is [gedaagde sub 1] c.s. gehouden de beukenhaag te verwijderen of te verplaatsen op vijftig centimeter van de erfafscheiding (taxushaag). De verplichting tot verwijdering of verplaatsing van de beukenhaag geldt slechts indien [eiser sub 1] c.s. ook daadwerkelijk binnen een redelijke termijn, te stellen op drie maanden na vonnis, de ‘plastic’ schutting heeft verwijderd. De kantonrechter zal de vordering dan ook onder voorwaarde als in het dictum opgenomen toewijzen.

Kosten schutting en kosten tijdelijke afscheiding

4.5.2.

[eiser sub 1] c.s. vordert vergoeding van schade bestaande uit de kosten voor het plaatsen van een schutting over ongeveer tien meter voor een bedrag van € 1.805,08 en voor het plaatsen van een tijdelijke afscheiding met doek ook over een afmeting van ongeveer tien meter voor een bedrag van € 1.011,04. Die vermeende schade komt echter niet voor vergoeding in aanmerking. Het is de eigen keus van [eiser sub 1] c.s. geweest om de schutting en de tijdelijke afscheiding te plaatsen zonder dat [gedaagde sub 1] c.s. daarvoor op enig moment voorafgaand aan die plaatsing aansprakelijk is gesteld. Niet valt in te zien op welke grond - dat wordt ook niet door [eiser sub 1] c.s. onderbouwd - [gedaagde sub 1] c.s. alsnog kan worden aangesproken tot vergoeding van die vermeende schade.

Kosten verwijderen vervuilde grond

4.5.3.

[eiser sub 1] c.s. stelt dat tijdens de verbouwing in het voorjaar van 2019 als gevolg van de werkzaamheden een deel van zijn grond in zijn tuin met chemisch afval is vervuild. Vaststaat dat [gedaagde sub 1] c.s. op verzoek van [eiser sub 1] c.s. afval en of vervuiling van de grond als gevolg van de bouwwerkzaamheden heeft weggehaald. Dat vervolgens nog afval is achtergebleven is door [eiser sub 1] c.s. onvoldoende onderbouwd. De verwijzing naar een factuur van [onderneming 1] van 17 juni 2019 met omschrijving ‘onderhoud tuin 1e halfjaar’ is daarvoor onvoldoende.

Proceskosten

4.6.

Nu partijen over en weer deels in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om binnen 14 dagen na heden aan [eiser sub 1] c.s. tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.656,00 en voor het geval daaraan niet wordt voldaan te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na datum vonnis tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot verwijdering of verplaatsing van de beukenhaag overeenkomstig artikel 5:42 BW binnen 14 dagen onder voorwaarde dat de ‘plastic’ schutting door [eiser sub 1] c.s. binnen een termijn van 3 maanden na vonnis is verwijderd en alsdan onder verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag dat [gedaagde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 2.500,00;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 december 2021.