Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:6419

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
11-01-2022
Zaaknummer
4245025 MC EXPL 15-6879 RW-1368
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenpersoon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 4245025 MC EXPL 15-6879 RW/1368

Vonnis van 3 maart 2021

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J. van Staveren,

tegen:

aanvankelijk [A] , thans [gedaagde] mede handelend ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid van erfgenaam van [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    de conclusie van repliek, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties,

  • -

    de akte uitlating producties tevens akte wijziging eis van Dexia, met producties,

  • -

    de akte uitlaten eiswijziging,

  • -

    de akte uitlating arresten Hoge Raad van [gedaagde] , met producties,

  • -

    de antwoordakte van Dexia, met producties,

  • -

    de akte uitlating producties van [gedaagde] ,

  • -

    de akte uitlaten jurisprudentie tevens houdende antwoordakte na tussenvonnis van Dexia.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

bk7.

2 De feiten

2.1.

[A] , hierna te noemen [A] heeft de volgende effectenleaseovereenkomsten ondertekend, waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia (hierna: de overeenkomsten):

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomsten

Looptijd

Leasesom

[nummeraanduiding 1]

28-3-2000

Capita) Effect

240 mnd

tl. 35.594,32

[nummeraanduiding 2]

28-3-2000

Capita) Effect

240 mnd

tl. 35.594,32

De overeenkomsten zijn afgesloten met een positief resultaat.

2.2.

Op de overeenkomsten is onder "Adviseur:" [naam onderneming] B.V. (hierna: [naam onderneming] ) vermeld.

2.3.

In de periode vanaf medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg-regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) de Duisenberg-regeling verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM).

2.4.

[A] heeft in 2007 door middel van een "opt-out-verklaring" in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan de Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn.

2.5.

De gemachtigde van [A] , Leaseproces, heeft bij brief van 24 maart 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens is het recht voorbehouden om daartoe ook nog andere gronden aan te voeren. Ten slotte wordt Dexia in de brief gesommeerd om binnen twee weken de door [A] betaalde bedragen terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.6.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837) en 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH2815) heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982 en ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van het zogenaamde Hofmodel. In zijn arrest van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het gerechtshof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven.

2.7.

Dexia, althans haar gemachtigde, heeft [A] een brief van 30 oktober 2014 gestuurd, waarbij [A] de mogelijkheid is geboden om aan te tonen dat hij nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [A] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon de bijgevoegde "waiver" worden ondertekend en geretourneerd. [A] heeft de waiver niet ondertekend en geretourneerd.

2.8.

[A] is op [overlijdensdatum] 2016 overleden.

3 Het geschil

3.1.

Dexia vordert - na eiswijziging - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:

primair: voor recht verklaart dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [A] gesloten overeenkomsten niets meer aan [A] verschuldigd is, en

subsidiair: voor recht verklaart dat [A] met het sluiten van de overeenkomsten niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last,

een en ander met veroordeling van [A] in de proceskosten.

3.2.

Dexia stelt dat [A] na de "opt-out"-verklaring in 2007, de ontwikkelingen in de jurisprudentie van 2009 tot 2011 en de stuiting in 2012 voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad zijn (gepretendeerde) vordering op Dexia kenbaar te maken. Inmiddels is duidelijk geworden dat Dexia aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten heeft voldaan, ook de verplichtingen die voortvloeien uit het schenden van haar zorgplicht ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten. [A] heeft op basis van het "Hofmodel" geen recht op schadevergoeding. Dexia heeft verder alle mogelijkheden buiten rechte aangewend en zij heeft belang bij (rechts)zekerheid in de vorm van een definitieve beëindiging van het geschil met [A] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In navolging van de Hoge Raad in zijn arrest van 12 april 2019 (ECLl:NL:HR:2019:590) is de kantonrechter van oordeel dat Dexia voldoende belang heeft bij de door haar gevorderde verklaring voor recht en dat van misbruik van bevoegdheid geen sprake is. Op de vordering van Dexia zal daarom hierna worden beslist.

Zorgplicht

4.2.

In de uitspraken genoemd in 2.6 is, kort samengevat, het volgende beslist:

  • -

    Dexia was verplicht de mensen die een effectenleaseovereenkomst wilden afsluiten (hierna: de afnemer) indringend te waarschuwen dat zij het risico liepen op een restschuld (hierna: de waarschuwingsplicht);

  • -

    Dexia was verplicht te onderzoeken of de afnemer deze overeenkomst wel zou kunnen betalen (hierna: de onderzoeksplicht);

  • -

    de waarschuwingsplicht en de onderzoeksplicht samen worden de zorgplicht genoemd. Als Dexia deze zorgplicht heeft geschonden, dan is Dexia aansprakelijk voor (een deel van) de schade die dat veroorzaakt heeft bij de afnemer van de overeenkomst;

  • -

    er zijn in de rechtspraak formules ontwikkeld (het Hofmodel) om uit te rekenen welk deel van de schade voor rekening van Dexia komt en welk deel de afnemer zelf moet dragen. Het gaat om een verdeling van de schuld van Dexia en de eigen schuld van de afnemer;

  • -

    als het aangaan van de overeenkomst zorgt voor een "onaanvaardbaar zware financiële last" voor de afnemer, moet Dexia volgens de vaste formules twee derde deel van de door de afnemer betaalde (termijn)betalingen (ook wel inleg genoemd) en twee derde deel van de

restschuld dragen. De afnemer draagt dus een derde van de termijnbetalingen en een derde van de restschuld;

- als het aangaan van de overeenkomst geen "onaanvaardbaar zware financiële last" veroorzaakte, dan moet Dexia alleen twee derde van de restschuld dragen.

4.3.

Niet in geschil is dat Dexia bovengenoemde zorgplicht tegenover [A] heeft geschonden. Partijen zijn het er ook over eens dat het aangaan van de overeenkomsten niet zorgde voor een onaanvaardbaar zware financiële last voor [A] . Van een restschuld is geen sprake. [gedaagde] meent desondanks dat er nog een vordering op Dexia bestaat. In dat verband wordt aangevoerd dat:

• Dexia de aandelen niet daadwerkelijk heeft aangekocht en behouden,

• Dexia onjuiste afrekenkoersen heeft gehanteerd (opplussen beurskoersen),

• Dexia niet heeft gewaarschuwd voor de specifieke risico's ("beleggingstechnische gebreken") van de overeenkomsten,

• de overeenkomsten tot stand zijn gekomen door het advies van een tussenpersoon, die daar geen vergunning voor had, dat Dexia daarvan wist en op die grond schadeplichtig is.

Tot slot voert [gedaagde] aan dat Dexia nog buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.

4.4.

De kantonrechter zal hierna op deze punten ingaan.

Aankoop en behoud aandelen

4.5.

[gedaagde] stelt dat Dexia geen aandelen heeft aangekocht en behouden en om die reden wanprestatie heeft gepleegd en/of onrechtmatig heeft gehandeld. [A] heeft schade geleden, omdat de lening kennelijk niet is verstrekt, maar [A] wel rente over deze niet verstrekte en/of niet gebruikte lening heeft betaald. Hij meent verder dat Dexia [A] een restschuld heeft laten betalen die er in werkelijkheid niet was, omdat er geen aandelen met geleend geld zijn aangekocht.

4.6.

De vraag of Dexia de aandelen heeft gekocht en heeft behouden is aan de orde geweest in een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam. In de beschikking van 25 januari 2007 (zie 2.3) heeft het gerechtshof Amsterdam op basis van het deskundigenrapport van

9 november 2006 van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) geoordeeld dat er onvoldoende reden is om de feitelijke verwerving en het daarop volgende behoud door Dexia van de effecten, die onderwerp zijn van de door Dexia gesloten leaseovereenkomsten, in twijfel te trekken. In onder andere de arresten van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523 en ECU :NL:GHAMS:2014:1533) is het gerechtshof tot eenzelfde oordeel gekomen. Het in de laatstgenoemde zaak tegen dat oordeel aangevoerde cassatiemiddel is door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 RO afgewezen (zie Hoge Raad 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2822). Ook in de onderhavige zaak is door [gedaagde] onvoldoende gesteld om aan de juistheid van de bevindingen van de AFM te twijfelen. De verwijten van [gedaagde] met betrekking tot de aankoop en het behoud van de aandelen, slagen dan ook niet.

Onjuiste afrekenkoersen

4.7.

[gedaagde] stelt dat Dexia [A] voor de aangekochte aandelen meer in rekening heeft gebracht dan zij daarvoor zelf heeft betaald en om die reden wanprestatie heeft gepleegd en/of onrechtmatig heeft gehandeld. Dexia heeft bovenop de aankoopprijs die voor

de aandelen is betaald een extra opslag in rekening gebracht en vervolgens de aankoopprijs plus de opslag als aankoopwaarde van de aandelen bij de cliënt in rekening gebracht. De AFM heeft Dexia in 2004 een boete opgelegd voor deze handelwijze, aldus [gedaagde] .

4.8.

Met Dexia wordt overwogen dat de bij aankoop gehanteerde beurskoersen in de overeenkomsten zelf zijn opgenomen en voorts dat de exacte informatie over de beurskoersen op de data van aankoop voor een ieder toegankelijk is. [gedaagde] heeft in dit verband onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd op welke wijze Dexia in het geval van [A] en met betrekking tot de in geding zijnde overeenkomsten onjuist dan wel onrechtmatig zou hebben gehandeld. Het slechts verwijzen naar een boetebesluit uit november 2006 van de AFM is onvoldoende, omdat daaruit niets blijkt over de onderhavige overeenkomsten. Ook het verwijt over de beurskoesen slaagt dus niet.

Beleggingstechnische gebreken

4.9.

[gedaagde] stelt, onder verwijzing naar een rapport van prof. dr. [B] , dat Dexia op grond van haar bijzondere zorgplicht de verplichting had om afnemers uitdrukkelijk te waarschuwen voor de specifieke risico's van haar producten, te weten:

(1) onvoldoende spreiding, (2) geen mogelijkheid om de portefeuille tussentijds aan te passen, (3) geen reële mogelijkheid om tussentijds het product te beëindigen als gevolg van zeer hoge boetebedragen en (4) de geringe kans op een positief rendement. Nu Dexia dit heeft nagelaten, heeft zij volgens [gedaagde] ook op die grond onrechtmatig jegens [A] gehandeld.

4.10.

Deze kwestie is aan de orde geweest in een procedure bij het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135) en in een procedure bij het gerechtshof

's-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2014:1736). In deze laatste zaak werden soortgelijke beleggingstechnische gebreken als in de onderhavige zaak aangevoerd onder verwijzing naar de bevindingen van prof. [B] . In de beide procedures is geoordeeld dat de risicovolle eigenschappen van effectenleaseproducten, die door [gedaagde] wordt aangeduid als beleggingstechnische gebreken, duidelijk kenbaar waren uit de overeenkomst en de bijbehorende voorwaarden. Dexia was daarom niet gehouden haar beoogde wederpartij ook hiervoor indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen alvorens de overeenkomst aan te gaan, aldus het gerechtshof 's-Hertogenbosch in aansluiting op de arresten van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (zie 2.6.). Het arrest van het gerechtshof

's-Hertogenbosch is door de Hoge Raad bij arrest van 2 september 2016 bekrachtigd (ECLI:NL:HR:2016:2012). Tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam is geen cassatie ingesteld. Ook in de rechtspraak van de andere hoven hebben de beleggingstechnische gebreken als zodanig geen aanleiding gevormd voor het aannemen van een verdergaande waarschuwingsplicht (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHDHA:2015:32 en ECLI:NL:GHARL:2018:1425).

4.11.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om in deze zaak af te wijken van de lijn in voornoemde rechtspraak. Ook in het onderhavige geval blijkt immers uit de bewoordingen van de overeenkomsten en de bijzondere voorwaarden dat de geleende gelden in een beperkt aantal fondsen werden belegd, dat de overeenkomsten een vooraf bepaalde looptijd hadden en dat de geleende bedragen aan het einde van die looptijd moesten worden terugbetaald. Verder was duidelijk welk(e) rente(percentage) moest worden betaald en dat aldus, gezien de hoogte van de verschuldigde rente over het geleende aankoopbedrag van de aandelen, de aandelenkoersen beduidend moesten stijgen om rendement te maken (en de betaalde inleg

terug te verdienen). Tot slot blijkt uit de voorwaarden wat [A] verschuldigd zou zijn aan Dexia in geval van een tussentijds beëindiging. Het verweer dat voor [A] deze risicovolle eigenschappen niet kenbaar waren, wordt door de kantonrechter verworpen. [A] had als gemiddeld geïnformeerde omzichtige en oplettende gewone consument op basis van de verstrekte informatie moeten begrijpen dat het niet ging om een spaarconstructie maar om beleggen met geleend geld. Hij moest begrijpen dat hij een risico liep dat de maandelijkse inleg verloren kon gaan of niet het juiste rendement zou opleveren. Het door [gedaagde] overgelegde rapport van dr. [C] en de opinie van prof. dr. [D] geven de kantonrechter geen aanleiding om in de onderhavige zaak anders te oordelen dan hiervoor is vermeld. Dat geldt te meer nu de conclusies van [C] en [D] grotendeels steunen op het eerder besproken en door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch niet gevolgde rapport van prof. [B] . Het verwijt over de beleggingstechnische gebreken slaagt dus niet.

Tussenpersoon

Klachtplicht

4.12.

Dexia stelt zich op het standpunt dat [A] de klachtplicht uit hoofde van artikel 6:89 BW heeft geschonden, aangezien hij pas vele jaren na dato jegens Dexia heeft geklaagd over de rol van de tussenpersoon bij het sluiten van de overeenkomsten. De namens [A] gestuurde brieven aan Dexia bevatten geen verwijzing naar de tussenpersoon en bevatten evenmin een klacht over de rol van de tussenpersoon, aldus Dexia. Het beroep op schending van de klachtplicht wordt afgewezen. De gehoudenheid van Dexia tot schadevergoeding is niet gebaseerd op de grond dat Dexia in strijd met artikel 41 NR 1999 [A] als cliënt heeft geaccepteerd, maar op een schending door Dexia van de op haar rustende tweeledige zorgplicht. Pas bij de vaststelling van de omvang van schadevergoeding op grond van de schending van die zorgplicht wordt het in strijd handelen met voornoemd artikel in aanmerking genomen bij de schuldverdeling in de zin van artikel 6:101 BW. Een schending van de klachttermijn is dan ook niet aan de orde.

Verjaring

4.13.

Dexia voert aan dat de vordering van [A] / [gedaagde] is verjaard. Dexia stelt dat de brief van 24 juni 2006 van Leaseproces de verjaring met betrekking tot deze vordering niet heeft gestuit. Dit beroep wordt eveneens verworpen. De vordering is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart vijf jaar na het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen. Met genoemde brief waarin onder meer onrechtmatige daad wordt genoemd en de daarop volgende brieven heeft [A] de verjaring van deze vordering op Dexia gestuit.

Tussenpersoon

4.14.

In de arresten van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2016:2015) heeft de Hoge Raad geoordeeld, kort weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Als de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet alleen heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt maar ook jegens Afnemer als financieel adviseur is opgetreden,

handelt deze in strijd met artikel 41 NR 1999. Indien Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier tevens adviseerde, dan levert dit een (extra) onrechtmatigheidsgrond jegens de Afnemer van het effectenproduct op. Gelet op de uiteenlopende ernst van de wederzijds gemaakte fouten, eist de billijkheid in dat geval in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer vormden.

4.15.

[A] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. Beoordeeld moet daarom worden of de tussenpersoon beleggingsadvieswerkzaamheden verrichtte en of Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn.

Bij de beoordeling of sprake is van een door de tussenpersoon gegeven vergunningplichtig advies, evenals bij de beoordeling van de wederzijdse stelplicht en bewijslast en van de gevolgen van de activiteiten van de tussenpersoon voor de verdeling van de schade, wordt het volgende tot uitgangspunt genomen.

Een advies is een geïndividualiseerde aanbeveling. Dit veronderstelt dat niet slechts informatie wordt verschaft over de mogelijke beleggingen, maar dat tevens een waardeoordeel wordt gegeven over de door de individuele Afnemer te nemen beslissing. Uit de stellingen van Afnemer moet blijken dat de tussenpersoon een op zijn of haar specifieke situatie toegesneden advies heeft verstrekt (vgl. conclusie AG ECLI:NL:PHR:2020:465, rov. 3.13.3:en 3.13.4, bij HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1714, gevolgd, 81 RO).

het feit dat de tussenpersoon een beloning ontvangt kan wel een bewijsvermoeden ten aanzien van het geven van vergunningplichtig advies opleveren in de verhouding tussen toezichthouder en tussenpersoon, maar niet in de rechtsverhouding tussen Dexia en afnemer (vgl. conclusie AG ECLI:NL:PHR:2020:465, rov. 3.14.1 en 2, bij HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1714, gevolgd, 81 RO).

Voor de schadeverdeling is dus als zodanig niet bepalend of het contact tussen de afnemer en Dexia is gelegd door de afnemer, door Dexia of door een tussenpersoon (Conclusie AG ECLI:NL:PHR:2020:464, rov. 3.2, bij HR 30 oktober 2020 ECLI:NL:HR:2020:1713, gevolgd, 81 RO).

De particuliere belegger mag in beginsel ervan uitgaan dat de onafhankelijke beleggingsadviseur diens zorgplicht jegens hem naleeft. Hieruit volgt dat de particuliere belegger bij een door de dienstverlener geadviseerde constructie minder snel bedacht hoeft te zijn op, en zich minder snel eigener beweging behoeft te verdiepen in, niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct (Conclusie AG ECLI:NL:PHR:2020:464, rov. 3.9 nr. 2.5, bij HR 30 oktober 2020 ECLI:NL:HR:2020:1713, gevolgd, 81 RO), in zoverre afwijkend van Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8990), rov. 4.13. De afnemer die uit eigen beweging Dexia heeft benaderd had meer bedacht moeten zijn op risico's dan de afnemer die door een tussenpersoon is geadviseerd als bedoeld in HR 2 september 2016 ( [.] /Dexia) (Conclusie AG ECLI:NL:PHR:2020:464, rov. 3.9 nr. 3.1 en 4, bij HR 30 oktober 2020 ECLI:NL:HR:2020:1713, gevolgd, 81 RO).

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [A] in voormelde zin heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [A] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product

toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [gedaagde] .

Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om het hof Arnhem­ Leeuwarden te volgen voor zover hij in zijn arrest van 3 november 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:8990, rov. 4.13) tot uitgangspunt heeft genomen dat een afnemer diende te onderzoeken of hij mocht vertrouwen op de onafhankelijkheid en deskundigheid van de betreffende financieel adviseur.

4.16.

[gedaagde] stelt hierover het volgende:

De tussenpersoon, een broer van [A] , is bij [A] langs geweest en heeft naar aanleiding van de door [A] geuite wens om te sparen voor zijn pensioen, de overeenkomsten voorgelegd. Volgens de tussenpersoon ging het om spaarovereenkomsten die geschikt waren om het pensioen aan te vullen. De tussenpersoon is als adviseur vermeld in de overeenkomsten.

4.17.

Ter onderbouwing van deze stellingen zijn geen stukken overgelegd. Slechts is op de overeenkomsten de naam van de tussenpersoon als adviseur vermeld. Daaruit blijkt echter niet op welke wijze contact is geweest tussen [A] en de tussenpersoon en welke inhoud dat contact precies heeft gehad. Eén en ander klemt te meer nu de tussenpersoon de broer van [A] was. Nu [A] en [gedaagde] niet hebben gesteld wat de concrete inhoud van de contacten tussen [A] en de tussenpersoon is geweest, wordt dit verweer tegen de vordering van Dexia verworpen.

Orderremisier

4.18.

[gedaagde] voert ook aan dat sprake is van onrechtmatig handelen door Dexia omdat de tussenpersoon is opgetreden als orderremisier en daardoor gehandeld heeft in strijd met artikel 41 NR 1999. [gedaagde] voert daarbij aan dat het namens en voor rekening van een cliënt door de tussenpersoon insturen van een aanvraagformulier dan wel van de door deze getekende overeenkomst aan Dexia is aan te merken als het doorgeven van een order. [gedaagde] wordt hierin niet gevolgd. Er van uitgaande dat de tussenpersoon, zoals uit de stellingen van [gedaagde] volgt, (a) de overeenkomst van Dexia ontving, (b) deze doorgeleidde aan de [A] , (c) zorgde voor ondertekening hiervan door [A] en (d) retourzending aan Dexia, waarbij zij (e) intussen aanspreekpunt was voor eventuele vragen van [A] , laat dit onverlet dat het Dexia is geweest die na ontvangst van het aanvraagformulier de leiding had bij het tot stand komen van de overeenkomst en de inhoud daarvan bepaalde. Deze rol van de tussenpersoon was slechts ondersteunend, het betrof met name de rol van "postbode" en eventuele vraagbaak. Omdat het initiatief voor de totstandkoming van de overeenkomst uiteindelijk bij Dexia lag en zij de aankoop concreet en bepaalbaar had gemaakt, had de (veronderstelde) ondersteunende functie van de tussenpersoon niet tot gevolg dat zij orderremisier werd, ook niet wanneer daarbij wordt betrokken dat zij het aanvraagformulier bij Dexia had ingediend. Dat de tussenpersoon voor haar werkzaamheden provisie van Dexia ontving maakt voormeld oordeel niet anders. Verwezen wordt naar Hof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8981, waarin het hof toepassing heeft gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:809. Het beroep door [gedaagde] op de billijkheidcorrectie omdat de tussenpersoon zou zijn opgetreden als orderremisier, wordt verworpen.

4.19.

[gedaagde] voert nog aan dat Dexia een vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan hem dient te betalen. De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 12 april 2019,

ECU:NL:HR:2019:590, over deze kwestie uitgesproken. In het arrest is geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hetgeen door [gedaagde] is aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.20.

De conclusie moet dan ook zijn dat de vorderingen van Dexia toegewezen kunnen worden, zoals hierna aangegeven. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten van Dexia begroot de kantonrechter tot aan dit vonnis op:

- dagvaarding

€ 103,76

- griffierecht

€ 116,00

- salaris gemachtigde

996.00

(4 punten x tarief€ 249,00)

Totaal

€ 1.215,76

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [A] gesloten overeenkomsten niets meer aan [A] verschuldigd is;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Dexia, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.215,76;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2021.