Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:6093

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-11-2021
Datum publicatie
05-01-2022
Zaaknummer
C/16/521880 / FA RK 21-1103
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie; samengesteld gezin; werkelijke woonlasten aanmerkelijk lager; afwijken draagkrachtformule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/521880 / FA RK 21-1103

Zorgregeling en kinderalimentatie

Beschikking van 30 november 2021

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. K.A. Boshouwers,

tegen

[verweerster] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Lont.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het verzoekschrift van de vader met bijlagen 1 tot en met 24, binnengekomen op 12 mei 2021;

  • -

    het verweerschrift van de moeder van 18 juli 2021 met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), met bijlagen 1 tot en met 9;

  • -

    de brief van de vader van 2 oktober 2021 met bijlagen 25 tot en met 33;

  • -

    de brief van de moeder van 11 oktober met bijlagen 10 tot en met 13.

1.2.

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 21 oktober 2021. Daarbij waren aanwezig: partijen met hun advocaten en namens de Raad voor de Kinderbescherming, de heer [A] .

1.3.

De rechtbank heeft aan [minderjarige 1 (voornaam)] , de dochter van partijen, gevraagd wat zij van het verzoek vindt. [minderjarige 1 (voornaam)] heeft op 19 oktober 2021 met de rechter gepraat.

2 Waar gaat het over?

2.1.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

2.2.

Zij zijn de ouders van:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [2008] in [geboorteplaats 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [2011] in [geboorteplaats 2] .

[minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] wonen bij de moeder.

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.

2.3.

De vader is op 6 januari 2021 getrouwd met mevrouw [B] , en heeft met haar één kind gekregen:

- [minderjarige 3] , geboren op [2021] in [geboorteplaats 3] .

[minderjarige 3 (voornaam)] woont bij de vader en mevrouw [B] .

2.4.

Mevrouw [B] heeft uit haar vorige relatie met de heer [C] , twee kinderen:

  • -

    [minderjarige 4] , geboren op [2004] in [geboorteplaats 3] ;

  • -

    [minderjarige 5] , geboren op [2005] in [geboorteplaats 3] (roepnaam: [minderjarige 5 (voornaam)] ).

[minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] wonen de helft van de tijd bij mevrouw [B] en de vader en de andere helft van de tijd bij de heer [C] .

2.5.

De ouders (van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] ) zijn in het ouderschapsplan van 27 augustus 2015 onder meer een zorgregeling overeengekomen waarbij de vader in de ene week [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] op woensdag ophaalt en hen op donderdag naar school brengt. In de andere week zijn de kinderen op vrijdag na het eten en op zaterdag bij de vader.

2.6.

In een aanvulling op het ouderschapsplan van 30 augustus 2017 hebben de ouders onder meer afgesproken dat de vader met ingang van 1 september 2017 een kinderalimentatiebijdrage van € 550,- per maand aan de moeder betaalt voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Dat is geïndexeerd per 2021 € 601,- per maand.

2.7.

De ouders zijn het niet eens over de kinderalimentatie.

2.8.

De vader wil met ingang van 1 januari 2021 € 102,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder betalen als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] en met ingang van [2021] , de dag dat [minderjarige 3 (voornaam)] is geboren, € 88,- per kind per maand.

2.9.

De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vraagt de rechtbank deze af te wijzen. De moeder verzoekt, wanneer de rechtbank een lager bedrag aan kinderalimentatie vaststelt, te bepalen dat op haar geen terugbetalingsverplichting rust. Verder verzoekt de moeder:

I. de vader te veroordelen om binnen twee weken na de beschikking aan de moeder het bedrag van € 1.507,64 achterstallige kinderalimentatie over de periode 1 januari – 11 mei 2021 te betalen.

II. de zorgregeling in het ouderschapsplan te wijzigen en te bepalen dat de kinderen eens per twee weken een weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijven.

3 De beoordeling

Nog geen beslissing over de zorgregeling

3.1.

De rechtbank zal nu nog geen beslissing de zorgregeling nemen, maar de beslissing nog drie maanden uitstellen.

3.2.

De rechtbank wil de ouders de kans geven om samen tot een oplossing te komen. De rechtbank heeft daar vertrouwen in omdat ze tijdens de mondelinge behandeling hebben gezegd dat zij met hulp van mediation willen kijken of zij in gesprek kunnen gaan over de zorgregeling. De ouders kunnen ook kijken of er met behulp van mediation een gezamenlijke oplossing kan worden gevonden ten aanzien van de wens van [minderjarige 1 (voornaam)] om meer bij haar vader te zijn. De rechtbank vindt het een positieve ontwikkeling dat de ouders met elkaar in gesprek willen. De rechtbank wil van de ouders vóór 1 maart 2022 een bericht krijgen of zij er wel of niet samen zijn uitgekomen en hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.

De kinderalimentatie

3.3.

De rechtbank zal beslissen dat de vader met ingang van 12 mei 2021 € 275,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen en met ingang van [2021] € 225,- per kind per maand. Dit betekent dat een deel van het verzoek van de vader wordt afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.

De reden voor de wijziging

3.4.

De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd.1 Dat is hier het geval want de vader is getrouwd met zijn nieuwe partner mevrouw [B] . De vader is door het huwelijk met mevrouw [B] onderhoudsplichtig geworden voor [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] (artikel 1:395a BW). Ook hebben de vader en mevrouw [B] samen op [2021] een zoon gekregen, [minderjarige 3 (voornaam)] .

De ingangsdatum

3.5.

Voordat de rechtbank opnieuw kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden. De rechtbank vindt dat de vader de nieuwe kinderalimentatie moet betalen vanaf de datum van het verzoekschrift (12 mei 2021), respectievelijk [2021] . De rechtbank legt dit hierna uit.

3.6.

Omdat er aan de zijde van de vader op twee momenten wijzigingen in de situatie hebben plaatsgevonden, namelijk het huwelijk met mevrouw [B] en de geboorte van [minderjarige 3 (voornaam)] , moet de rechtbank voor de herberekening van de kinderalimentatie met twee periodes rekenen. Anders dan de vader vindt de rechtbank niet dat de moeder al vanaf 1 januari 2021 rekening kon houden met een verminderde kinderalimentatie. De rechtbank moet terughoudend omgaan met het wijzigen van alimentatieverplichtingen met terugwerkende kracht omdat dit grote financiële gevolgen kan hebben. In dit geval ziet de rechtbank geen reden om de kinderalimentatie te wijzigen vanaf een eerder moment dan de start van deze procedure. Over de ingangsdatum van de kinderalimentatie na de tweede wijziging, namelijk de geboorte van [minderjarige 3 (voornaam)] , zijn de ouders het eens.

3.7.

Dit betekent dat de rechtbank zal rekenen met de belastingtarieven van 2021.

Meerdere onderhoudsverplichtingen

3.8.

De vader is onderhoudsplichtig voor zijn eigen kinderen: [minderjarige 1 (voornaam)] , [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 3 (voornaam)] . Ook zijn de ouders het erover eens dat de vader onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] , omdat [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] de helft van de tijd bij hem wonen en de vader getrouwd is met de moeder van [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] , mevrouw [B] .

3.9.

De moeder is onderhoudsplichtig voor haar eigen kinderen: [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] .

3.10.

Mevrouw [B] is onderhoudsplichtig voor haar eigen kinderen: [minderjarige 4 (voornaam)] , [minderjarige 5 (voornaam)] en [minderjarige 3 (voornaam)] .

3.11.

De heer [C] is onderhoudsplichtig voor zijn eigen kinderen: [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] .

3.12.

Als iemand onderhoudsplichtig is voor meerdere kinderen, dan moet de rechtbank beoordelen wat diegene in totaal kan betalen voor zijn/haar kinderen en dat over al zijn/haar kinderen verdelen. De Hoge Raad heeft daarbij bepaald dat het beschikbare geld gelijk over de kinderen moet worden verdeeld, tenzij er bijzondere redenen zijn waarom dit anders verdeeld moet worden. Een reden voor zo’n andere verdeling kan zijn dat het ene kind meer kost dan het andere kind. Hoeveel een kind kost, hangt namelijk samen met hoeveel de ouders te besteden hadden voordat zij uit elkaar gingen. Daarom onderzoekt de rechtbank eerst wat de kosten van elk kind zijn. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd.

De behoefte van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)]

3.13.

De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] vast op € 446,- per kind per maand. De rechtbank heeft deze zo berekend.

3.14.

In het ouderschapsplan van 27 augustus 2015 hebben de ouders vastgesteld dat de behoefte van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] € 789,- per maand bedroeg in 2015. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 892,- per maand, dus € 446,- per kind per maand. De ouders zijn het hierover eens. De ouders zijn het niet eens over de bijzondere behoefte verhogende kosten voor [minderjarige 1 (voornaam)] . De moeder stelt dat rekening gehouden moet worden met € 45,- extra kosten voor de sportklas van [minderjarige 1 (voornaam)] , maar dit wordt betwist door de vader en is door de moeder niet met stukken onderbouwd. Omdat de moeder de kosten van de sportklas niet heeft onderbouwd, gaat de rechtbank voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] uit van een behoefte van € 446,- per kind per maand.

De behoefte van [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)]

3.15.

De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] vast op € 553,- per kind per maand. De vader heeft berekend dat dit behoefte van [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] is in 2021 en de moeder is het hiermee eens.

De behoefte van [minderjarige 3 (voornaam)]

3.16.

Om te kunnen beoordelen wat de behoefte van [minderjarige 3 (voornaam)] is, moet de rechtbank vaststellen wat de vader en mevrouw [B] nu te besteden hebben.

Het inkomen van de vader is € 3.900,- bruto per maand. Dat volgt uit de loonstroken van januari 2021 tot en met september 2021. Dit inkomen wordt vermeerderd met de vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van € 156,- per maand. Mevrouw [B] heeft in 2020 een bruto WAO-uitkering van € 16.475,- ontvangen. Dit blijkt uit de jaaropgave van het UWV van 2020. De vader stelt dat het inkomen van mevrouw [B] in 2021 gelijk is gebleven. Omdat dit door de moeder niet betwist is, zal de rechtbank uitgaan van de jaaropgave van het UWV van 2020.

De vader heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting en mevrouw [B] heeft recht op de algemene heffingskorting. Naast hun eigen inkomsten ontvangen zij geen kindgebonden budget.

Op basis van deze gegevens heeft de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man berekend op € 3.094,- per maand en het netto besteedbaar inkomen van mevrouw [B] op € 1.100,- per maand. Die berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.

Het besteedbaar gezinsinkomen van de vader en mevrouw [B] is dus € 4.194,- netto per maand. Van dit inkomen heeft de vader tot nu toe steeds een bedrag van € 601,- per maand aan de moeder betaald voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Dat geld konden de vader en mevrouw [B] niet meer uitgeven aan [minderjarige 3 (voornaam)] . Daarom laat de rechtbank dat deel van het inkomen buiten beschouwing bij de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 3 (voornaam)] . Bij de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 3 (voornaam)] gaat de rechtbank dus uit van een bedrag van € 3.593,- per maand.

3.17.

Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [minderjarige 3 (voornaam)] wordt uitgegeven en wat dus de behoefte van [minderjarige 3 (voornaam)] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. In het gezin van de vader en mevrouw [B] wonen ook [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] . Uit die tabellen volgt dat ouders in 2021 bij een gezinsinkomen van € 3.593,- per maand met drie kinderen in de leeftijd van [minderjarige 4 (voornaam)] , [minderjarige 5 (voornaam)] en [minderjarige 3 (voornaam)] , gemiddeld € 982,- per maand uitgeven aan hun kinderen. Dat betekent dat de behoefte van [minderjarige 3 (voornaam)] ( € 982 / 3 =) € 327,- per maand bedraagt.

De draagkracht van beide ouders

3.18.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.

De draagkracht van de moeder

3.19.

De draagkracht van de moeder berekent de rechtbank op € 126,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

3.20.

Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de moeder. De moeder heeft meerdere inkomstenbronnen, zoals blijkt uit de door haar overgelegde producties. De moeder heeft haar bruto jaarinkomen voor 2021 op basis van haar inkomensgegevens geschat op € 15.517,-. De vader betwist dit geschatte bruto inkomen van de moeder over 2021 niet, maar stelt wel dat de moeder meer uren per week kan gaan werken en hierdoor meer inkomen kan genereren. Anders dan de vader is de rechtbank niet van oordeel dat van de moeder kan worden verlangd om meer te werken en te verdienen De moeder heeft verteld dat zij op dit moment een [.] -opleiding volgt. Dit is een investering in de toekomst. Daarnaast stelt de moeder alles in het werk om in het onderwijs werkzaam te kunnen zijn en om via stageplekken ervaring op te kunnen doen. De rechtbank gaat daarom uit van een inkomen aan de zijde van de moeder van € 15.517,- bruto per jaar. Uit de berekening van de moeder (productie 9) volgt dat dit een bedrag van € 1.659,- netto per maand is. De rechtbank zal dit bedrag overnemen.

3.21.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachttabel’ die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Volgens die tabel heeft iemand met een inkomen van € 1.659,- per maand een draagkracht van € 126,- per maand.

3.22.

Deze draagkracht moet de rechtbank verdelen over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . De kinderen hebben ieder ongeveer evenveel nodig. Daarom verdeelt de rechtbank de draagkracht gelijk over de kinderen. Dat betekent dat er voor ieder kind een bedrag van (€ 126 / 2 =) € 63,- beschikbaar is.

De draagkracht van de vader

3.23.

De draagkracht van de vader berekent de rechtbank op € 1.819.- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

3.24.

Ook voor het bepalen van de draagkracht van de vader kijkt de rechtbank eerst naar zijn inkomen. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de loonstroken van januari 2021 tot en met september 2021, waarin een inkomen van € 3.900,- bruto per maand staat genoemd. De rechtbank heeft hiervoor bij de behoefte van [minderjarige 3 (voornaam)] al berekend dat dit voor de vader € 3.094,- netto per maand is. Verder heeft de vader met ingang van 17 maart 2021 een eenmanszaak opgericht. Op de zitting is besproken dat met deze onderneming geen rekening wordt gehouden bij de berekening van de draagkracht van de vader, omdat de vader heeft aangetoond dat hij op dit moment geen activiteiten ontplooit in de onderneming. Mocht de vader in de toekomst inkomen ontvangen uit de onderneming, dan is het aan vader om dit aan de moeder te melden zodat zijn draagkracht opnieuw berekend kan worden.

3.25.

Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Zoals hierover vermeld maakt de rechtbank daarvoor in beginsel gebruik van de ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt neer op (30% van € 3.094,- per maand)= € 928,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.000,- per maand. Van het netto besteedbaar inkomen van de vader blijft dan een bedrag van (€ 3.094 -/- € 928,- -/- € 1.000,- =) € 1.166,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 816,-. De overige 30% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’).

3.26.

De Hoge Raad heeft bepaald dat onder bijzondere omstandigheden van de draagkrachtformule kan worden afgeweken.2 Dit is mogelijk indien met de berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het forfait.

3.27.

De draagkracht van de vader van € 816,- per maand moet hij verdelen over zijn eigen kinderen [minderjarige 1 (voornaam)] , [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 3 (voornaam)] en zijn stiefkinderen [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] . Dit betekent dat partijen onvoldoende draagkracht hebben om te voorzien in de volledige behoefte van de kinderen. De vader woont duurzaam samen met zijn mevrouw [B] in een woning die eigendom is van de vader. De rechtbank ziet in de woonsituatie van de man reden om na te gaan of de draagkracht van de vader met inachtneming van de werkelijke woonlasten leidt tot een hogere onderhoudsbijdrage De vader stelt dat hij de maandelijkse woonlasten van € 792,-volledig voldoet. Anders dan de moeder vindt de rechtbank niet dat dit een aanmerkelijk lager bedrag is dan dat volgt uit toepassing van het forfait (€ 928,-). Maar de rechtbank vindt het wel redelijk om aan te nemen dat de vader de feitelijke woonlast van € 792,- per maand kan delen met mevrouw [B] . Zij wonen immers samen in de woning en mevrouw [B] heeft eigen inkomsten. Hoewel dit inkomen een stuk lager is dan dat van de vader, acht de rechtbank haar wel in staat om de helft van de lasten van de woning, waar ook haar twee dochters [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] wonen, voor haar rekening te nemen. De vader en mevrouw [B] hebben dan elk een woonlast van € 396,- per maand. Deze woonlast wordt geacht duurzaam aanmerkelijk lager te zijn dan het forfaitaire bedrag van € 928,- per maand. Het betreft een circa 43% lagere woonlast en er zijn geen aanwijzingen dat de vader op korte termijn een hogere woonlast zal hebben of zijn woonlast niet meer kan delen met mevrouw [B] . De draagkracht van de man wordt, uitgaande van de werkelijke woonlast, vastgesteld op € 1.819,- per maand.

3.28.

Deze draagkracht moet de rechtbank verdelen over alle kinderen. Omdat er hier een behoorlijk verschil is in wat ieder van de kinderen (nog) nodig heeft, verdeelt de rechtbank de draagkracht in beginsel naar rato van de behoefte. Die verdeling zou tot [2021] er dan (met afgeronde bedragen) als volgt uit zien:

Naam kind Behoefte Verdeling Beschikbaar

[minderjarige 1 (voornaam)] € 446,- 446 / 1.998 x 1.819 € 406,-

[minderjarige 2 (voornaam)] € 446,- 446 / 1.998 x 1.819 € 406.-

[minderjarige 4 (voornaam)] € 553,- 553 / 1.998 x 1.819 € 503,-
[minderjarige 5 (voornaam)] € 553,- 553 / 1.998 x 1.819 € 503.-

Totaal € 1.998,- € 1.818,-

3.29.

De verdeling van de draagkracht van de vader zou er vanaf [2021] , de geboorte van [minderjarige 3 (voornaam)] , als volgt uit zien:

Naam kind Behoefte Verdeling Beschikbaar

[minderjarige 1 (voornaam)] € 446,- 446 / 2.325 x 1.819 € 349,-

[minderjarige 2 (voornaam)] € 446,- 446 / 2.325 x 1.819 € 349,-

[minderjarige 4 (voornaam)] € 553,- 553 / 2.325 x 1.819 € 433,-
[minderjarige 5 (voornaam)] € 553,- 553 / 2.325 x 1.819 € 433,-
[minderjarige 3 (voornaam)] € 327,- 327 / 2.325 x 1.819 € 256,-

Totaal € 2.325,- € 1.820,-

De draagkracht van mevrouw [B]

3.30.

De draagkracht van mevrouw [B] berekent de rechtbank op € 50,- per maand. Partijen zijn het er namelijk over eens dat mevrouw [B] slechts de minimale draagkracht heeft.

3.31.

Deze draagkracht van € 50,- moet mevrouw [B] tot [2021] verdelen over haar kinderen [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] (€ 25,- per kind per maand) en na [2021] over haar kinderen [minderjarige 4 (voornaam)] , [minderjarige 5 (voornaam)] en [minderjarige 3 (voornaam)] . Omdat er na [2021] een behoorlijk verschil is in wat ieder van de kinderen (nog) nodig heeft, verdeelt de rechtbank de draagkracht opnieuw naar rato van de behoefte. Die verdeling ziet er (met afgeronde bedragen) als volgt uit:

Naam kind Behoefte Verdeling Beschikbaar

[minderjarige 4 (voornaam)] € 553,- 553 / 1.443 x 50 € 19,- [minderjarige 5 (voornaam)] € 553,- 553 / 1.443 x 50 € 19,-

[minderjarige 3 (voornaam)] € 327,- 327 / 1.443 x 50 € 11,-

Totaal € 1.433,- € 49

De draagkracht van de heer [C]

3.32.

De draagkracht van de heer [C] stelt de rechtbank op nihil. Bij beschikking van 11 februari 2021 heeft de rechtbank namelijk de kinderalimentatiebijdrage van de heer [C] voor [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] op nihil gesteld. De moeder heeft gezegd dat de heer [C] een vaste baan heeft waarmee hij inkomen genereert, maar zij heeft haar stelling niet met stukken onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de heer [C] geen draagkracht heeft om een kinderalimentatiebijdrage voor [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] te betalen.

De verdeling van de kosten

3.33.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

Verdeling van de kosten van [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)]

3.34.

Zo’n vergelijking is hier niet nodig omdat de vader, mevrouw [B] en de heer [C] samen niet genoeg draagkracht hebben om alle kosten van [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] te voldoen.

Tot [2021]

Hiervoor heeft de rechtbank berekend dat van de draagkracht van de vader een bedrag van € 1.006,- beschikbaar was voor [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] . Van de draagkracht van mevrouw [B] was een bedrag van € 50,- beschikbaar en van de draagkracht van de heer [C] € 0,- per maand. Samen hebben ze dus een bedrag van € 1056,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] , terwijl de kosten van [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] € 1.106,- per maand zijn. Met andere woorden: de vader, mevrouw [B] en de heer [C] komen samen een bedrag van € 50,- per maand tekort. Zij zullen ieder dan ook hun volledige beschikbare draagkracht moeten gebruiken.

Na [2021]

Van de draagkracht van de vader is na [2021] een bedrag van € 866,- beschikbaar voor [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] . Van de draagkracht van mevrouw [B] is een bedrag van

€ 38,- beschikbaar en van de draagkracht van de heer [C] € 0,- per maand. Samen hebben ze dus een bedrag van € 904,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] , terwijl de kosten van [minderjarige 4 (voornaam)] en [minderjarige 5 (voornaam)] nog steeds € 1.106,- per maand zijn. De vader, mevrouw [B] en de heer [C] komen na [2021] samen dus een bedrag van € 202,- per maand tekort. Zij zullen ieder dan ook hun volledige beschikbare draagkracht moeten gebruiken.

Verdeling van de kosten van [minderjarige 3 (voornaam)]

3.35.

Een draagkrachtvergelijking is voor [minderjarige 3 (voornaam)] ook niet nodig omdat de vader en mevrouw [B] samen niet genoeg draagkracht hebben om alle kosten van [minderjarige 3 (voornaam)] te voldoen. Van de draagkracht van de vader is een bedrag van € 256,- beschikbaar is voor [minderjarige 3 (voornaam)] . Van de draagkracht van mevrouw [B] is een bedrag van € 11,- beschikbaar. Samen hebben ze dus een bedrag van € 267,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 3 (voornaam)] , terwijl de kosten van [minderjarige 3 (voornaam)] € 327,- per maand zijn. De vader en mevrouw [B] komen samen een bedrag van € 60,- per maand tekort. Zij zullen ieder dan ook hun volledige beschikbare draagkracht moeten gebruiken.

Verdeling van de kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)]

3.36.

Bij het verdelen van de kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] tot [2021] maakt de rechtbank wel een draagkrachtvergelijking, omdat zij samen genoeg draagkracht hadden om de kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] te voldoen. Na [2021] hebben de ouders echter niet meer voldoende draagkracht om de kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] te voldoen. Daarom maakt de rechtbank na [2021] geen draagkrachtvergelijking.

Tot [2021]

3.37.

Hiervoor heeft de rechtbank berekend dat van de draagkracht van de vader, tot [2021] , een bedrag van € 812,- beschikbaar is voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . De moeder heeft een draagkracht van € 126,-. Samen hebben ze dus een bedrag van € 938,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] te betalen, want die zijn € 892,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (812/938 x 892 =) € 772,- per maand moet dragen. De vrouw moet een deel van (126/938 x 892 =) € 112,- per maand dragen.

Na [2021]

3.38.

Hiervoor heeft de rechtbank berekend dat van de draagkracht van de vader een bedrag van € 698,- beschikbaar is voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . De moeder heeft nog steeds een draagkracht van € 126,- per maand. Samen hebben ze dus een bedrag van € 824,- per maand beschikbaar voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] , terwijl de kosten van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] € 892,- per maand zijn. Met andere woorden: de ouders komen samen een bedrag van € 68,- per maand tekort. Zij zullen ieder dan ook hun volledige beschikbare draagkracht moeten gebruiken.

De zorgkorting

3.39.

Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.

Tot [2021]

3.40.

[minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] verblijven nu gemiddeld twee dagen per week bij de vader. Volgens de Expertgroep Alimentatie past daarbij een zorgkorting van 25% van de behoefte, dus € 223,- per maand. Omdat de ouders samen voldoende draagkracht hebben om de kosten voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] te voldoen, kan de vader zijn zorgkorting volledig verzilveren. Dat betekent dat de vader een bedrag van (772-/- 223) € 549,- per maand moet betalen. Dat is afgerond € 275,- per kind per maand.

Na [2021]

3.41.

Na [2021] is er een tekort aan draagkracht. Het zou het niet eerlijk zijn als de vader deze korting dan ook volledig mag toepassen. Als de vader namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de moeder te rusten. De moeder moet tenslotte ook kosten voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. De rechtbank vindt het in zo’n geval redelijk dat ieder de helft van het tekort draagt, dus een bedrag van € 34,- per maand. Dit betekent dat de vader van de zorgkorting maar een bedrag van (223 -/- 34 =) € 189,- per maand in mindering mag brengen op zijn draagkracht. Er blijft dan een bedrag van (698 -/- 189 =) € 509,- per maand over dat de vader aan kinderalimentatie moet betalen. Dat is afgerond

€ 225,- per kind per maand.

3.42.

De rechtbank merkt nog op dat als de ouders bij mediation een andere zorgregeling afspreken dan de huidige zorgregeling, dat zij ervan uitgaat dat ouders de aanpassing van de zorgkorting onderling regelen.

Terugbetaling van de kinderalimentatie

3.43.

De rechtbank komt nu op een lager bedrag aan kinderalimentatie uit dan eerder was afgesproken. De rechtbank vindt dat van de moeder niet kan worden gevraagd dat zij de eventueel teveel ontvangen kinderalimentatie terugbetaalt, omdat die kinderalimentatie al is uitgegeven aan [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . De rechtbank zal daarom beslissen dat de moeder de te veel ontvangen kinderalimentatie niet hoeft terug te betalen.

Betaling van achterstallige kinderalimentatie

3.44.

De ouders zijn in het ouderschapsplan van 30 augustus 2017 een bedrag overeengekomen dat de vader aan de moeder moet betalen aan kinderalimentatie. Per 1 januari 2021 is de vader zonder overleg en in strijd met de overeenkomst tussen de ouders minder alimentatie gaan betalen. De moeder verzoekt nu om te bepalen dat de vader de achterstallige kinderalimentatie van € 1.507,64 moet betalen. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder afwijzen. De reden daarvoor is dat de moeder geen belang heeft bij dit verzoek omdat zij het LBIO de opdracht kan geven om de achterstallige alimentatie te innen.

De alimentatie moet vooruit worden betaald

3.45.

De rechtbank zal beslissen dat de vader de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.46.

De rechtbank zal de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4 De beslissing

4.1.

houdt de beslissing over de zorgregeling aan tot 1 maart 2022 in afwachting van de uitkomst van de mediation met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:

  • -

    of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;

  • -

    of een nieuwe zitting nodig is en zo ja op welke datum zij en partijen verhinderd zijn voor een zitting;

  • -

    of de rechter een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting,

4.2.

beslist dat de vader met ingang van 12 mei 2021 een bedrag van € 275,- per kind per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] ;

4.3.

beslist dat de vader met ingang van [2021] een bedrag van € 225,- per kind per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] ;

4.4.

beslist dat de moeder de eventueel teveel ontvangen kinderalimentatie niet aan de vader hoeft terug te betalen;

4.5.

beslist dat de vader vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

4.6.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

4.8.

wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, mr. T. Dopheide, tot stand gekomen in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

YL

1 Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek

2 HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.