Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5756

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-11-2021
Datum publicatie
15-08-2022
Zaaknummer
UTR 21/4225
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo; woningsluiting; hennepkwekerij; beheer makelaar; eigenaar is overtreder; sluiting drie maanden niet onevenredig; afwijzing verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/4225


uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 november 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),

en

de burgemeester van de gemeente Almere, verweerder(gemachtigde: mr. N.C. Vlaskamp).

Procesverloop

In het besluit van 25 oktober 2021 (het besluit) heeft verweerder gelast de woning van verzoekster aan de [adres] in [woonplaats] voor drie maanden te sluiten.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 november 2021 op zitting behandeld via een online beeldverbinding. Daarbij waren aanwezig de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder. Verzoekster en haar makelaar, [makelaar] , hebben telefonisch aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Er is sprake van een spoedeisend belang

1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster is eigenaar van de woning en laat haar woning beheren door een makelaar. De woning is verkocht en moet uiterlijk op 1 december 2021 zijn overgedragen aan de koper. De koper wil de woning gaan verhuren en zal verzoekster wanneer de overdracht niet tijdig plaatsvindt aansprakelijk stellen voor gemiste huurinkomsten. Verweerder heeft dit spoedeisend belang niet bestreden.

De voorzieningenrechter geeft een voorlopig oordeel

2. De voorzieningenrechter kijkt of het bezwaarschrift van verzoekster kans van slagen heeft en hij weegt de belangen van partijen bij het wel of niet treffen van een voorlopige voorziening. Hij geeft daarbij een voorlopig oordeel over deze zaak. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, hoeft de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter niet te volgen.

Waarom is de woning gesloten?

3. Verweerder heeft verzoekster gelast om de woning voor drie maanden te sluiten, omdat de politie Midden-Nederland bij een onderzoek op 19 juli 2021 in de woning van verzoekster meerdere goederen heeft gevonden die bestemd waren voor het kweken van hennep. Ook zijn vuilniszakken met resten van hennepplaten in de woning aangetroffen en was er sprake van diefstal van stroom. De aangetroffen goederen waren voldoende voor drie kweektenten, waarvan er één volledig operationeel was met uitzondering van de stroomaansluiting op het schakelpaneel. Verder zijn er in de woning vuilniszakken met resten van hennepplanten aangetroffen en was er een indicatie voor eerdere oogsten. Volgens verweerder heeft verzoekster daarmee artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet overtreden.

4. Verweerder heeft de effectuering van de woningsluiting uitgesteld tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Is verzoekster als overtreder aan te merken en is verweerder bevoegd de woning te sluiten?

5. Verzoekster voert aan dat zij al het nodige heeft gedaan wat in haar macht lag om te verhinderen dat op een verkeerde manier gebruik kon worden gemaakt van haar woning. Verzoekster valt niets te verwijten. Zij wist niet of kon redelijkerwijs niet weten dat de woning als hennepkwekerij werd gebruikt. De huur werd gewoon betaald. Bovendien kan verzoekster de last niet uitvoeren, omdat de makelaar nadat het onderzoek op 19 juli 2021 had plaatsgevonden nieuwe sloten in de woning heeft aangebracht en weigert de sleutels aan verzoekster te geven. Op grond van de rechtspraak kan zij daarom niet worden aangemerkt als overtreder, maar is de makelaar hiervoor verantwoordelijk.1 Verweerder had daarom moeten afwijken van zijn beleid en in plaats van verzoekster de makelaar moeten aanspreken. Doel van de wetgever is immers om de verantwoordelijke personen een herstelsanctie op te leggen. Voor verzoekster geldt de sluiting van haar woning als een punitieve sanctie, waarbij verwijtbaarheid wel een rol speelt.

6. Verweerder beroept zich op zijn beginselplicht om handhavend op te treden tegen illegale situaties. De persoonlijke verwijtbaarheid van verzoekster speelt volgens verweerder geen rol, omdat verzoekster als eigenaar verantwoordelijk is voor een juist gebruik van de woning. Dat verzoekster de woning heeft verhuurd, ontslaat haar niet van die verantwoordelijkheid ook als die verhuur door een betrouwbare makelaar wordt gedaan. Van verzoekster wordt verwacht dat zij het gebruik van de verhuurde woning feitelijk controleert en niet alles overlaat aan de makelaar.

Oordeel voorzieningenrechter

7. Verweerder heeft beleid opgesteld als het gaat om het gebruik van de bevoegdheid uit artikel 13b van de Opiumwet.2 Als er in een onbewoonde woning voor de eerste keer een hennepkwekerij wordt ontdekt, dan is het uitgangspunt van dat beleid dat de woning drie maanden wordt gesloten. Hiervan kan verweerder afwijken in bijzondere omstandigheden.3

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoekster dat zij niet de overtreder is, op voorhand geen redelijke kans van slagen heeft. Verzoekster betwist niet dat er een hennepkwekerij in haar woning aanwezig was. Verzoekster is als eigenaar verantwoordelijk voor wat er in haar woning gebeurt, ook al heeft zij het beheer van haar woning overgedragen aan een makelaar. De woning van verzoekster werd op het moment van de voorgenomen sluiting verhuurd maar niet bewoond. Verzoekster woont in Spanje en heeft de verhuur en controle van haar woning uitbesteed aan een makelaar. De door verzoekster getroffen voorzorgsmaatregelen zijn onvoldoende gebleken om misbruik van haar woning te voorkomen. Op zitting heeft verzoekster naar voren gebracht dat de makelaar eenmaal in de drie maanden de woning controleerde en haar van het resultaat ervan op de hoogte stelde, maar zij heeft dat niet onderbouwd met een beheerovereenkomst. Verzoekster heeft daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter als eigenaar van de woning niet alles gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden om de overtreding te voorkomen. De situatie van verzoekster is ook niet vergelijkbaar met die in de uitspraak van 6 mei 2015 van de Afdeling, waarnaar zij heeft verwezen. Anders dan in die uitspraak het geval was, heeft verzoekster de woning niet zelf geïnspecteerd, maar heeft zij die inspectie volledig overgelaten aan de makelaar. Onder deze omstandigheden heeft verweerder in overeenstemming met het gevoerde beleid kunnen vaststellen dat verzoekster artikel 13b Opiumwet heeft overtreden, en dat hij daarom bevoegd is om de woning voor drie maanden te sluiten.

Is woningsluiting noodzakelijk en evenredig?

9. Verzoekster voert verder aan dat sluiting van de woning niet noodzakelijk en onevenredig is.4 Verzoekster kan niets verweten worden en zij is ook niet in staat om de last uit te voeren. De woning is verkocht, voordat verzoekster op de hoogte was van de hennepkwekerij en het voornemen tot sluiting. Voor verzoekster is van groot belang om de woning te kunnen leveren. Volgens verzoekster is woningsluiting in dit geval geen geschikt middel en dient ook geen redelijk doel. Bovendien is woningsluiting een ernstige inbeuk op het eigendoms- en het huisrecht van verzoekster.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij met sluiting van de woning wil bereiken dat de woning niet meer wordt gebruikt voor drugshandel of hennepteelt, dat de loop naar de woning eruit wordt gehaald en dat de openbare orde wordt hersteld. Een eigendomsoverdracht die heeft plaatsgevonden na overtreding van de Opiumwet, is volgens verweerders beleid, niet relevant. De verkoop van de woning is daarom voor verweerder geen reden om van sluiting af te zien. Eventuele schade zal verzoekster op de makelaar moeten verhalen. Verweerder ziet in dit geval geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van zijn beleid. Verweerder is niet gebleken dat verzoekster voldoende zorg en toezicht heeft gehouden op de verhuur en het gebruik van haar woning.

Oordeel voorzieningenrechter

11. De voorzieningenrechter moet eerst aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding beoordelen of sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.

12. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol speel binnen de keten van drugshandel. Dit levert op zichzelf een al een belang bij sluiting op ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandhel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de loop naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan echter in mindere mate sprake zijn van een ‘loop’ naar de woning, wat de noodzaak om te sluiten gelet op het beoogde herstellende karakter van de maatregel minder groot kan maken.

13. De politie heeft in de woning van verzoekster een hennepkwekerij aangetroffen waarbij sprake was van diefstal van stroom. De aangetroffen goederen waren voldoende voor drie kweektenten, waarvan er één volledig operationeel was met uitzondering van de stroomaansluiting op het schakelpaneel. Dit maakt dat sprake is van een professionele kwekerij. Verweerder heeft het daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid noodzakelijk kunnen achten om de woning voor drie maanden te sluiten. Verweerder heeft zich daarnaast naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de sluiting van de woning wordt beoogd de bekendheid van het pand in het criminele circuit teniet te doen en daarmee het woon- en leefklimaat bij de woning te beschermen en de openbare orde te herstellen. De sluiting richt zich op de woning en is een zichtbaar signaal naar drugscriminelen en buurtbewoners met het oog op het voorkomen van overtredingen.

14. Nu sluiting van de woning in beginsel noodzakelijk is, moet de voorzieningenrechter vervolgens beoordelen of de sluiting ook evenredig is. Daarbij speelt een rol of verzoekster van de overtreding een verwijt kan worden gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning van verzoekster in dit geval niet onevenredig is. Gelet op de ernst van de overtreding heeft verweerder zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat de aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn die maken dat hij niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. Van een strafsanctie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Dat verzoekster geen weet had van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in haar woning en dat van persoonlijke verwijtbaarheid geen sprake is, heeft verweerder gelet op haar verantwoordelijkheid als eigenaar onvoldoende kunnen vinden om van sluiting af te zien. Van verzoekster had in dit geval gevraagd mogen worden dat zij het gebruik van de verhuurde woning feitelijk had gecontroleerd dan wel dat zij op de controle door de makelaar voldoende had toegezien. Dat de woning inmiddels is verkocht en opgeknapt en dat deze door de sluiting niet tijdig kan worden overgedragen aan de koper maakt sluiting van de woning voor drie maanden niet onevenredig. Eventuele schade van de koper als gevolg van de late levering kan verzoekster mogelijk verhalen op de makelaar.

Motivering van het besluit

15. De voorzieningenrechter merkt tot slot op dat de noodzaak tot sluiting in het besluit summier is gemotiveerd. Zo blijkt uit het besluit bijvoorbeeld niet of sprake is van feitelijke loop naar en van de woning of van feitelijke overlast en hinder in de omgeving van de woning als gevolg van de kwekerij in de woning. Er is maar één melding van een buurman van geuroverlast. Verder is de motivering in het besluit dat alleen omstandigheden die niet met de sluiting samenhangen in aanmerking komen voor afwijking van het beleid en dat de persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokkene geen rol speelt bij de noodzaak tot sluiting, feitelijk niet juist. Dit betekent dat de motivering van het besluit onvoldoende is, wat een gebrek is in het besluit. Verweerder kan dat gebrek herstellen in het nieuwe besluit dat hij op het bezwaar moet nemen. Alles tegen elkaar afwegende ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie

16. Gezien al het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat het bezwaar van eiseres op voorhand geen redelijke kans van slagen heeft. Gelet daarop weegt het belang van verweerder om het primaire besluit te handhaven naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan verzoekers belang bij toewijzing van de voorlopige voorziening

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak is bekendgemaakt op 23 november 2021 en wordt

openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

de voorzieningenrechter is niet in de

gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

1 Verzoekster verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1447.

2 Damoclesbeleid gemeente Almere 2021.

3 Dit volgt uit artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4 Verzoekster verwijst naar de conclusie van de AG van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468.