Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5708

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
01-12-2021
Zaaknummer
C/16/507257 / HA ZA 20-518
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:756 lid 1 BW stond buitengerechtelijke ontbinding in de weg. Een situatie van anticipatory breach doet zich ook niet voor. Ontbinding was dus onrechtmatig. opdrachtgever moet positief contractsbelang aan de aannemer vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/507257 / HA ZA 20-518

Vonnis van 2 juni 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J. Bouter te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C. van der Mark te Houten.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging producties en wijziging van eis in conventie,

  • -

    de akte uitlating producties van [gedaagde] ,

  • -

    de akte overlegging producties in conventie en in reconventie, tevens wijziging/vermeerdering van eis in reconventie van [eiser] ,

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2021 plaatsgevonden. Op de dag van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] productie 14 overgelegd. [eiser] heeft daartegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens het stuk buiten beschouwing gelaten omdat het buiten de in artikel 87 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalde termijn is ingediend. Van hetgeen verder is besproken, heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald

2 Waar gaat het over

2.1.

[eiser] , als opdrachtgever, en [gedaagde] , als aannemer, hebben op 29 april 2020 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de verbouwing van het pand aan de [adres 1] in [plaatsnaam] tot drie appartementen. De aanneemsom bedroeg € 95.850,00 exclusief btw. De afgesproken opleverdatum zou 31 juli 2020 zijn.

2.2.

De overeenkomst is door [eiser] opgesteld. In de overeenkomst staat, voor zover relevant, het volgende:

Artikel 2 - Het werk

  1. De werkzaamheden worden uitgevoerd zoals beschreven in offerte d.d. 26 januari 2020, offertenummer 2020-0002, offertenummer “ [onderneming 1] dd. 14/01/2020, offertenummer “ [.] ” dd. 3/03/2020. “ [..] ” dd. 2 1/04/2020 onder voorbehoud, geen offerte ontvangen.

  2. De werkzaamheden die de Opdrachtgever de Aannemer laat uitvoeren bestaan uit:

- sloopwerkzaamheden

- het plaatsen van een dakkapel

- timmerwerkzaamheden

- aanbrengen brandwerende vloeren en wanden

- installatiewerkzaamheden

- loodgieterswerkzaamheden

- badkamers installeren

- bitumen vervangen platte dak eerste etage (vervanging dakkapel)

- isolatiewerkzaamheden

- alle wanden en plafonds stucken

- schilderwerkzaamheden binnenzijde pand

- schilderwerkzaamheden buitenzijde pand

(…)

Artikel 6 – Betaling

1. De betaling van de aanneemsom vindt plaats in de volgende termijnen:

30% binnen 5 dagen na aanvang werkzaamheden

30% op 50% van het project

30% op 85% van het project

10% bij oplevering

(…)

Artikel 8 – Datum aanvang en uitvoeringstermijn

  1. De werkzaamheden starten per direct na ontvangst van de door Opdrachtgever ondertekende overeenkomst.

  2. Het werk wordt opgeleverd uiterlijk: 31 juli 2020. Dan zoveel eerder.

Artikel 9 – Uitvoering van het werk

  1. De Aannemer voert het werk uit in volledige onafhankelijkheid en bepaalt zelf op welke wijze het werk wordt uitgevoerd.

  2. Aannemer is vrij in het indelen van zijn werkzaamheden binnen de context van het werk en de overeengekomen resultaatverplichtingen.

  3. (…)

Artikel 15 - Ontbinding bij wanprestatie

  1. Indien reeds vóór de vastgestelde tijd van oplevering waarschijnlijk wordt dat het werk niet op tijd of niet behoorlijk zal worden opgeleverd, kan de Opdrachtgever de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden.

  2. (…)

Artikel 16 - Algemene voorwaarden

1. Op deze overeenkomst zijnde algemene voorwaarden van de Aannemer van toepassing. Opdrachtgever verklaart dat hij een exemplaar van die algemene voorwaarden heeft ontvangen en dat hij van die algemene voorwaarden kennis heeft kunnen nemen.”

2.3.

Van de in artikel 2 genoemde offertes hebben partijen in deze procedure alleen die van [onderneming 1] overgelegd.

2.4.

[eiser] heeft de overeenkomst bij brief van 5 juli 2020 met een beroep op artikel 15 lid 1 van de overeenkomst ontbonden. Op 7 juli 2020 heeft de voormalige advocaat van [eiser] een bericht van gelijke strekking gestuurd en gesteld dat [gedaagde] in verzuim verkeert en hem gesommeerd om € 45.000,00 aan [eiser] te betalen.

2.5.

[eiser] heeft [gedaagde] nadien niet meer toegelaten tot het werk.

2.6.

Op 21 juli 2020 en 23 september 2020 heeft [eiser] , na verkregen verlof door de voorzieningenrechter, ten laste van [gedaagde] onder drie banken, op een roerende zaak en een onroerende zaak van [gedaagde] conservatoir beslag gelegd.

2.7.

[eiser] vordert nu, na wijziging van eis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort samengevat:

I. de overeenkomst tussen partijen gedeeltelijk te ontbinden voor wat betreft de periode 5 juli 2020 tot en met 31 juli 2020,

II. voor recht te verklaren dat de tussen partijen gesloten overeenkomst is ontbonden

III. voor recht te verklaren dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld tegen [eiser] ,

IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 28.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente,

V. primair, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 100.027,95 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, dan wel subsidiair, een bedrag aan schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente

VI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de vorderingen onder IV en V,

VII. voor recht te verklaren dat de algemene voorwaarden waarop [gedaagde] zich beroept niet van toepassing zijn, dan wel worden vernietigd of nietig zijn,

VIII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten,

IX. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

2.8.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en heeft een tegenvordering ingesteld. Hij vordert, na wijziging van eis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort samengevat:

  1. te verklaren voor recht dat de ontbinding door [eiser] (op 5 juli 2020) ten onrechte is ingeroepen en dat de ontbindingsverklaring van [eiser] ongerechtvaardigd is,

  2. te verklaren voor recht dat alle door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde (conservatoire) beslagen onrechtmatig zijn,

  3. te verklaren voor recht dat [eiser] vanwege de onder a en b bedoelde onrechtmatigheden schadeplichtig is jegens [gedaagde] ,

  4. [eiser] te veroordelen tot betaling van de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden en/of nog zal lijden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente,

  5. [eiser] bij wijze van voorschot op de door [gedaagde] geleden en/of nog te leiden schade te veroordelen tot betaling van € 14.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente,

  6. alle door [eiser] gelegde conservatoire beslagen op te heffen, dan wel te bepalen dat [eiser] dat doet, op straffe van een dwangsom,

  7. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

2.9.

Op de stellingen die partijen aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd, zal de rechtbank hierna, voor zover relevant, ingaan.

3 Wat oordeelt de rechtbank

3.1.

De rechtbank zal hierna eerst op de vorderingen van [eiser] beslissen en daarna op die van [gedaagde] .

In conventie

3.2.

De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst door [eiser] van 5 juli 2020 terecht was. Volgens [eiser] is dat het geval. Hij beroept zich daarbij op artikel 15 lid 1 van de overeenkomst. [eiser] stelt dat op 5 juli 2020 waarschijnlijk was dat [gedaagde] de planning niet meer zou halen. Een vertraging van een maand leek reëel. [gedaagde] had immers één week voor de oplevering al het grote werk af moeten hebben, maar [gedaagde] had nog veel (groot) werk te verrichten, aldus [eiser] . Verder stelt [eiser] dat het werk dat door [gedaagde] is verricht veel gebreken vertoonde, die hij door een ander heeft laten herstellen. [eiser] vordert daarom (vervangende)schadevergoeding van [gedaagde] .

3.3.

[gedaagde] betwist dat hij de opleverdatum van 31 juli 2020 niet zou halen en voert aan dat hij juist meerdere malen heeft aangegeven op tijd klaar te zullen zijn. Een planning zoals [eiser] die stelt, hebben partijen volgens [gedaagde] niet gemaakt. Hij mocht het werk naar eigen inzicht inrichten. [gedaagde] stelt dat hij wel een eigen planning had gemaakt, maar dat [eiser] die niet wilde inzien. Los daarvan voert [gedaagde] aan dat partijen helemaal geen fatale termijn overeen zijn gekomen en verwijst naar artikel 6 lid 1 van zijn Algemene Voorwaarden, die op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard. Volgens [gedaagde] had [eiser] op grond van dat artikel hem eerst in gebreke moeten stellen, wat hij niet heeft gedaan. Verder stelt [gedaagde] dat hij op grond van artikel 7 van de Algemene Voorwaarden recht op termijnverlenging heeft indien de vertraging door de opdrachtgever is ontstaan. Dat was hier het geval. Zo is [gedaagde] later aan de opdracht begonnen doordat [eiser] de financiering niet tijdig rond kreeg en heeft [eiser] , in tegenstelling tot de afspraken tussen partijen, toch voor een ander stukadoor gekozen. Die stukadoor had vervolgens in een weekend een bepaalde muur niet gestuukt, waardoor [gedaagde] niet verder kon. Niettemin zou [gedaagde] , zo stelt hij, de opleverdatum van 31 juli 2020 echt halen als hij daartoe in de gelegenheid was gesteld. Volgens [gedaagde] mocht [eiser] de overeenkomst dus niet ontbinden. Die ontbindingsverklaring is daarom niet gerechtvaardigd.

3.4.

[gedaagde] betwist verder de door [eiser] gestelde gebreken. Hij voert aan dat niet alle door [eiser] gestelde gebreken zich voordoen in het aangenomen werk. [eiser] heeft bijvoorbeeld de installatiewerkzaamheden en loodgieterswerkzaamheden zelf aan [onderneming 1] uitbesteed. Ook met de stukadoor heeft [eiser] zelf gecontracteerd. Het bitumen platte dak op de eerste etage (vervanging dakkapel) staat ook niet in de overeenkomst. [gedaagde] zou dit alleen uitvoeren waar de koepel zat, hetgeen hij heeft gedaan. [gedaagde] stelt dat hij voor gebreken in die werkzaamheden dus niet kan worden aangesproken. [gedaagde] erkent dat het werk dat door hem moest worden verricht hier en daar gebrekkig is geweest, maar merkt op dat het werk nog niet af was en indien hij daartoe in staat was gesteld het werk goed had opgeleverd. Hij had namelijk nog 26 dagen te gaan.

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet bevoegd was de overeenkomst te ontbinden. Daar zijn twee redenen voor. Artikel 7:756 lid 1 BW stond buitengerechtelijke ontbinding door [eiser] in de weg en van een ‘anticipatory breach’ (lees: artikel 6:80 BW) situatie was ook geen sprake. De rechtbank zal dat toelichten.

Artikel 7:756 lid 1 BW stond buitengerechtelijke ontbinding in de weg.

3.6.

De hoofdverplichting van een aannemer is om het werk uit te voeren én op te leveren (artikel 7:750 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Daarvoor had [gedaagde] de tijd gekregen tot 31 juli 2020 en hij mocht dat naar eigen inzicht doen. Dat blijkt uit artikel 8 en 9 van de overeenkomst. Welke werkzaamheden [gedaagde] moest verrichten, staat globaal in artikel 2 van de overeenkomst, maar de werkomschrijving staat in de offertes. Deze zijn niet zijn overgelegd, met uitzondering van die van [onderneming 1] . [eiser] heeft de oplevering door [gedaagde] echter niet afgewacht omdat volgens hem duidelijk was dat [gedaagde] de planning waarschijnlijk niet zou halen. De tekortkoming bestond volgens [eiser] dus uit het mogelijk niet tijdig kunnen opleveren van het werk. De rechtbank stelt vast dat in het door partijen overgelegde stukken niet valt te lezen dat [eiser] met [gedaagde] een bepaalde planning overeen was gekomen, anders dan de opleverdatum van 31 juli 2020. Wat hier ook van zij, het ontbinden van een overeenkomst van aanneming van werk op de grond dat waarschijnlijk is geworden dat nakoming door de aannemer niet zonder tekortkoming zal plaatsvinden reeds vóór de datum van oplevering kan op grond van artikel 7:756 lid 1 BW uitsluitend door een beslissing van de rechter plaatsvinden. Dit maakt dat [eiser] niet bevoegd was de overeenkomst buitengerechtelijke te ontbinden. Voornoemd artikel is immers van dwingend recht en wordt ambtshalve toegepast. Daarvan kan niet worden afgeweken. Ook niet bij overeenkomst. Het beroep op artikel 15 lid 1 van de overeenkomst faalt.

Een situatie van anticipatory breach doet zich ook niet voor.

3.7.

Buitengerechtelijke ontbinding van een overeenkomst van aanneming van werk vóór het moment van oplevering is op grond van artikel 6:265 BW in verbinding met artikel 6:80 lid 1 BW wel mogelijk indien:

  • -

    a) vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk is;

  • -

    b) uit een mededeling van aannemer is af te leiden dat hij zal tekortschieten, of

  • -

    c) opdrachtgever goede gronden heeft te vrezen dat aannemer zal tekortschieten en aannemer niet bereid is te verklaren zijn verplichtingen te zullen nakomen.

3.8.

Voor zover [eiser] een beroep heeft willen doen op de situaties zoals beschreven onder 3.7. gaat dat betoog niet op. Niet gebleken is dat op 5 juli 2020 vast stond dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk was. [eiser] heeft diverse gebreken opgesomd en ter onderbouwing daarvan verwezen naar een rapport (‘Deelinspectie’) van bouwinspecteur [A] , van [onderneming 2] (waarvan niet bekend is op welke datum het rapport is opgemaakt) waaruit volgens hem moet blijken dat er zóveel gebreken waren dat het werk nooit op 31 juli 2020 kon worden opgeleverd. Dat rapport vindt de rechtbank onvoldoende en het onderbouwt de stelling van [eiser] niet. In de eerste plaats het een eenzijdig dus niet onafhankelijk rapport. Niet blijkt dat [A] [gedaagde] heeft gehoord met betrekking tot de door [eiser] geuite klachten en/of hij kennis heeft genomen van de inhoud van de overeenkomst tussen partijen en de daaraan ten grondslag gelegen offertes, waarin de werkzaamheden zijn beschreven. Uit het rapport maakt de rechtbank op dat [A] op 30 juli 2020, ruim ná de ontbindingsverklaring, de werkzaamheden in het pand van [eiser] heeft beoordeeld. In het rapport wordt gezegd dat de opdracht is verstrekt om het dakconstructie en de dakkapel te beoordelen, maar bij de algemene opmerkingen geeft [A] een ‘beknopte opsomming’ van de ‘foutieve werkzaamheden en de gebreken’. [A] vindt die werkzaamheden dan slecht en slordig en geeft vervolgens een schatting van de kosten (€ 100.000,00).

3.9.

[A] heeft dus niet onderzocht of [gedaagde] het aangenomen werk nog vóór 31 juli 2020 zonder gebreken had kunnen afronden. Het tegendeel blijkt bovendien uit zijn verklaring. [A] zegt bij de algemene opmerkingen dat [eiser] al een groot deel van het werk heeft ‘hersteld’. De rechtbank gaat er vanuit dat [A] dat op 30 juli 2020 heeft beoordeeld, omdat een ander datum in het rapport niet wordt genoemd. Op 30 juli 2020 was dus een groot deel van ‘de gebreken’ al hersteld. Dat vast stond dat [gedaagde] het werk niet tijdig en/of zonder tekortkoming kon opleveren is dus niet gebleken. Nu [eiser] zijn stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering.

3.10.

Een beroep op artikel 6:80 lid 1 sub b en c BW gaat evenmin op. Daarvoor is namelijk nodig dat de aannemer ( [gedaagde] ) een uitdrukkelijk, definitieve, mededeling en/of verklaring heeft gedaan tekort te zullen schieten. Dat [gedaagde] een dergelijke mededeling dan wel verklaring heeft gedaan is niet gebleken. Uit de overgelegde Whatsappcorrespondentie blijkt juist dat [gedaagde] meerdere malen zegt het werk ruim vóór 31 juli 2020 af te kunnen maken.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de hoofdvorderingen van [eiser] onder I, II en III en daaraan verbonden nevenvorderingen onder V en VI zullen worden afgewezen. De overeenkomst is door [eiser] immers op 5 juli 2020 in z’n geheel ontbonden. Hij kan dan ook niet meer ontbinding vanaf 5 juli 2020 vragen. Die ontbinding is onterecht en dus nietig geweest. Of er sprake is van wanprestatie, is niet komen vast te staan. Het werk was niet af en heeft [eiser] het werk ook door een anderen laten afmaken, zodat vaststelling van de gestelde wanprestatie door [gedaagde] onmogelijk is gemaakt. Dat [gedaagde] onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens [eiser] is door [eiser] gevorderd, maar in het geheel niet onderbouwd, zodat de rechtbank daarover geen oordeel zal geven.

Vordering IV

3.12.

[eiser] vordert nog betaling van € 28.000,00. Aan die vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij de factuur 2020-0021 van [gedaagde] van € 28.698,00 onverschuldigd heeft betaald, dan wel is [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt omdat de tegenprestatie niet is geleverd. [eiser] verwijst daarbij naar het rapport van [A] waaruit volgens hem blijkt dat het werk niet voor 85% af was, terwijl [eiser] dat wel heeft gefactureerd. [gedaagde] betwist dit. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] hem niet in staat gesteld het werk af te maken. Volgens [gedaagde] zijn de in de factuur genoemde werkzaamheden wel degelijk verricht.

3.13.

De rechtbank overweegt als volgt. De betreffende factuur bestaat uit een termijnbetaling (zoals overeengekomen in artikel 6 van de overeenkomst), meerwerkkosten en parkeerkosten. Dat [eiser] de termijnbetaling niet verschuldigd was omdat het werk niet voor 85% af was, heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. Anders dan [eiser] stelt is door [A] namelijk helemaal niet onderzocht hoe ver [gedaagde] was met uitvoering van de werkzaamheden. [eiser] heeft ook nagelaten de relevante stukken, zoals de offertes (werkomschrijvingen) over te leggen, zodat de rechtbank dit ook niet zelfstandig kan beoordelen. Het meerwerk dat in de betreffende factuur wordt genoemd is door [eiser] niet weersproken. [eiser] heeft nog gesteld dat hij niet gehouden is de parkeerkosten van [gedaagde] te betalen, maar ter zitting heeft hij daarover anders verklaard. Op de zitting heeft [eiser] uit de offerte van [gedaagde] voorgelezen waarin stond dat de aanneemsom exclusief parkeerkosten was. Dit betekent dat partijen wél overeengekomen waren dat [eiser] de parkeerkosten nog moest betalen.

Het is daarom niet komen vast te staan dat [eiser] onverschuldigd heeft betaald. Deze vordering wordt dus als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Aan bewijslevering komt de rechtbank daarom ook niet toe.

Vordering VII

3.14.

[eiser] vordert nog een verklaring voor recht dat de Algemene Voorwaarden van [gedaagde] niet van toepassing zijn. De rechtbank begrijpt dat [eiser] deze vordering heeft ingesteld naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] die zich heeft beroepen op zijn algemene voorwaarden en gesteld dat de datum van 31 juli 2020 géén fatale termijn betrof. Volgens [eiser] heeft hij de Algemene Voorwaarden niet ontvangen, anders zijn ze vernietigbaar omdat daarin onredelijke bedingen zijn opgenomen. [gedaagde] heeft gemotiveerd aangevoerd dat [eiser] de Algemene Voorwaarden wél in ontvangst heeft genomen. Dit blijkt volgens hem onder meer uit een e-mail en artikel 16 van overeenkomst, waarin staat dat de Algemene Voorwaarden van [gedaagde] van toepassing zijn verklaard en dat [eiser] die heeft ontvangen.

3.15.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het antwoord op de vraag of de Algemene voorwaarden van [gedaagde] wel of niet van toepassing zijn in het midden blijven omdat [eiser] géén belang meer heeft bij die vordering nu zijn hoofdvordering met betrekking tot ontbinding van de overeenkomst is gesneuveld. Daarbij komt dat voor de vaststelling of [eiser] de Algemene Voorwaarden van [gedaagde] heeft ontvangen het leveren van nader bewijs noodzakelijk is, terwijl die bewijslevering niet zal leiden tot een relevante beslissing in deze procedure. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

3.16.

Nu alle vorderingen van [eiser] zijn afgewezen, kan [eiser] ook geen aanspraak maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en/of wettelijke rente.

3.17.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 937,00

- salaris advocaat € 3.540,00 (2 punten x tarief € 1.770,00)

Totaal € 4.477,00

3.18.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3.19.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

In reconventie

Onterechte ontbindingsverklaring en onrechtmatig beslag

3.20.

[gedaagde] vordert in reconventie in de eerste plaats een verklaring voor recht dat de ontbinding door [eiser] (op 5 juli 2020) ten onrechte is ingeroepen en dat de ontbindingsverklaring van [eiser] daarom ongerechtvaardigd is. Volgens [gedaagde] is daardoor ook de door [eiser] gelegde beslagen onrechtmatig.

3.21.

Nu in conventie is vast komen te staan dat [eiser] de overeenkomst niet rechtsgeldig heeft ontbonden, staan de vorderingen onder a en b van [gedaagde] voor toewijzing gereed.

Schade

3.22.

[gedaagde] stelt dat hij door die onterecht ingeroepen ontbinding en de door [eiser] gelegde beslagen schade heeft geleden die [eiser] moet vergoeden. Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ1684) stelt [gedaagde] dat de ontbindingsverklaring van [eiser] verzuim aan zijn zijde oplevert en is [eiser] daarom schadeplichtig. Hoe groot zijn schade is, kan [gedaagde] nu niet precies zeggen. Hij vordert daarom een verklaring voor recht dat [eiser] schadeplichtig is, een verwijzing naar de schadestaatprocedure en € 14.000,00 bij wijze van voorschot.

3.23.

Op grond van artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt die schade ook in dat vonnis te begroten. Voor zover die begroting niet mogelijk is, kan hij verwijzen naar de schadestaatprocedure. In het laatst genoemd geval moet wel aannemelijk zijn dat er schade is geleden of zal worden geleden. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om voor de begroting van de schade te verwijzen naar de schadestaatprocedure, omdat voor zover [gedaagde] schade heeft geleden deze nu al begroot kan worden. De rechtbank geeft daarover de volgende motivering.

3.24.

Dat [gedaagde] op dit moment schade heeft geleden vanwege het door [eiser] gelegd beslag, is niet komen vast te staan. [gedaagde] heeft op de zitting immers verklaard dat hij zijn hypotheekverplichtingen kan voldoen, - de leningen zijn renteloos - en hij heeft ook geen last van het beslag op zijn bankrekening, het huis en de inboedel. Dit betekent dat de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] jegens [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] heeft geleden door de gelegde beslagen zal afwijzen. Het is ook niet aannemelijk dat [gedaagde] in de toekomst nog schade zal leiden als gevolg van deze beslagen, omdat (zoals hierna zal blijken) de beslagen worden opgeheven.

3.25.

Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding als gevolg van de onterecht ingeroepen ontbinding verwijst [gedaagde] terecht naar het voornoemd arrest van de Hoge Raad. De door de Hoge Raad genoemde situatie doet zich nu voor. Er is sprake van een niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring (van [eiser] ) die door de wederpartij ( [gedaagde] ) wordt betwist, maar niettemin gaan beide partijen ervan uit dat de overeenkomst is beëindigd. De Hoge Raad heeft overwogen dat in zo’n geval de schade die het gevolg is van het niet (verder) uitvoeren van de overeenkomst, daaronder begrepen het zogenoemde positief contractsbelang, vergoed moet worden door de schuldenaar wiens verzuim (in dit geval [eiser] ) heeft geleid tot het niet (verder) uitvoeren van de overeenkomst. (vgl., r.o. 3.3.4 van het arrest).

3.26.

[gedaagde] heeft dus in ieder geval recht op het positief contractsbelang. [gedaagde] heeft conform de overeengekomen betalingstermijn van artikel 6 van de overeenkomst drie facturen gestuurd die door [eiser] zijn betaald. [gedaagde] heeft dus 90% van de aanneemsom betaald gekregen. De rechtbank gaat ervan uit dat [gedaagde] zijn winst over die 90% van de aanneemsom ook heeft ontvangen. [gedaagde] kan alleen nog aanspraak maken op de winst over het nog niet betaalde deel van de aanneemsom. Dat is dus 10%, van de aanneemsom of wel € 11.597,85 (inclusief btw). Uit de door [gedaagde] overgelegde begroting1 die de basis voor zijn offerte is geweest, maakt de rechtbank op dat [gedaagde] een winstpercentage van 2% hanteert. Dat betekent dat [gedaagde] aanspraak kan maken op (2% van € 11.597,85 =) € 231,96 inclusief btw en niet op het volledige bedrag van € 11.597,85, waarvan [gedaagde] uitgaat. De gevorderde wettelijke rente over € 231,96 zal als onweersproken worden toegewezen.

3.27.

In het door [gedaagde] gevorderde voorschot van € 14.000,00 zit nog de kosten voor twee bouwcontainers (€ 1.188,22), een raam (€ 977,10 incl. btw), de niet betaalde parkeerkosten (€ 1.391,82) en het nog niet gefactureerde meerwerk (€ 3.245,84). [eiser] heeft deze kosten gemotiveerd betwist.

3.28.

De rechtbank overweegt allereerst dat de vordering met betrekking tot de kosten van de bouwcontainers, de parkeerkosten en het meerwerk géén schadevergoeding betreft, maar ziet op nakoming. [gedaagde] stelt immers dat hij daar recht op heeft omdat hij dat met [eiser] overeengekomen is. De kosten voor het gekochte raam vordert [gedaagde] vanwege het niet kunnen uitvoeren van aangenomen meewerk.

Bouwcontainers

3.29.

[gedaagde] stelt dat hij de kosten van drie bouwcontainers heeft voorgeschoten, maar slechts een container heeft gefactureerd. Hij vordert nu de kosten voor nog twee bouwcontainers. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde] meer dan één container zou hebben gebruikt. [gedaagde] heeft vervolgens op geen enkele wijze aangetoond dat hij die kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. De vordering op dit onderdeel is onvoldoende onderbouwd en zal worden afgewezen.

Parkeerkosten

3.30.

Dat [eiser] de parkeerkosten van [gedaagde] moest betalen is reeds vastgesteld, maar [gedaagde] heeft niet aangetoond dat hij parkeerkosten heeft gemaakt die door [eiser] nog niet zijn betaald. [gedaagde] heeft namelijk bij de factuur van 20 juni 2020 € 430,13 aan parkeerkosten ‘tot nu toe’ in rekening gebracht en betaald gekregen. Voor zover [gedaagde] meer kosten heeft gemaakt die niet zijn gefactureerd, heeft [gedaagde] dat niet onderbouwd. De verwijzing naar de algemene parkeertarieven van de gemeente [naam gemeente] en de stelling dat hij gedurende 9 weken 40 uur per week heeft geparkeerd, vindt de rechtbank onvoldoende. [gedaagde] kon, gelet op de betwisting door [eiser] , niet volstaan met een abstracte begroting, omdat deze kosten volgens hem daadwerkelijk zijn gemaakt. Bovendien heeft [gedaagde] ook niet gesteld in hoeverre hij rekening heeft gehouden met de reeds betaalde parkeerkosten. Ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

Kosten raam en meerwerk

3.31.

Ook is niet komen vast te staan welk meerwerk [eiser] heeft opdragen aan [gedaagde] heeft opgedragen en of [gedaagde] dat heeft verricht. [eiser] heeft het gestelde meerwerk gemotiveerd betwist en [gedaagde] heeft daarover wisselende standpunt ingenomen. Enerzijds stelt [gedaagde] dat hij meerwerk heeft aangenomen dat niet door hem is uitgevoerd, waardoor hij met de kosten van het gekochte raam zit en anderzijds stelt hij bij akte overlegging producties voor de mondelinge behandeling dat hij nog € 3.245,84 aan meewerk van [eiser] te vorderen heeft. Nu [gedaagde] zijn stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, zal dit deel van de vordering ook worden afgewezen.

Opheffing beslag

3.32.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank de door [eiser] gelegde beslagen opheft, dan wel [eiser] zal veroordelen dat te doen. [eiser] heeft hiertegen geen verweer gevoerd.

3.33.

In artikel 705 lid Rv is bepaald dat de rechter op vordering van iedere belanghebbende een conservatoir beslag kan opheffen, op de gronden genoemd in het tweede lid van dat artikel. Een van de gronden is indien blijkt dat het ingeroepen recht door de beslaglegger (in dit geval [eiser] ) ondeugdelijk is. Nu [eiser] in conventie in het ongelijk is gesteld, staat voor nu vast dat het gelegd beslag onrechtmatig was. De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] daarom toewijzen.

Proces- en nakosten

3.34.

[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 956,00 (2 punten x tarief € 478,00) aan salaris advocaat. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3.35.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 4.477,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in reconventie

4.3.

verklaart voor recht dat de ontbinding door [eiser] (op 5 juli 2020) ten onrechte is ingeroepen en dat de ontbindingsverklaring van [eiser] ongerechtvaardigd is,

4.4.

verklaart voor recht dat alle door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen onrechtmatig zijn,

4.5.

verklaart voor recht dat [eiser] vanwege de onder 4.3 genoemde onrechtmatigheid schadeplichtig is jegens [gedaagde] ,

4.6.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 231,96, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 23 september 2020 tot de dag van volledige betaling,

4.7.

heft alle door [eiser] gelegde conservatoire beslagen op, waaronder die op het mede aan [gedaagde] in eigendom toebehorende onroerend goed staande en gelegen in [plaatsnaam] ( [postcode] ) aan de [adres 2] , en alle derdenbeslagen onder de ABN AMRO Bank N.V. en de ING Bank N.V. en de Coöperatieve Rabobank U.A.,

4.8.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 956,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.9.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en reconventie

4.10.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 255,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

4.11.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2, 4.6, 4.7., 4.8. en 4.10 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2021.2

1 Productie 11 van [gedaagde]

2 type: AS/4879 coll: Dv