Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5488

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-11-2021
Datum publicatie
23-11-2021
Zaaknummer
9367218 UE VERZ 21-230
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding bij ernstig verwijtbaar handelen werkgever, (geen) volledige advocaatkosten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 9367218 UE VERZ 21-230 MS/1270

Beschikking van 5 november 2021

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. H. Eijer,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.L. Sterrenberg.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoekschrift met producties ingediend, dat op 29 juli 2021 door de griffie van de rechtbank is ontvangen.

1.2.

[verweerder] heeft een verweerschrift met zelfstandige verzoeken en producties ingediend.

1.3.

[verzoekster] heeft een verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van [verweerder] , een aanvulling op het verzoekschrift en nadere producties ingediend.

1.4.

[verweerder] heeft daarna nog nadere producties ingediend.

1.5.

Op 7 oktober 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar namens [verzoekster] zijn verschenen de heer [A] , bestuurder van [verzoekster] , zijn echtgenoot mevrouw [B] en mr. H. Eijer, gemachtigde van [verzoekster] . [verweerder] is verschenen met zijn gemachtigde mr. Sterrenberg. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigde van [verweerder] gebruik heeft gemaakt van pleitnotities. Partijen hebben op elkaars standpunten kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat in deze zaak uitspraak zal worden gedaan.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1980, is op 4 juli 2007 bij de rechtsvoorgangster van [verzoekster] in dienst getreden als tegelzetter. [verzoekster] heeft de onderneming eind 2015 overgenomen. [verzoekster] en [verweerder] hebben per 1 oktober 2015 een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. Per 17 juli 2017 hebben zij een gewijzigde arbeidsovereenkomst gesloten, waarbij de functie van [verweerder] is gewijzigd in uitvoerder. Het bruto salaris van [verweerder] bedraagt op dit moment € 6.630,00 per vier weken (omgerekend € 7.182,50 per maand exclusief vakantietoeslag).

2.2.

Op 26 april 2021 heeft [verweerder] ’s avonds op het huisadres van de heer en mevrouw [achternaam van A en B] een gesprek gehad over zijn functioneren en zijn wens om - kort gezegd - minder uren te werken. Partijen hebben hierover geen overeenstemming kunnen bereiken en het gesprek hierover is verder ook niet goed verlopen. [verweerder] heeft tijdens dit gesprek in een emotionele opwelling aangegeven met het werk te willen stoppen.

2.3.

[verweerder] heeft zich op 28 april 2021 ziekgemeld.

2.4.

De gemachtigde van [verzoekster] heeft [verweerder] bij brief van 29 april 2021 onder meer het volgende geschreven:

“Onlangs heeft u aan cliënte aangegeven dat u in verband met privé omstandigheden niet meer in staat bent om volledige invulling te geven aan de gesloten arbeidsovereenkomst. In dat kader heeft u cliënte gevraagd of u - met behoud van uw volle salaris - minder en deels vanuit huis kunt gaan werken. Cliënte heeft hierop aangegeven dat dit om bedrijfseconomische en praktische redenen niet tot de mogelijkheden behoort.

Omdat u geen volledige invulling meer kunt geven aan de inhoud van de arbeidsovereenkomst en cliënte u niet in uw wensen tegemoet kan komen heeft u aangegeven dat er een einde dient te komen aan de arbeidsovereenkomst. In dat kader is cliënte bereid om middels een vaststellingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst te beëindigen.”

2.5.

Bij deze brief was een vaststellingsovereenkomst gevoegd die inhield dat de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2021 zonder toekenning van een vergoeding met wederzijds goedvinden zou worden beëindigd.

2.6.

[verweerder] heeft dit voorstel bij brief van zijn gemachtigde van 4 mei 2021 afgewezen. Hij heeft daarbij betwist dat hij zou hebben aangegeven niet meer in staat te zijn volledig invulling te geven aan de gesloten arbeidsovereenkomst en met behoud van salaris minder en deels thuis te willen werken. Hij heeft gesteld dat hij alleen heeft aangegeven niet meer in de weekenden te willen werken en op vrijdagochtend vanaf 6.00 uur vanuit huis wil starten om zijn kinderen naar school te brengen en ze om 14.00 uur weer van school wil halen. Wanneer het werk dat niet toelaat staat zijn moeder op achterwacht.

2.7.

De gemachtigde van [verzoekster] heeft dit verzoek bij e-mail van 5 mei 2021 afgewezen. [verzoekster] verwijt [verweerder] daarbij ook dat hij vanaf februari voor collega’s slecht bereikbaar is geweest en plotseling vakantie heeft opgenomen zonder zijn werkzaamheden fatsoenlijk over te dragen. Volgens [verzoekster] heeft [verweerder] hiermee haar vertrouwen op ernstige wijze geschaad en is zij genoodzaakt meer controle uit te oefenen. [verweerder] zal zich weer moeten inspannen om het vertrouwen te herwinnen.

2.8.

De gemachtigde van [verweerder] heeft hier bij e-mail van 7 mei 2021 inhoudelijk op gereageerd. Zij heeft er verder op gewezen dat [verweerder] ziek is en dat het oordeel van de bedrijfsarts moet worden afgewacht. Zij heeft [verzoekster] verzocht zich in de tussentijd te onthouden van het neerleggen van werkgerelateerde verzoeken bij [verweerder] , omdat het handelen van [verzoekster] zijn herstel schaadt.

2.9.

[verzoekster] heeft [verweerder] op 11 mei 2021 verzocht zijn iPad, laptop en mobiele telefoon in te leveren omdat de simkaarten moesten worden vernieuwd. Voordat [verzoekster] de laptop zou ophalen, kreeg zij van haar IT-beheerder het bericht dat in het IT-systeem zichtbaar was dat alle gegevens van de laptop door [verweerder] werden verwijderd. [verzoekster] heeft nog informatie in de “prullenbak” kunnen terugvinden, waaronder e-mails van de lease-maatschappij waarvan de bedrijfsauto van [verweerder] (hierna ook wel de Volvo genoemd) werd geleased, met de ritadministratie van deze auto. [verzoekster] heeft uit deze ritadministratie afgeleid dat [verweerder] zich tijdens werktijd met privéaangelegenheden bezighield.

2.10.

De bedrijfsarts heeft op 12 mei 2021 een rapportage uitgebracht. Hierin oordeelt hij dat [verweerder] volledig arbeidsongeschikt is. Verder schrijft hij onder meer:

“Het beeld is multifactoreel bepaald, zowel intrapersoonlijk, als privégerelateerd als werkgerelateerd, waarbij in visie van werknemer wordt geduid op een actuele arbeidsconflictueuze situatie. Wat betreft dit laatste hantering STECR richtlijn AC ten einde tot een mogelijke oplossen hiervan te komen, zo nodig met inzet van mediation. (…) Contact wn-wg mogelijk geacht, zn mid. mediator. Verwacht mag worden: gerichtheid van wn op herstel en vanuit wg en wn voor oplossen AC.”

2.11.

De gemachtigde van [verzoekster] heeft de gemachtigde van [verweerder] per e-mail van 14 juli 2021 meegedeeld dat het ernstige vermoeden bestaat dat [verweerder] zich tijdens de overeengekomen werktijden niet altijd heeft ingezet voor de onderneming, dat hij vanaf december 2020 ondanks geregelde verzoeken van [verzoekster] geen urenstaten meer heeft ingediend en dat het niet werken op tijdstippen dat dit wel behoorde te gebeuren een voldoende dringende reden is voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De gemachtigde van [verzoekster] heeft [verweerder] in de gelegenheid gesteld om binnen twee dagen zijn urenstaten te overleggen en daarmee aan te tonen dat hij zich tijdens werktijd daadwerkelijk heeft ingezet voor de onderneming. Als binnen deze termijn geen urenstaten zouden zijn ontvangen die het bewijs van [verzoekster] weerleggen, zou de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden worden ingezet. [verzoekster] was ook bereid medewerking te verlenen aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, waarbij echter geen vergoeding aan [verweerder] zou worden toegekend.

2.12.

[verweerder] heeft naar aanleiding van deze e-mail geen urenstaten ingediend en er heeft geen beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden plaatsgevonden.

3 Het verzoek en de zelfstandige tegenverzoeken

3.1.

[verzoekster] verzoekt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden op grond van een dringende reden als genoemd in artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW), subsidiair op grond van het bepaalde in artikel 7:669 lid 3 sub e, g en/of h BW, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[verweerder] voert verweer en verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen.

3.3.

Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] subsidiair:

I. [verzoekster] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van een transitievergoeding van € 37.697,60 bruto en een billijke vergoeding van € 465.420,00 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

II. bij het bepalen van de einddatum de opzegtermijn van drie maanden in acht te nemen zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van de ontbindingsbeschikking;

primair en subsidiair: [verzoekster] te veroordelen:

III. tot betaling aan [verweerder] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde vergoedingen tot aan de dag van algehele voldoening;

IV. in de kosten van de procedure;

V. tot afgifte van de spullen van [verweerder] , waaronder Olympische stang en schijven (2x20 kg, 2x15 kg, 2x10 kg, 2x5 kg en 2x2,5 kg) binnen twee weken na deze beschikking, op straffe van een dwangsom van € 200,00 bij niet nakoming en € 50,00 voor iedere dag dat [verzoekster] verzuimt na te komen.

3.4.

Ter zitting heeft [verweerder] in aanvulling op zijn zelfstandige verzoeken de kantonrechter verzocht [verzoekster] te veroordelen in de daadwerkelijke advocaatkosten.

3.5.

[verzoekster] verzoekt de zelfstandige verzoeken van [verweerder] af te wijzen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure. Zij heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van het verzoek op zich.

4 De beoordeling

inleiding

4.1.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op een in de wet omschreven grond. Op grond van artikel 7:671b lid 2 BW dient de kantonrechter te onderzoeken of aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan en – daarmee – of deze redelijke grond de verzochte ontbinding kan dragen.

4.2.

[verzoekster] heeft haar verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst in haar verzoekschrift primair gebaseerd op een dringende reden als genoemd in artikel 7:678 BW. Zij heeft in haar aanvullend verzoekschrift toegelicht dat hiermee ontbinding wegens ernstige verwijtbaarheid op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW wordt bedoeld. Zij verzoekt subsidiair om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) dan wel wegens andere dan de in artikel 7:669 lid 3 sub a tot en met g BW genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de h-grond).

opzegverbod

4.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is eerst onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Daarvan is sprake. Tussen partijen is immers niet in geschil dat [verweerder] op dit moment ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het opzegverbod tijdens ziekte staat in deze zaak echter aan ontbinding niet in de weg. Artikel 7:671b lid 6 onder a en b BW bepaalt dat ontbinding mogelijk is indien de verzochte ontbinding geen verband houdt met – kort gezegd – de arbeidsongeschiktheid door ziekte van [verweerder] dan wel dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het belang van [verweerder] is. [verweerder] heeft gesteld dat de huidige situatie zijn gezondheid geweld aandoet en dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst daarom in de rede ligt. Gelet hierop is sprake van de in artikel 7:671b lid 6 onder b BW genoemde situatie, dat de arbeidsovereenkomst in het belang van [verweerder] behoort te eindigen.

4.4.

Over de vraag op welke grond de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, wordt het volgende overwogen.

afwijzing ontbinding op de e-grond

4.5.

Voorwaarde voor ontbinding op de e-grond is dat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verzoekster] legt aan haar verzoek om de arbeidsovereenkomst op deze grond te ontbinden ten grondslag dat [verweerder] zonder toestemming of rechtvaardigingsgrond substantieel te weinig uren voor haar heeft gewerkt en dat hij tijdens werktijd voor [verzoekster] onbereikbaar was. De frequentie waarmee [verweerder] zich tijdens werktijd bezighield met privéaangelegenheden en het aantal uren dat hij daardoor niet werkte, rechtvaardigt volgens [verzoekster] de ontbinding. [verweerder] is nog in de gelegenheid gesteld om zich te verantwoorden en aan te tonen dat hij zich wél volledig had ingezet voor zijn werk, maar hij heeft bij monde van zijn advocaat laten weten dat niet te kunnen.

4.6.

[verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [verweerder] stelselmatig te weinig uren heeft gewerkt, de ritadministratie van de Volvo over de periode van 18 november 2020 tot en met 15 maart 2021 en van 15 maart 2021 tot en met 28 april 2021 in het geding gebracht. Hieruit blijkt volgens [verzoekster] dat [verweerder] onder werktijd de sportschool heeft bezocht, zijn kinderen heeft gebracht en gehaald, zijn ex-echtgenote heeft bezocht, potentiële koopwoningen heeft bezichtigd, thuis heeft verbleven en zich bezig heeft gehouden met andere privéaangelegenheden. [verweerder] kon niet vanuit huis werken, omdat hij het door [verzoekster] gebruikte softwareprogramma niet beheerst. Bovendien moeten alle hem opgedragen taken worden uitgevoerd op de bouwlocaties of op kantoor. Volgens [verzoekster] moest [verweerder] zijn werk ’s ochtends op kantoor beginnen om werknemers en ingehuurde zzp’ers instructies te geven en moest hij daarna de verschillende projecten bezoeken voor het controleren van de werkzaamheden en het onderhouden van contact met de opdrachtgevers.

4.7.

[verweerder] betwist dat hij jegens [verzoekster] verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. Hij stelt dat hij tussen de 60 en 70 uur per week werkte. Hij verrichtte zijn werkzaamheden op veel locaties, maar hij bereidde ook veel projecten thuis voor en werkte veel vanuit huis. Hij was zelf verantwoordelijk voor zijn tijdsindeling en het was volgens [verweerder] geen regel dat hij ’s ochtends op kantoor begon. Hij heeft [verzoekster] er in mei 2020 van op de hoogte gesteld dat hij verwikkeld was in een vechtscheiding met zijn ex-partner. Deze situatie heeft samen met de druk en het onbegrip van [verzoekster] geleid tot zijn uitval op 28 april 2021. [verweerder] stelt dat hij zich desondanks tot zijn uitval 100% heeft ingezet voor [verzoekster] . [verweerder] stelt verder dat [verzoekster] had aangegeven dat hij tijdens werktijd naar afspraken met jeugdbescherming en andere privéafspraken mocht gaan, zolang hij maar bereikbaar bleef. De urenadministratie was daarbij volgens [verzoekster] minder belangrijk. De uren waren niet nodig voor de salarisadministratie en veel werk dat [verweerder] deed als projectleider was niet direct factureerbaar bij klanten. [verzoekster] en [verweerder] hadden afgesproken dat [verweerder] niet zo strikt hoefde te schrijven en 4 tot 8 uur per dag globaal kon wegschrijven. [verweerder] stelt dat hij voorafgaand aan de discussie die in maart/april 2021 is ontstaan over de voorzetting van zijn arbeidsovereenkomst nooit schriftelijk is aangesproken over de zaken die [verzoekster] nu ten grondslag legt aan het verzoek om ontbinding. [verweerder] stelt ten aanzien van de door [verzoekster] overgelegde rittenadministratie dat hij in de weken van 8 tot 12 maart 2021 en van 22 maart tot 9 april 2021 vrij is geweest. [verzoekster] houdt er volgens [verweerder] geen rekening mee dat hij thuis veel administratief werk deed en dat zijn adres in augustus 2020 door zijn scheiding was gewijzigd naar [woonplaats] . Daarvoor heeft hij op veel tijdelijke adressen verbleven. Veel tijdstippen in de rittenadministratie waarvan [verzoekster] stelt dat hij niet heeft gewerkt, betreffen weekenden en avonden. Uit de rittenadministratie blijkt overigens ook dat hij doordeweeks, ’s avonds en in het weekend overwerkte. [verweerder] betwist dat hij tijdens werktijd de sportschool heeft bezocht en woningen heeft bezichtigd.

4.8.

[verzoekster] betwist dat zij [verweerder] toestemming heeft gegeven om binnen werktijd naar de sportschool te gaan, zijn kinderen te halen en brengen van school en voetbal, zaken te regelen en besprekingen te hebben met instanties voor zijn echtscheiding of kinderen. Zij stelt verder dat [verweerder] ’s avonds en in het weekend vaak op kantoor was om in het magazijn te trainen of om met zijn vriendin af te spreken. [verzoekster] heeft een overzicht van de inloggegevens van de pc van [verweerder] over de periode van 9 oktober 2020 tot en met 23 april 2021 in het geding gebracht. Deze inloggegevens zijn afkomstig van twee IP-adressen (één IP-adres van het kantoor van [verzoekster] en één privé IP-adres van [verweerder] ) waarmee [verweerder] op het systeem van [verzoekster] heeft ingelogd. Volgens [verzoekster] blijkt uit dit overzicht dat [verweerder] op tijdstippen waarop hij volgens eigen opgave op kantoor was of thuiswerkte, niet op het systeem heeft ingelogd. Volgens [verzoekster] kan [verweerder] alleen door in te loggen zijn werk doen en bij de bedrijfsinformatie komen.

4.9.

[verweerder] stelt dat hij in de weken dat hij op momenten naar privéverplichtingen moest, de tijd op andere dagen, in de avond en in het weekend inhaalde. Hij betwist dat hij ’s avonds of in het weekend op kantoor aan het sporten of met zijn vriendin was. [verweerder] stelt verder dat uit het overzicht van de inloggegevens niet blijkt dat hij in de uren dat hij thuis of op kantoor was niet heeft gewerkt. Hij wijst erop dat het overzicht alleen de inloggegevens en niet de uitloggegevens weergeeft en stelt verder dat het alleen nodig was op het systeem in te loggen voor het programma voor de boekhouding en de facturatie. Voor telefonisch overleg, behandelen van e-mail, werken op de iPad, werkvoorbereiding en ander (offline) werk was het niet nodig om in te loggen. [verweerder] stelt ten slotte dat hij ook via zijn telefoon en iPad via een app kon inloggen met een ander IP-adres dan op het overzicht vermeld staat.

4.10.

Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende gebleken dat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerder] dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat - gelet op het gemotiveerde verweer van [verweerder] - niet is komen vast te staan dat hij in de periode van 18 november 2020 tot en met 28 april 2021 substantieel te weinig uren voor [verzoekster] heeft gewerkt en zich in plaats daarvan tijdens werktijd met privéaangelegenheden heeft beziggehouden en dat hij tijdens werktijd onvoldoende bereikbaar was. Dit kan niet uit de overgelegde rittenstaten en het overzicht van de inloggegevens worden afgeleid, nu [verweerder] daartegenover heeft gesteld dat hij ook thuis kon werken zonder op het systeem in te loggen, dat hij ook via een ander IP-adres dan in het overzicht wordt genoemd in kon loggen en dat hij eventuele privéafspraken ’s avonds of in het weekend inhaalde. [verzoekster] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Het had op haar weg gelegen om concreet aan te geven welke taken door [verweerder] niet werden verricht, op welke momenten hij niet bereikbaar was terwijl dat wel van hem had mogen worden verwacht en wat de invloed daarvan was op de bedrijfsvoering. [verzoekster] heeft dit echter niet gedaan. Uitgaande van de stellingen van [verzoekster] over de functie van [verweerder] en de omvang van diens afwezigheid, is het ook slecht voorstelbaar dat dit vrijwel onopgemerkt is gebleven en eerst door kennisneming van de ritstaten na de ziekmelding van [verweerder] is gebleken. Verder zijn er ook geen stukken waaruit blijkt dat [verzoekster] [verweerder] vóór het gesprek op 26 april 2021 op zijn functioneren heeft aangesproken. Voor zover [verzoekster] [verweerder] verwijt dat hij zijn urenstaten na 1 januari 2021 niet heeft ingediend, geldt dat dat [verweerder] betwist dat hij de urenstaten wekelijks of maandelijks moest indienen en dat - afgezien van een appje op 23 april 2021 - ook niet blijkt dat [verzoekster] om indiening van de urenstaten heeft verzocht. Uit de stukken blijkt overigens wel dat [verweerder] naar aanleiding van dit appje op 30 april 2021 zijn urenstaten van die week heeft ingediend. Voor zover [verzoekster] [verweerder] verwijt dat hij vanaf 22 maart 2021 tot 9 april 2021 met vakantie is gegaan zonder zijn werkzaamheden over te dragen, geldt dat [verweerder] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij toen vrij heeft genomen om een ziekmelding te voorkomen. Daarvan kan [verweerder] - gelet op de toestand waarin hij toen verkeerde - niet een zodanig verwijt worden gemaakt dat dit een ontbinding op de e-grond rechtvaardigt.

De verzochte ontbinding op de e-grond zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

ontbinding op de g-grond

4.11.

[verzoekster] stelt zich daarnaast op het standpunt dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding omdat [verweerder] het vertrouwen dat zij in hem had op ernstige wijze heeft geschaad. Dit is veroorzaakt doordat [verweerder] zonder overleg aanzienlijk minder is gaan werken, niet bereikbaar was, zijn taken niet uitvoerde en zonder werkoverdracht met vakantie ging. [verzoekster] stelt dat van haar in redelijkheid niet kan worden verwacht dat de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet.

4.12.

[verweerder] erkent dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Hij stelt dat dit te wijten is aan [verzoekster] , omdat [verzoekster] nooit rekening heeft gehouden met de schrijnende situatie waarin hij zich bevond. Mondelinge beloftes die door de heer [verzoekster] aan hem waren gedaan worden nu tegen hem gebruikt. In een situatie waarin hij niet in staat is zijn arbeid te verrichten wegens lichamelijke en geestelijke klachten probeert [verzoekster] op een goedkope wijze van hem af te komen. Wanneer dat niet lukt wordt alles uit de kast gehaald om een voldragen redelijke grond bij elkaar te schaven. [verweerder] betwist dat hij met vakantie is gegaan zonder zijn werk over te dragen. [verzoekster] heeft geen bereidheid getoond om - zoals geadviseerd door de bedrijfsarts - onder leiding van een deskundige met hem in gesprek te gaan en onderneemt niets om de verstoring van de arbeidsverhouding op te lossen. Volgens [verweerder] kan onder deze omstandigheden niet van hem worden verwacht dat hij zich langer blootstelt aan de voor hem schadelijke gedragingen van [verzoekster] .

4.13.

De kantonrechter is op basis van de stukken en de stellingen van partijen van oordeel dat sprake is van een dusdanig verstoorde arbeidsverhouding dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Er is daarom sprake van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen. Herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn ligt gezien de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en de verstoring van de arbeidsverhouding niet in de rede. Het verzoek tot ontbinding op de g-grond wordt daarom toegewezen en het verzoek om ontbinding op de h-grond kan daarom verder buiten bespreking worden gelaten.

ernstige verwijtbaarheid van de kant van [verzoekster]

4.14.

[verweerder] stelt dat de verstoring van deze arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] en de kantonrechter deelt dit standpunt. De kantonrechter stelt hierbij voorop dat hij ermee rekening houdt dat de bijzondere en ongelukkige privé omstandigheden bij [verweerder] niet alleen voor [verweerder] zelf maar ook voor [verzoekster] in de werksituatie kan doorwerken waardoor (over en weer) niet altijd optimaal wordt gecommuniceerd en gehandeld. [verzoekster] heeft de kantonrechter voldoende duidelijk kunnen maken dat zij een toenemend gevoel van onbehagen over het functioneren van [verweerder] had en dat de combinatie van wissen van bestanden door [verweerder] met de teruggevonden gewiste ritstaten argwaan bij haar heeft opgeroepen. Juist omdat er sprake kan zijn van misverstanden en opgelopen emoties mocht echter van [verzoekster] worden verwacht dat zij hierover het gesprek met [verweerder] aangaat. Er heeft een gesprek plaatsgevonden op 26 april 2021, maar gesteld noch gebleken is dat dit gesprek gericht was op het vinden van oplossingen. [verweerder] heeft in dit gesprek gezegd met het werk te willen stoppen, maar gelet op de emotionele staat waarin [verweerder] toen verkeerde en zijn daaropvolgende ziekmelding op 28 april 2021 had het [verzoekster] duidelijk moeten zijn dat [verweerder] de gevolgen van die mededeling op dat moment niet goed kon overzien. [verzoekster] schakelt vervolgens echter een advocaat in die ondanks de inmiddels gedane ziekmelding aan [verweerder] op 29 april 2021 een vaststellingsovereenkomst stuurt gericht op het vrijwel onmiddellijk beëindigen van de arbeidsovereenkomst op 1 mei 2021. In die brief wordt de stelling betrokken dat [verweerder] “geen volledige invulling meer” kan “geven aan de inhoud van de arbeidsovereenkomst”. Een dergelijke brief schuurt tegen de grenzen van fatsoenlijke omgang met elkaar en is naar het oordeel van de kantonrechter zelfs over die grens gegaan. Een fatsoenlijke bedenktijd is [verweerder] niet geboden, [verweerder] moet hals over kop juridisch advies zien te verkrijgen en hij is ziek. De kantonrechter betrekt daarbij verder dat [verzoekster] nadien de suggestie negeert van de bedrijfsarts in diens rapportage van 12 mei 2021 om mediation in te zetten. De gemachtigde van [verweerder] heeft ter zitting gesteld dat zij zelf ook nog e-mails naar [verzoekster] heeft gestuurd met een verzoek om mediation, maar dat [verzoekster] daar niet op heeft gereageerd. Daargelaten de vorm (mediation) is de kernboodschap dat het verstandig is het gesprek met elkaar aan te gaan. Gezien de omstandigheid dat de arbeidsongeschiktheid volgens de rapportage van de bedrijfsarts deels werkgerelateerd was, had van [verzoekster] als goed werkgever mogen worden verwacht dat zij had geprobeerd haar relatie met [verweerder] te herstellen. Dit geldt temeer, nu [verweerder] al vanaf 2007 bij (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] in dienst was. Bovendien is niet in geschil dat [verweerder] bij de uitoefening van zijn functie zeer lange werkweken maakte en in zeer moeilijke privéomstandigheden verkeerde. Om die reden had van [verzoekster] een andere opstelling mogen worden verwacht dan de weg die zij is ingeslagen. Die weg lijkt slechts gericht op één bestemming: het einde van de arbeidsovereenkomst en dat was in ieder geval op dat moment echt te vroeg.

4.15.

Van een begripvolle opstelling van [verzoekster] is niet gebleken. [verzoekster] heeft [verweerder] daarentegen tijdens zijn ziekte door middel van de e-mail van haar gemachtigde van 14 juli 2021 verder onder druk gezet om zijn urenstaten binnen twee dagen in te dienen, met de waarschuwing dat anders op een beëindiging wegens dringende redenen zou worden aangestuurd of op een beëindiging met wederzijds goedvinden zonder toekenning van enige vergoeding. [verzoekster] heeft hiermee haar verhouding met [verweerder] onnodig verder op de spits gedreven. Het had als goed werkgever op de weg van [verzoekster] gelegen om met het opvragen van de urenstaten te wachten tot [verweerder] weer hersteld was. De enkele omstandigheid dat [verzoekster] was gebleken dat [verweerder] zijn laptop leegmaakte voordat hij deze bij [verzoekster] moest inleveren, vormt een onvoldoende rechtvaardiging voor deze handelwijze van [verzoekster] . Het leeghalen van de laptop hoefde immers niet te betekenen dat [verweerder] hiermee sporen van benadeling van [verzoekster] wilde wissen. Andere verklaringen zijn ook nog mogelijk.

ontbinding per 1 februari 2022

4.16.

Nu het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald. De kantonrechter bepaalt dit einde op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (volgens partijen bedraagt de opzegtermijn drie maanden), waarbij – nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] – geen aftrek wordt toegepast met de duur van de periode die aanvangt op de datum van ontvangst van het verzoek en eindigt op de datum van dagtekening van de ontbindingsbeslissing. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden per 1 maart 2022.

toewijzing transitievergoeding

4.17.

[verweerder] heeft verzocht om, in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, te bepalen dat [verzoekster] aan hem - uitgaande van een ontbinding per 1 maart 2022 - een transitievergoeding van € 37.697,60 bruto verschuldigd is. De kantonrechter overweegt dat [verweerder] jegens [verzoekster] aanspraak kan maken op een transitievergoeding, nu geen sprake is van (ernstige) verwijtbaarheid van zijn kant. Nu de arbeidsovereenkomst niet per 1 februari 2022 maar per 1 maart 2022 wordt ontbonden, wordt de transitievergoeding toegewezen die op basis van deze laatste ontbindingsdatum verschuldigd is. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding zal ook worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag van voldoening.

toewijzing billijke vergoeding

4.18.

Voorts heeft [verweerder] verzocht hem ingeval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst een ten laste van [verzoekster] komende billijke vergoeding toe te kennen, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Zoals hierboven al is geoordeeld, is van dit laatste inderdaad sprake geweest.

4.19.

Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in rechtspraak uitgangspunten geformuleerd (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juni 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia) en voordien de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle)). De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel.

4.20.

[verweerder] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van € 465.420,00 bruto. Hij stelt in dit verband dat zijn ziekte zeker niet enkel aan [verzoekster] is te wijten, maar dat [verzoekster] wel het laatste duwtje heeft gegeven. Gelet op de verslagen van de bedrijfsarts is zijn herstel niet snel te verwachten. Daarnaast is het de vraag of hij op de arbeidsmarkt een in loon vergelijkbare baan kan vinden, omdat hij zijn functie door ‘learning on the job’ heeft verworven. Volgens [verweerder] was het voor de verstoring van de arbeidsverhouding de verwachting dat hij nog lang voor [verzoekster] zou blijven werken. Het door hem verzochte bedrag staat gelijk aan vijf jaar salaris.

4.21.

[verzoekster] betwist de verzochte billijke vergoeding. Zij voert hiertoe aan dat [verweerder] een ervaren tegelzetter is en dat deze branche momenteel ‘booming’ is. Volgens [verzoekster] vraagt een ervaren tegelzetter tussen de € 900,00 en € 1.000,00 per dag, wat een omzet oplevert van ongeveer € 18.000,00 per maand. [verweerder] hoeft dus geen moment zonder werk te zitten en kan zonder enige stress een zeer goed inkomen verdienen waarbij hij zijn eigen werktijden kan bepalen.

4.22.

[verweerder] betwist dat een tegelzetter een uurtarief van € 125,00 kan hanteren en stelt dat het verwachte inkomen van een tegelzetter tussen de € 1.500,00 en € 3.000,00 bruto per maand op fulltimebasis ligt. Dit zou voor [verweerder] een inkomensdaling van € 4.757,00 bruto per maand betekenen. Hetzelfde geldt voor de situatie dat [verweerder] in aanmerking komt voor een ZW-uitkering of een WW-uitkering. De uitkering die gekoppeld is aan het maximale dagloon staat niet in verhouding met zijn huidige inkomen en de verzochte vergoeding is daarom redelijk, aldus [verweerder] .

4.23.

De kantonrechter acht het niet aannemelijk dat [verweerder] , het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] weggedacht, nog zeker vijf jaar voor [verzoekster] zou hebben gewerkt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat was afgesproken dat [verweerder] minimaal 50 tot 60 uur per week zou werken en dat [verweerder] heeft gesteld dat hij werkweken van 60 tot 70 uur maakte. In de arbeidsovereenkomst is geen arbeidsduur genoemd en de uren die [verweerder] meer dan 40 uur per week werkte, werden niet als overwerk uitbetaald. Partijen gingen dus uit van een arbeidsovereenkomst waarbij [verweerder] minimaal 50 tot 60 uur per week zou werken tegen een salaris van omgerekend per maand € 7.182,50. Uit de stukken en de verklaringen die partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben afgelegd kan worden afgeleid dat een dergelijke werkweek voor [verweerder] als gevolg van zijn scheiding, waarbij hij het co-ouderschap van zijn kinderen toegewezen kreeg, niet meer goed haalbaar was. Hij heeft [verzoekster] daarom om urenvermindering verzocht, maar [verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat dan ook het salaris moest worden aangepast, hetgeen voor [verweerder] kennelijk weer niet acceptabel was. Er was dus sprake van een impasse met de mogelijkheid van het ontstaan van een conflictsituatie. Gelet hierop acht de kantonrechter het weinig aannemelijk dat het dienstverband zonder het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] op dezelfde basis gedurende zeker 5 jaar, zoals [verweerder] meent, zou hebben voortgeduurd. Er is onvoldoende aangevoerd om te kunnen aannemen dat en zo ja tot welke omvang en met welk salaris de arbeidsrelatie op de nieuwe privé situatie van [verweerder] zou (kunnen of moeten) worden afgestemd en dat dit proces kan plaatsvinden zonder definitieve verstoring van de onderlinge verhoudingen. Het ligt veeleer voor de hand, mede gelet op de al bestaande stroevere onderlinge verhoudingen, dat voortzetting van de arbeidsrelatie met [verzoekster] in deze omstandigheden niet reëel is omdat de verhoudingen te zeer verstoord raken of [verweerder] op zoek zal gaan naar een andere baan. [verweerder] heeft onvoldoende aangevoerd om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat dit proces niet zal plaatsvinden. De kantonrechter heeft ook geen aanleiding te oordelen dat de bestaande situatie langer dan een jaar zou hebben voortgeduurd. De kantonrechter acht het op basis van de beschikbare rapportages van de bedrijfsarts, waarbij het laatste rapport van 23 juni 2021 dateert, niet op voorhand aannemelijk dat [verweerder] dan nog steeds ziek is en dat dit aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de weg zou hebben gestaan.

4.24.

Nu niet in geschil is dat het salaris van [verweerder] € 7.182,50 per maand bedraagt, gaat de kantonrechter ervan uit dat [verweerder] in het jaar dat de arbeidsovereenkomst nog zou hebben voortgeduurd in totaal een bedrag van € 93.085,20 (12 x € 7.182,50 inclusief 8% vakantiebijslag) aan salaris zou hebben ontvangen. Er is geen reden om in verband met de ziekte van [verweerder] uit te gaan van een lager salaris, nu de overeengekomen en vanaf 1 september 2021 algemeen verbindend verklaarde cao bouw een bepaling kent dat het salaris gedurende het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid door ziekte voor 100% wordt doorbetaald. Nu [verweerder] niet heeft betoogd dat hij per ontbindingsdatum van 1 maart 2022 geen aanspraak zal kunnen maken op een uitkering op grond van de Ziektewet dan wel de Werkloosheidswet, gaat de kantonrechter ervan uit dat hiervan sprake zal zijn. Gelet op de hoogte van het salaris van [verweerder] zal hij aanspraak kunnen maken op een uitkering op basis van 70% (dan wel de eerste twee maanden 75% in geval van een WW-uitkering) van het maximumdagloon/-maandloon. Het voor deze uitkeringen geldende maximummaandloon bedraagt per 1 juli 2021 € 4.906,15. De kantonrechter gaat er op basis van deze gegevens van uit dat [verweerder] dat jaar aanspraak zal kunnen maken op een uitkering van ten hoogste € 45.038,52, welk bedrag waarschijnlijk als gevolg van indexaties van het maximummaandloon iets hoger zal uitvallen. Dit betekent een verwachte inkomensachteruitgang van circa € 48.000,00. Nu de transitievergoeding van € 37.697,60 bruto waarop [verweerder] aanspraak kan maken ook deels ten doel heeft om zijn inkomensverlies te compenseren, acht de kantonrechter een billijke vergoeding van € 35.000,00 bruto in dit geval redelijk. Dit bedrag zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding zal worden toegewezen vanaf 1 maart 2022 tot de dag van voldoening.

toewijzing tegenverzoek tot afgifte privéspullen [verweerder]

4.25.

[verzoekster] heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verweerder] tot afgifte binnen twee weken na deze beschikking van zijn spullen, waaronder een Olympische stang en schijven. Voor zover zij hieraan de voorwaarde verbindt dat [verweerder] dan gelijktijdig de hem in het kader van het dienstverband verstrekte sleutels, laptop, iPad en mobiele telefoon moet inleveren, merkt de kantonrechter dit aan als een beroep op een haar toekomend opschortingsrecht. [verweerder] heeft niet weersproken dat hij de genoemde zaken van [verzoekster] onder zich heeft en tot afgifte daarvan gehouden is. De vordering zal dan ook worden toegewezen tegenover inlevering van de genoemde zaken door [verweerder] aan [verzoekster] . Omdat het verzoek tot afgifte van “de spullen van [verweerder] ” te onbepaald is, zal dit verzoek alleen ten aanzien van de concreet genoemde Olympische stang en schijven worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, tot een maximum van € 800,00 is bereikt.

proceskosten

4.26.

Nu [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zal zij in de proceskosten worden veroordeeld. Met toepassing van dit tarief worden de proceskosten bepaald op € 747,00 voor salaris gemachtigde.

volledige advocaatkosten

4.27.

[verweerder] verzoekt daarnaast vergoeding van de werkelijk door hem gemaakte advocaatkosten. Hij heeft hiertoe gesteld dat [verzoekster] zich niet als goed werkgever heeft gedragen en daarom op grond van de artikel 6:96 BW, in samenhang gelezen met de artikelen 7:686a lid 3 BW en 7:611 BW, gehouden is de daadwerkelijke kosten te voldoen. Deze kosten bedragen € 7.834,75 inclusief btw, berekend op basis van een tijdbesteding van 37 uur tot en met de zitting en de verwachte nabewerking en een uurtarief van € 175,00 exclusief btw. [verweerder] licht toe dat het gaat om de tijdsbesteding “aan deze zaak”.

4.28.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat de vordering van [verweerder] ziet op de volledige door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand, zonder onderscheid te maken tussen de kosten gemoeid met het voeren van deze procedure en de kosten verbonden aan voorafgaande kwesties met de werkgever.

4.28.1.

Als het gaat om de kosten van de procedure zelf geldt het door de rechters gehanteerde forfaitair liquidatietarief. De kantonrechter sluit aan bij en neemt over het recent oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 mei 2021 ECLI:NL:GHSHE:2021:1553, rechtsoverweging 3.25. Dit komt er op neer dat de proceskosten niet zijn aan te merken als schade en dat het forfaitair liquidatietarief geldt. Er is slechts een uitzondering te maken voor de situatie dat sprake is van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig aanspannen van een procedure. Het enkele feit dat [verzoekster] de rechter heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden is niet voldoende voor het oordeel dat van deze uitzondering sprake is. Dit wordt niet anders door het oordeel dat ontbinding onontkoombaar is als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Voor zover vergoeding wordt gevraagd van kosten van rechtsbijstand waarvoor de proceskostenregeling van artikel 237 tot en met 240 Rv. een vergoeding pleegt in te houden, komen die kosten ook niet voor aparte vergoeding in aanmerking (artikel 241 Rv.).

4.28.2.

[verweerder] doet verder een beroep op de bekende New Hairstyle beschikking van de HR (30 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1187). De HR bespreekt in die beschikking in overweging 3.5.2 de situatie dat vergoeding van buitengerechtelijke kosten worden gevorderd. Die vordering kan worden afgewezen op de grond dat ze onder de proceskosten vergoeding vallen (artikel 241 Rv.) maar dan moet het wel gaan om dezelfde kwestie als in de procedure aan de orde was. Voor de rechtsbijstand in andere kwesties staat de aanspraak op vergoeding los van de proceskostenregeling en is dan te baseren op artikel 7:611 BW in verbinding met artikel 6:96 BW. Een dergelijke vordering kan uiteraard op grond van artikel 7:686a lid 3 zelfstandig met het tegenverzoek worden ingediend. In de beschikking is verder nog bepaald dat er geen grond is de aan de procedure voorafgaande advocaatkosten als onderdeel van de billijke vergoeding toe te kennen omdat die kosten los staan van de (in die zaak) vernietigbare opzegging. De kantonrechter volgt die lijn ook in het geval de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De eerder gemaakte kosten houden immers geen verband met de verwijtbare ontbinding van de arbeidsovereenkomst zelf.

4.28.3.

De kantonrechter zal het verzoek van [verweerder] dan ook beoordelen op de voet van artikel 7:611 BW in verbinding met artikel 6:96 BW. [verzoekster] heeft naar het oordeel van de kantonrechter de norm van goed werkgeverschap geschonden (artikel 7:611 BW). [verzoekster] heeft dit in de eerste plaats gedaan door [verweerder] bij brief van 29 april 2021 na een dienstverband van bijna 14 jaar een vaststellingsovereenkomst aan te bieden waarmee de arbeidsovereenkomst vrijwel per direct en zonder enige vergoeding zou worden beëindigd. Dit verzoek is meteen gedaan met inschakeling van een advocaat en bovendien na de ziekmelding van [verweerder] . Deze aanpak past niet bij een redelijk handelend werkgever en is gelet op de ziekte van [verweerder] zelfs onacceptabel. Het spreekt voor zich dat [verzoekster] daarmee [verweerder] ook geen andere keuze liet dan zich ook van deskundige bijstand te voorzien. Toen [verweerder] dit verzoek had afgewezen, heeft [verzoekster] vervolgens door middel van de brief van haar gemachtigde van 5 mei 2021 de verhouding met [verweerder] op de spits gedreven door [verweerder] verwijten ten aanzien van zijn functioneren te maken en te dreigen met het uitoefenen van meer controle. Dit terwijl [verweerder] ziek was. [verzoekster] heeft de verstoorde arbeidsverhouding met [verweerder] niet door middel van persoonlijk contact, zo nodig met deskundige bijstand, willen herstellen, maar [verweerder] daarentegen door middel van de e-mail van haar gemachtigde van 14 juli 2021 ondanks zijn ziekte onder druk gezet om zijn urenstaten binnen twee dagen in te dienen, met de waarschuwing dat anders op een beëindiging wegens dringende redenen zou worden aangestuurd of op een beëindiging met wederzijds goedvinden zonder toekenning van enige vergoeding. De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat [verweerder] kosten heeft moeten maken om zich hiertegen te weer te stellen en deze kosten behoren vanwege de genoemde normschending voor rekening van [verzoekster] te komen. Als gezegd heeft [verweerder] de opgegeven kosten echter zowel op de rechtsbijstand in de procedure als de daaraan voorafgaande bijstand betrekking laten hebben zonder concreet aan te geven welke kosten concreet zijn gemaakt in verband met het handelen van [verzoekster] voorafgaand aan de procedure. Het moet dan bovendien gaan om werkzaamheden die niet als voorbereiding van het geding kunnen worden aangemerkt. [verzoekster] heeft de hoogte van de door [verweerder] opgegeven kosten niet betwist. Alles bijeen heeft de kantonrechter niet meer aanknopingspunten dan dat geschat 6 uur rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komt, omdat het toen nog ging om afzonderlijke reacties op het voorstel tot onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, het voorkomen van escalatie door mediation voor te stellen en het afweren van de aanspraak op indienen van urenstaten tijdens ziekte. Gelet op het opgegeven uurtarief van € 175,00 exclusief btw zal de kantonrechter € 1.050,00 excl btw ofwel € 1.270,50 inclusief btw toewijzen.

4.29.

In artikel 7:686a lid 6 BW is bepaald dat, alvorens een ontbinding waaraan een vergoeding wordt verbonden wordt uitgesproken, de rechter partijen van zijn voornemen in kennis stelt en een termijn stelt waarbinnen de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. De kantonrechter stelt [verzoekster] daarom in de gelegenheid uiterlijk 15 november 2021 het verzoek in te trekken.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

stelt [verzoekster] in de gelegenheid uiterlijk 15 november 2021 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

5.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

5.3.

bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2022;

5.4.

veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen, berekend op basis van een ontbinding per 1 maart 2022, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 1 april 2022 tot de voldoening;

5.5.

veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een billijke vergoeding van € 35.000,00 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 1 maart 2022 tot de voldoening;

5.6.

veroordeelt [verzoekster] tot afgifte van de Olympische stang en schijven (2x20 kg, 2x15 kg, 2x10 kg, 2x5 kg en 2x2,5 kg) aan [verweerder] tegelijk met de afgifte door [verweerder] aan [verzoekster] van de in overweging 4.25 genoemde sleutels, laptop, iPad en mobiele telefoon binnen twee weken na deze beschikking, op straffe van een dwangsom van € 200,00 bij niet nakoming en € 50,00 voor iedere dag dat [verzoekster] verzuimt na te komen, tot een maximum van € 800,00 is bereikt;

5.7.

veroordeelt [verzoekster] in de door [verweerder] gemaakte advocaatkosten tot een bedrag van € 1.270,50 inclusief btw;

5.8.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de kant van [verweerder] tot aan deze beschikking begroot op € 747,00;

5.9.

wijst af het meer of anders verzochte;

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

5.10.

veroordeelt [verzoekster] tot afgifte van de Olympische stang en schijven (2x20 kg, 2x15 kg, 2x10 kg, 2x5 kg en 2x2,5 kg) aan [verweerder] tegelijk met de afgifte door [verweerder] aan [verzoekster] van de in overweging 4.25 genoemde sleutels, laptop, iPad en mobiele telefoon binnen twee weken na deze beschikking, op straffe van een dwangsom van € 200,00 bij niet nakoming en € 50,00 voor iedere dag dat [verzoekster] verzuimt na te komen, tot een maximum van € 800,00 is bereikt;

5.11.

veroordeelt [verzoekster] in de door [verweerder] gemaakte advocaatkosten tot een bedrag van € 1.270,50 inclusief btw;

5.12.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de kant van [verweerder] tot aan deze beschikking begroot op € 747,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is op 5 november 2021 in het openbaar uitgesproken en getekend door mr. M. Ramsaroep.