Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5416

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-10-2021
Datum publicatie
11-08-2022
Zaaknummer
UTR 21/2789
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsobjecten in de zin van de Wet bag. dwingende formulering van artikel 6 van de Wet bag in samenhang gelezen met artikel 3, tweede lid, van de Verordening Almere, verplichting huisnummers toe te kennen verblijfsobjecten in de zin van de Wet bag. dwingende formulering van artikel 6 van de Wet bag in samenhang gelezen met artikel 3, tweede lid, van de Verordening Almere, verplichting huisnummers toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/2789


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers,

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , uit [woonplaats] , belanghebbenden

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere , verweerder

(gemachtigde: mr. E. Brouwers).

Procesverloop

In het besluit van 16 februari 2021 (primair besluit) heeft verweerder geweigerd om op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (Wet bag) aanvullende huisnummers toe te kennen aan de adressen [adres 1] en [adres 2] .

In het besluit van 30 juni 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2021 op zitting behandeld met behulp van een beeldverbinding. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. [adres 1] en [adres 2] in [plaats] zijn woningen die ieder zijn gesplitst in drie afzonderlijke woonruimtes. Eisers zijn eigenaren van [adres 1] en [adres 2] en zij hebben een aanvraag ingediend voor toekenning van aanvullende huisnummers [aanvullende huisnummers] per nummer. [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] zijn huurders van zo’n gesplitste woonruimte en hebben gemachtigde gemachtigd om voor hun op te treden inzake inschrijvingen in de BRP. Verweerder heeft de afzonderlijke woonruimtes aangemerkt als verblijfsobjecten en ze in de BAG geregistreerd als ‘geconstateerde verblijfsobjecten’, maar heeft geweigerd om huisnummers aan de verblijfsobjecten te verlenen.

Betrokken partijen

2. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting toegelicht dat hij bedoeld heeft om beroep in te stellen namens vier eisers; [eiser 2] , [eiser 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] . De rechtbank constateert op grond van de beschikbare stukken dat de aanvraag voor de nummertoekenning is ingediend door [eiser 2] en [eiser 1] . De rechtbank is daarom van oordeel dat deze twee personen kunnen worden aangemerkt als eisers.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] als huurders een rechtstreeks belang hebben bij het bestreden besluit van verweerder, omdat zij fiscale en juridische gevolgen ervan ondervinden als hun woonruimte geen aparte nummeraanduiding heeft. De rechtbank merkt [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] daarom aan als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Standpunt eisers

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder op grond van de wet en jurisprudentie aan ieder van de aparte verblijfsobjecten [adres 1] en [adres 2] aanvullende huisnummers [aanvullende huisnummers] moet toekennen.

Standpunt verweerder

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eerst vastgesteld moet worden of de gesplitste woningen [adres 1] en [adres 2] legaal gesplitst zijn alvorens aanvullende huisnummers toegekend kunnen worden. Volgens verweerder is er geen legale situatie, omdat eisers geen omgevingsvergunning hebben voor de splitsing van [adres 1] en [adres 2] in afzonderlijke verblijfsobjecten. Daarom wil verweerder geen aanvullende huisnummers toekennen. Verweerder stelt hierover aanvullend nog dat dit hun vaste en juiste werkwijze is die zij hebben geverifieerd bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (Ministerie van BKZ).

Oordeel rechtbank

5. De toepasselijke wetgeving is opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

6. Niet in geschil is, zoals ter zitting door de gemachtigde van verweerder is bevestigd, dat de gesplitste woonruimtes op elk van de adressen [adres 1] en [adres 2] verblijfsobjecten zijn in de zin van de Wet bag. Dit betekent dat gelet op de dwingende formulering van artikel 6 van de Wet bag in samenhang gelezen met artikel 3, tweede lid, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) Almere 2019 (de Verordening) verweerder verplicht is om aanvullende huisnummers aan de afzonderlijke verblijfsobjecten toe te kennen, zonder dat zij daarover een nadere belangenafweging maakt. Dit volgt verder ook uit de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:423), de uitspraak van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1980) en de uitspraak van 2 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1445).

7. Verweerder kan de huisnummeraanduiding op grond van de hiervoor genoemde dwingendrechtelijke bepalingen in de Wet bag en de Verordening dus niet afhankelijk stellen van de uitkomst van een omgevingswetprocedure. Bovendien is de verlening van een omgevingsvergunning een ander soort besluit dat los staat van het besluit tot nummertoekenning en waarmee andere belangen zijn gemoeid. Verder wordt met een huisnummeraanduiding niet de juridische status van een verblijfsobject vastgesteld, zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van 31 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:666).

Verweerders vaste werkwijze, die kort gezegd inhoudt dat er geen huisnummer aan een geconstateerd verblijfsobject wordt toegekend voordat bekend is dat het verblijfsobject legaal tot stand is gekomen, acht de rechtbank daarom strijdig met geldende wetgeving.

8. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is en verweerder verplicht is aan ieder van de geconstateerde verblijfsobjecten op de adressen [adres 1] en [adres 2] huisnummers toe te kennen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eisers te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 14 oktober 2021 en openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht:

Artikel 1:2, eerste lid:

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Wet basisregistratie adressen en gebouwen:

Artikel 1, aanhef en onder h:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

h. nummeraanduiding: door het bevoegde gemeentelijke orgaan als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats;

m. verblijfsobject: kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is;

Artikel 6:

1. De gemeenteraad deelt het grondgebied van de gemeente in een of meer woonplaatsen in, stelt de openbare ruimten vast en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.

2 De gemeenteraad stelt de standplaatsen en de ligplaatsen vast.

3 De gemeenteraad stelt de afbakening van panden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen vast.

4 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven ten aanzien van de indeling, de vaststelling en de toekenning, bedoeld in het eerste en tweede lid, en kunnen regels worden gegeven ten aanzien van de afbakening, bedoeld in het derde lid.

Verordening naamgeving en nummering gemeente Almere:

Art 1:

In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder (…) verblijfsobject (..) dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen.

Art. 2:

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

• nummeraanduiding: dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen,(…)

Art 3, tweede lid:

Burgemeester en wethouders kennen nummeraanduidingen toe aan verblijfsobjecten, lig-en standplaatsen.