Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5374

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2021
Datum publicatie
29-07-2022
Zaaknummer
21/2515
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijzing gegevens Brp

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/2515


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] , ook wel bekend als [alias] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.C. de Klerk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder

(gemachtigde: mr. J.L.M. van den Broek).

Procesverloop

In het besluit van 5 januari 2021 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om correctie van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) geweigerd.

In het besluit van 11 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Vooraf

1. Eiser heeft op 4 augustus 2021 met een schriftelijk stuk nadere gronden in het geding gebracht in reactie op het verweerschrift. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser de nadere gronden in strijd met de goede procesorde te laat heeft ingediend en dat de rechtbank deze niet dient te betrekken bij de beoordeling. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. De rechtbank overweegt dat eiser met name een nadere onderbouwing heeft gegeven van zijn eerder ingenomen standpunten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende in de gelegenheid is geweest om de nadere gronden te bestuderen om een reactie te kunnen geven ter zitting. Verweerder heeft immers bevestigd dat hij de nadere gronden op 5 augustus 2021 heeft ontvangen. De zitting heeft zeven dagen later plaatsgevonden. Verweerder is in dit verband niet in zijn processuele belangen geschaad. De rechtbank neemt daarom geen schending van de goede procesorde aan, voegt de nadere gronden toe aan het dossier en betrekt de nadere gronden in haar beoordeling.

Feiten

2. Eiser is sinds 26 november 2009 in de brp ingeschreven op basis van een door hem in de gemeente [plaats 1] onder ede afgelegde verklaring. Eiser heeft op 6 mei 2020 verweerder verzocht om zijn persoonsgegevens in de brp te corrigeren. Het gaat om wijziging van zijn voornaam (van [A] in [B] ), geslachtsnaam (van [C] in [D] ), geboortedatum (van [1991] in [1983] ), geboorteplaats en geboorteland (van [geboorteplaats 1] te Soedan in [geboorteplaats 2] te Nigeria) en zijn nationaliteit (van onbekend in Nigeriaans).

3. Eiser heeft zijn verzoek onderbouwd met de volgende documenten:

  • -

    Attestation of Birth van 4 december 2018 en een Attestation of Birth Letter van 25 maart 2021;

  • -

    Affidavit of age declaration van 4 december 2018 en een Affidavit of age declaration van 25 maart 2021;

  • -

    Een Nigeriaans paspoort, afgegeven op 10 juli 2018 in [plaats 2] en een Nigeriaans paspoort afgegeven op 19 mei 2021 in Den Haag;

  • -

    Een kopie van de verdeling van nalatenschap van [E] van maart 2012;

  • -

    Documentatie van het Central Hospital Benin van 17 en 26 februari 2007;

  • -

    Bewijs van DHL over verzending van post tussen [F] uit [stad] Nigeria en [G] uit [woonplaats] ;

  • -

    Een rapportage van het IMMO-onderzoek van 28 juli 2015;

  • -

    Geboorteakte van de twee kinderen van eiser met akte van erkenning uit 2019;

  • -

    Identiteitsvaststelling op grond van de Vreemdelingenwet in het proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie van 3 mei 2019.

4. Verweerder heeft het verzoek van eiser geweigerd. Volgens verweerder staat niet onomstotelijk vast dat de gegevens van eiser die in de brp geregistreerd staan onjuist zijn, de nieuwe gegevens juist zijn en dat de oude en nieuwe gegevens betrekking hebben op dezelfde persoon. Eiser heeft bezwaar gemaakt en is in beroep gegaan tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar.

Wettelijk kader

Artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) bepaalt:

“De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.”

Artikel 2.58 van de Wet brp:

“1 . Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.”

(...)

Primaire beroepsgrond: eiser heeft voldaan aan de voorwaarden voor wijziging

5.1.1

Eiser voert primair aan dat zijn verzoek om wijziging van zijn identiteit voldoet aan de (wettelijke) voorwaarden die daarvoor gelden. Daarvoor is ten eerste van belang dat eiser zijn verzoek heeft onderbouwd met een Attestation of Birth van 4 december 2018 en een Attestation of Birth van 25 maart 2021. De Attestation of Birth kwalificeert als een brondocument in de zin van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp. Dit brondocument bewijst dat eiser is wie hij stelt te zijn omdat daaruit onder meer zijn correcte naam, geboortedatum en geboorteplaats volgen en is voldoende voor wijziging van de gegevens. De Attestation of Birth van 4 december 2018 is bovendien echt bevonden door het Bureau Documenten van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND). Omdat in het bestreden besluit is aangegeven dat de Attestation of Birth en de Affidavit of Age declaration geen biometrische gegevens of een foto bevatten, is in beroep een nieuwe Attestation of Birth van 25 maart 2021 overgelegd. Dit document is afgegeven op basis van een nieuwe Affidavit of age declaration van 25 maart 2021. De documenten zijn inhoudelijk hetzelfde, maar de Attestation of Birth van 25 maart 2021 bevat nu een foto van eiser zodat eiser ook op dit punt heeft voldaan aan de voorwaarden van verweerder. De nieuwe documenten kunnen eventueel nog onderzocht worden op “echtheid” door het Bureau Documenten. Verweerder zet ten onrechte vraagtekens bij de wijze waarop de Attestation of Birth en de Affidavit of Age declaration tot stand zijn gekomen. Verweerder zou belang moeten hechten aan de vraag of de in Nigeria gangbare procedure is gevolgd en dat is het geval.

5.1.2

In aanvulling daarop heeft eiser zijn verzoek onderbouwd met een paspoort van 10 juli 2018 en een paspoort van 19 juli 2021 dat hij heeft verkregen van de Nigeriaanse ambassade in Den Haag. Ook hieruit volgt volgens eiser dat hij is wie hij zegt te zijn. Het paspoort van 20 juli 2018 is eveneens echt bevonden door het Bureau Documenten. Ondanks dat het paspoort van eiser geen brondocument is, dient verweerder het feit dat de Nigeriaanse ambassade eiser een paspoort heeft verstrekt met eisers persoonsgegevens, in het voordeel van eiser te laten meewegen bij de beoordeling van zijn verzoek. Verweerder miskent dat het niet aan de Nederlandse autoriteiten is om een waardeoordeel te vellen over hoe andere landen (reis)documenten toekennen. Verweerder heeft ten onrechte de afgifteplaats van het paspoort van 10 juli 2018, zijnde [plaats 2] , in twijfel getrokken. Het is niet ongebruikelijk dat de uitgifteplaats in het paspoort het land is waar het paspoort is opgesteld. De Nigeriaanse autoriteiten twijfelen niet aan de identiteit van eiser en hebben op 19 juli 2021 wederom een paspoort verstrekt aan eiser, met ditmaal de afgifteplaats Den Haag. Eiser heeft bovendien de inhoudelijke informatie uit het paspoort ook nog onderbouwd met andere stukken.

5.1.3

Uit de IMMO-rapportage en de medische documentatie van het ziekenhuis in [stad] in Nigeria blijkt immers dat de littekens van eiser overeenkomen met de littekens (rechtbank: bedoeld zal zijn de verwondingen) van [D] in Nigeria. In de verblijfsrechtelijke procedure is bovendien vastgesteld door de vergelijking van vingerafdrukken en foto’s dat [C] en [D] dezelfde persoon zijn. Andere instanties, zoals de IND gaan er dan ook terecht vanuit dat eiser [D] is. Uit het voorgaande volgt dat eiser heeft bewezen dat hij is wie hij stelt te zijn in zijn verzoek tot wijziging van de gegevens in de brp. Verweerder dient dit verzoek te honoreren.

5.2.1

Verweerder bestrijdt dat eiser heeft voldaan aan de voorwaarden voor wijziging van de gegevens in de brp. Op basis van het verzoek staat voor verweerder niet vast dat de gegevens die in de brp geregistreerd staan onjuist zijn. Eiser heeft immers geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat zijn huidige in de brp opgenomen identiteit niet bestaat. Ook staat niet vast dat de nieuwe persoonsgegevens juist zijn en dat de oude en nieuwe gegevens betrekking hebben op dezelfde persoon. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat niet kan worden uitgegaan van de inhoudelijke juistheid van de Attestation of Birth en de Affidavit of age declaration. De Attestation of Birth is afgegeven op basis van de Affidavit of age declaration. De Affidavit of age declaration is gebaseerd op de verklaring van één persoon, die stelt een neef van eiser te zijn. De identiteit van die persoon blijft onduidelijk. Het is de vraag of de familierelatie wel leidt tot een voldoende objectieve en betrouwbare verklaring. Ook is onduidelijk hoe het mogelijk is dat deze persoon vijfendertig jaar later exact herinnert wat de geboortedatum is van eiser. Aan de Affidavit of age declaration kan daarom geen betekenis worden gehecht omdat deze uitspraak niet voldoet aan de eisen die daar in de rechtspraak aan worden gesteld.1

5.2.2

Ook het paspoort kan volgens verweerder niet (mede) leiden tot wijziging van de gegevens van eiser in de brp. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat het paspoort geen brondocument is en dat is wel vereist voor wijziging van de gegevens in het brp. Ook zijn er ten aanzien van het paspoort twijfels over de wijze van totstandkoming en de inhoud van het paspoort. Volgens eiser was het interview dat hij had op de ambassade van Nigeria in Den Haag voldoende voor de verstrekking van het paspoort. Uit de ambtsberichten en informatie op de website van de Nigeriaanse ambassade blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat eiser uitsluitend op basis van een eigen verklaring een Nigeriaans paspoort heeft verkregen. Als het wel op de manier is gegaan zoals door eiser is gesteld, dan kan naar objectieve maatstaven gemeten geen betekenis worden gehecht aan de inhoud van het paspoort. Het staat niet vast dat de op het paspoort vermelde identiteit ook daadwerkelijk aan eiser toebehoort. Het paspoort van 10 juli 2018 is vijf maanden eerder afgeven dan de Attestation of Birth van 4 december 2018. Het paspoort kan dus niet op basis van de Attestation of Birth zijn afgegeven. Het paspoort van 10 juli 2018 is afgegeven in Nigeria wat volgens verweerder niet kan als eiser – zoals hij stelt – het paspoort van de Nigeriaanse ambassade in Den Haag heeft verkregen. Dat er in beroep een kopie van een nieuw paspoort met afgifte plaats Den Haag is ingebracht, maakt dit voor verweerder niet anders. De overige documenten die eiser ten grondslag legt aan zijn verzoek zijn eveneens geen brondocumenten en kunnen mede daarom niet leiden tot wijziging van de gegevens van de eiser in het brp. Uit de medische documenten kan ook niet onomstotelijk worden afgeleid dat eiser is wie hij stelt te zijn.

5.3.1

De rechtbank oordeelt als volgt. Gegevens in de brp moeten betrouwbaar en duidelijk zijn. De gebruikers van de gegevens moeten er immers op kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de brp volgt dat voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens, gelet op het systeem van de brp, onomstotelijk vast moet staan dat deze gegevens onjuist zijn.2 Het bewijs dat eenmaal in de brp opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten, te weten de documenten genoemd in artikel 2.8, tweede lid, onder a t/m d, van de Wet brp. Uit de jurisprudentie volgt – anders dan verweerder stelt – dat als onomstotelijk vaststaat dat de gestelde persoonsgegevens de juiste zijn, vaststaat dat de ingeschreven persoonsgegevens onjuist zijn.3 Op eiser rust de bewijslast om de onjuistheid van de in de brp opgenomen gegevens aan te tonen. In dit geval zal dus onomstotelijk vast moeten (komen te) staan dat de gestelde persoonsgegevens van eiser juist zijn. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder daarom terecht beoordeeld of hij uit kan gaan van de inhoudelijke juistheid van de documenten die ten grondslag worden gelegd aan het verzoek om wijziging van gegevens in het brp. Om bewijskracht toe te kennen aan de documenten, moeten de documenten gebaseerd zijn op betrouwbare gegevens en moet er naar objectieve maatstaven gemeten geen twijfel zijn over de inhoud van de documenten.4

5.3.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat de persoonsgegevens die in de brp staan vermeld onomstotelijk onjuist zijn. Van de documenten die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn verzoek, is alleen de Attestation of Birth een brondocument in de zin van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp. Verweerder heeft er echter belang aan mogen hechten dat er te veel onduidelijkheden zijn over de wijze van totstandkoming om aan de Attestation of Birth voldoende bewijskracht toe te kennen. Uit de tekst van de Attestation of Birth blijkt dat dit document is afgegeven op basis van de Affidavit of age declaration. De Affidavit of age declaration is afgegeven op basis van de verklaring van één persoon die stelt een neef te zijn van eiser. Buiten de naam van deze persoon is de identiteit van deze persoon niet toegelicht. De leeftijd van deze persoon is bijvoorbeeld niet bekend. Daarom overweegt verweerder terecht dat niet duidelijk is hoe het mogelijk is dat deze persoon de geboortedatum van eiser van vijfendertig jaar geleden herinnert. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat naar objectieve maatstaven gemeten de Affidavit of age declaration niet op betrouwbare gegevens is gebaseerd. Omdat de overgelegde Attestation of Birth uitsluitend is verstrekt op basis van de Affidavit of age declaration komt aan dit document evenmin betekenis toe. Dat er in beroep een nieuwe Attestation of Birth is overgelegd met een foto van eiser, doet niet af aan het hiervoor overwogene. Door de foto op de documenten worden de documenten weliswaar met eiser in verband gebracht maar de onduidelijkheden en daarmee de twijfels over de inhoud van de documenten, blijven echter hetzelfde.

5.3.3

Eiser heeft eveneens een beroep gedaan op het paspoort dat hij stelt te hebben verkregen van de Nigeriaanse ambassade in Den Haag. Een paspoort is een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet brp en derhalve van hogere rangorde dat de verklaring onder ede. Tussen partijen is echter niet in geschil dat een paspoort geen brondocument is omdat het wordt verleend op basis van andere documenten. Desalniettemin kunnen de gegevens in een paspoort een aanwijzing vormen voor het antwoord op de vraag of de overige door eiser overgelegde documenten hem betreffende gegevens bevatten.5 In de situatie van eiser, is echter onduidelijk hoe de uitgevende instantie van het paspoort voorafgaand de identiteit van eiser heeft gecontroleerd. Eiser heeft zelf verklaard dat het paspoort is afgegeven op basis van een gesprek van hem met de ambassade en dus niet op basis van documenten die zijn identiteit aantonen. Verweerder heeft terecht overwogen dat als dit zo is gegaan dit twijfel zaait over de inhoud van het paspoort. De rechtbank overweegt dat dit des te meer geldt omdat het paspoort van 10 juli 2018 niet kan zijn verstrekt op basis van de Attestation of Birth omdat deze is gedateerd van ná de afgifte van het paspoort. Verweerder heeft vragen gesteld bij de Nigeriaanse ambassade over hoe dit is gegaan, maar heeft daar geen duidelijkheid over verkregen. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat er te veel onduidelijkheden zijn over de wijze van afgifte om de gegevens in het paspoort te beschouwen als aanwijzing voor de gestelde identiteit van eiser. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de vaststelling van het Bureau documenten dat de Attestation of Birth en het paspoort echt zijn, niets zegt over de inhoudelijke juistheid van beide documenten. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom het twijfelt aan die inhoudelijke juistheid van zowel de Attestation of Birth als van het paspoort.6

5.3.4

Tussen partijen is ook niet in geschil dat de medische documentatie – de IMMO-rapportage en de documentatie van ziekenhuis in [stad] – geen brondocumenten zijn in de zin van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp. Alleen al om deze reden kan de medische documentatie ondanks het hiervoor overwogene niet alsnog leiden tot wijziging van de gegevens van eiser in de brp. In aanvulling daarop merkt de rechtbank op dat vooralsnog niet onomstotelijk vaststaat dat de verwondingen die door het ziekenhuis in [stad] zijn toegeschreven aan de persoon met de naam [D] hebben geleid tot de littekens van eiser zoals deze in de IMMO-rapportage zijn beschreven. De IMMO-rapportage heeft namelijk niet de documentatie van het ziekenhuis in [stad] in zijn beoordeling betrokken. De IMMO-rapportage concludeert alleen dat het aannemelijk is dat de littekens en/of fysieke klachten zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas. De rechtbank overweegt dat de medische documentatie, in samenhang bezien met de Attestation of Birth, het paspoort en de overige overgelegde stukken, eisers stelling dat hij [D] is weliswaar in zekere mate ondersteunen, maar dat deze, gelet op hetgeen hiervoor overwogene, niet tot de conclusie leiden dat onomstotelijk vaststaat dat eiser is wie hij stelt te zijn.

5.3.5

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht het feit dat eiser door de IND is aangemerkt als [D] in de verblijfsrechtelijke procedure, niet heeft meegewogen bij de beoordeling van eisers verzoek tot wijziging van zijn gegevens in de brp. Verweerder heeft een eigen verantwoordelijkheid bij de gegevens in de brp en is niet gebonden aan het oordeel van de IND.7 Daar komt bij dat uit het proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie blijkt dat de nieuwe identiteit van eiser is aangenomen op basis van het paspoort van eiser. Uit het voorgaande volgt echter dat een paspoort niet voldoende is om de gegevens in de brp te wijzigen.

5.3.6

Eiser heeft het standpunt ingenomen dat uit de vergelijking van de vingerafdrukken volgt dat [C] en [D] dezelfde persoon zijn omdat [C] en [D] dezelfde vingerafdrukken hebben. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van de Vreemdelingenpolitie blijkt de persoon die is verschenen en zich heeft geïdentificeerd met het paspoort als [D] dezelfde is als diegene die in het systeem bekend was als [C] . De rechtbank oordeelt dat daaruit weliswaar volgt dat de persoon die is verschenen dezelfde persoon is als de persoon met de naam [C] , maar dat betekent niet dat onomstotelijk vaststaat dat de identiteit van eiser ook [D] is. Deze conclusie is immers alleen getrokken op basis van het paspoort.

Conclusie

5.3.7

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft besloten dat het verzoek van eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor wijziging van zijn gegevens in de brp. De beroepsgrond slaagt niet.

Subsidiaire beroepsgrond: eiser doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel

6.1

Eiser beroept zich subsidiair op het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiser staan de nadelige gevolgen van het door verweerder vasthouden aan de regels en de bewijslast uit de wetgeving en jurisprudentie niet in verhouding tot het met het besluit te dienen doelen.

Eiser kan zonder de wijziging van zijn persoonsgegevens geen leven opbouwen in Nederland, onder meer omdat hij niet in aanmerking komt voor huisvesting. Eiser woont nu in een opvang en ontvangt een tegoedbon voor boodschappen.

6.2

Volgens verweerder leidt het toepassen van het evenredigheidsbeginsel niet tot een andere uitkomst omdat er geen ruimte is voor een belangenafweging bij de beoordeling van een verzoek tot wijziging van de gegevens in het brp. Het brp moet op betrouwbare en objectieve gegevens zijn gebaseerd. Verweerder kan daarom de gevolgen van het afwijzen van een verzoek tot wijziging van de gegevens in de brp niet betrekken bij de beoordeling daarvan.

6.3

De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft verschillende bewijsmiddelen aangevoerd om te onderbouwen dat zijn persoonsgegevens in de brp moeten worden gewijzigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerders bewijswaardering juist is en dat de overgelegde bewijsmiddelen niet betrouwbaar (genoeg) zijn om te kwalificeren als document in de zin van artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp. Dat betekent dat artikel 2.8 van de Wet brp dwingend voorschrijft dat verweerder de gewenste persoonsgegevens niet in de brp kan opnemen. Dat betekent onder andere dat de belangen die eiser naar voren brengt, hoe invoelbaar die ook zijn, niet bij de beoordeling van het bestreden besluit kunnen worden betrokken. Artikel 2.8 van de Wet brp, en ook geen ander artikel in die wet, geeft immers de bevoegdheid om andere belangen af te wegen dan die voortvloeien uit het doel van de brp: een betrouwbare registratie van persoonsgegevens. Artikel 3:4, eerste lid, van de Awb bepaalt in dat verband dat de gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot met dat besluit te dienen doelen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de voor eiser nadelige gevolgen van verweerders besluit al dan niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doel, namelijk een betrouwbare brp.

De rechtbank heeft oog voor het feit dat het besluit grote gevolgen heeft voor eiser. Hij heeft onder meer geen recht op huisvesting en toeslagen, en kan naar eigen zeggen niet zijn leven opbouwen terwijl hij wel recht heeft op verblijf in Nederland en twee kinderen heeft in Nederland. Toch onderscheidt eiser zich wat de gevolgen van het besluit – hoe verstrekkend deze gevolgen ook zijn – niet van anderen die zich in een soortgelijke situatie bevinden. Het is in dat geval aan de wetgever en niet aan de rechter om een uitzondering te maken op de bewijslast. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. van der Vos, rechter, in aanwezigheid van J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 23 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Verweerder doet onder meer een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1475.

2 Zie bijvoorbeeld RvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2798, 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:611 en 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:611.

3 Zie bijvoorbeeld RvS 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:580 en RvS 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1707.

4 Zie bijvoorbeeld RvS 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1673 en 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:505.

5 Zie bijvoorbeeld ook RvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:611.

6 Zie bijvoorbeeld ook RvS 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:505.

7 Zie bijvoorbeeld RvS 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2839.