Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5340

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2021
Datum publicatie
12-11-2021
Zaaknummer
527513
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Uitspraak over een bekrachtiging/vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing van de GI. De schriftelijke aanwijzing gaat over het meewerken aan parallel ouderschap in een situatie van dreigend contactverlies met een ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Zittingsplaats: Utrecht

Zaaknummer: C/16/527513 / JE RK 21-1784 (bekrachtiging schriftelijke aanwijzing)

Zaaknummer: C/16/522340 / JE RK 21-1002 (verdeling van de zorg- en opvoedingstaken)

Zaaknummer: C/16/529328 / JE RK 21-2024 (vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing)

Datum uitspraak: 13 oktober 2021

Beschikking van de kinderrechter over een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, een vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing en een verdeling van de zorg- en opvoedtaken

in de zaken van C/16/527513 / JE RK 21-1784 & C/16/522340 / JE RK 21-1002 (bekrachtiging schriftelijke aanwijzing en verdeling zorg- en opvoedingstaken):

de gecertificeerde instelling, Samen Veilig Midden-Nederland,

locatie [plaatsnaam] , hierna te noemen: de GI,

en in de zaak van C/16/529328 / JE RK 21-2024 (vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing):

[A] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. J.F.W. Veraar,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1 (voornaam)] ,

en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2 (voornaam)] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan, voor zover zij niet verzoeker zijn:

[A] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. J.F.W. Veraar,

[B] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 2] ,

de gecertificeerde instelling, Samen Veilig Midden-Nederland,

locatie [plaatsnaam] , hierna te noemen: de GI,

De Raad voor de Kinderbescherming, locatie [plaatsnaam] (hierna: de Raad), die is betrokken op grond van artikel 810 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

1 Het procesverloop

1.1.

In de zaak over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken heeft de kinderrechter al eerder een beslissing genomen op 6 juli 2021. Voor het procesverloop tot die datum verwijst de kinderrechter naar die beschikking. Nadien heeft de kinderrechter geen stukken meer ontvangen in die zaak.

1.2.

In de zaak over de schriftelijke aanwijzing heeft de kinderrechter de volgende stukken ontvangen:

- het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing met bijlagen van de GI van

13 september 2021, ingekomen bij de griffie op 15 september 2021;

- het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing met bijlage van de moeder van 27 september 2021, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum.

1.3.

Op 29 september 2021 heeft de kinderrechter de zaken ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder met haar advocaat,

- de vader,

- mevrouw [C] , namens de Raad,

- meneer [D] , namens de GI.

2 Waar gaat het over?

2.1.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] wordt uitgeoefend door de ouders. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de kinderen moeten nemen.

2.2.

[minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] wonen bij de moeder.

2.3.

Bij beschikking van 23 december 2020 zijn [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] onder toezicht gesteld van de GI tot 23 december 2021.

De zorgregeling

2.4.

Bij beschikking van 6 juli 2021 heeft de kinderrechter de zorgregeling tussen de kinderen en de vader gewijzigd en heeft bepaald dat tot de zitting van 29 september 2021 in beginsel geen contact zal plaatsvinden tussen de vader en de kinderen, tenzij onder begeleiding van de gespecialiseerde hulpverlening en op aanwijzingen van de gespecialiseerde hulpverlening, waarbij deze contacten voorzichtig opgebouwd moeten worden. De kinderrechter heeft daarbij ook aangegeven dat op de zitting van

29 september 2021 verder zal worden gesproken over het verzoek van de GI tot verdeling van de zorg- en opvoedtaken.

De schriftelijke aanwijzing

2.5.

De GI heeft op 13 september 2021 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] . Hierin is het volgende opgenomen: de moeder dient mee te werken aan het traject parallel ouderschap dat haar helpt om het ouderschap vorm te geven en de omgang tussen de vader en de kinderen te bewerkstelligen. Ook dient de moeder, indien nodig, individuele hulpverlening te accepteren om de negatieve gebeurtenissen uit het verleden een plek te geven, zodat deze geen belemmering vormen.

De verzoeken van de GI

2.6.

De GI verzoekt de door de kinderrechter op 13 januari 2021 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen. Voor de motivering van de GI ten aanzien van dit verzoek, verwijst de kinderrechter naar haar vorige beschikking van 6 juli 2021.

Verder verzoekt de GI de op 13 september 2021 gegeven schriftelijke aanwijzing aan de moeder te bekrachtigen. De GI legt het volgende ten grondslag aan dat verzoek. Met de moeder is een uitgebreid gesprek gevoerd om parallel ouderschap op te starten om gehoor te geven aan de oproep van de kinderrechter uit de beschikking van 6 juli 2021. Moeder heeft aangegeven absoluut niet mee te willen werken aan de vormen van hulpverlening die als doel hebben om het contact en de omgang tussen de vader en de kinderen te bewerkstelligen. Een schriftelijke aanwijzing is noodzakelijk gezien de aanhoudende weigerende opstelling van de moeder met gezag waardoor hulpverlening niet van de grond komt. Moeder blijft het proces stagneren. Er is nog steeds geen omgang tussen de kinderen en de vader, terwijl de GI volgens de laatste beschikking moest onderzoeken of en op welke wijze er omgang kan zijn die veilig en onbelast is voor de meisjes. Ze zijn kwetsbaar en hebben een bepaalde somatiek, maar zijn wel in beeld bij de hulpverlening en het is niet onmogelijk om in dit opzicht, mede met de inzet van [naam instelling] , het pad van contactherstel te bewandelen. Daarbij is ook van belang dat de GI heeft aangegeven te overwegen een verzoek uithuisplaatsing bij de vader te doen, indien de moeder de komende tijd geen enkele beweging laat zien. De GI heeft bij de vader al een check gedaan en geconstateerd dat het mogelijk zou zijn en dat vader daartoe bereid is.

Het verweer en verzoek van de moeder

2.7.

De moeder is van mening dat contactherstel niet in het belang is van haar en de kinderen. Zij heeft geen enkel vertrouwen in de vader en wil rust voor haar en de kinderen, zodat de kinderen stabiliteit kunnen doormaken en zich rustig kunnen verder ontwikkelen.

De moeder is het niet eens is met de lijn van de kinderrechter en de GI. Ze vindt het niet goed voor de kinderen om omgang met de vader te hebben gezien hun beperking. De moeder en haar netwerk kunnen de kinderen de juiste zorg geven en daarbij is verdere hulpverlening niet nodig. Zij kan de hulpverlening prima zelf organiseren. Dat betekent dat de moeder niet mee zal werken met de GI. Zij wil dan ook dat de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen wordt verklaard op alle punten. De moeder geeft ook aan dat wanneer de kinderrechter en de GI haar zullen dwingen om hulpverlening aan te gaan, zij zich zal terugtrekken als opvoeder en verzorger van de kinderen en de zorg volledig aan de vader over zal dragen.

Het standpunt van de vader

2.8.

De vader wil heel graag weer contact met de kinderen en wil dat rustig opbouwen. De vader hoopt dat een wijziging van de zorgregeling kan helpen om de omgang met de kinderen op gang te brengen. De vader is het eens met de schriftelijke aanwijzing en de gang van zaken van de GI.

Het standpunt van de Raad

2.9.

De Raad vindt de situatie erg complex en vindt dat de moeder aan de slag moet gaan met zichzelf. Er zit nog veel verdriet en woede bij de moeder. Daardoor lukt het de moeder onvoldoende om naar het belang van de kinderen te kijken. Want als beide ouders echt in het belang van de kinderen zouden handelen, zouden zij met elkaar om tafel moeten zitten. En gelet op de rugzak en opvoedvraag van de kinderen, is het van belang om goede afspraken te maken en zijn er regels en structuur nodig. Parallel ouderschap is een van de weinige mogelijkheden waarin de ouders het traject afzonderlijk kunnen doen. De Raad is daar voorstander van. Verder is het goed om alvast vast te leggen dat er gewoon omgang moet komen tussen de vader en de kinderen onder begeleiding tijdens het traject parallel ouderschap. Vanuit daar kan verder worden gekeken naar de opbouw van het contact tussen de vader en de kinderen. De Raad vindt het namelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] van belang dat op korte termijn wordt gewerkt aan contactherstel met de vader.

Waar moet de kinderrechter nog op beslissen?

2.10.

In de kern gaat het geschil over het contact tussen de vader en de kinderen. Dat ligt op drie verschillende juridische manieren voor. De kinderrechter moet beslissen op:

  • -

    het verzoek van de GI om de zorgregeling tussen de kinderen en de vader te wijzigen;

  • -

    het verzoek van de GI om de schriftelijke aanwijzing aan moeder te bekrachtigen;

  • -

    het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.

3 De beoordeling

De schriftelijke aanwijzing

De conclusie

3.1.

De schriftelijke aanwijzing van de GI bestaat uit twee delen:

Deel I: het meewerken door de moeder aan het traject parallel ouderschap.

Deel II: het accepteren van individuele hulpverlening door de moeder om de negatieve gebeurtenissen uit het verleden een plek te geven.

Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van de GI gedeeltelijk worden bekrachtigd. Namelijk het eerste deel dat toeziet op het meewerken aan parallel ouderschap door de moeder. De kinderrechter zal verder het tweede deel dat toeziet op het meewerken aan individuele hulpverlening vervallen verklaren. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen. Het tweede gedeelte van de schriftelijke aanwijzing zal vervallen worden verklaard. Het overige gedeelte van het verzoek van de moeder zal worden afgewezen. De kinderrechter zal dat hierna uitleggen, maar zal eerst het toetsingskader bespreken.

Het toetsingskader

3.2.

De GI is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Een ondertoezichtstelling geeft de GI bepaalde bevoegdheden en brengt ook verplichtingen voor ouders met gezag mee. Een ondertoezichtstelling beperkt namelijk het gezag van de ouders. Als een ouder niet wil meewerken aan de (uitvoering van de) ondertoezichtstelling, dan kan de GI die ouder op grond van artikel 1:263 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een schriftelijk aanwijzing geven. Op grond van artikel 1:264 BW kan de ouder aan wie de aanwijzing is gericht de kinderrechter vragen om de aanwijzing vervallen te laten verklaren. De kinderrechter moet in dat geval beoordelen of de gegeven aanwijzing past binnen de (uitvoering van de) ondertoezichtstelling en of de GI de aanwijzing redelijkerwijs had mogen geven. Hierbij komt de GI beleidsvrijheid toe. Omdat een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, moet de kinderrechter ook beoordelen of de aanwijzing voldoet aan de zogenoemde ‘beginselen van behoorlijk bestuur’. Voorbeelden hiervan zijn de vragen of de aanwijzing zorgvuldig is voorbereid en of de aanwijzing voldoende concreet is.

De ontvankelijkheid van de moeder

3.3.

De termijn voor het indienen van een verzoekschrift tot het vervallen verklaren bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag waarop de schriftelijke aanwijzing is verzonden of uitgereikt. De betwiste schriftelijke aanwijzing is gedateerd

13 september 2021. Het verzoek dat strekt tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing is op 27 september 2021 binnengekomen bij de rechtbank. De moeder is dus ontvankelijk in haar verzoek.

De beoordeling

3.4.

De kinderrechter stelt voorop dat het begrijpelijk is dat de GI ervoor heeft gekozen om de moeder een schriftelijke aanwijzing te geven. De moeder gaf in eerste instantie immers aan niet te willen meewerken aan hetgeen is opgenomen in de schriftelijke aanwijzing.

3.5.

De schriftelijke aanwijzing is eigenlijk tweeledig zoals de kinderrechter al eerder heeft opgemerkt. Deel I ziet toe op het meewerken door de moeder aan het traject parallel ouderschap en deel II ziet toe op het accepteren van individuele hulpverlening door de moeder om de negatieve gebeurtenissen uit het verleden een plek te geven. Deel I van de schriftelijke aanwijzing zal de kinderrechter bekrachtigen en deel II van de schriftelijke aanwijzing zal de kinderrechter vervallen verklaren.

Deel I: parallel ouderschap

3.6.

De kinderrechter is het met de GI eens dat het traject parallel ouderschap de gekozen weg is voor deze ouders om er hopelijk toe te komen dat de ouders goed leren samenwerken op termijn. Zo heeft de GI uitgelegd dat parallel ouderschap het uiterst haalbare is voor deze ouders. Er is geen minimale basis van vertrouwen bij de ouders. Andere hulpverleningstrajecten zijn daardoor niet haalbaar. De GI heeft ook al contact opgenomen met de hulpverleners van het traject parallel ouderschap en zij kunnen het traject geheel toespitsen op deze ouders en hun hulpvragen en situatie. Dat geldt ook voor de zorgbehoefte van de kinderen. In het traject kan in gesprek met de ouders goed worden gekeken naar de hogere zorgbehoefte van de kinderen. Ook zou contactherstel met de vader mogelijk zijn om te kijken hoe dat het beste voor de kinderen uitpakt en wat de mogelijkheden zijn.

3.7.

De vader zou graag zo snel mogelijk willen starten met zo’n traject, maar de moeder wil dat absoluut niet. Zij koestert een enorm groot wantrouwen richting de vader. De moeder wil rust: voor haar en de kinderen. De moeder stelt al erg veel hulpverlening op touw te hebben gezet voor de kinderen en kan hen ook goed verzorgen. De kinderrechter twijfelt er ook niet aan dat de moeder de kinderen niet de dagelijkse verzorging en opvoeding zou kunnen bieden. Dat heeft de kinderrechter ook al in haar vorige beschikking aangegeven. Het is de moeder geweest die de afgelopen jaren alleen voor de kinderen heeft gezorgd en daardoor van alles rond en om de kinderen op de hoogte is. De kinderrechter heeft de moeder daarnaast ook verteld te kunnen volgen dat moeder erg teleurgesteld is in de vader door de manier waarop hij zich aan het einde van hun relatie heeft opgesteld. Maar dit alles neemt niet weg dat er ook nog een vader is die heel graag (weer) in beeld wil komen en zijn stukje zorg als vader van de twee meisjes op zich wil en kan nemen. En hoe zeer de moeder dat nu niet wenst, betekent niet dat haar wens in het belang van de kinderen is. De kinderrechter is het namelijk met de GI eens dat door het tegenhouden van elke mogelijke manier van contact tussen de kinderen en de vader - terwijl nog niet goed is bekeken op welke manier het contact tussen de vader en de kinderen vormgegeven kan worden - de moeder de kinderen wel een deel van hun identiteitsontwikkeling ontneemt. Dat vormt een ernstige ontwikkelingsbedreiging. En een traject als parallel ouderschap, dat hierin mogelijk een verandering in teweeg zou kunnen brengen zoals de GI dat stelt, is dan de uitgelezen weg voor nu. De schriftelijke aanwijzing van de GI is daarmee zorgvuldig voorbereid en voldoende concreet gemaakt. De kinderrechter bekrachtigt dan ook dit deel van de schriftelijke aanwijzing van de GI. De moeder moet zich daarom houden aan de schriftelijke aanwijzing van de GI dat toeziet op het onderdeel parallel ouderschap.

Deel II: het accepteren van individuele hulpverlening

3.8.

De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing van de GI op dit punt niet bekrachtigen, maar vervallen verklaren op verzoek van de moeder. Dat betekent dat het verzoek van de moeder deels wordt toegewezen. De kinderrechter is van oordeel dat de GI niet concreet heeft gemaakt aan welke individuele hulpverlening de moeder moet meewerken en voor hoe lang, en wat er van haar wordt verwacht. Daarmee is de schriftelijke aanwijzing op dit punt onbepaald gebleven en voldoet de schriftelijke aanwijzing niet aan de beginselen van behoorlijk bestuur.

De zorgregeling

De conclusie

3.9.

De kinderrechter zal de zorgregeling tussen de kinderen en de vader wijzigen en bepalen dat voorlopig een zorgregeling tussen de vader en de kinderen geldt die inhoudt dat de GI de aard, frequentie en duur van het contact tussen de vader en de kinderen bepaalt, waarbij geldt dat deze zorgregeling geldt voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling. De kinderrechter legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

De toelichting

3.10.

De kinderrechter kan een eerder vastgestelde zorgregeling tussen de ouders voor de duur van de ondertoezichtstelling wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.1 De kinderrechter begrijpt het verzoek van de GI als een verzoek tot wijziging van de zorg- en opvoedtaken, nader in te vullen door de kinderrechter.

3.11.

De kinderrechter vindt de onder rechtsoverweging 3.9. genoemde zorgregeling in het belang van de kinderen. De zorgregeling houdt in dat de GI dan aan de hand van haar eigen invulling, en gevoed door professionals (die het traject parallel ouderschap gaan begeleiden), de vorm en frequentie van het contact tussen de kinderen en de vader kan vormgeven.

3.12.

Al in haar vorige beschikking heeft de kinderrechter overwogen dat, anders dan de moeder dat ziet, de complexe medische problematiek van de kinderen niet maakt dat zij geen contact met de vader moeten kunnen hebben. De kinderrechter was toen al van oordeel dat het noodzakelijk is dat de kinderen fijn en onbelast contact kunnen hebben met de vader. De kinderrechter heeft daarbij ook overwogen dat de GI hulpverlening moest opstarten en dat beide ouders zich moesten wenden tot een hulpverlener om met hun emoties rondom het verbreken van de relatie en de huidige complexe situatie leren omgaan. Voortvarendheid daarbij vond de kinderrechter van groot belang.

3.13.

Tot op heden is het echter jammer genoeg niet gelukt om hieraan uitvoering te geven. De afgelopen periode is niet gewerkt aan dit doel. De moeder staat nog steeds regelrecht tegenover omgang tussen de vader en de kinderen en heeft ook duidelijk gezegd niet mee te willen werken aan vormen om contactherstel tussen de vader en kinderen mogelijk te maken. De kinderrechter ziet hierin een grote impasse bestaan die niet in het belang van de kinderen is. Om deze impasse te doorbreken zal de kinderrechter een zorgregeling voorlopig vaststellen die de GI naar het belang van de kinderen kan inrichten. De GI heeft dus vanaf nu de regievoering over de contacten tussen de vader en de kinderen voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling loopt tot 23 december 2021 en de kinderrechter wil de contactregeling regelmatig kunnen toetsen.

3.14.

De kinderrechter wil verder nog naar voren brengen dat in het geval de GI een verzoek zou doen tot een verlenging van de ondertoezichtstelling, zij desgewenst een nieuw verzoek kan doen tot vaststelling van een zorgregeling tussen de vader en kinderen.

4 De beslissing


De kinderrechter:

4.1.

wijzigt voorlopig de zorgregeling en bepaalt dat de GI de aard, frequentie en duur van het contact tussen de vader en de kinderen bepaalt, waarbij geldt dat deze zorgregeling geldt voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling;

4.2.

verklaart de beslissing onder 4.1. uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van de GI van 13 september 2021 ten aanzien van deel I: het meewerken aan het traject parallel ouderschap;

4.4.

verklaart de schriftelijke aanwijzing van de GI van 13 september 2021 vervallen ten aanzien van deel II: het accepteren van individuele hulpverlening;

4.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van Delft als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking ten aanzien van de zorgregeling kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.

Deze beslissing is schriftelijk uitgewerkt op 22 oktober 2021.

1 Artikel 1:265g, eerste lid, BW.