Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5300

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2021
Datum publicatie
09-11-2021
Zaaknummer
9391851 UV EXPL 21-151
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geldigheid concurrentiebeding in arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Vaststelling dat concurrentiebeding is overtreden. Toewijzing vordering om werkzaamheden voor concurrent te staken en toekenning voorschot op verbeurde boetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1412
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 9391951 UV EXPL 21-151 MS/1270

Kort geding vonnis van 13 oktober 2021

inzake

de besloten vennootschap

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M. Faber,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats]

verder ook te noemen [gedaagde sub 1] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. L. Hennink,

2. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 2] , tevens handelend onder de naam [handelsnaam] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

verder ook te noemen [gedaagde sub 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. L. Hennink.

1 De procedure

1.1.

[eiseres] heeft een dagvaarding met producties uitgebracht. Zij heeft daarna nog aanvullende producties in het geding gebracht. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben ook producties ingediend.

1.2.

Op 28 september 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar namens [eiseres] mr. Faber, gemachtigde van [eiseres] , en haar kantoorgenoot mr. [A] zijn verschenen. Verder zijn namens [eiseres] verschenen de heer [B] , directeur van [eiseres] en de heer [C] , aandeelhouder van [eiseres] . [gedaagde sub 1] is in persoon verschenen. Namens [gedaagde sub 2] is verschenen de heer [D] , directeur en aandeelhouder van [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben zich laten bijstaan door hun gemachtigde mr. Hennink. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitnota’s toegelicht. Zij hebben op elkaars standpunten kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een aanbieder van mobiele voorzieningen zoals mobiele badkamers, toiletwagens, frietwagens en koelaanhangers. De heer [E] was aanvankelijk eigenaar van [eiseres] . De huidige eigenaren hebben het bedrijf per 1 januari 2020 overgenomen.

2.2.

[gedaagde sub 1] is op 1 september 2018 bij [eiseres] in dienst getreden als algemeen medewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 september 2019. Deze arbeidsovereenkomst is verlengd tot 1 september 2020. Omdat [eiseres] als gevolg van de coronacrisis in zwaar weer verkeerde, hebben de nieuwe eigenaren van [eiseres] [gedaagde sub 1] vervolgens geen contract voor onbepaalde tijd aangeboden maar de arbeidsovereenkomst per 1 september 2020 nogmaals verlengd voor de duur van een jaar.

2.3.

In deze laatste arbeidsovereenkomst was, net als in de eerdere arbeidsovereenkomsten, een concurrentiebeding, een relatiebeding en een boetebeding opgenomen. Deze bedingen luiden - voor zover hier van belang - als volgt.

“Artikel 22a: Concurrentiebeding

  1. Het is werknemer zowel tijdens de arbeidsovereenkomst als gedurende een periode van 12 maanden na het eindigen van het dienstverband, verboden om zonder schriftelijke toestemming van werkgever binnen een straal van 25 kilometer van de standplaats van de werkgever, direct, noch indirect, noch voor zich zelf noch voor derden, in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enig andere wijze concurrerend zijn aan of met de activiteiten van werkgever of die van met werkgever gelieerde ondernemingen, hieronder onder meer begrepen het financieel of op andere wijze deelnemen aan en/of het hebben van directe of indirecte zeggenschap over een dergelijke onderneming.

  2. Werknemer erkent dat zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen aan de zijde van werkgever het overeenkomen van de in artikel 21b.1 opgenomen bepaling noodzakelijk maken. Werknemer verkrijgt in de uitoefening van zijn functie toegang tot essentiële bedrijfsgegevens, waaronder die met betrekking tot de door werkgever gevoerde prijsstellingen, volumes en andere strategische kennis en/of heeft contact met klanten en verkrijgt inzicht in de met klanten af te sluiten overeenkomsten, de daaraan ten grondslag liggende prijsstellingen, volumes en andere strategische kennis. Tevens heeft werknemer dientengevolge inzicht in de werkwijze van de werkgever. Deze informatie kan worden gekwalificeerd als essentiële bedrijfsinformatie en concurrentiegevoelig, reden waarom werkgever deze, als zijnde een zwaarwegend bedrijfsbelang, dan ook wenst te beschermen.”

“Artikel 22b: Relatiebeding

  1. Werknemer verbindt zich gedurende 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst zich ervan te zullen onthouden contacten te (doen) leggen en/of te (doen) onderhouden, zowel direct als indirect, zowel voor zichzelf als voor derden, met klanten, leveranciers of andere relaties van werkgever en de aan haar gelieerde ondernemingen, een en ander voor zover met als doel om daarmee commerciële relaties te onderhouden of aan te gaan.

  2. Werknemer erkent dat zwaarwegende bedrijfsbelangen aan de zijde van de werkgever het overeenkomen van het relatiebeding noodzakelijk maken. Deze zwaarwegende belangen zijn gelegen in de feiten en omstandigheden die zijn bedoeld in artikel 21b.2

  3. Onder klanten dienen te worden verstaan die bedrijven, ondernemingen en/of instellingen in wie opdracht, al dan niet direct, werkgever gedurende de laatste 12 maanden van het dienstverband met werknemer werkzaamheden heeft verricht, alsmede die klanten aan wie werkgever gedurende de laatste 12 maanden van het dienstverband een offerte heeft uitgebracht en/of van wie werkgever gedurende die periode een aanvraag tot het doen van een offerte heeft ontvangen.

  4. Het relatiebeding is van overeenkomstige toepassing op het leggen en/of onderhouden van contacten via sociale media, waaronder uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen Facebook, Twitter en LinkedIn, ook indien deze contacten vanuit particulier account van de werknemer zijn gelegd. Uitgezonderd van relatiebeding zijn contacten die strikt persoonlijk zijn, dat wil zeggen geen direct of indirect zakelijk of wervend karakter hebben.”

“Artikel 22c: Boetebeding

3. Bij overtreding of niet nakoming door werknemer van een of meer van de in de artikelen 16, 22a en 22b genoemde verplichtingen, verbeurt werknemer ten gunste van werkgever, zonder dat aanmaning, ingebrekestelling of rechtelijke tussenkomst is vereist, een onmiddellijke opeisbare boete van € 5000,-, alsmede een aanvullende boete van € 250,- voor elke dag dat de overtreding na mededeling van de ontdekking daarvan door werkgever voortduurt, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, onverminderd de bevoegdheid van werkgever om in de plaats van de boete volledige schadevergoeding, alsmede nakoming te vorderen. Betaling van deze boete(s) ontslaat werknemer niet van de in genoemde artikelen omschreven verplichtingen. Partijen wijken met dit artikel uitdrukkelijk af van artikel 6:92 van het Burgerlijk Wetboek.”

2.4.

[gedaagde sub 1] heeft per 1 januari 2021 ontslag genomen en is per die datum in dienst getreden bij [gedaagde sub 2] . Zijn vriend de heer [D] (hierna: [D] ) is directeur en aandeelhouder van dit bedrijf. [gedaagde sub 2] heeft in januari 2021 de onderneming [handelsnaam] opgericht, die zich aanvankelijk voornamelijk richtte op desinfectievoorzieningen maar vanaf februari 2021 ook op mobiele voorzieningen.

2.5.

[gedaagde sub 2] is gevestigd in [vestigingsplaats 2] , binnen een straal van 23,01 kilometer van [eiseres] . [eiseres] heeft zich om die reden, en gelet op de bedrijfsactiviteiten van [handelsnaam] , op het standpunt gesteld dat [gedaagde sub 2] onder het concurrentiebeding valt en dat het [gedaagde sub 1] niet is toegestaan daar tot 1 januari 2022 werkzaam te zijn. De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] daarom bij brief van 15 juni 2021 gesommeerd het handelen waarmee hij inbreuk maakt op zijn concurrentiebeding en relatiebeding te staken. Verder heeft [eiseres] [gedaagde sub 1] gesommeerd de op dat moment verbeurde boetes van € 25.000,-- aan haar te betalen.

2.6.

De gemachtigde van [eiseres] heeft op 15 juni 2021 ook een brief naar [gedaagde sub 2] gestuurd, waarin zij [gedaagde sub 2] erop wijst dat het haar niet is toegestaan om [gedaagde sub 1] nog langer werkzaam te laten zijn in haar bedrijf omdat [gedaagde sub 2] hiermee de wanprestatie van [gedaagde sub 1] faciliteert en daarvan op onrechtmatige wijze profiteert. Zij heeft [gedaagde sub 2] verzocht te bevestigen dat zij tot 1 januari 2022 geen gebruik meer zal maken van de diensten van [gedaagde sub 1] .

2.7.

De gemachtigde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft zich bij e-mail van 24 juni 2021 onder meer op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overtreding van het concurrentiebeding en het relatiebeding, onder meer omdat deze niet rechtsgeldig zijn. [gedaagde sub 2] zal daarom gebruik blijven maken van de diensten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] zal daarom bij [gedaagde sub 2] in dienst blijven.

2.8.

De gemachtigden van partijen hebben vervolgens nog verder met elkaar over deze kwestie gecorrespondeerd, maar hebben niet tot een oplossing kunnen komen.

3 Het geschil

de vorderingen van [eiseres] en de onderbouwing daarvan

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde sub 1] te veroordelen om binnen 24 uur na dit vonnis zijn werkzaamheden voor [gedaagde sub 2] te staken en gestaakt te houden tot 1 januari 2022, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag (of een gedeelte van een dag) dat hij niet aan deze veroordeling zal voldoen, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

II. [gedaagde sub 1] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een voorschot op de verbeurde boetes van € 25.000,--, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van vijf dagen na de dag waarop het vonnis is gewezen tot de dag van algehele voldoening;

III. [gedaagde sub 2] te verbieden, vanaf 24 uur na dit vonnis, direct of indirect en op welke wijze dan ook, tot 1 januari 2022 gebruik te maken van de diensten van [gedaagde sub 1] , onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag (of een gedeelte van een dag) dat zij niet aan dit verbod zal voldoen, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

IV. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen jegens [gedaagde sub 1] primair ten grondslag dat [gedaagde sub 2] c.q. [handelsnaam] onder de werking van het concurrentiebeding valt. Het bedrijf biedt dezelfde (en dus concurrerende) mobiele voorzieningen aan als [eiseres] en het ligt binnen een straal van 25 kilometer van [eiseres] . Het is [gedaagde sub 1] daarom niet toegestaan hier te werken tot 1 januari 2022. [gedaagde sub 1] overtreedt bovendien het relatiebeding. [eiseres] stelt subsidiair dat sprake is van onrechtmatige concurrentie door [gedaagde sub 1] .

3.3.

Aan haar vorderingen jegens [gedaagde sub 2] legt [eiseres] ten grondslag dat zij [gedaagde sub 2] op 15 juni 2021 heeft laten weten dat [gedaagde sub 1] wanprestatie jegens haar pleegt en [gedaagde sub 2] dringend heeft verzocht daar niet langer aan mee te werken. [gedaagde sub 2] weet sindsdien dat zij meewerkt aan en profiteert van de wanprestatie van [gedaagde sub 1] , maar heeft dit handelen vervolgens voortgezet. [eiseres] stelt dat [gedaagde sub 2] [gedaagde sub 1] specifiek heeft aangetrokken om een nieuw bedrijfsonderdeel op te richten waarmee hij gericht (en in strijd met het concurrentiebeding) de concurrentie met zijn oude werkgever aangaat en tevens (in strijd met het relatiebeding) gericht achter de klanten van zijn oude werkgever aangaat. Door dit type handelen van [gedaagde sub 1] te faciliteren en hiervan te profiteren, handelt [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiseres] . [eiseres] lijdt hierdoor schade en heeft er belang bij dat dit onrechtmatige handelen op de kortst mogelijke termijn stopt.

het verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

3.4.

[gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat het concurrentiebeding en het relatiebeding niet geldig zijn, omdat uit de motivering van deze bedingen in de arbeidsovereenkomst niet blijkt dat de bedingen noodzakelijk zijn vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen van [eiseres] . Dit blijkt volgens [gedaagde sub 1] alleen al uit het feit dat [eiseres] dit beding bij meerdere werknemers gebruikt en ten minste bij de helft van haar werknemersbestand. De tekst wordt dus niet toegespitst op de functie of op de persoon met wie de arbeidsovereenkomst is gesloten zodat geen sprake is van een specifieke afweging en motivering.

3.5.

[gedaagde sub 2] erkent dat - als sprake zou zijn van overtreding van het concurrentiebeding of onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] - zij jegens [eiseres] onrechtmatig zou handelen door gebruik te maken van de diensten van [gedaagde sub 1] . Zij betwist echter dat dit het geval is. Zij ontkent ook dat zij [gedaagde sub 1] speciaal heeft aangetrokken om het nieuwe bedrijfsonderdeel van [handelsnaam] op te richten.

4 De beoordeling

spoedeisendheid

4.1.

[eiseres] stelt dat zij schade lijdt door het handelen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en dat zij er belang bij heeft dat dit handelen op de kortst mogelijke termijn stopt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft zij hiermee haar spoedeisend belang bij haar vorderingen voldoende aannemelijk gemaakt.

toetsingskader

4.2.

Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagde sub 1] in strijd handelt met het concurrentiebeding en het relatiebeding die in zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn opgenomen en - meer in het bijzonder - of deze bedingen geldig zijn.

4.3.

Na de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) is het uitgangspunt dat een overeengekomen concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet rechtsgeldig is, omdat een werknemer anders ‘dubbel nadeel’ ondervindt. Immers, aan de ene kant werkt een concurrentiebeding belemmerend bij een overstap naar een andere baan of het starten van een eigen onderneming, terwijl aan de andere kant bij aanvang vast staat dat de arbeidsovereenkomst in beginsel van korte duur is. De hoofdregel dat een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet is toegestaan lijdt slechts uitzondering als uit de bij het beding opgenomen schriftelijke motivering blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Deze afweging moet voor de werknemer bij het aangaan van het dienstverband kenbaar zijn, hetgeen betekent dat de zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen duidelijk moeten zijn omschreven, alsmede de reden waarom deze tot een uitzondering op de hoofdregel nopen.

het concurrentie- en relatiebeding is geldig

4.4.

De kantonrechter stelt vast dat het concurrentiebeding en het relatiebeding schriftelijk zijn overeengekomen. Ook is met de motivering in artikel 22a lid 2 van de arbeidsovereenkomst op zichzelf genomen aan de formele eis van schriftelijke motivering voldaan. Deze schriftelijke motivering geldt voor het concurrentiebeding en op grond van artikel 22b lid 2 ook voor het relatiebeding. In artikel 22b lid 2 wordt weliswaar verwezen naar artikel 21b.2, maar de kantonrechter gaat ervan uit dat dit een verschrijving is en dat artikel 22a lid 2 bedoeld wordt.

4.5.

De door de wetgever verlangde motiveringsplicht vergt echter ook een inhoudelijke beoordeling daarvan, in die zin dat moet worden beoordeeld of het concurrentiebeding ook noodzakelijk is “wegens zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen”. De wetgever heeft nauwelijks aanknopingspunten gegeven voor een nadere invulling van dit criterium. Gegeven het door de wetgever gekozen uitgangspunt dat een concurrentiebeding in een tijdelijke arbeidsovereenkomst “niet geldig is, tenzij…”, moet worden aangenomen dat het een zware toets betreft. In de parlementaire geschiedenis wordt aangegeven dat sprake moet zijn van een werknemer die specifieke werkzaamheden verricht of in een specifieke functie werkzaam is (“hele specifieke kennis of bedrijfsinformatie die de werknemer op zal doen, waarbij de werkgever onevenredig wordt benadeeld als de werknemer overstapt naar de concurrent” Kamerstukken I2013/14, 33818, C, p. 104) en dat dit per geval “een specifieke afweging en motivering” vergt. Een algemene opsomming van belangen als het voorkomen van weglekken van “kennis van klantenbestand” en “bedrijfsprocessen” volstaat daarmee in het algemeen niet, nu dit voor veel werkgevers/ondernemers relevant is en niet duidelijk maakt waarom juist de betrokken werkgever bescherming nodig heeft.

4.6.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de motivering van het concurrentiebeding is toegespitst op de functie van [gedaagde sub 1] en blijk geeft van een specifieke afweging en motivering. [eiseres] stelt in dit verband dat [gedaagde sub 1] binnen [eiseres] een commerciële sleutelpositie vervulde: hij verrichtte allerhande commerciële en planningswerkzaamheden en had intensief contact met de klanten, relaties en leveranciers van [eiseres] . Hij was daarnaast volledig op de hoogte en betrokken bij alles wat binnen het bedrijf gebeurde. Tevens had hij toegang tot en inzicht in alle offertes en facturen die door [eiseres] werden uitgestuurd, zodat hij geheel op de hoogte was van de commerciële prijsstellingen en marges die [eiseres] hanteert. Daarnaast zat [gedaagde sub 1] ook praktisch altijd bij de managementvergaderingen, tijdens welke vergaderingen het reilen en zeilen van [eiseres] werd besproken en tevens toekomstplannen werden gemaakt. [gedaagde sub 1] weet hierdoor exact waarin geïnvesteerd wordt en wat de commerciële strategie van [eiseres] is. De andere werknemers, drie chauffeurs en een administratief medewerkster, hebben geen toegang tot de informatie, gegevens en kennis waarnaar in de motivering van het concurrentiebeding wordt verwezen. De schriftelijke motivering is dan ook specifiek opgesteld ten behoeve van de functie van [gedaagde sub 1] als algemeen medewerker. Hij was ook de enige medewerker met een concurrentie- en een relatiebeding. De motivering is zo specifiek mogelijk geformuleerd zonder bedrijfsgevoelige informatie prijs te geven.

4.7.

[gedaagde sub 1] betwist dat hij binnen [eiseres] een sleutelfunctie bekleedde. Hij verrichtte als algemeen medewerker inderdaad allerhande commerciële en planningswerkzaamheden, maar dat betekent volgens hem niet dat hij intensief contact had met klanten, relaties en leveranciers van [eiseres] . Hij was niet volledig op de hoogte van en betrokken bij alles wat binnen het bedrijf gebeurde en was ook niet praktisch altijd bij managementvergaderingen aanwezig. Hij was met name betrokken bij de verhuur van materialen. Wanneer er een aanvraag van een potentiële klant kwam, dan bracht hij de gegevens van de aanvrager in de computer in, waarna er een offerte met daarbij een prijs verscheen. Vervolgens moest aan de hand van de beschikbaarheid van de wagens worden gecheckt of de offerte kon worden uitgebracht. [gedaagde sub 1] was hierdoor wel op de hoogte van de prijsstelling, net zoals de klanten die de offerte hadden gekregen, maar niet van de commerciële prijsstellingen en marges. Hij kende geen inkoopprijzen en kostprijzen en hij was niet op de hoogte van het financiële reilen en zeilen van [eiseres] . Hij was ook niet op managementniveau op de hoogte van investeringen en commerciële strategieën.

4.8.

De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat [gedaagde sub 1] binnen [eiseres] inderdaad een sleutelpositie bekleedde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat er binnen [eiseres] naast [gedaagde sub 1] slechts vier andere werknemers werkzaam waren, waaronder drie chauffeurs en één administratief medewerkster. Partijen hebben op de mondelinge behandeling toegelicht dat de directeur van [eiseres] , aanvankelijk [E] en later [B] , vooral de buitendienst voor zijn rekening nam en dat [gedaagde sub 1] als enige van de werknemers de binnendienst deed. Uit de beschrijving die partijen van de functie van [gedaagde sub 1] hebben gegeven blijkt dat hij een commerciële functie bekleedde en uit hoofde van die functie contact had met klanten en inzicht had in prijzen. [gedaagde sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de prijs werd bepaald door het softwaresysteem en dat er op basis van dit systeem iets van de prijs afging als een klant langer wilde huren. Als een klant te weinig budget had, overlegde [gedaagde sub 1] met [E] of [B] en keken ze of het een klant was die al langer bij [eiseres] had gehuurd. [E] (en na hem [B] , neemt de kantonrechter aan) bepaalden dan de prijs. De kantonrechter leidt hieruit af dat [gedaagde sub 1] hierdoor ook inzicht had in de onderhandelingsruimte met betrekking tot de prijzen. De kantonrechter acht het - gelet op het geringe aantal werknemers binnen [eiseres] - ook aannemelijk dat [gedaagde sub 1] als de enige medewerker die de binnendienst voor zijn rekening nam op de hoogte was van het reilen en zeilen en de commerciële strategie van [eiseres] . Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat [gedaagde sub 1] blijkens de notulen van de bijeenkomst van 23 oktober 2019 tussen [E] en de nieuwe eigenaren door [E] werd aangeduid als bedrijfsleider. [eiseres] heeft gesteld dat er nauwelijks formele managementvergaderingen waren, maar dat [gedaagde sub 1] de paar keren dat deze werden gehouden daarbij aanwezig was. Uit het door [eiseres] overgelegde verslag van de managementvergadering op 7 januari 2020 blijkt dat [gedaagde sub 1] in ieder geval op die datum aanwezig is geweest.

4.9.

[eiseres] heeft er een zwaarwegend belang bij dat haar klantgegevens en financiële gegevens en haar commerciële afwegingen niet zonder meer bij een concurrent terechtkomen. De motivering van het concurrentiebeding en het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst is naar het oordeel van de kantonrechter toereikend, omdat daaruit voldoende blijkt waarin het belang van [eiseres] in relatie tot de functie van [gedaagde sub 1] is gelegen. Gelet op de kenmerken van de functie van [gedaagde sub 1] , waarbij [gedaagde sub 1] een sleutelpositie vervulde, is de motivering van het concurrentiebeding naar het oordeel van de kantonrechter voldoende op deze functie toegespitst. De kantonrechter acht het aannemelijk dat [gedaagde sub 1] in de uitoefening van zijn functie toegang tot essentiële bedrijfsgegevens verkreeg, waaronder die met betrekking tot de door werkgever gevoerde prijsstellingen, volumes en andere strategische kennis. Verder had hij (commercieel) contact met klanten en verkreeg hij inzicht in de met klanten af te sluiten overeenkomsten, de daaraan ten grondslag liggende prijsstellingen, volumes en andere strategische kennis. Hij had hierdoor inzicht in de werkwijze van [eiseres] . De kantonrechter acht het ook aannemelijk dat dit alleen voor [gedaagde sub 1] gold en niet voor de overige werknemers binnen [eiseres] .

4.10.

[gedaagde sub 1] heeft gesteld [gedaagde sub 1] dat de heer [F] , een van de chauffeurs, ook een concurrentie- en relatiebeding zijn arbeidsovereenkomst had en dat het dus ging om een algemeen beding. [gedaagde sub 1] heeft ter onderbouwing van deze stelling een - ongetekende -arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd over de periode van 4 maart 2019 tot 3 februari 2020 tussen [F] en [eiseres] in het geding gebracht, waarin inderdaad hetzelfde concurrentiebeding is opgenomen als dat van [gedaagde sub 1] . [eiseres] heeft daartegenover gesteld dat deze overeenkomst destijds door [E] was gesloten en dat dit beding in de arbeidsovereenkomst van [F] die gold van 1 maart 2020 tot 1 september 2020 niet meer voorkwam. Dit blijkt ook inderdaad uit de arbeidsovereenkomst die [eiseres] in het geding heeft gebracht. Nu gesteld noch gebleken is dat voor de andere werknemers een concurrentie- en relatiebeding gold, was [gedaagde sub 1] dus vanaf 1 maart 2020 - en ook ten tijde van het aangaan van de laatste arbeidsovereenkomst waarbij het dienstverband per 1 september 2020 met een jaar werd verlengd - de enige werknemer met een dergelijk beding. In deze procedure staat alleen de geldigheid van het concurrentie- en relatiebeding in deze laatste arbeidsovereenkomst ter beoordeling, nu [gedaagde sub 1] door [eiseres] op overtreding van dit beding wordt aangesproken.

4.11.

[gedaagde sub 1] stelt zich verder op het standpunt dat bij de beoordeling van de toereikendheid van de motivering van het concurrentiebeding gekeken moet worden naar de functie die hij aanvankelijk - per 1 september 2018 - bekleedde en niet naar de functie zoals hij deze aan het eind van zijn loopbaan bij [eiseres] feitelijk vervulde. Mocht er echter al sprake van zijn dat de functie van [gedaagde sub 1] in de loop van de tijd is veranderd, dan is dit door [eiseres] ondervangen doordat zij in de laatste arbeidsovereenkomst opnieuw het concurrentiebeding en het relatiebeding heeft opgenomen.

4.12.

De conclusie luidt daarom dat sprake is van een geldig concurrentie- en relatiebeding.

4.13.

Vervolgens moet worden beoordeeld of [gedaagde sub 1] door zijn werkzaamheden bij [gedaagde sub 2] in strijd met het concurrentie- en relatiebeding handelt.

[gedaagde sub 1] handelt in strijd met het concurrentiebeding

4.14.

De reikwijdte van het concurrentiebeding is omschreven in artikel 22a lid 1 van de arbeidsovereenkomst. [eiseres] heeft toegelicht dat een deel van deze tekst is weggevallen en heeft voor het ontbrekende deel van deze tekst verwezen naar het concurrentiebeding dat in de vorige arbeidsovereenkomsten was opgenomen. Het concurrentiebeding luidt na aanvulling van de ontbrekende passage als volgt, waarbij de aangevulde passage cursief wordt weergegeven:

“Het is werknemer zowel tijdens de arbeidsovereenkomst als gedurende een periode van 12 maanden na het eindigen van het dienstverband, verboden om zonder schriftelijke toestemming van werkgever binnen een straal van 25 kilometer van de standplaats van de werkgever, direct, noch indirect, noch voor zich zelf noch voor derden, in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige onderneming met activiteiten die gelijk, gelijksoortig, aanverwant of op enig andere wijze concurrerend zijn aan of met de activiteiten van werkgever of die van met werkgever gelieerde ondernemingen, hieronder onder meer begrepen het financieel of op andere wijze deelnemen aan en/of het hebben van directe of indirecte zeggenschap over een dergelijke onderneming.”

4.15.

Het had [gedaagde sub 1] naar het oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat een deel van de tekst van het concurrentiebeding ontbrak en dat hij voor de ontbrekende passages moest kijken naar het concurrentiebeding uit zijn vorige overeenkomsten. [gedaagde sub 1] heeft ook niet gesteld dat dit voor hem niet duidelijk was.

4.16.

Vast staat dat [gedaagde sub 2] op 23,01 kilometer van [eiseres] ligt, zodat zij binnen het territoriale bereik van het concurrentiebeding valt.

4.17.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde sub 2] een onderneming is met activiteiten die ‘gelijk, gelijksoortig, aanverwant of op enig andere wijze concurrerend zijn aan of met de activiteiten van werkgever of die van met werkgever gelieerde ondernemingen’. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde sub 2] door middel van de door haar opgerichte onderneming [handelsnaam] naast catering vergelijkbare activiteiten als [eiseres] verricht, te weten de verhuur van mobiele voorzieningen zoals mobiele badkamers, toiletwagens, frietwagens en koelaanhangers. Dit is door [gedaagde sub 2] niet betwist. Hiermee is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde sub 2] onder het concurrentiebeding valt en dat het [gedaagde sub 1] dus niet is toegestaan daar gedurende een periode van 12 maanden na het eindigen van zijn dienstverband bij [eiseres] werkzaam te zijn.

4.18.

Voor zover [gedaagde sub 1] betoogt dat de nieuwe activiteiten van [handelsnaam] buiten hem om aan [gedaagde sub 2] zijn toegevoegd en hij daar in de uitoefening van zijn functie niets mee te maken heeft, komt die stelling niet geloofwaardig voor nu [D] een vriend van hem is en het bedrijf een dermate beperkte omvang heeft (vier werknemers) dat het niet voor de hand ligt dat [gedaagde sub 1] geen aandeel heeft in de nieuwe activiteiten. Een aanwijzing dat [gedaagde sub 1] bij de nieuwe activiteiten is betrokken vormt ook het door [eiseres] overgelegde bericht van haar zakenrelatie [naam onderneming] op Facebook, waarin [naam onderneming] vermeldt dat zij twee schaftwagens aan [handelsnaam] heeft verkocht en [D] en [gedaagde sub 1] bedankt voor het vertrouwen.

4.19.

[gedaagde sub 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat het concurrentiebeding onredelijk bezwarend is en om die reden gematigd zou moeten worden. Er is naar het oordeel van de kantontrechter echter onvoldoende reden om aan te nemen dat een bodemrechter het concurrentiebeding zal matigen, gelet op de sleutelpositie die [gedaagde sub 1] binnen [eiseres] innam en de beperkte geografische reikwijdte van het concurrentiebeding. De kantonrechter acht het daarom aannemelijk dat ook een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [gedaagde sub 1] op grond van het concurrentiebeding tot 1 januari 2022 niet werkzaam mag zijn voor [gedaagde sub 2] .

4.20.

De vordering onder I om [gedaagde sub 1] te veroordelen zijn werkzaamheden voor [gedaagde sub 2] tot 1 januari 2022 te staken en gestaakt te houden, zal daarom worden toegewezen. De termijn waarbinnen [gedaagde sub 1] aan deze veroordeling dient te voldoen wordt gesteld op 24 uur na betekening van dit vonnis. Nu op overtreding van het concurrentiebeding al een boete is gesteld, ziet de kantonrechter geen aanleiding om aan de veroordeling ook nog een dwangsom te verbinden.

[gedaagde sub 1] handelt in strijd met het relatiebeding

4.21.

[eiseres] heeft gemotiveerd gesteld dat [gedaagde sub 1] na het eindigen van zijn dienstverband contact heeft gehad met klanten, relaties en leveranciers van [eiseres] , en heeft daarbij ook namen van deze zakenrelaties genoemd. [gedaagde sub 1] heeft niet betwist dat hij deze zakenrelaties heeft benaderd. Gelet hierop is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde sub 1] ook het relatiebeding heeft overtreden.

toewijzing voorschot op verbeurde boetes

4.22.

Nu [gedaagde sub 1] zowel het concurrentiebeding als het relatiebeding heeft overtreden heeft hij op grond van artikel 22c lid 3 van de arbeidsovereenkomst boetes verbeurd. [eiseres] vordert een voorschot op de verbeurde boetes van € 25.000,--. Zij meent dat zij in ieder geval aanspraak kan maken op dit bedrag. De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van een voorschot op verbeurde boetes in kort geding. Dit kan voor [gedaagde sub 1] een prikkel zijn om het concurrentie- en relatiebeding daadwerkelijk na te leven. De enkele waarschuwing van [eiseres] dat [gedaagde sub 1] een boete verschuldigd zou zijn als hij zich niet aan deze bedingen zou houden heeft tot nu toe immers onvoldoende effect gehad. Omdat het in deze procedure om een voorlopige voorziening gaat zal de kantonrechter het toe te wijzen voorschot echter beperken tot € 15.000,--. [gedaagde sub 1] heeft nog betoogd dat de boete zou moeten worden gematigd omdat er een restitutierisico is, maar heeft dit niet verder onderbouwd. De kantonrechter gaat daarom aan deze stelling voorbij. Het gevorderde voorschot tot het hiervoor genoemde bedrag zal daarom worden toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

toewijzing vordering tegen [gedaagde sub 2]

4.23.

heeft erkend dat zij onrechtmatig handelt indien [gedaagde sub 1] in strijd met het concurrentiebeding bij haar werkzaam is. Zoals hierboven is overwogen, is dit laatste inderdaad het geval. Voor zover voor het aannemen van onrechtmatigheid nog bijkomende omstandigheden nodig zijn, acht de kantonrechter deze aanwezig omdat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde sub 1] en [D] de activiteiten van [handelsnaam] samen hebben opgetuigd. De kantonrechter leidt dit af uit het feit dat [handelsnaam] kort na de indiensttreding van [gedaagde sub 1] bij [gedaagde sub 2] is opgericht en haar activiteiten op het gebied van mobiele voorzieningen is gaan verrichten. Zoals eerder is overwogen is het ongeloofwaardig dat [gedaagde sub 1] niets met deze nieuwe activiteiten te maken heeft. De vordering om [gedaagde sub 2] te verbieden tot 1 januari 2022 gebruik te maken van de diensten van [gedaagde sub 1] zal daarom worden toegewezen zoals in de beslissing is bepaald. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen tot een maximum van € 50.000,-- is bereikt.

kosten

4.24.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,34

- griffierecht € 1.013,--

- salaris gemachtigde € 747,--

Totaal € 1.863,34

4.25.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is bepaald.

5 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis zijn werkzaamheden voor [gedaagde sub 2] te staken en gestaakt te houden tot 1 januari 2022;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiseres] van een voorschot op de verbeurde boetes van € 15.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijfde dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verbiedt [gedaagde sub 2] , vanaf 24 uur na betekening van dit vonnis, direct of indirect en op welke wijze dan ook, tot 1 januari 2022 gebruik te maken van de diensten van [gedaagde sub 1] , onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag (of een gedeelte van een dag) dat zij niet aan dit verbod zal voldoen tot een maximum van € 50.000,-- is bereikt;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.863,34, waarin begrepen € 747,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 124,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Langeler, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2021.