Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:525

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-01-2021
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
UTR 21/146 en UTR 21/148
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing preventieve handhaving transport chalet op 22jan. ongegrond, dus ook geen voorziening. Beroep tegen afwijzing handhaving aanwezigheid van de werkweg verwezen naar verweerder om als bezwaar te behandelen. Geen proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 21/146 (verzoek) en UTR 21/148 (beroep)

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de (voorzieningen)rechter van 21 januari 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep in de zaak tussen

[verzoekster] uit [plaats 1] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Peeters),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder

(gemachtigde: P. Gorter).

Verder heeft als derde-partij aan het geding deelgenomen: [Derde-partij] .

Inleiding

1.1

Deze zaak gaat over de illegale weg naar [Derde-partij] in [plaats 2] en over het transport van een chalet over die weg op 22 januari 2021. Omdat verzoekster vreest voor schade aan haar perceel op het park door het transport, heeft zij verweerder op 8 januari 2021 verzocht om derdepartij daartoe uiterlijk op 12 januari 2021 een preventieve last onder dwangsom op te leggen. Ook heeft zij verweerder hierin verzocht om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de weg.

1.2

Op 15 januari 2021 heeft verzoekster beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar handhavingsverzoek door verweerder. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 18 januari 2021 heeft verweerder alsnog beslist op het handhavingsverzoek en dat afgewezen. Het beroep is van rechtswege mede gericht tegen dit besluit.

1.3

De zaak is bij de rechtbank behandeld op de zitting van 21 januari 2021. Verzoekster was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur, [A] , vergezeld door [B] , directie-assistent van [Bedrijf] .

1.4

Op de zitting heeft verzoekster haar beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, ingetrokken onder het gelijktijdige verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten die zij voor haar beroep in zoverre heeft gemaakt. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan in de zaak.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep ongegrond, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om preventief handhavend op te treden tegen het transport van 22 januari 2021;

 verwijst het nemen van een beslissing op het beroep voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de weg, naar verweerder om als bezwaar te behandelen.

De voorzieningenrechter:

 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

Overwegingen

2. De rechtbank overweegt allereerst dat het besluit van 18 januari 2021 bestaat uit twee onderdelen. Verweerder heeft daarin enerzijds het verzoek om preventief handhavend op te treden tegen het transport van 22 januari 2021 afgewezen, en anderzijds het verzoek om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de weg afgewezen. De rechtbank zal hierna per besluitonderdeel verder ingaan op de zaak.

Het transport van 22 januari 2021

3. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van de weg voor het transport van chalets in strijd is met de regels uit het geldende bestemmingsplan. Er is dus sprake van een overtreding, waartegen verweerder bevoegd is om handhavend op te treden. In het bestreden besluit heeft verweerder afgezien van preventief handhavend optreden tegen het transport van 22 januari 2021, omdat dat volgens verweerder onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat er momenteel geen goede alternatieven zijn voor transporten van chalets, terwijl die nu eenmaal wel zo nu en dan noodzakelijk zijn. Op de zitting is voldoende aannemelijk gemaakt dat de [adres] , de gebruikelijke toegangsweg van het park, daarvoor te smal en daarom niet geschikt is en dat vervoer van chalets over de Vecht ook niet mogelijk is bij de huidige omvang en inrichting van het park. Dat verzoekster daadwerkelijk schade zal ondervinden is niet onderbouwd. Er zal weliswaar sprake zijn van enige overlast, maar die is niet zodanig gebleken dat daaraan meer gewicht moet worden toegekend.

4. Dit betekent dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid van preventief handhavend optreden tegen het transport van 22 januari 2021 heeft kunnen afzien. Voor zover het beroep tegen dit besluitonderdeel is gericht, verklaart de rechtbank het daarom ongegrond. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten die verzoekster voor haar beroep in zoverre heeft gemaakt, bestaat dus geen aanleiding.

Toekomstige transporten

5. De rechtbank wijst er wel op dat dit oordeel alleen gaat over het transport van 22 januari 2021. Als overtredingen in de toekomst vaker voorkomen komt er een moment dat niet meer kan worden gezegd dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Verweerder zal dus wel met een duurzame oplossing moeten komen voor de illegale situatie van de regulier voorkomende chalettransporten.

De aanwezigheid van de weg

6. Wat betreft de afwijzing van het handhavingsverzoek ten aanzien van de aanwezigheid van de weg, bestaat er discussie tussen partijen over de vraag of het deel van de weg dat van klei en grind is in strijd is met de bestemming ‘Groen2’. Dit besluitonderdeel lift nu mee met de spoedeisende situatie van het transport van 22 januari 2021, maar zou normaal gesproken eerst in een bezwaarprocedure aan de orde komen. De aard van dit geschil leent zich ook voor die behandeling. Voor zover het beroep tegen dit besluitonderdeel is gericht verwijst de rechtbank het beroep dan ook naar verweerder om als bezwaar te behandelen. De grondslag daarvoor is artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.

De proceskosten van het beroep wegens niet tijdig beslissen

7. Voor de vraag of verweerder moet worden veroordeeld in de proceskosten die verzoekster heeft gemaakt voor haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is van belang of dit beroep terecht is ingediend op 15 januari 2021. De rechtbank vindt van niet. De wettelijke beslistermijn voor verweerder op een verzoek om handhaving bedraagt acht weken. In bepaalde gevallen kan deze termijn korter zijn. Het heeft in totaal tien dagen geduurd tot dat verweerder op het handhavingsverzoek van verzoekster heeft beslist. De voorzieningenrechter vindt dat in dit geval niet te lang. Dat betekent dat verzoekster haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit prematuur heeft ingediend. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten die verzoekster voor haar beroep in zoverre heeft gemaakt, bestaat dus evenmin aanleiding.

De voorlopige voorziening

8. Met de ongegrondverklaring van het beroep voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om preventief handhavend op te treden tegen het transport van 22 januari 2021, is het spoedeisende deel van de zaak finaal afgedaan. Er is dan ook geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten die verzoekster voor haar verzoek heeft gemaakt, bestaat geen aanleiding.

9. Op de zitting heeft de rechtbank partijen gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te komen. Dat kan op de manier zoals onderaan dit procesverbaal staat omschreven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2021.

de rechter is verhinderd om

de uitspraak te ondertekenen

griffier (voorzieningen)rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u daartegen, voor zover daarin is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag waarop het proces-verbaal van de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het proces-verbaal van de uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.