Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5246

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-10-2021
Datum publicatie
10-11-2021
Zaaknummer
9298303 UT VERZ 21-9893 EH
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Opheffing testamentair bewind. Samenloop testamentair bewind en beschermingsbewind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0351
Jurisprudentie Erfrecht 2022/34
JERF 2022/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bewindsbureau

locatie Utrecht

zaaknummer: 9298303 \ UT VERZ 21-9893 EH

BM nummer : [BM nummer]

Beschikking d.d. 18 oktober 2021

Op verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [postcode 1] [woonplaats 1] , [adres 1] ,

hierna te noemen: verzoeker,

gemachtigde: mr. M. Jakobs-Hiemstra.

1 De feiten en de procedure

1.1.

Bij testament van 20 oktober 2006 heeft de moeder van verzoeker, te weten [A] (hierna te noemen: erflaatster), voor het laatst over

haar nalatenschap beschikt. In dit testament heeft erflaatster bepaald niet af te willen wijken van de wettelijke erfopvolging. Ook heeft erflaatster bepaald dat er een testamentair bewind moet worden ingesteld over het erfdeel dat verzoeker zal verkrijgen uit de nalatenschap van erflaatster. Daartoe heeft erflaatster [B] (hierna te noemen: [B] ), wonende te [postcode 2] [woonplaats 1] , [adres 2] , tot testamentair bewindvoerder benoemd. Erflaatster heeft daarbij bepaald dat indien [B] haar benoeming tot testamentair bewindvoerder niet aanvaardt of de rol van [B] als testamentair bewindvoerder om welke reden dan ook eindigt, de zus van [B] , te weten [C] (hierna te noemen: [C] ), wonende te [postcode 3] [woonplaats 2] , [adres 3] , dient te worden benoemd tot (opvolgend) testamentair bewindvoerder.

1.2.

Erflaatster is op [overlijdensdatum] 2006 overleden. Blijkens het testament van erflaatster treedt het testamentair bewind in op het tijdstip van haar overlijden. [B] heeft na

het overlijden van erflaatster haar benoeming tot testamentair bewindvoerder aanvaard

en fungeert sindsdien dan ook als testamentair bewindvoerder.

1.3.

Bij beschikking van 7 mei 2012 is er een beschermingsbewind ingesteld over de goederen van verzoeker wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en is [B]

benoemd tot beschermingsbewindvoerder. Het onder testamentair bewind gestelde erfdeel van erflaatster is daarbij toegevoegd aan de bankrekeningen die [B] in het kader van het beschermingsbewind heeft geopend.

1.4.

Bij beschikking van 26 maart 2020 is [B] – als gevolg van een vertrouwensbreuk tussen [B] en verzoeker – ontslagen als beschermingsbewindvoerder en is [D] h.o.d.n. [handelsnaam] , correspondentieadres: Postbus [postbusnummer] , [postcode 4] [plaatsnaam] benoemd tot

opvolgend beschermingsbewindvoerder.

1.5.

Bij e-mailbericht van 6 april 2021 en brief van 17 mei 2021, beiden ter griffie ingekomen op 21 mei 2021, heeft verzoeker de kantonrechter verzocht het testamentair bewind op te heffen. Daartoe heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de samenwerking en communicatie met [B] moeizaam verloopt, dat [B] weigert

de door de verzoeker en de beschermingsbewindvoerder gevraagde stukken aan te leveren

en dat [B] geen concrete antwoorden geeft op de vragen die verzoeker aan [B] stelt. Verzoeker heeft daarbij benadrukt geen vertrouwen meer te hebben in [B] als testamentair bewindvoerder. Naar de mening van verzoeker is het dan ook noodzakelijk

dat het testamentair bewind wordt opgeheven.

1.6.

Bij brief van 1 juli 2021 is aan de beschermingsbewindvoerder gevraagd om de door [B] opgestelde (en ingediende) eindrekening en verantwoording over de periode 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020 te controleren. Bij brief van 20 juli 2021, ter griffie

ingekomen op 23 juli 2021, heeft de beschermingsbewindvoerder aangegeven de door [B] opgestelde (en ingediende) eindrekening en verantwoording niet voor akkoord te willen tekenen. Daartoe heeft de beschermingsbewindvoerder aangevoerd dat [B] geen antwoord geeft op de vragen die de beschermingsbewindvoerder hierover stelt en dat er

veel onduidelijkheid bestaat over de bankrekening waar het erfdeel van verzoeker op

staat. Volgens de beschermingsbewindvoerder staat het erfdeel van verzoeker namelijk

nog op de ervenrekening en is het onduidelijk wat de exacte hoogte van het erfdeel van

verzoeker is.

1.7.

Bij brief van 6 juli 2021, ter griffie ingekomen op 7 juli 2021, heeft [B] aangegeven niet achter een opheffing van het testamentair bewind te staan. Daartoe heeft [B] , zakelijk weergegeven, aangevoerd dat er naar haar mening geen gronden zijn

om het testamentair bewind op te heffen en een opheffing van het testamentair bewind

ook voorbij gaat aan de laatste wil van erflaatster. [B] heeft daarbij benadrukt dat het klopt dat zij nauwelijks contact heeft met verzoeker. Volgens [B] is dit echter niet aan haarzelf te wijten, maar komt dit door het mijdende gedrag van verzoeker. Zo slaat verzoeker haar uitnodigingen om langs te komen af en weigert verzoeker [B] binnen te laten als zij voor zijn deur staat.

1.8.

Verder heeft [B] in haar brief van 6 juli 2021 aangevoerd dat verzoeker nog nooit, op wat voor manier dan ook, aanspraak heeft gemaakt op zijn erfdeel en dat indien verzoeker daar de behoefte aan heeft, zij daar in beginsel niet onwelwillend tegenover staat. [B] heeft daarbij benadrukt dat zij momenteel ook de indruk heeft dat verzoeker onder invloed staat van derden en dat de beïnvloeding van deze derden de aanleiding voor de indiening

van het onderhavige verzoek is geweest. [B] heeft daar verder over opgemerkt dat

het naar haar mening ook in de lijn der verwachting ligt dat als het testamentair bewind wordt opgeheven, deze derden uiteindelijk zullen proberen het beschermingsbewind op

te heffen, met als gevolg dat alle bescherming wegvalt en de deur tot financieel misbruik wordt geopend. Naar de mening van [B] dient het verzoek tot opheffing van het testamentair bewind dan ook te worden afgewezen. [B] heeft daarbij benadrukt dat

zij het contact met verzoeker wenst te behouden en dat indien het testamentair bewind niet wordt opgeheven, dit bewind een opening zou kunnen blijven tot contact met de familie.

1.9.

Bij e-mailbericht van 2 september 2021 heeft verzoeker (via zijn gemachtigde) zijn verzoek aangevuld. Het verzoek strekt nu primair tot opheffing van het testamentair bewind, subsidiair tot ontslag van [B] als testamentair bewindvoerder en meer subsidiair tot veroordeling van [B] tot afgifte van de volgende stukken: het voorstel van verdeling van de nalatenschap van erflaatster, het door [B] ingediende verzoek strekkende tot de afgifte van een machtiging voor de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en een kopie van de afgedragen erfbelasting. Een en ander op straffe van een dwangsom van

€ 500,- per overtreding en € 100,- per dag dat de overtreding voortduurt.

1.10.

Ter onderbouwing van het primaire verzoek heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de relatie tussen verzoeker en zijn familie inmiddels zodanig is verstoord

dat het niet in het belang van verzoeker is om één van zijn familieleden als testamentair bewindvoerder op te laten treden. Verzoeker heeft daarbij benadrukt dat hij een kwetsbaar mens is en zich ook onder druk voelt staan doordat zijn tante ( [B] ) nu testamentair bewindvoerder is en de samenwerking en de communicatie tussen verzoeker en [B] uiterst moeizaam verloopt. Hetzelfde geldt voor de communicatie tussen verzoeker en zijn overige familieleden. Verzoeker heeft daar verder over opgemerkt dat het contact tussen verzoeker en de beschermingsbewindvoerder daarentegen wel goed verloopt. Naar de mening van verzoeker zal het werk van de beschermingsbewindvoerder vereenvoudigen indien het testamentair bewind wordt opgeheven, temeer nu [B] op geen enkele

wijze informatie verschaft over de hoogte van het erfdeel van verzoeker. Naar de mening

van verzoeker is er dan ook sprake van onvoorziene omstandigheden, zoals bedoeld in

artikel4:178 lid 2 BW, en dient het testamentair bewind te worden opgeheven.

1.11.

Ter onderbouwing van het subsidiaire verzoek heeft verzoeker aangevoerd dat er – mede gelet op de verstoorde familieverhoudingen en de weigerachtige houding van [B]

om stukken aan te leveren en inzage te verschaffen – sprake is van gewichtige redenen, zoals bedoeld in artikel 4:164 lid 2 BW, op grond waarvan zowel [B] als de in haar plaats tredende testamentair bewindvoerder, te weten [C] , beiden dienen te worden ontslagen. Verzoeker heeft daarbij benadrukt dat nu de samenwerking en de communicatie en de samenwerking met de beschermingsbewindvoerder goed verloopt, de beschermingsbewindvoerder in dat geval moet worden benoemd tot opvolgend

testamentair bewindvoerder.

1.12.

Ter onderbouwing van het meer subsidiaire verzoek heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat [B] nog steeds weigert om de door verzoeker en

de door de beschermingsbewindvoerder gevraagde stukken aan te leveren, waaruit onder meer de hoogte van het erfdeel van verzoeker en het verloop van het testamentair bewind, kan worden afgeleid.

1.13.

Op grond van artikel 4:178 lid 2 BW is de rechtbank bevoegd te beslissen op het verzoek tot opheffing van het testamentair bewind. Nu de kantonrechter ook tot rechter is benoemd in deze rechtbank ziet de kantonrechter, mede gelet op de verwevenheid van de verzoeken, aanleiding om de zaak niet naar de rechtbank te verwijzen, maar het verzoek tot opheffing van het testamentair bewind gelijktijdig te behandelen met de overige verzoeken en de verzoeken in één beschikking af te doen.

1.14.

De verzoeken zijn ter Skype-zitting van 2 september 2021 behandeld. Ter zitting

zijn verschenen: [verzoeker] (verzoeker), [D] (beschermingsbewindvoerder),

mr. M. Jakobs-Hiemstra (gemachtigde van verzoeker), [E] (testamentair bewindvoerder) en mr. C. de Wit (gemachtigde van de testamentair bewindvoerder). Van

het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.15.

Ter zitting heeft verzoeker aangevoerd dat de relatie tussen verzoeker en [B] en de relatie tussen verzoeker en zijn overige familieleden is verslechterd nadat [B] bij beschikking van 26 maart 2020 is ontslagen als beschermingsbewindvoerder. Verzoeker heeft daarbij benadrukt dat de relatie met [B] (en de overig familieleden) inmiddels zodanig is verslechterd dat verzoeker het contact met [B] compleet heeft verbroken

en ook geen vertrouwen meer heeft in [B] . Volgens verzoeker komt dit doordat [B] structureel weigert de door verzoeker gevraagde stukken aan te leveren en ook geen informatie wenst te verschaffen over de exacte hoogte van het erfdeel van verzoeker. Daarnaast weigert [B] om de as van erflaatster aan verzoeker te geven, terwijl [B] dit na het overlijden van erflaatster wel aan verzoeker heeft beloofd. Ook is er in

het verleden door beide partijen politie ingeschakeld nadat een persoonlijke ontmoeting tussen verzoeker en [B] is geëscaleerd. Naar de mening van verzoeker vormt een instandhouding van het testamentair bewind met [B] als testamentair bewindvoerder een onnodige (mentale) belasting voor verzoeker en kan van verzoeker niet worden gevergd om nog langer samen te werken met [B] . Verzoeker heeft daarbij benadrukt dat hij ook geen vertrouwen heeft in [C] als testamentair bewindvoerder.

1.16.

Verder heeft verzoeker ter zitting aangegeven dat het hem bevreemdt dat [B]

zijn erfdeel kort na haar ontslag als beschermingsbewindvoerder heeft overgemaakt naar

de ervenrekening. Volgens verzoeker roept dit de nodige vragen op en wekt dit ook het vermoeden dat [B] de vermogensrechtelijke belangen van verzoeker niet goed heeft behartigd, temeer nu erflaatster vijftien jaar geleden is overleden, er geen reden is om een ervengeldenrekening aan te houden en [B] ook weigert om stukken aan te leveren waaruit de hoogte van het erfdeel van verzoeker kan worden afgeleid. Naar de mening van verzoeker dient het testamentair bewind dan ook te worden opgeheven. Verzoeker heeft daarbij benadrukt dat zijn erfdeel bij een opheffing van het testamentair bewind ook automatisch onder het beschermingsbewind valt waardoor zijn financiële belangen ook gewaarborgd blijven. Verzoeker heeft daar verder over opgemerkt dat indien het primaire verzoek niet wordt ingewilligd, verzoeker het subsidiaire verzoek wenst te handhaven.

1.17.

[B] heeft ter zitting (via haar gemachtigde) aangegeven zich niet te kunnen vinden in hetgeen verzoeker heeft gesteld. Naar de mening van [B] kan het testamentair bewind ook niet worden opgeheven en heeft [B] , zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker nog steeds niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen en dat een verstoorde familieverhouding in het onderhavige geval geen reden

is om het testamentair bewind op te heffen. [B] heeft daarbij benadrukt dat met een opheffing van het testamentair bewind ook voorbij wordt gegaan aan de laatste wil van erflaatster. Naar de mening van [B] dient het primaire verzoek dan ook te worden afgewezen.

1.18.

Verder heeft [B] ter zitting aangegeven dat ook het subsidiaire verzoek naar

haar mening dient te worden afgewezen. Daartoe heeft [B] , zakelijk weergegeven, aangevoerd dat [B] het erfdeel dat aan verzoeker toekomt op een juiste wijze heeft beheerd en [B] ook op geen enkele andere wijze tekort is geschoten in haar taak

als testamentair bewindvoerder. [B] heeft daarbij benadrukt dat verzoeker ook geen feitelijk belang heeft bij een inwilliging van dit verzoek aangezien er op dit moment een bedrag van € 13.000,- op de ervenrekening staat en verzoeker te allen tijde in overleg met

[B] aanspraak kan maken op (een gedeelte van) dit geld. Over het meer subsidiaire heeft [B] opgemerkt dat van haar niet kan worden verlangd om de gevraagde stukken aan te leveren daar zij alle stukken die zij in haar bezit heeft al heeft doorgestuurd naar verzoeker en de beschermingsbewindvoerder. [B] heeft daar verder over opgemerkt dat het klopt dat [B] en de beschermingsbewindvoerder in een impasse zitten als

het gaat om de eindrekening en verantwoording. [B] heeft de kantonrechter dan

ook verzocht om de eindrekening en verantwoording te controleren.

2 De beoordeling

2.1.

De kantonrechter zal achtereenvolgens ingaan op: I ) het primaire verzoek, strekkende tot een opheffing van het bewind, II) het subsidiaire verzoek, strekkende tot het ontslag van [B] als testamentair bewindvoerder en de benoeming van [D] h.o.d.n. [handelsnaam] tot opvolgend testamentair bewindvoerder en III) het meer subsidiaire verzoek, strekkende tot de afgifte van stukken op straffe van een dwangsom.

Ad. I: het primaire verzoek

2.2.

Op grond van artikel 4:178 lid 2 BW kan een testamentair bewind worden opgeheven op verzoek van de testamentair bewindvoerder, op grond van onvoorziene omstandigheden en voorts indien aannemelijk is dat de rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Na verloop van vijf jaren na het overlijden van de erflater kan het testamentair bewind op deze laatste grond ook worden opgeheven op verzoek van de rechthebbende.

2.3.

Het primaire verzoek van verzoeker strekt tot een opheffing van het testamentair bewind wegens onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:178 lid 2 BW. Een verzoek tot opheffing van het testamentair bewind wegens onvoorziene omstandigheden is echter alleen mogelijk indien de testamentair bewindvoerder het verzoek doet. Dat is hier niet

het geval. Op twee voorwaarden kan op verzoek van de rechthebbende een testamentair bewind worden opgeheven. Ten eerste dienen vijf jaren te zijn verstreken na het overlijden van de erflater. Ten tweede moet aannemelijk zijn dat de rechthebbende de goederen die

onder testamentair bewind staan, na een opheffing van het testamentair bewind, zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Blijkens de Memorie van Toelichting is de ratio

achter deze twee voorwaarden dat de rechthebbende, zich al te licht, tegen de wil van de erflater, van het bewind ontdoet. Verder mag worden aangenomen dat het enkel intreden van de meerderjarigheid niet als hoofdregel met zich brengt dat de rechthebbende zich van het bewind kan ontdoen. De rechthebbende zal dan ook moeten aantonen dat het testamentair bewind niet meer nodig is.

2.4.

Uit de nu in het dossier aanwezige stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken dat verzoeker, vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand, de onder het bewind staande goederen zelf op een verantwoorde wijze zal kunnen besturen. Toch ziet de kantonrechter voldoende aanleiding om het testamentair bewind op te heffen. Bij beschikking van 7 mei 2012 is er namelijk een bewind ingesteld over alle vermogensbestanddelen die aan verzoeker (zullen) toebehoren. Hierdoor kan verzoeker niet vrijelijk over zijn vermogen beschikken. Een opheffing van het testamentair bewind brengt in het onderhavige geval dan ook met zich dat het aan verzoeker toegekomen erfdeel uit de nalatenschap van erflaatster automatisch onder het beschermingsbewind valt. Het beschermingsbewind biedt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende waarborgen om het erfdeel van verzoeker veilig te stellen tegen het onvermogen van verzoeker om op een verantwoorde wijze met zijn geld om te gaan. Dit is ook in lijn met de ratio achter artikel 4:178 lid 2 BW. Ook is aannemelijk dat dit in lijn is met hetgeen erflaatster voor ogen had

bij het opstellen van haar testament. Ten tijde van haar laatste wilsbepaling was verzoeker namelijk minderjarig en beoogde erflaatster middels het testamentair bewind het erfdeel

van verzoeker veilig te stellen. De kantonrechter merkt daar verder over op dat een opheffing van het testamentair bewind ook met zich brengt dat de verantwoordelijkheid over het beheer van het gehele vermogen van verzoeker bij de beschermingsbewindvoerder komt te liggen. De kantonrechter overweegt daarbij dat de beschermingsbewindvoerder jaarlijks rekening en verantwoording dient af te leggen aan de kantonrechter, hetgeen – mede gelet op de getroebleerde familieverhoudingen – in meerdere opzichten in het belang van verzoeker is.

2.5.

Gelet op het voorgaande – in onderling samenhang bezien – dient het primaire verzoek van verzoeker te worden ingewilligd. De kantonrechter zal het testamentair bewind dan ook opheffen.

Ad. II: het subsidiaire verzoek

2.6.

Nu de kantonrechter het primaire verzoek heeft toegewezen, behoeft het subsidiaire verzoek geen verdere bespreking.

Ad. III: het meer subsidiaire verzoek

2.7.

Over het meer subsidiaire verzoek merkt de kantonrechter op dat de kantonrechter niet bevoegd is om dit verzoek in behandeling te nemen. De kantonrechter verklaart het meer subsidiaire verzoek dan ook niet-ontvankelijk.

3 De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het primaire verzoek toe;

- wijst het subsidiaire verzoek af;

- verklaart het meer subsidiaire verzoek niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.A.M. Penders, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.