Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5244

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-10-2021
Datum publicatie
25-07-2022
Zaaknummer
UTR 21/2547
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete vanwege overtreding BKR en ontbreken koppeling PRK. Ten aanzien van een anatal dagen bestond geen grond om een boete op te leggen. Gegrond beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/2547


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R.M. Kroese),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ros).

Procesverloop

In het besluit van 10 september 2020 (primair besluit) heeft verweerder een bestuurlijke boete opgelegd van € 32.000,- aan eiseres vanwege overtreding van de Wet kinderopvang (Wko).

In het besluit van 28 april 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit deels herroepen en beslist dat het boetebedrag wordt verlaagd tot € 27.000,-.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is vertegenwoordigd door [A] en is bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [inspecteur kinderopvang], inspecteur kinderopvang.

Overwegingen

1. Na een controle op 22 augustus 2019 bij [kinderdagverblijf], onderdeel van [eiseres] (eiseres), door een toezichthouder van verweerder is vastgesteld dat sprake is van overtredingen van de Wko. De inspecteur heeft zijn bevindingen opgenomen in een inspectierapport van 5 november 2019. Naar aanleiding van de overtredingen is aan eiseres een boete opgelegd van uiteindelijk € 27.000,-.

2. Het bestreden besluit gaat over zes overtredingen omdat eiseres te weinig beroepskrachten heeft ingezet en daarmee niet heeft voldaan aan de eisen met betrekking tot de beroepskracht-kindratio (hierna: BKR). Daarnaast is een overtreding van artikel 1.50 van de Wko geconstateerd, doordat er werkzaamheden zijn uitgevoerd door een persoon voordat de koppeling met de houder tot stand is gekomen. Er is in totaal volgens verweerder sprake van zeven overtredingen. Verweerder heeft de boete in het bestreden besluit verlaagd van € 32.000,- naar € 27.000,-.

De BKR overtredingen

3. Eiseres voert aan dat geen sprake is van overtredingen van de BKR op de door verweerder geconstateerde dagen. Er is alleen sprake geweest van een consequente administratieve fout. Op 31 juli 2019 en 21 augustus 2019 is verzuimd om administratief vast te leggen dat de op die dag boventallige beroepskracht op de ene groep, op de andere groep is ingezet. Eiseres heeft ter onderbouwing hiervan in bezwaar verklaringen van de medewerkers overgelegd. Op de overige dagen zijn vanwege de zomervakantie kinderen van de ene naar de andere stamgroep overgeplaatst. De toezichthouder heeft in het inspectierapport geconstateerd en geaccepteerd dat dit bij deze locatie met regelmaat voorkomt, waardoor het aannemelijk is dat dit ook op die dagen het geval was. Het enige wat eiseres kan worden verweten is dat zij dit niet administratief heeft vastgelegd. Eiseres wijst er daarbij op dat er wel aantekeningen op het personeelsrooster zijn gemaakt. De boetes moeten daarom worden vernietigd. Eiseres verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, van 12 juli 2021.1 Eiseres voert verder ten aanzien van de door verweerder geconstateerde overtreding op 16 augustus 2019 aan dat er in de groep [B] weliswaar twee beroepskrachten moesten worden ingezet, maar dat de overtreding korter dan een dagdeel heeft plaatsgevonden. Subsidiair voert eiseres onder meer aan dat er een grote mate van samenhang is aangezien sprake is van een herhaalde roosterfout en dat geen sprake is van recidive op locatieniveau. Ook wijst eiseres op de geringe financiële draagkracht. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 10 februari 20212 en van deze rechtbank, van 9 april 2019. 3

4. De rechtbank overweegt als volgt. De opvang bij [kinderdagverblijf] vindt plaats in twee verschillende groepsruimtes, in twee stamgroepen genaamd [C] en [B]. Op grond van artikel 1.50 van de Wko en artikel 7 van het Besluit kwaliteit kinderopvang wordt het aantal in te zetten beroepskrachten bij een groep kinderen afgestemd op het aantal aanwezige kinderen in die groep. Verweerder heeft op basis van de presentielijsten en het personeelsrooster overtredingen van de BKR geconstateerd op 31 juli 2019, 2 augustus 2019, 14 augustus 2019, 16 augustus 2019, 21 augustus 2019 en 22 augustus 2019. De boetes van 2 en 22 augustus 2019 heeft verweerder in het bestreden besluit gematigd met 50%, omdat de overtredingen minder dan een dagdeel hebben plaatsgevonden.

5. In geschil tussen partijen is onder meer of verweerder bij het bestreden besluit mocht uitgaan van de administratie zoals die door eiseres aan de toezichthouder is overhandigd en waarop het rapport is gebaseerd. De rechtbank ziet aanleiding om de formele beroepsgronden aan het einde van de uitspraak te bespreken.

6. Voorop wordt gesteld dat het bij het opleggen van een boete om een bestraffende sanctie gaat, zodat extra eisen aan het bewijs van verweerder worden gesteld. Er moet worden voldaan aan de strenge maatstaven die worden gesteld aan het opleggen van een bestraffende sanctie. De overtredingen moet door verweerder worden bewezen.

7. Verweerder mag zwaarwegende betekenis toekennen aan een inspectierapport van de toezichthouder, tenzij dat rapport niet voldoet aan de eisen die worden gesteld aan de wijze van totstandkoming of de inhoud daarvan. Dit betekent ook dat verweerder in beginsel heeft mogen uitgaan van de administratie die door eiseres aan de toezichthouder is verstrekt om vast te stellen of sprake is geweest van overtredingen van de Wko. De verstrekte administratie is de basis voor de controle of aan de BKR-regeling wordt voldaan. Dit neemt echter niet weg dat het inbrengen van tegenbewijs mogelijk is. Het gaat immers niet om het vaststellen van de papieren werkelijkheid, maar om het vaststellen van feiten, namelijk of feitelijk op een bepaald moment al dan niet aan de BKR wordt voldaan.

8. In beginsel mag verweerder dus afgaan op de administratie: daaruit volgt hoeveel kinderen zijn ingeroosterd en hoeveel begeleiders daarbij staan ingeroosterd op de groep, in combinatie met de presentielijsten. Uit deze gegevens komt op alle zes dagen een overtreding van de BKR naar voren. Over het verweer van eiseres overweegt de rechtbank als volgt.

9. Eiseres heeft twee van de bij de inspectie geconstateerde overtredingen op 31 juli 2019 en 21 augustus 2019 gemotiveerd betwist door verklaringen van medewerkers te overleggen, waaruit volgt dat de medewerkers zijn ingezet op de groep waar op die dag te weinig beroepskrachten waren. Gezien de geringe omvang van de opvanglocatie en daarmee de overzichtelijkheid ervan acht de rechtbank de motivering van verweerder over de onaannemelijkheid van het invallen van de begeleiders op de andere groep ontoereikend. Dat de verklaringen pas een jaar later zijn opgesteld, is op zichzelf onvoldoende om niet van de juistheid van de verklaringen uit te kunnen gaan. De verklaring die gaat over 31 juli 2019 gaat over een dag waarop op de groep [B] 2 begeleiders stonden ingeroosterd, terwijl daar 5 kinderen waren en 1 begeleider op de groep [C], terwijl daar 7 kinderen waren. Dat de begeleiders dit zien en vervolgens in de praktijk anders oplossen is op zichzelf niet onaannemelijk. Nu dit verder met de verklaring is onderbouwd acht de rechtbank deze werkwijze aannemelijk. Dit betekent dat de overtreding op 31 juli 2019 naar het oordeel van de rechtbank niet is bewezen en verweerder ten onrechte voor die dag een boete van € 5.000,- heeft opgelegd.

10. De rechtbank acht om dezelfde reden de verklaring van de begeleidster over 21 augustus 2019 eveneens aannemelijk. Op deze dag waren er 6 kinderen in de groep [B] en 2 begeleiders ingeroosterd en was er 1 begeleider op [C], terwijl daar 9 kinderen waren. In het rooster is bij die dag genoteerd dat er een begeleider die dag extra heeft gewerkt. Het is zonder meer aannemelijk dat dit is geweest op de groep met de meeste kinderen. Dan blijft op die dag op de groep [B] echter nog een overtreding staan, namelijk dat er op die groep met 1 begeleider nog 1 kind te veel is geweest.

11. Volgens eiseres zijn er op die dag en de overige dagen een aantal kinderen naar de andere groep overgeplaatst, waardoor er alleen op papier een overtreding van de BKR heeft plaatsvonden, maar in de praktijk niet. De begeleiders weten hoeveel kinderen per begeleider mogen worden opgevangen. Omdat het maar om twee groepen gaat, kunnen zij eenvoudig dit overzicht bewaken en ernaar handelen.

12. De rechtbank overweegt hierover allereerst dat in het inspectierapport door de toezichthouder is opgemerkt dat het voorkomt dat de BKR kloppend wordt gemaakt door kinderen in de andere groep op te vangen. Dit mag worden gedaan, mits hier voorafgaand schriftelijk toestemming voor is gegeven door de ouders. Over de rechtsgeldigheid van die toestemming gaat deze zaak niet. Uit het e-mailverkeer tussen de toezichthouder en eiseres in combinatie met het rapport blijkt dat voor 15 en 16 augustus 2019 navraag is gedaan over de samenstelling van de groepen en voor de desbetreffende kinderen die volgens de e-mail waren verplaatst is geen overtreding vastgesteld.

13. Uit de administratie volgt dat voor de kinderen op de twee groepen tezamen steeds voldoende begeleiding aanwezig was, met uitzondering van 16 augustus 2019. De rechtbank stelt vast dat uit het rooster blijkt dat er op 16 augustus 2019 te weinig begeleiders waren, ook met inachtneming van de correctie van 2 kinderen, omdat er op de groep [B] 8 (na correctie: 6) kinderen waren en 1 begeleider en op de groep [C] 9 (na correctie: 11) kinderen en 2 begeleiders. Dit betekent dat eiseres op 16 augustus 2019 de BKR heeft overschreden, omdat er op de groep [B] te weinig begeleiders waren. Dat er nog een extra kind overgeplaatst zou zijn heeft verweerder terecht niet aannemelijk geacht. Immers, er is expliciet gevraagd welke kinderen op 16 augustus 2019 naar [C] zijn gegaan en hierop is geantwoord dat dit 2 kinderen waren.

Wat betreft de duur van de overschrijding overweegt de rechtbank dat de totale opvang die dag op de groep [B] heeft geduurd van 8.03 uur tot 16.59 uur. Omdat dit minder dan 10 uur aaneengesloten opvang is, is de afwijkingsmogelijkheid van de BKR (voor het tijdvak 7.45-8.45) niet van toepassing. De overschrijding heeft meer dan de halve opvangdag geduurd. Daarmee telt de overschrijding voor de gehele dag, ook als er 3 kinderen om 13.00 uur zijn opgehaald. Conform het beleid van verweerder is de hoogte van de boete van de overtreding op 16 augustus 2019 daarom € 5.000,-.

14. Over de overige dagen overweegt de rechtbank dat er volgens het rooster en de presentielijsten steeds 6 kinderen waren op een groep met 1 begeleider, terwijl er dan 5 kinderen mochten zijn. Het verweer is steeds dat er 1 kind op de andere groep is opgevangen. Uit het rooster blijkt ook dat men zich bij de meeste dagen ervan bewust was dat er een kind te veel op de groep zou zijn. Op 2 augustus 2019 staat er in het rooster “mogelijk 1 kindje naar [B]”, op 14 augustus 2019 staat in het rooster “mogelijk 1 kindje naar [C]” en op 22 augustus 2019 staat in het rooster “1 kindje van [B] erbij”. Ter zitting is door eiseres toegelicht dat deze signaleringen in het rooster zijn geplaatst omdat vooraf is geconstateerd dat er teveel kinderen op de betreffende groep zouden zijn en dat op de betreffende dagen feitelijk hiernaar is gehandeld. Gelet op het verweer van eiseres en de aantekeningen in het rooster acht de rechtbank aannemelijk dat voor deze dagen daadwerkelijk een kind op de andere groep met voldoende begeleiding is opgevangen.

15. Daarbij weegt de rechtbank verder mee dat de toezichthouder op 6 september 2019 bij eiseres navraag heeft gedaan over de feitelijke gang van zaken op 15 en 16 augustus 2019, nadat is geconstateerd dat in het rooster vergelijkbare opmerkingen staan over het plaatsen van kinderen in de andere groep. Na de uitleg van een medewerker van eiseres heeft de toezichthouder zonder nadere onderbouwing van eiseres kennelijk aangenomen dat op die dagen geen overtreding heeft plaatsgevonden omdat er kinderen zijn overgeplaatst naar een andere groep zonder dat dit in de presentielijsten is bijgewerkt. Nu op het rooster ook op 2, 14 en 22 augustus 2019 aantekeningen staan opgenomen over het overplaatsen van een kind naar de andere groep, acht de rechtbank het verweer aannemelijk. Hiermee is de reële mogelijkheid open gebleven dat er ook op die dagen geen overtreding van de BKR heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overtredingen op 2, 14 en 22 augustus 2019 daarom niet bewezen. Over de rechtsgeldigheid van de door de ouders verleende voorafgaande toestemming voor opvang van hun kind in een andere groep, gaat deze zaak niet en dit staat in dit geval los van de door verweerder aangenomen overtredingen van de BKR. De rechtbank is van oordeel dat voor de dagen 2, 14 en 22 augustus 2019 er voor verweerder geen grond bestond om een boete op te leggen. Daarmee zijn de boetes van respectievelijk € 2.500,-, € 5.000,- en € 2.500,- ten onrechte opgelegd.

16. De rechtbank overweegt tot slot dat op 21 augustus 2019 in het rooster geen opmerking staat over het overplaatsen van een kind naar de andere groep. Ook uit de verklaring van de medewerker blijkt niet dat er op deze dag een kind is overgeplaatst om de BKR niet te overschrijden. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank over deze overtreding geen aannemelijk verweer gevoerd. De loutere stelling is daartoe ontoereikend. Verweerder heeft daarom deze overtreding terecht vastgesteld. Volgens het beleid van verweerder bedraagt de boete hiervoor € 5.000,-.

17. De rechtbank komt wat betreft overtredingen van de BKR tot de slotsom dat volgens verweerders beleid de totale hoogte van de boetes € 10.000,- bedraagt voor overtredingen van de BKR op 16 en 21 augustus 2019.

Overtreding VOG en koppeling in PRK

18. Verweerder heeft vastgesteld dat werkzaamheden zijn uitgevoerd door een (toekomstig) medewerker voordat koppeling in het Personenregister Kinderopvang (PRK) met de houder tot stand is gekomen. Eiseres voert hierover aan dat vaststaat dat de nieuwe locatiemanager pas per 1 september 2019 in dienst zou komen en dat zij met haar VOG op 27 augustus 2019 was gekoppeld in het PRK. Verweerder heeft zonder bewijsstukken onderbouwd dat de teamleidster op 22 augustus 2019 zou hebben aangegeven dat zij sinds een week een nieuwe manager zou hebben. De bewijslast hiervoor ligt bij verweerder. Tevens stelt zij dat de medewerkster bij verweerder al bekend was, wegens werkzaamheden op een andere locatie van de houder. Eiseres verzoekt daarom de bestuurlijke boete van € 2.000,- te vernietigen.

19. De rechtbank overweegt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen dat alle personen die bij een kinderopvang betrokken zijn of zullen zijn continu gescreend moeten kunnen worden. Verweerder heeft verder ter zitting toegelicht dat daarbij moet kunnen worden vastgesteld waar een medewerker werkzaam is of is geweest. Dit is van belang om de veiligheid en kwaliteit van de kinderopvang te kunnen waarborgen. De inschrijving in het PRK en de koppeling aan de houder van een kindercentrum (de houder) voordat de daadwerkelijke werkzaamheden worden aangevangen dienen ertoe om de screening mogelijk te maken. Dit is neergelegd in artikel 1.48d van de Wko. In artikel 1.50, vierde lid, van de Wko, is expliciet opgenomen dat een persoon zijn werkzaamheden pas kan aanvangen nadat de inschrijving en de koppeling voltooid is. Als aan deze verplichting niet is voldaan, dan kan het college op grond van artikel 1.72 van de Wko een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45.000,-.

19. De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van de teamleidster tijdens de inspectie van 22 augustus 2019 volgt dat zij sinds een week een nieuwe manager had en het eerste contact heeft gehad met de manager. Ook uit de e-mails van de betrokkene/manager zelf volgt dat zij achter de schermen al wat voorbereidende werkzaamheden heeft verricht (e-mailbericht van 28 augustus 2019) en dat zij officieel start op 1 september 2019 en achter de schermen daar uiteraard al mee bezig is (e-mailbericht van 27 augustus 2019). Hieruit blijkt dat eiseres niet heeft voldaan aan de verplichting die is opgenomen in artikel 1.48d, derde lid, en artikel 1.50, vierde lid, van de Wko. Gelet op de bewoordingen in de bewijsmiddelen verrichtte de beoogde en toen nog niet gekoppelde manager werkzaamheden en diende de inschrijving te zijn afgerond. Verweerder hoeft niet te bewijzen welke werkzaamheden dat dan waren. Controle was toen nog niet mogelijk omdat de koppeling nog niet tot stand was gebracht. Weliswaar was zij bekend van een andere opvanglocatie, maar in geval van een calamiteit was de band tussen deze manager en (de kinderen van) de opvanglocatie [kinderdagverblijf] nog niet te maken. De overtreding staat daarmee vast.

De hoogte van de boetes

21. Over de hoogte van de desbetreffende boete overweegt de rechtbank als volgt. Het opleggen van een boete is een discretionaire bevoegdheid waaraan verweerder invulling geeft door het hanteren van Beleidsregels toezicht & handhaving kwaliteit kinderopvang gemeente Utrecht (Beleidsregels). In paragraaf 4.3 van de Beleidsregels is bepaald in welke gevallen een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Wat betreft overtreding van de BKR resteert volgens verweerders beleid een boetebedrag van € 10.000,-. De rechtbank is van oordeel dat dit boetebedrag ook passend en geboden is en recht doet aan de aard en de ernst van de overtredingen die resteren, ook als geen sprake is van recidive. De rechtbank ziet in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om het totaalbedrag te matigen. Van onevenredige cumulatie is geen sprake en er is gezien het tekort aan personeel op met name 16 augustus 2019 geen sprake van louter administratieve missers. De BKR is voor de veiligheid en het welzijn van kinderen een heel belangrijke norm en overtreding daarvan acht de rechtbank ernstig. Ook en juist in de vakantieperiode als er wisselingen in groepssamenstellingen zijn moet van eiseres worden verwacht dat zij de continuïteit in kwalitatief goede opvang bewaakt. Dat eiseres een geringe financiële draagkracht heeft, is tot slot niet gebleken.

22. Wat betreft het tijdsverloop overweegt de rechtbank dat overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar tot matiging zou kunnen leiden. Maar in onderhavig geval is daarvan geen sprake, gerekend vanaf het moment van het uitbrengen van het rapport tot en met deze uitspraak.

23. Het niet voldoen aan de eisen ten aanzien van het PRK, waaronder het ontbreken van een koppeling, wordt tot slot in het Afwegingsoverzicht met de prioriteit ‘hoog’ aangemerkt. Bij overtredingen met een hoge prioriteit wordt volgens de beleidsregels in beginsel altijd een boete opgelegd. Volgens het Afwegingsoverzicht wordt in de situatie waarin sprake is van een ontbrekende koppeling een boete opgelegd van € 2.000,-. Verweerder heeft bij het opleggen van de boete rekening ermee gehouden dat de nieuwe locatiemanager al werkzaam was bij [kinderopvang], een kinderdagverblijf van dezelfde houder, want als er ook een inschrijving ontbreekt wordt er een aanvullende boete van € 3.000,- opgelegd. Mocht er echter bij de desbetreffende medewerker iets uit de screening zijn gekomen dan was bij verweerder niet bekend dat zij al werkzaam was bij eiseres. In dat geval kon er op de locatie van eiseres ook niet worden gewaarschuwd. Naar het oordeel van de rechtbank is de boete van € 2.000,- dan ook proportioneel en afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.

Is het besluit bevoegd genomen?

24. Eiseres voert verder aan dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Eén van de beide toezichthouders is ook de ambtenaar geweest die het voornemen voor het opleggen van de bestuurlijke boete inhoudelijk heeft behandeld. Dit is in strijd met de interne werkinstructies van de GGD Utrecht en de werkafspraken van verweerder. Niet is aangetoond dat de toezichthouder eveneens is aangewezen als handhavingsspecialist. Eiseres heeft dit ook in bezwaar aangevoerd, in het bestreden besluit is hier niet op gereageerd. Eiseres voert verder aan dat dit in strijd is met het onpartijdigheidsbeginsel in de zin van artikel 10:3, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met artikel 5:53 van de Awb.

25. De rechtbank volgt verweerder in zijn toelichting dat het voornemen tot het opleggen van de boete niet door de toezichthouder is genomen. Het besluit is ondertekend door de teammanager bij de Inspectie Kinderopvang. Verweerder heeft toegelicht dat deze medewerker bevoegd is om dergelijke besluiten te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Het primaire besluit is eveneens door de teammanager opgesteld en genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet gebleken van strijd met artikel 10:3, derde en vierde lid of artikel 5:53 van de Awb.

Overschrijding van artikel 5:51 van de Awb

26. De rechtbank overweegt dat in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb een termijn van orde is opgenomen, wat betekent dat een boete ook als niet aan die termijn is voldaan, nog steeds opgelegd kan worden en aan de overschrijding van de termijn geen consequenties zijn verbonden.4 De uitspraak waarnaar ter zitting is verwezen5 maakt dat niet anders. Voor zover aan het tijdsverloop gevolgen zouden moeten worden verbonden, leidt dit niet tot verval van de bevoegdheid maar eventueel tot strafvermindering als hierboven overwogen. Hiermee kunnen de eventueel geschonden belangen van eiseres worden gecompenseerd.

27. De overige argumenten leiden niet tot een ander oordeel.

Conclusie

28. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal bestreden besluit vernietigen voor zover de overtredingen niet bewezen worden geacht. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het boetebedrag vast te stellen op € 12.000,-.

29. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een bedrag van totaal €1.496,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).

30. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de overtredingen op 31 juli 2019, 2 augustus 2019, 14 augustus 2019 en 22 augustus 2019 en de hoogte van de boete;

- verklaart het bezwaar in zoverre gegrond en herroept het primaire besluit;

- stelt de boete voor twee overtredingen op 16 augustus 2019 en 21 augustus 2019 en een overtreding van de koppeling in PRK vast op € 12.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. De beslissing is uitgesproken op 28 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 UTR 20/1923

2 ECLI:NL:RVS:2021:272

3 UTR 18/4741

4 Zie bijvoorbeeld uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3527.

5 Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, van 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500.