Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5235

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-10-2021
Datum publicatie
05-11-2021
Zaaknummer
C/16/526819 / KL ZA 21-225
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De door de presentator in een aflevering van [naam programma] (YouTubekanaal van BNNVARA) gedane mededeling dat een aanvraag woonvergunning niet "kan" worden ingediend als de aanvrager niet in de regio [naam gemeente] woont is niet onrechtmatig. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/526819 / KL ZA 21-225

Vonnis in kort geding van 1 oktober 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. N. Köse-Albayrak te Rotterdam,

tegen

de vereniging

OMROEPVERENIGING BNNVARA,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

advocaten mrs. J.P. van den Brink en L. Oranje te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en BNNVARA genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 augustus 2021 met producties (1-8),

  • -

    de op 9 september 2021 ontvangen aanvullende producties (9-22),

  • -

    de op 10 september 2021 ontvangen conclusie van antwoord met producties (1-19),

  • -

    de op 13 september 2021 ontvangen akte vermeerdering van eis,

  • -

    de mondelinge behandeling op 13 september 2021,

  • -

    de pleitnota van [eiseres] met twee bijlagen,

  • -

    de pleitnota van BNNVARA.

1.2.

Het door BNNVARA gemaakte bezwaar tegen het overleggen van de bij de pleitnota van [eiseres] gevoegde bijlagen is op grond van strijdt met de goede procesorde gehonoreerd. Door de late overlegging van de bijlagen, waaronder de eerste bijlage die volgens [eiseres] de (nadere) onderbouwing van de grondslag van de vordering bevat, wordt BNNVARA onredelijk in haar verdediging geschaad.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vordering

2.1.

[eiseres] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. BNNVARA wordt veroordeeld een aanvullende opname aan het begin en aan het einde van de uitzending te plakken/plaatsen waarin het volgende wordt verklaard:

“In de hierna te volgen uitzending over [eiseres] is onjuiste informatie verstrekt. De aanvraag van [A (voornaam)] kon bij de Gemeente [naam gemeente] worden ingediend, over de slagingskansen kan worden gediscussieerd maar door te zeggen dat de aanvraag niet kon worden ingediend is ten onrechte de indruk gewekt dat [eiseres] kosten in rekening heeft gebracht terwijl zij de aanvraag niet kon indienen. [eiseres] kon de aanvraag wel degelijk indienen en konden de diensten waarvoor [A (voornaam)] heeft betaald ook geleverd worden.

In de uitzending zijn mededelingen gedaan die onnodig grieven jegens [eiseres] zijn. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft BNNVARA # [naam programma] onder verbeurte van een dwangsom ons verplicht deze rectificatie te lezen en op onze website te plaatsen.”

althans een tekst die de voorzieningenrechter geraden voorkomt met een zelfde soort strekking, welke tekst op neutrale toon en wijze en in normaal tempo door de heer [B] dient te worden uitgesproken, althans door BNNVARA, zonder daarbij nader commentaar te geven, waarbij deze opname zowel aan het begin als aan het einde van de uitzending te zien zal zijn, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro) voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde niet aan deze veroordeling voldoet, zulks met een maximum van € 200.000,-- (zegge: tweehonderdduizend euro), althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

II. BNNVARA te veroordelen om uiterlijk binnen drie dagen na dit vonnis de rectificatietekst boven de thuispagina van de website van BNNVARA, zowel op als op [website] te plaatsen en gedurende een termijn van vier weken, althans voor de duur van een door de voorzieningenrechter redelijk te achten termijn, geplaatst te houden, waarbij de uiterlijke kenmerken van de tekst passend zijn bij de website voor wat betreft de lettertype en -grootte maar in een opvallende kleur zodat bezoekers van de website de rectificatie direct kunnen zien en lezen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro) voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde niet aan deze veroordeling voldoet, zulks met een maximum van € 200.000,-- (zegge: tweehonderdduizend euro), althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

III. BNNVARA en alle aan haar verbonden of gelieerde programma's en personen, te verbieden om voor de duur van zes maanden, althans voor een duur die de voorzieningenrechter geraden voorkomt, niet bij [eiseres] , haar bedrijfspand, haar medewerkers en de aan haar verbonden personen langs te gaan, zakelijk of privé, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro) voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde niet aan deze verplichting voldoet, zulks met een maximum van € 200.000,-- (zegge: tweehonderdduizend euro), althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

IV. BNNVARA te verbieden om, op welke wijze dan ook, negatief uit te laten over [eiseres] daar waar het kunnen doen van aanvragen woonurgentie betreft, althans te verbieden dat gedaagde op welke wijze dan ook bij haar kijkers of derden de indruk wekt dat [eiseres] de aanvragen woonurgentie niet zou kunnen indienen, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro) voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze uitlatingen wel worden gedaan of voortduren, zulks met een maximum van € 200.000,-- (zegge: tweehonderdduizend euro), althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

V. BNNVARA te veroordelen tot betaling van een bedrag ad € 50.000,-- (zegge: vijftigduizend euro) op het rekeningnummers van [eiseres] bij wijze van voorschot op de schade die [eiseres] heeft geleden door de onjuiste informatieverstrekking althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

VI. BNNVARA te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

2.2.

BNNVARA voert verweer met conclusie tot afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit geding, inclusief de nakosten.

3 Waar gaat het om?

3.1.

[eiseres] is een dienstverlener en treedt bij het doen van aanvragen van woonurgenties als gemachtigde op voor woningzoekenden. Op 19 augustus 2021 is op het YouTubekanaal [naam programma] van BNNVARA een aflevering met nummer [.] (hierna: de Aflevering) geplaatst waarin [eiseres] centraal staat. Volgens [eiseres] heeft BNNVARA onrechtmatig gehandeld door in de Aflevering uitlatingen te doen die niet juist zijn, door informatie te verstrekken die niet klopt en door de kijker te doen geloven dat [eiseres] gelden aanneemt voor diensten die zij niet kan leveren. Volgens [eiseres] wordt daarmee geïnsinueerd dat zij mensen oplicht. Daarnaast stelt [eiseres] last te hebben van pestgedrag van [naam programma] .

3.2.

BNNVARA betwist dat er een grond is om de vorderingen van [eiseres] toe te wijzen.

3.3.

De voorzieningenrechter volgt het standpunt van BNNVARA en zal hierna uitleggen hoe tot dit oordeel is gekomen.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Gelet op de aard van de vorderingen heeft [eiseres] een voldoende spoedeisend belang om in haar vorderingen in kort geding te worden ontvangen.

Juridisch kader

4.2.

In deze zaak gaat het om een botsing van fundamentele rechten. Aan de zijde van [eiseres] het aanwezige recht op eerbiediging van de goede naam en aan de zijde van BNNVARA het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 lid 1 EVRM). Hoewel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) herhaaldelijk heeft benadrukt, dat het recht op reputatie en de vrijheid van meningsuiting gelijk respect verdienen en het aldus geen verschil kan maken of een zaak aanhangig wordt gemaakt onder art. 8 of art. 10 EVRM. (EHRM 2 september 2014, nr. 32783/08, Firma EDV fur Sie, EfS Elektronische Datenverarbeitung Dienstleistungs GmbH/Duitsland), heeft het EHRM zich nog niet uitgesproken over de vraag of een onderneming zich ook kan beroepen op artikel 8 EVRM voor geleden reputatieschade. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het beroep van [eiseres] op bescherming van de goede naam niet moet worden beoordeeld in het kader van de in artikel 10 lid 2 EVRM gegeven beperkingsclausule op de vrijheid van meningsuiting, omdat schending van de persoonlijkheidsrechten van een rechtspersoon door aantasting van goede naam en reputatie rechtstreeks kunnen resulteren in schending van de economische rechten van die rechtspersoon. Met het oog op een doeltreffende bescherming van die rechten moeten dus ook de persoonlijkheidsrechten van de rechtspersoon worden beschermd (vergelijk ook EHRM, 7 februari 2012, nr. 39954/08 (Axel Springer AG/Duitsland) en EHRM, 7 februari 2012, nr. 40660/08 (Von Hannover/Duitsland ii) en HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2705). De beoordeling van het door [eiseres] gedane beroep zal dan ook geschieden in het kader van het recht op eerbiediging van de goede naam als bedoeld in artikel 8 EVRM.

4.3.

Bij de beoordeling van de botsing van de onder 4.2 genoemde fundamentele rechten geldt niet dat voorrang toekomt aan een van beide rechten. Welk van de beide genoemde wederzijdse belangen in het concrete geval zwaarder weegt, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

4.4.

Op de zitting heeft [eiseres] , gevraagd naar de feitelijke grondslag van de vordering, meegedeeld dat de onrechtmatigheid van de Aflevering volgt uit de op de tijdstippen 3m53s en 11m13s in de Aflevering door de presentator [B] gedane uitlatingen. [B] zegt op beide momenten over ene [A (voornaam)] , die via [eiseres] een urgentieaanvraag heeft ingediend bij de gemeente [naam gemeente] , dat hij alleen een woonurgentie in de regio [naam gemeente] kan aanvragen als hij al in [naam gemeente] woont. Omdat [A (voornaam)] niet in de regio [naam gemeente] woonde, heeft [eiseres] - aldus de presentator - zich laten betalen voor een aanvraag die niet kon worden gedaan. Volgens [eiseres] kan over de slagingskansen van een dergelijke aanvraag worden gediscussieerd, maar zijn de in de Aflevering op beide tijdstippen gedane mededelingen eenvoudigweg misleidend omdat een aanvraag altijd ingediend kan worden.

4.5.

Anders dan [eiseres] acht de voorzieningenrechter de mededeling van de presentator dat een aanvraag niet kan worden ingediend als de aanvrager niet in de regio [naam gemeente] woont niet onrechtmatig. BNNVARA heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat de opmerking dat geen urgentieaanvraag ingediend kan worden spreektaal is voor de omstandigheid dat een urgentieaanvraag formeel wel ingediend kan worden maar feitelijk kansloos is. In dat kader heeft BNNVARA ook gewezen op het besluit van 11 januari 2021 van de Autoriteit Consument & Markt (ACM). In dat besluit, waarbij aan [bedrijfsnaam 1] B.V. en haar dochterondernemingen [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V (bedrijven al dan niet gelieerd aan (de rechtsvoorganger van) [eiseres] ) een last onder dwangsom wordt opgelegd, wordt onder meer gesproken over het niet kunnen indienen van een aanvraag van een woonurgentie terwijl de ACM daarmee doelt op het te behalen resultaat van de aanvraag (zie randnummer 44 van het door BNNVARA als productie 10 in het geding gebrachte besluit). Voorts geldt, zoals door BNNVARA terecht is aangevoerd, dat [eiseres] zelf ook spreekt over het kunnen indienen van een aanvraag, terwijl het dan eigenlijk gaat over de geldende voorwaarden voor de toewijsbaarheid van een dergelijke aanvraag (zie productie 19 van BNNVARA). In antwoord op de vraag van iemand of [eiseres] kan helpen bij een urgentieaanvraag in de gemeente [naam gemeente] wordt door [eiseres] in een email van 2 augustus 2021 namelijk het volgende geantwoord: “U kunt alleen in een andere gemeente urgentie aanvragen als er sprake is van “geweld, politie aangiftes’ etc,” en als u een mantelzorger bent van iemand die in die gemeente woont en u kunt aantonen dat u een mantelzorger bent”. [eiseres] hanteert in een vergelijkbare situatie dus hetzelfde taalgebruik als in de Aflevering op de beide tijdstippen is gebeurd. Er is dan ook geen enkele grond om een dergelijk taalgebruik in de Aflevering als onrechtmatig aan te merken.

4.6.

De in de Aflevering gedane uitlating dat [eiseres] zich laat betalen voor een aanvraag die niet kon worden gedaan, kan in het licht van het voorgaande als juist worden gekwalificeerd en is, zonder bijkomende feiten en omstandigheden die hier ontbreken, niet onrechtmatig. Sterker, de door [eiseres] nadrukkelijk gelegde focus op het uitgangspunt dat ook kansloze of zeer kansarme aanvragen ingediend kunnen worden heeft, gelet op het feit dat [eiseres] alleen tegen betaling aanvragen indient, kenmerken van een handelspraktijk die de ACM in het besluit van 11 januari 2021 heeft aangemerkt als misleidend. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat [eiseres] bij het aangaan van de overeenkomst [A (voornaam)] geïnformeerd heeft over de afwezige dan wel zeer geringe kans op toekenning van een woonvergunning door de gemeente [naam gemeente] .

4.7.

In de Aflevering wordt [eiseres] geconfronteerd met een tweetal klachten en wordt haar mening daarover gevraagd. Ook is te zien dat de presentator een medewerkster van [eiseres] enkele bescheiden geeft waaruit de klachten over [eiseres] duidelijk moeten worden. Naar aanleiding daarvan heeft [eiseres] gereageerd en de reactie is in de uitzending meegenomen. De stelling van [eiseres] dat er geen wederhoor is toegepast, is feitelijk onjuist. Bovendien geldt, anders dan [eiseres] meent, dat het recht op wederhoor geen absoluut recht is.

4.8.

Gelet op het voorgaandemoet aangenomen worden dat [eiseres] zich ook laat betalen voor aanvragen die kansloos of zeer kansarm zijn en dat wel degelijk sprake is geweest van wederhoor. De onder 4.2 en 4.3 bedoelde belangenafweging valt daarom in het voordeel van BNNVARA uit. De door de presentator op de tijdstippen 3m53s en 11m13s in de Aflevering gedane uitlatingen zijn dus niet onrechtmatig jegens [eiseres] .

4.9.

[eiseres] heeft nog aangeknoopt bij journalistieke maatstaven zoals neergelegd in de Code voor de journalistiek, maar dit maakt het oordeel niet anders. Deze Code is op zichzelf geen rechtens aan te leggen criterium waaraan de rechter moet toetsten. Bovendien is datgene waar [eiseres] zich in dat kader op beroept al bij de beoordeling van de vorderingen meegenomen.

4.10.

Op grond van het vorenstaande komen de vorderingen onder 2.1 onder I en II niet voor toewijzing in aanmerking.

4.11.

Met betrekking tot de onder 2.1. onder III. en IV. genoemde vorderingen, respectievelijk – kort gezegd – een straat- en contactverbod en het verbod om zich met betrekking tot aanvragen woonurgentie negatief over [eiseres] uit te laten, geldt het volgende.

4.12.

Het opleggen van een straat- en contactverbod levert een inbreuk op van grondrechten van BNNVARA. Deze inbreuk is alleen gerechtvaardigd wanneer van (de medewerkers van) BNNVARA een reële dreiging uitgaat van onrechtmatig handelen jegens [eiseres] . Zoals hiervoor onder 4.8 is geoordeeld, zijn de op de tijdstippen 3m53s en 11m13s in de Aflevering gedane uitlatingen niet onrechtmatig jegens [eiseres] . Anders dan [eiseres] ter onderbouwing van het gevorderde contactverbod stelt, is de berichtgeving over [eiseres] ook niet aan te merken als een misdraging, pestgedrag of obsessief gedrag van medewerkers van het online programma [naam programma] . Ook niet in samenhang beschouwd met eerdere Afleveringen van [naam programma] waarbij aandacht is besteed aan de door [bedrijfsnaam 3] , [handelsnaam van bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 2] (al dan niet de rechtsvoorgangsters van [eiseres] ) gehanteerde werkwijze ( [..] , [...] en [....] ). Toewijzing van een contact- en straatverbod is dan ook niet aan de orde.

4.13.

Ook het gevorderde aan BNNVARA op te leggen verbod om zich met betrekking tot de aanvragen woonurgentie negatief uit te laten over [eiseres] komt niet voor toewijzing in aanmerking. Toewijzing van een dergelijke vordering levert een ongerechtvaardigde inbreuk op van het recht op vrijheid van meningsuiting van BNNVARA. Niet alleen zijn de zijn op de tijdstippen 3m53s en 11m13s in de Aflevering gedane uitlatingen niet onrechtmatig jegens [eiseres] , er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat BNNVARA zich in de toekomst onrechtmatig over [eiseres] zal uitlaten.

4.14.

Omdat de onder 2.1 onder I tot en met IV gevraagde voorzieningen worden afgewezen, komt ook de onder 2.1 onder V. gevorderde dwangsom niet voor toewijzing in aanmerking.

4.15.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BNNVARA worden, met uitzondering van de nakosten, begroot op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.683,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van BNNVARA tot op heden begroot op € 1.683,00,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten. Deze kosten worden begroot op:
- € 163,00 aan salaris advocaat, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan,
- op € 85,00 aan salaris advocaat alsmede de explootkosten van betekening van dit vonnis, indien vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2021.1

1type: TS (4428)