Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:5178

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-10-2021
Datum publicatie
25-07-2022
Zaaknummer
UTR 20/3285
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep niet tijdig beslissen, geen ingebrekestelling, beroep niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/3285


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2021 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg, verweerder

(gemachtigden: mr. N.A.M.G van Rhijn en L. Vos).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek van 29 april 2020 om inzage te krijgen in zijn persoonsgegeven op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Daarbij heeft hij de rechtbank verzocht de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Vrijstelling griffierecht

1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het verschuldigde griffierecht. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de betaling van griffierecht.

Onderwerp van de zaak

2. In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet op tijd beslissen door verweerder op zijn verzoek om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag zoals deze dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.

3. Eiser heeft verweerder bij brief van 29 april 2020 verzocht om uitsluitsel te geven of er persoonsgegevens van hem bij verweerder worden verwerkt en om, wanneer dat het geval is, inzage te krijgen in die persoonsgegevens en in de overige informatie. Eiser heeft in beroep een track & trace-code overgelegd om de verzending van de brief op 29 april 2020 en de ontvangst door verweerder op 30 april 2020 aan te tonen. Op 13 juni 2020 heeft eiser verweerder nogmaals een brief gestuurd. Hierin verzoekt eiser verweerder een besluit te nemen op zijn brief van 29 april 2020, stelt eiser zich op het standpunt dat er niet tijdig is beslist en verzoekt hij verweerder hierin voortvarend te werk te gaan.

4. Verweerder heeft bij brief van 17 juni 2020 gereageerd op eisers brief van 13 juni 2020 met het verzoek om meer informatie over welke besluit eiser wenst te ontvangen op zijn brief van 29 april 2020, om te kunnen bepalen aan welke afdeling eisers verzoek moet worden doorgezet. Hierop heeft eiser niet gereageerd. Op 7 september 2020 heeft eiser vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek.

Standpunten van partijen

5. Eiser voert aan dat verweerder met de brief van 17 juni 2020 onrechtmatig de beslistermijn op zijn verzoek heeft opgeschort, omdat er geen hersteltermijn was gesteld voor aanvulling van het verzoek en de beslistermijn voor verweerder al was verstreken. Eiser verzoekt de rechtbank om de maximale dwangsom vast te stellen voor de periode dat verweerder te laat is geweest met het nemen van een besluit op zijn verzoek en om verweerder op te dragen alsnog een besluit te nemen.

6. Op 29 september 2020 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op eisers verzoek om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens, waarin hij mededeelt dat er in geen enkel systeem van verweerder persoonsgegevens van eiser voorkomen en daarom ook op een enkele manier persoonsgegevens van hem worden verwerkt. Verder heeft verweerder in zijn verweerschrift en op de zitting toegelicht dat eisers verzoek van 29 april 2020 om onbekende redenen niet geregistreerd is door verweerder, zodat de brief nooit bij verweerder bekend is geworden en niet in behandeling is genomen. Hierdoor was het extra moeilijk voor verweerder om te achterhalen op welke brief eisers brief van 13 juni 2020 vervolgens sloeg. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat deze brief van 13 juni 2020 niet kan worden aangemerkt als een formele ingebrekestelling, zodat het verbeurd verklaren van een dwangsom niet aan de orde is. Verder vindt verweerder het bevreemdend dat eiser niet heeft gereageerd op verweerders brief van 17 juni 2020 met een verzoek om verduidelijking, maar dat hij in plaats daarvan heeft afgewacht tot september om beroep tegen niet tijdig beslissen in te stellen. Het had op de weg van eiser gelegen om naar aanleiding van hun brief van 17 juni 2020 contact met verweerder op te nemen, dan had verweerder ook tijdig een beslissing kunnen nemen. Dat eiser dit niet heeft gedaan geeft verweerder het vermoeden dat het eiser puur om het incasseren van dwangsommen te doen is, zeker in de context van het feit dat hij in dezelfde periode bij een groot aantal gemeenten vergelijkbare verzoeken om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens heeft gedaan en ook tegen die gemeenten beroep tegen niet tijdig beslissen heeft ingesteld.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van eiser in de brief van 29 april 2020 betreft een verzoek op grond van de AVG. Verweerder moest binnen een maand na ontvangst van dit verzoek aan eiser informatie verstrekken over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Dat staat in artikel 12, derde lid, van de AVG. Als dat niet (tijdig) gebeurt kan eiser een beroep wegens niet tijdig beslissen instellen en is verweerder mogelijk een dwangsom aan hem verschuldigd. Daarvoor is wel vereist dat eiser verweerder eerst in gebreke stelt.

8. Eiser heeft verweerder op 13 juni 2020 een brief gestuurd. De rechtbank is van oordeel dat deze brief niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, onder b, en 4:17, eerste lid, van de Awb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

9. Uit de Awb en de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat een ingebrekestelling schriftelijk moet zijn en in beginsel vormvrij is. Daarbij is wel vereist dat duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake als voldoende duidelijk is op welke aanvraag de brief betrekking heeft, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat belanghebbende erop aandringt dat deze beslissing alsnog wordt genomen.1

10. De rechtbank oordeelt dat de brief van 13 juni 2020 niet kan worden aangemerkt als een zodanige ingebrekestelling. De ingebrekestelling is weliswaar schriftelijk gedaan, maar het is onvoldoende duidelijk met betrekking tot welke aanvraag verweerder wordt verzocht “voortvarend te werk te gaan”. De enkele verwijzing naar “mijn brief d.d. 29 april 2020” geeft verweerder onvoldoende duidelijkheid welke aanvraag eiser heeft gedaan en welke beslissing hij verlangt. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat verweerder aan eiser de mogelijkheid heeft geboden de nodige informatie te verstrekken om de brief in behandeling te kunnen nemen. Eiser heeft hierop niet gereageerd.

11. Omdat de brief van 13 juni 2020 niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling, is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Awb. Het beroepschrift kon daarom nog niet worden ingediend. De rechtbank zal het beroep van eiser om die reden dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat eiser geen recht heeft op een dwangsom.

12. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is uitgesproken op 15 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd om

deze uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:291