Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4958

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-10-2021
Datum publicatie
02-11-2021
Zaaknummer
C/16/513684 / HA ZA 20-1003
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht bank bij financiering. Geen precontractuele waarschuwingsplicht. Geen schending contractuele zorgplicht. Bank heeft voldoende rekening gehouden met belangen klant en was niet verplicht om aanvullende financiering te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/513684 / HA ZA 20-1003

Vonnis van 20 oktober 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

eiseres,

hierna ook te noemen: [eiseres]

advocaat mr. J.I. Veldhuis-Lampe,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd in Amsterdam, mede kantoorhoudende in Utrecht,

gedaagde,

hierna ook te noemen: Rabobank

advocaat mr. M.W. Bruinenberg en mr. E.H.C. Verstraaten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 november 2020 met producties 1 tot en met 15;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 31;

- de e-mail van de rechtbank van 16 juni 2021 waarbij de rechtbank heeft bepaald dat de mondelinge behandeling plaats zal vinden op 2 september 2021;

- de spreekaantekeningen van mr. Veldhuis-Lampe;

- de spreekaantekeningen van mrs. Bruinenberg en Verstraaten.

1.2.

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat zij vonnis zal wijzen.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[eiseres] drijft een melkveehouderij in Drenthe met momenteel 135 melkkoeien. Op 23 januari 2015 is [eiseres] een financieringsovereenkomst aangegaan met Rabobank voor een bedrag van in totaal € 2.105.000. De financiering is verstrekt op basis van een door [eiseres] aangeleverd bedrijfsplan. Dit bedrijfsplan ging uit van een groei van 110 melkkoeien in 2014 naar 180 melkkoeien in 2018. De financiering was onder meer bedoeld voor de bouw van een nieuwe ligboxenstal, die ruimte zou bieden aan het beoogde aantal van 180 melkkoeien.

2.2.

Op 2 juli 2015 heeft de overheid aangekondigd een stelsel van fosfaatrechten te zullen invoeren. Dit stelsel komt er kort gezegd op neer dat een melkveehouder fosfaatrechten krijgt toegekend op basis van het gehouden aantal dieren (met als peildatum 2 juli 2015) en de forfaitaire fosfaatproductie per dier. Daarmee worden melkveehouderijen beperkt in het aantal dieren dat zij mogen houden. Het fosfaatrechtenstelsel is op 1 januari 2018 in werking getreden.

2.3.

[eiseres] en Rabobank hebben in de periode 2016-2019 herhaaldelijk met elkaar gesproken over (onder meer) de invoering van het fosfaatrechtenstelsel en de gevolgen daarvan voor de melkveehouderij van [eiseres] . Het bleek dat de beoogde uitbreiding van de veestapel van [eiseres] alleen mogelijk was indien (additionele) fosfaatrechten zouden worden gekocht. Hiervoor was aanvullende financiering nodig. Rabobank heeft deze aanvullende financiering niet willen verstrekken.

2.4.

Eind 2019 heeft [eiseres] aan Rabobank laten weten dat zij een financier had gevonden die wel bereid was om de door [eiseres] gewenste aankoop van fosfaatrechten te financieren. [eiseres] heeft daarom de lopende financiering bij Rabobank vervroegd afgelost. Vanwege deze vervroegde aflossing heeft Rabobank een bedrag van (in totaal) € 51.536,26 aan vergoedingsrente in rekening gebracht bij [eiseres] . [eiseres] heeft dit bedrag onder protest voldaan.

2.5.

[eiseres] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat Rabobank in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende zorgplicht tegenover [eiseres] . In de eerste plaats had Rabobank volgens [eiseres] bij het aangaan van de financiering moeten waarschuwen voor een koerswijziging in haar financieringsbeleid. In de tweede plaats betoogt [eiseres] dat Rabobank onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [eiseres] gedurende de looptijd van de financiering. Hierdoor heeft Rabobank [eiseres] feitelijk gedwongen om over te stappen naar een andere financier. Volgens [eiseres] had Rabobank onder de gegeven omstandigheden zelf de financiering moeten opzeggen. Indien Rabobank aan haar zorgplicht had voldaan, was [eiseres] geen vergoedingsrente verschuldigd geweest, zo betoogt [eiseres] . Naast een schending van de zorgplicht, stelt [eiseres] ten slotte dat het onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Rabobank aanspraak maakt op vergoedingsrente.

2.6.

[eiseres] vordert daarom in deze procedure (terug)betaling van de vergoedingsrente van € 51.536,26, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 24 december 2019. Daarnaast vordert [eiseres] een verklaring voor recht dat Rabobank tegenover [eiseres] wanprestatie heeft gepleegd, althans onrechtmatig heeft gehandeld, althans in strijd heeft gehandeld met de redelijkheid en billijkheid. Verder vordert [eiseres] vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en vergoeding van de nog te maken nakosten.

2.7.

Rabobank betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht. Volgens Rabobank had zij geen waarschuwingsplicht bij het aangaan van de financieringsovereenkomst. Daarnaast betoogt Rabobank dat zij tijdens de financiering niet enkel haar eigen belang heeft nagestreefd, maar dat zij herhaaldelijk heeft meegedacht over verschillende toekomstscenario’s om de continuïteit van [eiseres] te waarborgen. Mede gelet hierop, was Rabobank niet gehouden om zelf de financiering op te zeggen. Bovendien zou volgens Rabobank ook vergoedingsrente verschuldigd zijn geweest indien Rabobank zelf de financiering had beëindigd. Ten slotte betwist Rabobank dat de eisen van redelijkheid en billijkheid zich in dit geval verzetten tegen een aanspraak op vergoedingsrente.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank wijst de vorderingen van [eiseres] af. Naar het oordeel van de rechtbank had Rabobank geen waarschuwingsplicht bij het aangaan van de financieringsovereenkomst. Rabobank heeft daarnaast haar zorgplicht tijdens de looptijd van de financieringsovereenkomst niet geschonden. Ten slotte is het beroep van Rabobank op betaling van vergoedingsrente niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe en waarom zij tot dit oordeel is gekomen.

Zorgplicht Rabobank: algemeen

3.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt de maatschappelijke functie van banken een (bijzondere) zorgplicht met zich mee (zie o.a. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2298 (Hypinvest), rov. 3.4.2). Die zorgplicht strekt mede ter bescherming van de klant tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid. Banken dienen deze zorgplicht in acht te nemen zowel jegens klanten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als jegens derden met de belangen van wie de banken rekening behoren te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.

Rabobank had geen waarschuwingsplicht bij aangaan financiering

3.3.

Onder omstandigheden kan de hiervoor bedoelde zorgplicht meebrengen dat een bank haar potentiële klant waarschuwt voor bepaalde risico’s bij het aangaan van een overeenkomst. Volgens [eiseres] is in dit geval sprake van een dergelijke (precontractuele) waarschuwingsplicht. Rabobank had haar bij het aangaan van de financieringsovereenkomst moeten waarschuwen voor een op handen zijnde beleidswijziging. Die beleidswijziging bestond er volgens [eiseres] uit dat Rabobank bij het verstrekken van financieringen meer naar de cashflow van een onderneming ging kijken, in plaats van te verstrekken onderpand. Voor de inhoud van deze beleidswijziging heeft [eiseres] verwezen naar een krantenartikel uit het Financieele Dagblad van 18 april 2019.

3.4.

Uit dit krantenartikel volgt echter dat Rabobank de beleidswijziging die [A] bedoelt al in 2011 heeft ingevoerd. Rabobank heeft dit in deze procedure bevestigd en aangegeven dat het gewijzigde financieringsbeleid ook is toegepast bij het verstrekken van financiering aan [eiseres] in 2015.

3.5.

Gelet hierop, heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat Rabobank haar financieringsbeleid kort na het aangaan van de financieringsovereenkomst heeft gewijzigd (in voor [eiseres] nadelige zin). De door [eiseres] gestelde beleidswijziging is daarmee niet komen vast te staan. Dat betekent dat van een op Rabobank rustende waarschuwingsplicht voor deze beleidswijziging geen sprake kan zijn.

Rabobank heeft voldoende rekening gehouden met de belangen van [eiseres] en was niet gehouden om de financiering te beëindigen

3.6.

De tweede vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of Rabobank haar contractuele zorgplicht jegens [eiseres] heeft geschonden. Bij de invulling van die contractuele zorgplicht is in dit geval artikel 2 van de toepasselijke Algemene Bankvoorwaarden van belang, op grond waarvan Rabobank bij haar dienstverlening gehouden is de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en naar beste vermogen rekening te houden met de belangen van de klant.

3.7.

[eiseres] stelt dat Rabobank onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen tijdens de fosfaatrechtendiscussie die vanaf 2016 is ontstaan. Volgens [eiseres] heeft Rabobank toen enkel aan haar eigen zekerheden en terugbetalingen gedacht. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen en de gespreksaantekeningen van diverse besprekingen komt echter een ander beeld naar voren. De rechtbank licht dit hierna nader toe.

3.8.

Op 1 juni 2017 ontving Rabobank een gewijzigd bedrijfsplan van [eiseres] (gedateerd 31 mei 2017). Dit bedrijfsplan ging uit van een aanvullende financiering van € 348.000 voor de aankoop van fosfaatrechten en uitbreiding van de veestapel. In de daaropvolgende gesprekken van 21 juni 2017 en 21 november 2017 heeft Rabobank aangegeven dat zij niet bereid was de gevraagde aanvullende financiering te verstrekken. Daarbij heeft Rabobank gewezen op haar beleid dat financiering voor de aankoop van fosfaatrechten binnen een termijn van vijf jaar moet zijn afgelost. Vast staat dat [eiseres] daartoe niet in staat was. Tegelijkertijd heeft Rabobank drie alternatieve scenario’s met [eiseres] besproken, waaronder het 'omzetten' van een aantal hectare grond in erfpacht. Met een deel van de vrijgekomen middelen zou [eiseres] dan vervolgens fosfaatrechten kunnen kopen . Ook de andere scenario’s waren erop gericht om [eiseres] financieel in staat te stellen aanvullende fosfaatrechten te kopen. In de revisiebrief van 23 november 2017 heeft Rabobank verder aangegeven dat zij vooralsnog geen risico-opslag zal doorvoeren, ondanks dat de ontwikkelingen van [eiseres] achterbleven bij het oorspronkelijke bedrijfsplan (waardoor het kredietrisico voor de bank toenam).

3.9.

Op 18 januari 2018 en 9 juli 2018 hebben Rabobank en [eiseres] vervolgens nadere gesprekken gevoerd. Tijdens die gesprekken zijn wederom alternatieve scenario’s aan bod gekomen, in het bijzonder het hiervoor genoemde ‘erfpacht-scenario’. Rabobank heeft toen aangegeven bereid te zijn om eventueel een klein deel aanvullend te financieren. Dit blijkt uit het gespreksverslag van de heer [B] van Rabobank van de bespreking op 18 januari 2018. In dit verslag is onder meer opgenomen:

"Wij zien de oplossing in inzetten van het EV d.m.v. omzetten van 16 ha onbelaste grond in erfpacht om met de opbrengst de fosfaatrechten aan te schaffen. Mocht er dan nog een beperkt ‘gat’ in de financiering overblijven (van ca. 10 á 15%) teneinde alle genodigde rechten te verkrijgen, dan achten wij een eventueel beroep op de bank bespreekbaar."

3.10.

Dat dit aan de orde is geweest, volgt ook uit de aantekeningen die de heer [C] , de adviseur van [eiseres] , heeft gemaakt van het gesprek op 18 januari 2018. De heer [C] schrijft onder meer:

"Erfpacht is de enige optie voor de bank als financieringsvorm, aanvullend is Rabo wellicht bereid."

3.11.

Mede naar aanleiding van de jaarcijfers over 2017 en de inwerkingtreding van het fosfaatrechtenstelsel per 1 januari 2018, heeft Rabobank tijdens het gesprek op 9 juli 2018 haar zorgen geuit over het toekomstperspectief van [eiseres] bij ongewijzigd beleid. Voor het waarborgen van de continuïteit waren volgens Rabobank maatregelen nodig. Bij gewijzigd beleid zag Rabobank wel degelijk kansen voor de toekomst, zo blijkt (ook) uit de aantekeningen van de heer [C] van dit gesprek. Tijdens het gesprek is verder nog een ander mogelijk scenario besproken, namelijk de verkoop van een aantal hectare grond om vervolgens in afgeslankte vorm verder te gaan.

3.12.

Ten slotte hebben Rabobank en [eiseres] ook in 2019 met elkaar gesproken over de financiële situatie en de toekomst van de melkveehouderij. Eerst is er op 18 februari 2019 telefonisch contact geweest, waarna Rabobank diezelfde dag nog een revisiebrief heeft verzonden. In die brief adviseert Rabobank het opstellen van een strategisch bedrijfsplan met meerdere scenario’s voor de toekomst. Ook geeft Rabobank wederom aan dat zij op dit moment afziet van een verhoging van de risico-opslag op de verstrekte financiering, ondanks het toegenomen kredietrisico.

3.13.

Vervolgens heeft er een bespreking plaatsgevonden op 18 juni 2019. In die bespreking zijn nogmaals diverse scenario’s aan bod gekomen, waaronder het scenario om een deel van de gronden te verkopen en met de opbrengst het aantal melkkoeien uit te breiden naar 135 (in plaats van het oorspronkelijk beoogde aantal van 180 melkkoeien). Uit de daaropvolgende revisiebrief van 12 augustus 2019 blijkt dat Rabobank hier niet onwelwillend tegenover stond. Rabobank heeft in de brief verzocht dit scenario nader te (laten) onderzoeken. Ook blijkt uit de brief dat Rabobank bereid was om een aantal hypotheekrechten vrij te geven, zodat gronden konden worden verkocht die meer op afstand lagen van de woning van mevrouw [D] . Verder is in deze brief de risico-opslag van de verstrekte financiering verhoogd van 1,80% naar 2,25%.

3.14.

Begin oktober 2019 heeft [eiseres] een financieringsmemorandum aan Rabobank toegestuurd. In dit memorandum wordt geen aandacht besteed aan het hiervoor genoemde scenario. Het memorandum gaat (enkel) uit van een aanvullende financiering door Rabobank van € 400.000, het grootste deel waarvan bedoeld was voor de aankoop van extra fosfaatrechten. In lijn met haar eerdere mededelingen, heeft Rabobank aangegeven deze aanvullende financiering niet te kunnen en zullen verstrekken. Vervolgens heeft [eiseres] Rabobank op 26 november 2019 laten weten dat zij een andere financier had gevonden.

3.15.

Uit het voorgaande blijkt kortom dat Rabobank in de periode 2017-2019 meermaals met [eiseres] heeft overlegd over de (achterblijvende) financiële resultaten en de invoering van het fosfaatrechtenstelsel. Rabobank heeft daarbij op verschillende momenten voorstellen gedaan, althans daarover meegedacht. Deze voorstellen waren niet alleen gericht op aflossing van de door Rabobank verstrekte financiering, maar ook op het waarborgen van de continuïteit van de melkveehouderij van [eiseres] . Ook een beperkte aanvullende financiering door Rabobank is toen ter sprake gekomen. Verder heeft Rabobank tot twee keer toe afgezien van een verhoging van de risico-opslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Rabobank daarmee voldoende oog gehad voor de belangen van [eiseres] .

3.16.

[eiseres] lijkt Rabobank met name te verwijten dat zij niet bereid is geweest om in te gaan op het voorstel van [eiseres] om de gehele aankoop van fosfaatrechten te financieren. Dat levert op zichzelf echter geen zorgplichtschending op. Op grond van de bestaande contractuele relatie was Rabobank namelijk niet gehouden om die aanvullende financiering te verstrekken. De zorgplicht van een bank gaat niet zover dat een bank op grond daarvan kan worden gedwongen om financiering te verstrekken waartoe zij zich niet heeft verbonden. Rabobank heeft ook niet het vertrouwen gewekt dat zij de door [eiseres] gewenste aanvullende financiering zou verstrekken. Van meet af aan heeft Rabobank aangegeven daartoe niet bereid te zijn en ook toegelicht waarom niet.

3.17.

Rabobank was op grond van haar contractuele zorgplicht ook niet gehouden om zelf de financiering te beëindigen. Uit het voorgaande volgt dat van een "feitelijke beëindiging" van de financiering, zoals door [eiseres] gesteld, geen sprake was. Er was enkel sprake van een situatie waarin Rabobank niet bereid was om aanvullende financiering te verstrekken. Dat brengt echter niet mee dat Rabobank om die reden de bestaande financiering diende te beëindigen. Dit nog afgezien van het feit dat Rabobank daar op grond van de financieringsdocumentatie ook niet toe bevoegd was. Uit artikel 28 sub b en c van de toepasselijke Algemene voorwaarden bedrijfsfinancieringen volgt dat de klant te allen tijde vervroegd kan aflossen, maar dat Rabobank een rentevaste lening gedurende de rentevaste periode alleen kan opeisen als zich een geval van onmiddellijke opeisbaarheid voordoet. Daarvan was hier geen sprake. Maar zelfs al was er wel sprake geweest van onmiddellijke opeisbaarheid, dan geldt dat Rabobank in dat geval ook een vergoedingsrente in rekening had mogen brengen op grond van de hiervoor genoemde voorwaarden.

3.18.

In het midden kan blijven of Rabobank tijdens het gesprek op 9 juli 2018 heeft gezegd dat [eiseres] op een lijstje stond van bedrijven om afscheid van te nemen, zoals door [eiseres] is gesteld. Rabobank betwist met klem dat dit gezegd zou zijn. Maar zelfs al zou dit gezegd zijn, dan moet dit in de context worden geplaatst van de zorgen die Rabobank tijdens dit gesprek heeft geuit over de continuïteit van [eiseres] bij ongewijzigd beleid. Het stond Rabobank vrij om die zorgen te uiten. Uit het handelen van Rabobank na het gesprek van 9 juli 2018 blijkt verder niet dat zij heeft aangestuurd op een vertrek. Zelfs al zou de bedoelde opmerking zijn gemaakt, dan maakt dit het oordeel van de rechtbank kortom niet anders. Het hierop gerichte bewijsaanbod wordt dan ook gepasseerd.

Aanspraak op vergoedingsrente is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid

3.19.

Ten slotte dient de rechtbank te beoordelen of het beroep op vergoedingsrente door Rabobank in de gegeven omstandigheden in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid, zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank stelt voorop dat zij bij toepassing van die maatstaf terughoudend dient te zijn. Die terughoudendheid volgt uit de formulering van voornoemd wetsartikel: het beroep op de vergoedingsrente moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid "onaanvaardbaar" zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in dit geval geen omstandigheden komen vast te staan op grond waarvan aan deze zware maatstaf wordt voldaan. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [eiseres] zelf de keuze heeft gemaakt om over te stappen naar een andere financier. Dit is niet gebeurd onder dwang van Rabobank of in reactie op (anderszins) onrechtmatig handelen van Rabobank. Bovendien blijkt uit de stukken dat Rabobank [eiseres] al in het gesprek op 9 juli 2018 uitdrukkelijk heeft gewezen op de eventuele verschuldigdheid van de vergoedingsrente en [eiseres] nadien ook heeft geïnformeerd over de mogelijke hoogte daarvan. Dit kan voor [eiseres] dus niet als een verrassing zijn gekomen.

Proceskosten

3.20.

[eiseres] zal in de proceskosten van Rabobank worden veroordeeld, omdat zij ongelijk heeft gekregen. De kosten van Rabobank worden als volgt begroot:

- griffierecht € 2.042

- salaris gemachtigde € 2.228 (2 punten x tarief € 1.114)

totaal € 4.270

3.21.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen zoals bepaald in de beslissing hieronder. De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

4.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten van Rabobank, tot op de datum van dit vonnis begroot op een bedrag van € 4.270;

4.3.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de na dit vonnis voor Rabobank ontstane kosten, begroot op € 163 aan salaris advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na die veertien dagen plaatsvindt;

4.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. ter Meulen en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2021.1

1 type: coll: