Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4953

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
22-10-2021
Zaaknummer
C/16/513190 / HA ZA 20-986
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming arrest gerechtshof. Dwangsommen verbeurd? Afwikkeling dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/513190 / HA ZA 20-986

Vonnis van 6 oktober 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. [A] te [.] ,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. [gedaagde] te [.] .

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident met producties;

  • -

    de akte uitlaten producties van [eiseres] ;

  • -

    het vonnis in incident van 3 februari 2021 van deze rechtbank;

  • -

    de conclusie van antwoord in de hoofdzaak met producties;

  • -

    de e-mail van 3 juni 2021 van deze rechtbank waarbij aan partijen is bericht dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden.

1.2.

De mondelinge behandeling is gehouden op 30 juli 2021. Op de zitting was namens [eiseres] de heer mr. [A] aanwezig. [gedaagde] was eveneens aanwezig. Door of namens beide partijen is antwoord gegeven op vragen van de rechtbank en zij hebben hun standpunten, namens [eiseres] mede aan de hand van spreekaantekeningen, verder toegelicht. De spreekaantekeningen zijn bij de procestukken gevoegd. Partijen hebben ook op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft van de zitting aantekeningen gemaakt.

1.3.

Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2. Het geschil

Achtergrond

2.1.

[gedaagde] is bij [eiseres] als advocaat in loondienst geweest. Zij is daar met een arbeidsconflict vertrokken. Tussen partijen is hierover geprocedeerd. Dat heeft geresulteerd in een vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 19 september 2018. Tegen dat vonnis heeft [eiseres] bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hoger beroep ingesteld. Die procedure loopt nog.

2.2.

[eiseres] heeft in het hoger beroep een incidentele vordering ingesteld, welke is gebaseerd op artikel 843a van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). Het doel van de door [eiseres] in dat incident gevorderde afgifte van verschillende geschriften is om meer duidelijkheid te verkrijgen over de juistheid van het door de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: RvR) teruggevorderde bedrag aan verleende vergoedingen in zaken die door [gedaagde] zijn behandeld tijdens haar dienstverband bij [eiseres] . Dit speelt een rol in de discussie tussen partijen over de verrekening hiervan. [gedaagde] heeft zich niet tegen de incidentele vordering bij het hof verweerd. Het hof heeft de vordering tot afgifte in zijn arrest in incident van 8 oktober 2019 (hierna: het Arrest) vervolgens toegewezen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag en [gedaagde] veroordeeld tot afgifte van de volgende stukken:

  1. alle correspondentie tussen de Raad voor de Rechtsbijstand en [gedaagde] ter zake de reguliere steekproefcontrole van 12 februari 2015 alsmede de daaruit volgende 100% steekproef over de periode 1 januari 2014 – 1 januari 2015;

  2. het verslag of het gedeelte van de verslagen van de steekproeven waaruit blijkt waarom er in de zaak [achternaam] wordt teruggevorderd;

  3. alle toevoegingen die door [gedaagde] zijn aangevraagd gedurende het dienstverband (van 15 augustus 2013 tot 1 januari 2015), en alle declaraties van deze toevoegingen.

2.3.

[gedaagde] heeft naar aanleiding van het Arrest op 22 oktober 2019 per

e-mail de volgende stukken naar [eiseres] gestuurd: de correspondentie met de RvR (vier e-mailberichten met daarbij twee verslagen van de steekproeven), de intrekking in de zaak [achternaam] en 570 bijlagen met daarin de aangevraagde en gedeclareerde toevoegingen. Omdat [eiseres] vond dat [gedaagde] met verzending van de hiervoor genoemde stukken niet volledig aan de veroordeling uit het Arrest had voldaan, is zij dwangsommen gaan executeren.

2.4.

[gedaagde] is daarop een executiegeschil bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank gestart. De voorzieningenrechter heeft op 6 maart 2020 in zijn vonnis geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat [gedaagde] niet aan het Arrest had voldaan. [eiseres] diende de executie van het Arrest daarom te staken. [eiseres] is tegen het kortgedingvonnis niet in hoger beroep gegaan.

2.5.

[eiseres] heeft wel een bodemprocedure ingesteld – de onderhavige zaak – waarin zij tevens een incidentele vordering heeft ingesteld. In deze incidentele vordering heeft [eiseres] wederom de vraag aan de orde gesteld of [gedaagde] het Arrest is nagekomen. Bij vonnis in incident van 3 februari 2021 van deze rechtbank is het door [eiseres] gevorderde afgewezen.

Standpunt en vordering van [eiseres]

2.6.

In deze procedure vordert [eiseres] een verklaring voor recht inhoudende dat [gedaagde] dwangsommen heeft verbeurd op grond van het Arrest, een verklaring voor recht inhoudende dat [gedaagde] ook na het vonnis in kort geding van 6 maart 2020 dwangsommen heeft verbeurd en blijft verbeuren uit hoofde van het Arrest en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de dwangsom van € 500,- per dag vanaf 25 oktober 2019. [eiseres] vordert daarnaast [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proces- en nakosten vermeerderd met de wettelijke rente.

2.7.

[eiseres] grondt haar vordering op het feit dat [gedaagde] volgens [eiseres] niet de bescheiden heeft aangeleverd waartoe zij op grond van het Arrest was gehouden. [eiseres] stelt dat [gedaagde] over de ontbrekende bescheiden beschikt en voor zover [gedaagde] niet (meer) over de betreffende bescheiden beschikt het op de weg van [gedaagde] ligt om die stukken bij derden op te vragen.

Standpunt en verweer van [gedaagde]

2.8.

[gedaagde] betrekt het standpunt het Arrest op juiste wijze te zijn nagekomen. Zij verwijst in dat kader naar de door haar aan [eiseres] opgestuurde stukken, zoals hiervoor onder 2.3 zijn genoemd. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] niet op haar

e-mailberichten van 22 oktober 2019 gereageerd, anders dan door tenuitvoerlegging van het Arrest over te gaan. Volgens [gedaagde] heeft zij ook na het vonnis van de voorzieningenrechter van 6 maart 2020 van [eiseres] niet mogen vernemen welke stukken er nog ontbreken, ondanks dat zij daar expliciet om heeft gevraagd. [gedaagde] concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .

3 De beoordeling

Het toetsingskader

3.1.

In een geschil als het onderhavige, waarbij het er om gaat of dwangsommen kunnen worden verbeurd omdat een veroordeling niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter tot taak de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002, NJ 2004, 410). Het dictum van het vonnis moet dus worden gelezen in verband met de overwegingen waarop deze steunt.

3.2.

Zoals onder 2.2 aan de orde is gekomen deed [eiseres] haar verzoek tot afgifte van verschillende geschriften met als doel om meer duidelijkheid te verkrijgen over de juistheid van het door de RvR teruggevorderde bedrag. Nu [gedaagde] zich niet tegen het verzoek heeft verweerd, heeft het hof zonder uitgebreide motivering het verzoek onder andere op grond van het hiervoor genoemde belang toegewezen. Aan de hand van het voorgaande uitgangspunt dient de rechtbank dus vervolgens de vraag te beantwoorden of [gedaagde] de veroordeling uit het Arrest is nagekomen. Bij de bespreking zal de volgorde uit het Arrest worden aangehouden, zoals onder 2.2 is opgenomen als 1, 2 en 3.

1. Afgifte van alle correspondentie tussen de Raad voor de Rechtsbijstand en [gedaagde] ter zake de reguliere steekproefcontrole van 12 februari 2015 alsmede de daaruit volgende 100% steekproef over de periode 1 januari 2014 – 1 januari 2015

3.3.

Uit de op 22 oktober 2019 door [gedaagde] aan [eiseres] gestuurde e-mail met stukken volgt dat [gedaagde] het verslag alsmede het gewijzigde verslag van de 100% controle van 5 augustus 2015 aan [eiseres] heeft gezonden (productie 4 bij de conclusie van antwoord). Uit die verslagen volgt dat het verslag van de steekproefcontrole van

12 februari 2015 onderdeel uitmaakt van het verslag van de 100% controle. Uit de tabel met bevindingen, die als productie 8 bij de conclusie van antwoord is gevoegd, volgt immers dat de bovenste zeven regels behoren tot de steekproef, waarna het restant van de tabel bestaat uit de bevindingen van de 100% controle. Om dit onderscheid te benadrukken zijn de eerste zeven regels van de tabel bovendien van een paarse kleur voorzien.

3.4.

[eiseres] heeft ter zitting een e-mail van 14 maart 2019 van de RvR aan [eiseres] overgelegd waaruit zou blijken dat van een steekproef altijd een separaat verslag wordt opgemaakt, hetgeen ontbreekt bij de door [gedaagde] toegestuurde stukken. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit niet dat ten tijde van de bij [gedaagde] uitgevoerde controles eenzelfde werkwijze door de RvR werd gehanteerd en dat er destijds dus ook een separaat verslag van de steekproef moet zijn opgemaakt. Nu in het verslag van de 100% controle ook de bevindingen van de steekproef zijn opgenomen, heeft [gedaagde] met verzending van het verslag van de 100% controle de bevindingen van de RvR in zijn totaliteit aan [eiseres] toegezonden. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het doel van het verzoek, te weten duidelijkheid verkrijgen over de juistheid van het door de RvR teruggevorderde bedrag.

3.5.

Hetzelfde heeft te gelden voor de gevoerde correspondentie tussen [gedaagde] en de RvR met betrekking tot de uitgevoerde controles. Een redelijke uitleg van het doel van de veroordeling brengt met zich mee dat het moet gaan om correspondentie met een zodanige inhoud dat [eiseres] op grond daarvan in staat kan worden gesteld om de terugvordering van de RvR op juistheid te toetsen. Daaronder valt dus niet, zoals [eiseres] stelt, iedere ooit verstuurde e-mail of brief van de RvR aan [gedaagde] in dit verband.

3.6.

Het is aan [eiseres] om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat [gedaagde] niet aan de veroordeling uit het Arrest heeft voldaan. Daarbij geldt in het algemeen dat bewijs pas aan de orde komt, wanneer men voldoende gesteld heeft. Wat voldoende is, hangt af van het verweer van de wederpartij. Naarmate deze haar verweer concreter onderbouwt, moet degene die de bewijslast heeft de omstandigheden waarop zij haar stellingen baseert, concreter toelichten en beter onderbouwen. Tegenover een concreet en gemotiveerd verweer kan men niet volstaan met algemene stellingen. Nu [eiseres] heeft nagelaten haar stellingen op dit punt nader te concretiseren door niet te stellen of voldoende aannemelijk te maken welke specifieke stukken nog ontbreken kan de rechtbank hier geen gevolgen aan verbinden en dus niet concluderen dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan dit onderdeel van het Arrest.

2. Afgifte van het verslag of het gedeelte van de verslagen van de steekproeven waaruit blijkt waarom er in de zaak [achternaam] wordt teruggevorderd

3.7.

Ten behoeve van de veroordeling uit het Arrest met betrekking tot de zaak [achternaam] heeft [gedaagde] met haar e-mail van 22 oktober 2019 gericht aan [eiseres] vier e-mails van de RvR over de intrekking in de zaak [achternaam] verstrekt. Ook de intrekking is vervolgens aan [eiseres] toegezonden, zoals blijkt uit productie 12 bij de dagvaarding. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] daarmee niet voldaan aan de veroordeling van het Arrest omdat [gedaagde] heeft nagelaten het verslag of het gedeelte van de verslagen van de steekproeven waaruit blijkt waarom er in de zaak [achternaam] wordt teruggevorderd te overleggen. [eiseres] verwijst in dit verband naar de tabel met bevindingen van 100% controle. Daaruit volgt volgens [eiseres] dat door de RvR een toelichting op haar bevindingen in de zaak [achternaam] is gegeven. In de tabel waarin vervolgens die bevindingen worden opgenomen is echter geen toelichting op de intrekking van de vergoeding zichtbaar. [eiseres] stelt dat het niet anders kan dan dat [gedaagde] het verslag eigenhandig heeft aangepast waardoor de toelichting van de RvR op de intrekking in de tabel niet langer zichtbaar is.

Volgens [gedaagde] heeft de RvR geen toelichting op de intrekking in de tabel opgenomen. Zij heeft aan [eiseres] alle stukken opgestuurd die zij in dit verband in haar bezit heeft. Dat er geen toelichting in de tabel is opgenomen kan volgens [gedaagde] daarom niet aan haar worden tegengeworpen.

3.8.

De rechtbank overweegt dat uit de tabel van bevindingen van de 100% controle geen indicaties volgen waaruit blijkt dat er meer correspondentie met betrekking tot de intrekking van de vergoeding in de zaak [achternaam] moet zijn dan door [gedaagde] reeds is overgelegd. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat er daadwerkelijk iets in de tabel mist of dat [gedaagde] zelfstandig de tabel heeft aangepast alvorens deze naar [eiseres] te sturen. Zoals reeds in 3.6 aan de orde is geweest rust de bewijslast dat [gedaagde] niet aan de veroordeling uit het Arrest heeft voldaan bij [eiseres] . [eiseres] heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende concreet onderbouwd. [eiseres] had bijvoorbeeld een verklaring van de RvR kunnen overleggen waaruit blijkt dat wel degelijk een toelichting op de intrekking in de zaak [achternaam] in de tabel is verstrekt. Nu [eiseres] dit heeft nagelaten moet dat voor haar risico komen.

3.9.

Uit het document van de intrekking volgt bovendien dat de vergoeding is ingetrokken na de steekproef van 12 februari 2015 waarbij is gebleken dat de specialisatie personen- en familierecht die vereist was in de zaak [achternaam] bij [gedaagde] ontbrak. Een toelichting voor de intrekking van de vergoeding is daarmee gegeven. Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] aan de veroordeling uit het Arrest heeft voldaan dient, zoals reeds eerder aan de orde is gekomen, de rechtbank het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen. Met de toelichting in het overgelegde document van de intrekking wordt naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de het doel van de veroordeling uit het Arrest, te weten meer duidelijkheid verkrijgen over de juistheid van het door de RvR teruggevorderde bedrag. Dat de toelichting op de intrekking niet specifiek in de tabel van bevindingen van de 100% controle is opgenomen is daarom van ondergeschikt belang. Ook op dit onderdeel kan de rechtbank dus niet tot de conclusie komen dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de veroordeling uit het Arrest.

3. Afgifte van alle toevoegingen die door [gedaagde] zijn aangevraagd gedurende het dienstverband (van 15 augustus 2013 tot 1 januari 2015), en alle declaraties van deze toevoegingen.

3.10.

Met betrekking tot de veroordeling van afgifte van alle toevoegingen en declaraties gedurende het dienstverband van [gedaagde] heeft [gedaagde] op 22 oktober 2019 per e-mail 570 bijlagen aan [eiseres] gestuurd. [eiseres] heeft in haar dagvaarding een overzicht gemaakt van de door [gedaagde] in dit verband verstrekte stukken. Daaruit volgt volgens [eiseres] dat [gedaagde] onvolledig is geweest in de door haar aangeleverde stukken. Daarnaast volgt volgens [eiseres] uit de zakenlijst van [gedaagde] dat in een groot aantal zaken in het geheel geen stukken zijn verstrekt. Daarmee heeft [gedaagde] volgens [eiseres] op dit punt niet aan de veroordeling uit het Arrest voldaan. Volgens [gedaagde] heeft zij alle stukken waartoe zij in het Arrest is veroordeeld aan [eiseres] toegestuurd. Zij verwijst in dat verband naar de 570 bijlagen die zijn verdeeld in 32 delen behorende bij haar e-mail van 22 oktober 2019 (productie 4 bij conclusie van antwoord). [gedaagde] stelt daarnaast dat aan de zakenlijst geen waarde kan worden toegekend omdat er niet in iedere zaak altijd sprake is van een toevoeging.

3.11.

De rechtbank is van oordeel dat met de door [gedaagde] als productie 4 bij de conclusie van antwoord overgelegde bijlagen niet vastgesteld kan worden of [gedaagde] aan de veroordeling uit het Arrest heeft voldaan. De 570 bijlagen betreffen immers slechts bestandsnamen van documenten die aan [eiseres] zijn gestuurd. Naast de titels van de bijlagen zijn de achterliggende documenten niet zichtbaar. Ter zitting heeft [gedaagde] bewijs aangeboden van haar stelling dat zij aan de veroordeling uit het Arrest op dit punt heeft voldaan bijvoorbeeld door de relevante rekening-courant overzichten bij de RvR op te vragen en in dit geding te overleggen. Op de rekening-courant overzichten staan alle vaststellingen van de toevoegingen die gedurende het hele dienstverband op naam van [gedaagde] stonden. De rechtbank zal [gedaagde] , overeenkomstig haar bewijsaanbod, dan ook opdragen bewijs te leveren van haar stelling dat zij alle toevoegingen en declaraties heeft afgegeven zoals het hof noemt.

3.12.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot die hierna te melden beslissing.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

laat [gedaagde] toe tot bewijs van haar stelling dat zij alle toevoegingen heeft overgelegd die door haar zijn aangevraagd gedurende het dienstverband (van 15 augustus 2013 tot 1 januari 2015), en alle declaraties van deze toevoegingen;

4.2.

bepaalt dat bewijslevering door middel van het overleggen van stukken, zoals is genoemd onder 3.11, plaatsvindt vóór of uiterlijk op de rolzitting van woensdag

17 november 2021 te 10.00 uur;

4.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2021.