Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4789

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-10-2021
Datum publicatie
27-07-2022
Zaaknummer
UTR - 21 _ 2088
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningurgentie, huisvestingswet, hardheidsclausule, grondwet, internationale verdragen, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/2088


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder

(gemachtigden: M. de Graaf en H. El Fakiri).

Procesverloop

In het besluit van 31 augustus 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een urgentieverklaring op sociale gronden afgewezen.

In het besluit van 8 april 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2021 via Skype for Business op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A. Dogan, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verder is de vrouw van eiser verschenen, [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Wat is de aanleiding voor deze uitspraak?

1. Eiser woont in een tweekamerappartement in [plaats] . Hij woont daar met zijn vrouw en kind. Ten tijde van de aanvraag was eisers vrouw zwanger. Eiser wil een andere woning. Hij vindt zijn huidige woning onbewoonbaar vanwege onaangename geuren die uit de badkamer komen en vanwege overlast van zijn bovenbuurman. Om voor een andere woning in aanmerking te komen, heeft eiser bij verweerder een aanvraag voor een urgentieverklaring op sociale gronden ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen.

Waarom heeft verweerder de aanvraag afgewezen?

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring op sociale gronden. Volgens verweerder komen ‘mankementen aan de woning’ en ‘overlast van de buren’ niet in aanmerking voor een urgentieverklaring op basis van sociale gronden1. Verder ziet verweerder in de door eiser genoemde (persoonlijke) omstandigheden geen aanleiding om een uitzondering te maken op de regels en alsnog op basis van de hardheidsclausule een urgentieverklaring te verlenen2.

Is de urgentieregeling in strijd met de Huisvestingswet?

3. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring. Hij voert aan dat de urgentieregeling (die in de Huisvestingsverordening staat) in strijd is met de Huisvestingswet en onverbindend moeten worden verklaard. Volgens eiser moet verweerder onderbouwen wat de noodzaak is voor het invoeren van de urgentieregeling en wat hij doet om schaarste op de woningvoorraad te voorkomen. Dit heeft verweerder ten onrechte niet gedaan, aldus eiser. Ter onderbouwing verwijst hij naar pagina’s uit de Memorie van Toelichting die hoort bij de Huisvestingswet3 en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)4.

4. De rechtbank overweegt als volgt. De Huisvestingsverordening is een algemeen verbindend voorschrift. In een geschil over een besluit dat is genomen op basis van een algemeen verbindend voorschrift kan de vraag aan de orde worden gesteld of dit voorschrift in strijd is met hogere regelgeving of algemene rechtsbeginselen (ook wel de exceptieve toetsing genoemd). De toetsing vindt plaats op de wijze als door de ABRvS is uiteengezet in haar uitspraak van 12 februari 20205.

5. De rechtbank is van oordeel dat de urgentieregeling uit de Huisvestingsverordening niet in strijd is met de Huisvestingswet of algemene rechtsbeginselen. Eiser heeft gelijk dat het uitgangspunt is dat de gemeenteraad alleen van zijn bevoegdheden op grond van de Huisvestingswet gebruik kan maken als dat noodzakelijk is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte6. Hierop is echter voor de urgentieregeling uitdrukkelijk een uitzondering gemaakt. In de Huisvestingswet is namelijk bepaald dat bij een urgentieregeling niet hoeft te worden onderbouwd waarom dit noodzakelijk is vanuit het oogpunt van het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte7. Dit wordt onderstreept door de door eiser aangehaalde Memorie van Toelichting. Daaruit blijkt namelijk ook dat de gemeenteraad altijd gebruik kan maken van haar bevoegdheid om een urgentieregeling in te voeren, ook als er geen sprake is van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste of leefbaarheidsproblemen8. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook niet in dat verweerder moet onderbouwen wat hij doet om schaarste op de woningmarkt te voorkomen. De grond slaagt niet.

Had verweerder de urgentieverklaring moeten verlenen?

6. Verder voert eiser aan dat hij in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Op de zitting heeft eiser erkend dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring op sociale gronden. Eiser vindt dat in zijn geval van de regels moet worden afgeweken en dat hij op grond van de hardheidsclausule in aanmerking moet komen voor een urgentieverklaring. Eiser vindt dat hij dringend moet verhuizen. Zijn woning kent mankementen (geuroverlast uit de badkamer die aan de slaapkamer grenst) waarover hij tevergeefs meerdere keren contact heeft gehad met de woningcorporatie. Volgens eiser gaat de huidige situatie ten koste van de algemene hygiëne in de woning en brengt het risico’s op schimmel en infecties met zich mee. Daarbij komt dat eiser overlast heeft van zijn bovenbuurman. Hij heeft dit aangekaart bij zijn bovenbuurman en verschillende instellingen. Zo heeft hij het gemeld bij de gemeente, de woningcorporatie, de politie en de GGD. Ook heeft hij geklaagd bij de begeleidster van zijn bovenbuurman en is hij een procedure gestart bij de huurcommissie. Het heeft echter allemaal niet mogen baten. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser meerdere stukken ingediend. Verder wijst eiser erop dat hij psychische problemen heeft (PTSS) en dat zijn klachten toenemen door de huidige woonsituatie. Ter onderbouwing heeft eiser het door zijn psychiater opgestelde behandelplan van 9 juni 2021 ingediend. Eiser stelt ook dat hij niet de financiële draagkracht heeft om een woning in de particuliere sector te huren. Daarnaast wordt zijn kind aan de huidige woonsituatie blootgesteld en kan hij op dit moment niet de rust en de stabiliteit aan het kindje bieden die het nodig heeft. Volgens eiser is verweerder onvoldoende ingegaan op deze omstandigheden.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen grond heeft hoeven zien voor toepassing van de hardheidsclausule en het om die reden verlenen van een urgentieverklaring. Zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht, verleent hij alleen een urgentieverklaring op grond van de hardheidsclausule als hij van mening is dat toepassing van de urgentieregeling leidt tot een uiterst schrijnende situatie. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat zich bijzondere feiten en omstandigheden voordoen die maken dat de weigering van de urgentieverklaring in zijn geval leidt tot een dergelijke situatie9. Uit de huidige woonsituatie kan worden afgeleid dat eiser en zijn gezin in een lastige situatie verkeren en belang hebben bij een andere woonruimte. Dat de situatie in het huis van eiser en zijn gezin niet ideaal is en hij niet genoeg geld heeft om een woning in de vrije sector te huren, is echter onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een schrijnende situatie waarin de hardheidsclausule moet worden toegepast. Eiser en zijn gezin onderscheiden zich daarmee onvoldoende van anderen die zich in soortgelijke omstandigheden bevinden. De situatie van eiser en zijn gezin is in dat opzicht niet uitzonderlijk genoeg. Daarbij heeft verweerder relevant mogen vinden dat voor het oplossen van de door eiser genoemde problemen een andere weg of procedure meer aangewezen is. Eiser kan zich bij het ervaren van overlast van de bovenbuurman bijvoorbeeld wenden tot de politie en de civiele rechter. Bij gebrekkige woonruimte en huurgeschillen kan eiser zich wenden tot de verhuurder, de huurcommissie en de kantonrechter. Dat eiser tot nu toe tevergeefs heeft geprobeerd om de problemen op te lossen, betekent niet dat verweerder gehouden is om hem een urgentieverklaring te verstrekken. Bovendien heeft verweerder op de zitting toegezegd dat hij een nieuwe consulent op de zaak van eiser heeft gezet die hem kan helpen om via de aangewezen instanties de problemen op te lossen. Verder heeft verweerder geen zwaarwegend gewicht hoeven toekennen aan eisers psychische gesteldheid. De aanvraag van eiser betreft een aanvraag op sociale gronden en niet op medische gronden. Daarbij komt dat ten tijde van het primaire- en bestreden besluit de door eiser gestelde psychische klachten niet waren onderbouwd. Eiser heeft pas voor het eerst in beroep zijn psychische gesteldheid onderbouwd met het behandelplan van zijn psychiater van 9 juni 2021. Omdat dit voor verweerder niet bekend was ten tijde van het bestreden besluit, maakt dit de beoordeling over de hardheidsclausule niet onjuist. De grond slaagt niet.

Is de afwijzing in strijd met de Grondwet of internationale verdragen?

8. Tot slot voert eiser aan dat verweerder handelt in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Europees Sociaal Handvest (ESH), het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en de Grondwet. Volgens eiser heeft hij met zijn gezin vanwege de huidige woonsituatie recht op een andere woning. Nu verweerder toestaat dat hij geen andere woning kan betrekken, handelt verweerder in strijd met de hiervoor vermelde regelgeving. Volgens eiser rust er op verweerder de positieve verplichting om verder te kijken. Ter onderbouwing verwijst hij naar meerdere (inter)nationale rapporten en rechtspraak.

9. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder met het afwijzende besluit in strijd handelt met de door eiser aangehaalde (internationale) regelgeving.

9.1.

Uit rechtspraak van de ABRvS10 blijkt dat het door eiser aangehaalde artikel 31 van het ESH zich niet voor rechtstreekse toepassing leent door de rechter, omdat deze bepaling naar zijn inhoud niet een ieder verbindt. Ook de beslissingen van het European Committee of Social Rights11 waar eiser naar verwijst, zijn niet bindend voor de verdragsluitende partijen. Daaraan kan in een procedure als deze geen rechtstreekse aanspraken worden ontleend. Deze beslissingen zijn wel gezaghebbend en kunnen daarom een rol spelen bij de uitleg en toepassing van andere, wel rechtstreeks toepasbare, bepalingen, zoals artikel 8 van het EVRM. Dit neemt echter niet weg dat uiteindelijk de interpretatie die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan artikel 8 van het EVRM geeft, bepalend is.

9.2.

Artikel 8 van het EVRM heeft als doel het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven en dat aan het effectief respecteren daarvan positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dit geval gaat het om de vraag of, hoewel niet aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan, toch een urgentieverklaring moet worden verleend. In dit verband moet worden beoordeeld of in het besluit om een urgentieverklaring te weigeren een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling12. De rechtbank beantwoordt de vraag of zich in dit geval feiten of omstandigheden voordoen waaruit een positieve verplichting tot het verlenen van een urgentieverklaring voortvloeit, ontkennend. Met wat eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om zonder urgentieverklaring op enige wijze een gezinsleven met zijn vrouw en kind te hebben. Verweerder heeft daarom het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling -waarbij het in verband met het schaarse woningaanbod in de regio Utrechtse Heuvelrug als uitgangspunt hanteert dat slechts in uitzonderlijke situaties urgentie wordt aangenomen- zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser om op de door hem gewenste wijze zijn gezinsleven vorm te geven.

9.3.

Ook bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind van eiser. De belangen van het kind van eiser zijn onder ogen gezien, maar hebben verweerder er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de urgentieaanvraag. Bij die afweging speelt mee dat gezinsuitbreiding voor verweerder geen reden is om een urgentieverklaring te verlenen. Eiser kan verweerder om die reden dan ook niet tegenwerpen dat het onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de belangen van zijn kind. De rechtbank acht het standpunt van verweerder niet onredelijk13.

9.4.

Verder bestaat er geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met de Grondwet is. In artikel 22, tweede lid, van de Grondwet is bepaald dat bevordering van voldoende woongelegenheid voorwerp van zorg van de overheid is. Deze bepaling brengt niet met zich dat de overheid voor alle burgers een woning moet garanderen. Van strijd met de Grondwet is daarom geen sprake. Bovendien heeft eiser op dit moment de beschikking over een woning.

9.5.

De door eiser aangehaalde rapporten en (internationale) rechtspraak maken het voorgaande niet anders. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt dat de rapporten en rechtspraak in deze van toepassing zijn.

10. Gelet op het voorgaande slaagt deze grond niet.

Wat is de conclusie van deze uitspraak?

11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring op sociale gronden heeft kunnen afwijzen. Daarnaast heeft verweerder in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om op grond van de hardheidsclausule urgentie te verlenen. Verder is niet gebleken dat verweerder met de afwijzing van de urgentieaanvraag in strijd handelt met (internationale) wetgeving. De rechtbank laat het bestreden besluit dan ook intact.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is uitgesproken op 8 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Artikel 2.5.1a van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019, Gemeente Utrechtse Heuvelrug (Huisvestingsverordening).

2 Artikel 4.3 van de Huisvestingsverordening.

3 Kamerstukken II, 2009-2010, 32271, nr 3.

4 De uitspraak van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1161).

5 ECLI:NL:RVS:2020:452.

6 Zie hiervoor artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet.

7 Zie hiervoor artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, in combinatie met de artikelen 12 en 13 van de Huisvestingswet.

8 Zie bijvoorbeeld de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 en artikel 12 en paragraaf 1.2.3. en 2.3.6.

9 Zie de uitspraak van de ABRvS van 24 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:616).

10 Zie de uitspraak van de ABRvS van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:922).

11 Comité van onafhankelijke deskundigen dat toeziet op de naleving van het Europees Sociaal Handvest.

12 Zie de eerder aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:922.

13 Ter illustratie verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de ABRvS van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1584).