Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4713

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2021
Datum publicatie
18-10-2021
Zaaknummer
8609911
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering na arbeidsovereenkomst bepaalde tijd toegewezen. Verrekening negatief verlofsaldo met salaris en vakantiegeld. Werkgever is verantwoordelijk voor ontstaan grote omvang negatief verlofsaldo, juist bij een tijdelijke arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1317
Prg. 2021/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8609911 UC EXPL 20-4945 SV/40160

Vonnis van 29 september 2021

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. D. de Waal,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] BV,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. T.F.M. Bremers.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met productie 1 tot en met 10

- de conclusie van antwoord met productie 1

- de pleitnota van [eiseres] met bijlage 1 tot en met 4

- de pleitnota van [gedaagde] BV

- de mondelinge behandeling op 12 november 2020

- de akte van [gedaagde] BV van 13 januari 2021 met productie 2

- de akte van [eiseres] van 10 februari 2021 met bijlage 5 tot en met 8

- de akte van [gedaagde] BV van 7 april 2021 met productie 3.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 12 november 2020 digitaal plaatsgevonden via een beeld- en geluidsverbinding. [eiseres] heeft hieraan deelgenomen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. D. de Waal en K. Sledz, tolk. [gedaagde] BV werd vertegenwoordigd door [A] , directeur/eigenaar en door [B] , operationeel manager, bijgestaan door mr. T.F.M. Bremers, gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de zitting is afgesproken dat partijen een week de tijd krijgen om te onderzoeken of zij een minnelijke regeling kunnen treffen. Beide partijen hebben de rechtbank na de zitting laten weten dat dit niet is gelukt. De kantonrechter heeft daarna bepaald dat eerst [gedaagde] BV en vervolgens [eiseres] de gelegenheid krijgen om een akte te nemen. Na ontvangst van beide aktes heeft de kantonrechter bepaald dat [gedaagde] BV op de door [eiseres] overgelegde producties nog kan reageren met een akte. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiseres] is op 2 augustus 2018 in dienst getreden van [gedaagde] BV als autopoetser voor 40 uur per week. De laatste arbeidsovereenkomst vanaf 2 april 2019 was geldig voor een bepaalde tijd van 12 maanden tot 1 april 2020. Het salaris bedroeg € 1.870,73 bruto per maand, te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag. [eiseres] had jaarlijks recht op 25 vakantiedagen, omgerekend 200 verlofuren.

2.2.

De gewerkte uren werden door [gedaagde] BV bijgehouden met een registratiesysteem waarop [eiseres] moest in- en uitklokken.

2.3.

Als [eiseres] een werkdag korter werkte en daarvoor geen andere reden van ziekte, calamiteiten- of zorgverlof bij de leidinggevende had gemeld, merkte [gedaagde] BV de minder gewerkte arbeidstijd aan als vakantieverlof. [eiseres] heeft tijdens het dienstverband op twee middagen per week onder werktijd een opleiding gevolgd, waarover is afgesproken dat zij de hierdoor gemiste werktijd op zaterdag zou inhalen. [gedaagde] BV registreerde de op zaterdag – en op de overige werkdagen - extra gewerkte uren als ‘overuren’, die bij het verlofsaldo werden opgeteld. Tijdens het dienstverband hebben partijen met elkaar gesproken over het (negatieve) verlofsaldo van [eiseres] .

2.4.

[gedaagde] BV heeft [eiseres] op 17 maart 2020 – in strijd met de aanzegverplichting – meegedeeld dat het dienstverband niet wordt verlengd, waarna het dienstverband op 1 april 2020 is geëindigd. [gedaagde] BV heeft [eiseres] vanwege het niet in acht nemen van de vereiste termijn een aanzegvergoeding betaald.

2.5.

[gedaagde] BV heeft bij de eindafrekening € 2.655,00 bruto voor 246 verlofuren verrekend met € 1.870,73 bruto voor het loon over de maand maart 2020 en € 1.336,82 bruto aan vakantiebijslag. Dit heeft geleid tot een betaling van € 855,76 netto.

2.6.

[eiseres] heeft [gedaagde] BV bij brief van 28 april 2020 gesommeerd tot volledige betaling van het salaris over de maand maart 2020 en de vakantiebijslag. [gedaagde] BV heeft dit niet gedaan, waarna [eiseres] een procedure is gestart.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] BV te veroordelen:

  1. tot uitbetaling van het achterstallige salaris over de maand maart en het gereserveerde vakantiegeld, gezamenlijk € 3.207,55 bruto, met vermindering van het reeds uitbetaalde deel, € 855,76 netto, te voldoen binnen zeven dagen na betekening van het vonnis;

  2. tot verstrekking van een juiste salarisspecificatie binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] BV in gebreke blijft, tot een maximum van

€ 10.000,00, althans een zodanige dwangsom als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

tot betaling van de vertragingsvergoeding van € 1.175,90, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren, te voldoen binnen zeven dagen na betekening van het vonnis;

tot betaling van de wettelijke rente over het verschuldigde vanaf de respectievelijke vervaldata tot aan de dag van algehele voldoening, te voldoen binnen zeven dagen na betekening van het vonnis;

in de proceskosten, te voldoen binnen zeven dagen betekening van het vonnis.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij bij [gedaagde] BV geen negatief saldo van 246 verlofuren heeft opgebouwd en dat [gedaagde] BV niet bevoegd was om deze uren met de eindafrekening te verrekenen. [eiseres] erkent dat zij meer verlofuren heeft opgenomen dan zij had opgebouwd, maar zij stelt dat dit voor rekening en risico van [gedaagde] BV komt.

3.3.

[gedaagde] BV heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [gedaagde] BV stelt dat sprake is van teveel opgenomen verlofuren, die voor verrekening in aanmerking komen. [gedaagde] BV heeft verwezen naar het door haar als productie 1 overgelegde overzicht van opgenomen verlofuren, inclusief geregistreerd zorg- en calamiteitenverlof. Tijdens de procedure, in de akte van 13 januari 2021, heeft [gedaagde] BV een herberekening gemaakt waarbij alsnog een deel van de vakantieopbouw over 2020, opgenomen calamiteitenverlof in 2019 en nog ontbrekende overuren zijn meegenomen. Dit komt uit op een negatief vakantiesaldo van 141,18 uur. [gedaagde] BV heeft in de akte van 7 april 2021 een nog niet geregistreerde genoten vakantie in september 2018 daarbij opgeteld, waarna zij zich uiteindelijk op het standpunt stelt dat [eiseres] 171,24 uur teveel verlof heeft opgenomen.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat de aanspraak op het gevorderde salaris niet ter discussie staat. In deze zaak staat centraal de vraag of die vordering door verrekening is teniet gedaan. Anders dan [eiseres] meent, is de voor verrekening vereiste verrekeningsverklaring te lezen in de door [gedaagde] BV verstrekte eindafrekening. De kantonrechter zal dan ook oordelen of het beroep op verrekening slaagt.

Teveel opgenomen vakantieverlof?

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] niet altijd het overeengekomen aantal uren per week voor [gedaagde] BV heeft gewerkt. [gedaagde] BV werkt met een tijdregistratiesysteem waardoor voor beide partijen per dag zichtbaar was of minder dan het overeengekomen aantal uur werd gewerkt. Indien dit geen gevolg was van ziekteverlof of van zorgverlof van [eiseres] werd zij geacht op een ander moment dit in te halen. Anders dan [gedaagde] BV meent, kan een eventueel tekort aan uren niet eenzijdig door haar worden aangemerkt als opgenomen verlof. Het standpunt van [gedaagde] BV dat van min-uren alleen gesproken kan worden als het initiatief bij de werkgever ligt, kan in zijn algemeenheid evenmin als juist worden aanvaard. Uit de toelichting van [gedaagde] BV volgt dat zij in de praktijk werkte met een ‘tijd voor tijd-systeem’: op een werkdag minder gewerkte uren dan de afgesproken werktijd konden gecompenseerd worden door op een andere dag (langer) te werken. Indien na afloop van de werkweek meer dan 40 uur per week was gewerkt, telde [gedaagde] BV de extra gewerkte uren op bij het verlofsaldo. Het spreekt voor zich dat een werknemer die de mogelijkheid krijgt minder te werken mits dit wordt ingehaald, het doorbetaalde volledige salaris slechts ‘verdient’ als het werk ook wordt ingehaald. Indien de werknemer daartoe in staat wordt gesteld maar dit niet doet, zal het loon in zoverre als onverschuldigd betaald kunnen worden aangemerkt. Op de werkgever rust, zeker gelet op de overeengekomen bepaalde tijd van de arbeidsovereenkomst, de zorgplicht te voorkomen dat de situatie zal ontstaan dat het inhalen van de niet gewerkte uren feitelijk onmogelijk wordt. Niet valt in te zien dat dit voor de werkgever onevenredig belastend is: er kan een maximum worden gesteld op het aantal uur dat kan worden ingehaald.

4.3.

In het debat tussen partijen loopt de beoordeling van de minuren en vakantie-uren in elkaar over. Uiteindelijk is ook [eiseres] zelf de minuren als verlofuren gaan aanmerken. Uitgaande van dat gewijzigde standpunt overweegt de kantonrechter dat een werknemer niet meer verlof kan opnemen dan waarop de werknemer op grond van de wet of overeenkomst recht heeft. Indien meer dagen verlof met behoud van loon zijn genoten zonder dat de werkgever met uitbreiding van het aantal verlofuren heeft ingestemd, zal dit - indien een voldoende ook voor de werknemer toegankelijke verlofregistratie door de werkgever wordt bijgehouden en de werkgever waakt voor te grote verschillen – in beginsel voor rekening van de werknemer komen en bestaat geen aanspraak op loon (artikel 7:628 BW). Het is niet zonder meer mogelijk in een jaar teveel opgenomen verlof als het ware te compenseren met een overeenkomstige vermindering van het verlof in een volgend arbeidsjaar, zeker indien dit er toe zou leiden dat een werknemer minder dan het wettelijk minimum aan verlof in dat jaar kan opnemen. Uit de toelichting in de aktes blijkt dat partijen het eens zijn dat [eiseres] tijdens het dienstverband meer uren vakantieverlof heeft opgenomen dan het aantal vakantie-uren dat zij had opgebouwd. Partijen verschillen van mening over het aantal teveel opgenomen vakantie-uren. [eiseres] stelt dat de door [gedaagde] BV overgelegde verlofoverzichten en (her)berekeningen, niet juist zijn. [eiseres] concludeert in de overgelegde akte dat zij teveel vakantieverlof heeft opgenomen in 2018 (52,11 uur) en in 2019 (112,33 uur), in totaal (52,11 + 112,33 =) 164,44 uur en dat zij een tegoed aan vakantieverlof over 2020 had van 46 uur. Indien dit bij elkaar wordt opgeteld is volgens [eiseres] sprake van (46 - 164,44 =) 118,44 uur teveel opgenomen vakantieverlof. [gedaagde] BV gaat in haar als laatste overgelegde akte uit van 171,24 uur teveel opgenomen vakantieverlof. De kantonrechter stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat (tenminste) 118,44 uur respectievelijk (118,4 : 8 = ) 14,81 dagen teveel vakantieverlof is opgenomen. Dat is bijna drie werkweken van 40 uur.

Bevoegdheid tot verrekening teveel opgenomen vakantieverlof met de eindafrekening?

4.4.

[eiseres] heeft gesteld dat het negatieve verlofsaldo voor rekening en risico van [gedaagde] BV moet komen. [eiseres] wijst er daarbij op dat [gedaagde] BV haar nooit op het vermeende aantal verlofuren heeft gewezen en er nooit op heeft gewezen dat zij een aantal uren zou moeten inhalen. Daarbij is het dienstverband prompt beëindigd waardoor in redelijkheid niet van haar kon worden verlangd om de uren in te halen. [gedaagde] BV stelt daartegenover steeds vergeefs op het inhalen van het werk te hebben aangedrongen bij [eiseres] en dat zij toch het salaris is blijven betalen omdat zij wist dat [eiseres] het salaris nodig had.

4.5.

[eiseres] heeft verder gesteld, wat door [gedaagde] BV niet is betwist, dat zij medio februari 2020 aan [gedaagde] BV heeft gevraagd of de arbeidsovereenkomst wordt verlengd. [gedaagde] BV heeft daarna pas op 17 maart 2020 meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 april 2020 niet wordt verlengd.

4.6.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] BV juist met het oog op de bepaalde duur van het dienstverband en mede gelet op haar bekendheid met de afhankelijkheid van [eiseres] van haar salaris erop diende toe te zien dat ieder jaar geen te groot negatief verlofsaldo zal ontstaan. Ook als ervan wordt uitgegaan dat dit in de loop van een volgend jaar kan worden hersteld door onbetaald extra uren te werken (het ‘tijd-voor-tijd’ systeem) mag dat negatieve saldo niet zo groot worden, dat dit niet meer tijdens het dienstverband door [eiseres] kan worden ingehaald met het gevolg dat een (te) groot bedrag met het salaris zal moeten worden verrekend. Uiteraard is [eiseres] ook zelf daarvoor verantwoordelijk. In een werksituatie waarin een werknemer te gemakkelijk te weinig uren kan werken en waarin prikkels ontbreken om te voorkomen dat er te grote achterstanden ontstaan (bijvoorbeeld door periodiek de stand van zaken op te nemen en verder oplopen van het tekort niet toe te staan), raakt dit echter toch de eerste verantwoordelijkheid van de werkgever. Het systeem dat [gedaagde] BV hanteert is teveel gebaseerd op de gedachte dat niet gewerkte uren wel kunnen worden ingehaald, welke mogelijkheid nu eenmaal begrensd is. Niet gezegd kan worden dat in deze situatie het niet volledig verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.

4.6.1.

De kantonrechter betrekt bij dit oordeel nog het volgende. De arbeidsovereenkomst met [eiseres] was voor een bepaalde – beperkte – tijd. Dan klemt eens te meer de noodzaak om grote verloftekorten te voorkomen, juist om de verrekening met het voor [eiseres] noodzakelijke basissalaris te voorkomen. Het standpunt van [gedaagde] BV dat zij ondanks het door haar vastgestelde te weinig werken van [eiseres] toch het salaris is blijven betalen omdat [eiseres] van dit salaris afhankelijk is, onderstreept de noodzaak om een verrekening aan het einde van het dienstverband te vermijden. In deze zaak heeft [gedaagde] BV echter als gevolg van die verrekening een volledig maandsalaris niet uitbetaald. Dat verhoudt zich slecht met haar eigen standpunt. Gelet op de datum waarop [gedaagde] BV aan [eiseres] kenbaar heeft gemaakt dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, was het voor [eiseres] op dat moment ook redelijkerwijs niet meer mogelijk om een negatief verlofsaldo van bijna vijftien werkdagen tijdens het dienstverband “in te halen” door extra te werken. Het lag op de weg van [gedaagde] BV om [eiseres] hiervoor een reële gelegenheid te geven. Bij een negatief verlofsaldo van een omvang van (tenminste) bijna vijftien dagen en een arbeidsduur van 40 uur per week, zou [eiseres] dit saldo slechts kunnen inhalen door extra te werken op vijftien zaterdagen. Door de arbeidsovereenkomst per 1 april 2020 – al na afloop van het eerste kwartaal van het lopende kalenderjaar - niet te verlengen bij een negatief verlofsaldo van deze grote omvang, heeft [gedaagde] BV [eiseres] de gelegenheid ontnomen op een redelijke termijn de onvoldoende gewerkte uren goed te maken. Dat [eiseres] de teveel opgenomen vakantie-uren uiteindelijk niet meer heeft gewerkt dient voor rekening van [gedaagde] BV te blijven. Dit betekent dat zij geen verlofuren met de eindafrekening had mogen verrekenen. [gedaagde] BV heeft de hoogte van de gevorderde betaling niet bestreden. De vordering tot betaling van het verrekende achterstallige salaris en gereserveerde vakantiegeld, in totaal € 3.207,55 bruto, verminderd met het al uitbetaalde deel van € 855,76 netto, wordt dan ook toegewezen. De wettelijke rente over het aldus verschuldigde bedrag, vanaf de vervaldata tot de dag van algehele voldoening, wordt eveneens toegewezen.

4.7.

De kantonrechter overweegt tot slot dat verrekening met het volledige maandsalaris van [eiseres] ook afstuit op het bepaalde in artikel 6:135 onder a. BW omdat geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet.

4.8.

De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW is bedoeld als prikkel voor de werkgever om tot tijdige betaling over te gaan. De kantonrechter stelt vast dat de discussie over het negatieve verlofsaldo ook door toedoen van [eiseres] is ontstaan, door dit saldo zo hoog te laten oplopen. De kantonrechter acht onder deze omstandigheden de wettelijke verhoging niet billijk, zodat deze gematigd zal worden tot nihil.

4.9.

De gevorderde salarisspecificatie wordt toegewezen. De dwangsomvordering wordt afgewezen, nu verder niet is onderbouwd waarom de verwachting is dat [gedaagde] BV deze niet zonder dwangsom zal overleggen en [gedaagde] BV heeft meegedeeld dat zij deze binnen zeven dagen na betekening van het vonnis zal doen toekomen.

4.10.

[gedaagde] BV zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- informatiekosten (KvK) € 5,58

- griffierecht € 83,00

- salaris gemachtigde € 467,50 (2,5 punten x tarief € 187,00)

Totaal € 556,08

Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de door de griffier voorgeschoten explootkosten niet mogelijk.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] BV om aan [eiseres] binnen zeven dagen na betekening van het vonnis tegen bewijs van kwijting te betalen:

  • -

    het loon over de maand maart 2020 van € 1.870,73 bruto en de gereserveerde vakantiebijslag van € 1.336,82 bruto, in totaal € 3.207,55 bruto, verminderd met het al uitbetaalde deel van € 855,76 netto;

  • -

    de wettelijke rente over de nog te betalen bedragen, vanaf de respectievelijke vervaldata van de betreffende bedragen tot de dag der voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] BV om aan [eiseres] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een deugdelijke salarisspecificatie van de eindafrekening te verstrekken;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] BV tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 556,80 waarin begrepen € 467,50 aan salaris gemachtigde;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Haeck op 29 september 2021.