Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4675

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
16/705493-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een ander gedurende een jaar misbruik gemaakt van de PGB-regelgeving. Verdachte heeft samen met een ander, als feitelijk leidinggevenden, meerdere verschillende facturen, verantwoordingsformulieren en urenregistratieformulieren valselijk laten opmaken. Dit gebeurde door alle uren aan zorg waar de cliënten voor waren geïndiceerd, te factureren en te verantwoorden met formulieren, ook als cliënten minder of – in het geval van twee van de cliënten – in het geheel geen zorg kregen. Daarnaast heeft verdachte geldbedragen van (telkens in totaal) € 353.825,00, € 213.782,00 en € 129.950,00 witgewassen en hiervan een gewoonte gemaakt. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en heeft bij de strafoplegging onder meer rekening gehouden met de grote rol die verdachte had. De rechtbank ziet verdachte als de persoon die de fraudeconstructie heeft bedacht en het beleid daaromtrent heeft uitgezet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705493-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1963] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] te [woonplaats] ,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 september 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. P.B.A. Acda, advocaat te Roermond, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 in de gemeente Nieuwegein samen met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan Stichting [stichting] , terwijl Stichting [stichting] in die periode samen met anderen verantwoordingsformulieren persoonsgebonden budget en/of facturen en/of urenregistratieformulieren op naam van [budgethouder 1] en/of [budgethouder 2] en/of [budgethouder 3] valselijk heeft opgemaakt en/of laten opmaken, immers is in strijd met de waarheid

  • -

    op die verantwoordingsformulieren en/of facturen en/of urenregistratieformulieren voorgedaan dat Stichting [stichting] zorg en/of hulp in het kader van persoonsgebonden budget had geleverd aan [budgethouder 1] en/of [budgethouder 2] en/of

  • -

    op die verantwoordingsformulieren vermeld dat Stichting [stichting] zorg en/of hulp, welke had bestaan uit individuele begeleiding en/of groepsbegeleiding, had verleend aan de in die formulieren genoemde budgethouders in het kader van persoonsgebonden budget, terwijl in werkelijkheid in het geheel geen zorg, althans minder uren zorg, aan genoemde personen was geleverd, en/of

  • -

    op die facturen uren en/of geldbedragen ten behoeve van [budgethouder 1] en/of [budgethouder 2] stonden vermeld en/of

  • -

    op die urenregistratieformulieren uren verantwoord, terwijl die uren in zijn geheel niet hebben plaatsgevonden en/of meer uren aan zorg werd aangegeven dan er daadwerkelijk was verleend en/of

  • -

    over deze periode meerdere urenregistratieformulieren opgemaakt met daarop verschillen in uren en/of zorgverleners en/of data en/of

  • -

    op die urenregistratieformulieren een (valse) handtekening geplaatst en/of laten plaatsen,

telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

feit 2

in de periode van 1 september 2012 tot en met 6 februari 2014 in de gemeente Nieuwegein, samen met anderen, geldbedragen van € 353.825,- en/of € 213.782,- en/of € 129.950,- heeft witgewassen, en daarmee een gewoonte heeft gemaakt van witwassen.

3 VOORVRAGEN

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank zal de dagvaarding ten aanzien van feit 1 partieel nietig verklaren, namelijk voor zover dat ziet op het gedeelte vanaf “(zaaksdossier 3)” tot en met “op naam van [budgethouder 3] ”. In de tenlastelegging ontbreekt immers enige feitelijke omschrijving van de elementen waaruit de valsheid van de bescheiden van [budgethouder 3] zou hebben bestaan. De tenlastelegging beschrijft wel de valsheid van de bescheiden van [budgethouder 1] en [budgethouder 2] , maar daarmee is nog niet beschreven op welke wijze de bescheiden van [budgethouder 3] valselijk zouden zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is omschreven voor zover dat ziet op [budgethouder 3] . Daarom voldoet de dagvaarding op dat punt niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dient het op dat punt partieel nietig te worden verklaard.

De dagvaarding is voor het overige geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman onder meer naar voren gebracht dat verdachte geen wetenschap had van de onjuistheden op de formulieren en dat hij dus ook geen oogmerk had op de valsheid in geschrifte. In de optiek van verdachte verleende Stichting [stichting] de zorg die elke cliënt nodig had. De verantwoordelijkheid voor de juistheid van de formulieren lag volgens verdachte bij [medewerker 1] , een medewerker van [stichting] . Er kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte aan [medewerker 1] opdracht heeft gegeven of feitelijk leiding heeft gegeven voor het onjuist opstellen van de formulieren.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman naar voren gebracht dat er onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden is, dat verdachte opzet had op (gewoonte)witwassen. Verdachte wist niet dat de geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Bewijsmiddelen feiten 1 en 21

De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Inleiding

Ten tijde van de bewezen verklaarde periode was iedere Nederlander op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) verzekerd tegen de kosten van onverzekerbare medische risico’s en langdurige zorg. De vergoeding kon op twee manieren plaatsvinden: Zorg in Natura (ZIN) en het persoonsgebonden budget (PGB). In het laatste geval kreeg de rechthebbende een bepaald budget toegekend op basis van een indicatie die door het Centrum Indicatiestelling Zorg werd vastgesteld. Met dit budget kon de budgethouder zelf zorg inkopen. Over de besteding van het geld en de ingekochte zorg diende de budgethouder verantwoording af te leggen aan het zorgkantoor. Achmea Zilveren Kruis (hierna: Achmea) fungeerde als zorgkantoor van onder meer de regio Utrecht en verstrekte namens de overheid de PGB-gelden aan cliënten die hierop recht hadden.

Stichting [stichting] , gevestigd in Nieuwegein (hierna: [stichting] ), was een organisatie die in de periode van 2012 tot en met 2014 zorg verleende. [stichting] had verschillende cliënten, budgethouders, die beschikten over een PGB en twee van deze cliënten waren [budgethouder 1] en [budgethouder 2] .

Onderzoeken [stichting]

Uit een administratief onderzoek bij [stichting] bleek dat vanaf 1 januari 2013 tot en met 1 augustus 2014 in totaal € 2.187.839,87 aan PGB-gelden aan ongeveer 60 budgethouders werd betaald. Deze budgethouders hadden allemaal hun zorg bij [stichting] ingekocht. Daarnaast heeft de Inspectie voor de Volksgezondheid (hierna: IGZ) een onderzoek naar [stichting] ingesteld. Uit deze onderzoeken kwam naar voren dat [stichting] over dezelfde periode wisselende aantallen uren heeft gefactureerd en verantwoord aan Achmea. Aan de IGZ werden door [stichting] over diezelfde periode weer andere facturen en verantwoordingsformulieren met een ander aantal uren verstrekt. Door het opmaken van meerdere formulieren waarmee de gefactureerde zorguren werden verantwoord, heeft men willen onderbouwen dat er zorg is verleend en werd het zorgkantoor op grond van deze formulieren bewogen om PGB-gelden voor deze zorg aan de verschillende budgethouders te betalen.2 Achmea heeft hiervan aangifte gedaan en bij haar aangifte van tien cliënten – waaronder van [budgethouder 1] en [budgethouder 2] – dossiers ter beschikking gesteld.3

[budgethouder 1]

Het dossier dat Achmea had opgesteld met betrekking tot [budgethouder 1] bestond onder meer uit

  • -

    verantwoordingsformulieren aan Achmea volgens de eerste verantwoording,

  • -

    verantwoordingsformulieren aan Achmea ten behoeve van het administratieve vooronderzoek, en

  • -

    verantwoordingsformulieren aan IGZ. 4

Eerste verantwoording

Door [budgethouder 1] werd op 7 juli 2013 een verantwoordingsformulier ondertekend voor de verantwoording van de facturen die zien op de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. 5 Bij het verantwoordingsformulier werden urenstaten geleverd.6 In totaal ging het hierbij om de volgende uren:

Maanden in 2013

Uren individuele begeleiding

Groepsbegeleiding

Januari

77 uur

6 dagdelen

Februari

68,5 uur

6 dagdelen

Maart

77 uur

6 dagdelen

April

74 uur

6 dagdelen

Mei

77 uur

6 dagdelen

Juni

74 uur

6 dagdelen

Dit verantwoordingsformulier werd op 13 augustus 2013 door Achmea ontvangen7.

Bovenstaande uren zijn door [stichting] aan [budgethouder 1] gefactureerd middels zes facturen.8

IGZ onderzoek

In een brief van de IGZ van 16 april 2013 aan [stichting] verzoekt de IGZ om verstrekking van verschillende stukken.9 In de brief benoemt de IGZ dat zij de stukken vóór 1 mei 2013 wil ontvangen.10

Ten behoeve van het onderzoek door de IGZ werden door [stichting] vier facturen11 en 17 verantwoordingsformulieren12, betreffende door [stichting] geleverde zorg aan [budgethouder 1] in de periode januari 2013 tot en met april 2013 aangeleverd. Het ging in totaal om de volgende uren:

Maanden in 2013

Uren individuele begeleiding

Groepsbegeleiding

Januari

52 uur

26 dagdelen

Februari

50 uur

21 dagdelen

Maart

52 uur

26 dagdelen

April

46 uur

29 dagdelen

De maanden mei en juni werden niet geleverd. De verantwoordingsformulieren werden door [budgethouder 1] en een medewerker van [stichting] ondertekend.13

[budgethouder 1] is op 1 oktober 2016 door de politie verhoord:

O: Door Achmea zijn diverse documenten ter beschikking gesteld, waaronder diverse verantwoordingsformulieren waarin zorg wordt verantwoord over de periode januari 2013 tot en met juni 2013. We laten twee formulieren zien. Deze zijn door [stichting] aan IGZ verstrekt. Wat kunt u hierover verklaren?

A: Het zijn mijn handtekeningen. Dit soort formulieren zaten er ook tussen als mijn moeder die van [stichting] meekreeg als mijn moeder op bezoek kwam op het [naam ] .

V: Wat dacht je dat je tekende als je moeder op bezoek kwam?

A: Ik weet niets van die formulieren met zorg die u mij nu niet laat zien. Ik heb

die zorg niet gehad.14

Uit detentiegegevens van het Ministerie van Justitie blijkt dat [budgethouder 1] van 13 oktober 2012 tot en met 19 februari 2015 gedetineerd zat in de Penitentiaire Inrichting [locatie] aan het [adres] te [vestigingsplaats 2] .15

[budgethouder 2]

Het dossier dat Achmea had opgesteld met betrekking tot [budgethouder 2] bestond onder meer uit:

  • -

    verantwoordingsformulieren aan Achmea volgens de eerste verantwoording,

  • -

    verantwoordingsformulieren aan Achmea ten behoeve van het administratieve vooronderzoek en

  • -

    verantwoordingsformulieren aan IGZ.16

Eerste verantwoording

Door [budgethouder 2] werd op 24 juli 2013 een verantwoordingsformulier ondertekend voor de verantwoording van de facturen die zien op de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013.17 Bij het verantwoordingsformulier werden urenstaten geleverd.18 Het ging hierbij in totaal om de volgende uren:

Maanden in 2013

Uren individuele begeleiding

Groepsbegeleiding

Uren persoonlijke verzorging

Januari

63 uur

32 dagdelen

23

Februari

51,5 uur

32 dagdelen

23

Maart

63 uur

32 dagdelen

23

April

60 uur

32 dagdelen

22

Mei

63 uur

32 dagdelen

23

Juni

60 uur

32 dagdelen

22

Dit verantwoordingsformulier werd op 13 augustus 2013 door Achmea ontvangen19.

Bovenstaande uren zijn door [stichting] aan [budgethouder 2] gefactureerd middels zes facturen.20

IGZ onderzoek

In een brief van de IGZ van 16 april 2013 aan [stichting] verzoekt de IGZ om verstrekking van verschillende stukken.21 In de brief benoemt de IGZ dat zij de stukken vóór 1 mei 2013 wil ontvangen.22

Ten behoeve van het onderzoek door de IGZ werden door [stichting] vier facturen23 aangeleverd betreffende door [stichting] geleverde zorg aan [budgethouder 2] in de periode januari 2013 tot en met april 2013. Het ging in totaal om de volgende uren:

Maanden in 2013

Uren individuele begeleiding

Groepsbegeleiding

Uren persoonlijke verzorging

Januari

35 uur

55

22,5

Februari

33,5 uur

47

22,5

Maart

35 uur

55

22,5

April

33 uur

53,5

22,5

Ten aanzien van de maanden mei en juni zijn geen facturen met verantwoordingsformulieren geleverd. De uren werden verantwoord middels formulieren per type zorg: individuele begeleiding en groepsbegeleiding op één formulier per week24 en persoonlijke verzorging op een ander formulier per week. Deze verantwoordingsformulieren zijn aangeleverd door [stichting] en ondertekend door [budgethouder 2] en medewerkers van [stichting] .25

[budgethouder 2] is op 3 oktober 2016 door de politie verhoord:

V: Hoe lang heb je zorg ingekocht bij Stichting [stichting] ?

A: ik heb nooit zorg gehad.26

Rollen verdachte en [medeverdachte] bij [stichting]

Op 23 juli 2012 is [stichting] opgericht door verdachte en [A] .27 Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat [stichting] was gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats 1] .28 Uit het bedrijfsprofiel van de Kamer van Koophandel betreffende [stichting] blijkt dat verdachte vanaf 23 juli 2012 tot en met 2 september 2013 voorzitter en penningsmeester van de stichting was. Tevens blijkt uit dat profiel dat hij van 2 september 2013 tot en met 19 mei 2016 directeur was van de stichting en dat medeverdachte [medeverdachte] van 1 maart 2013 tot en met 26 mei 2015 adjunct-directeur was.29

Op 21 maart 2013 vond er een onaangekondigd bezoek plaats door de IGZ aan [stichting] . Verdachte was bij dit bezoek aanwezig. De bevindingen zijn neergelegd in een conceptverslag waarin onder meer het volgende staat beschreven:

“Tevens constateert de IGZ dat het aantal gefactureerde eenheden groter is dan

het aantal geleverde uren. (…) De IGZ plaatst grote vraagtekens bij de mogelijkheid om met het huidige personeelsbestand het aantal gefactureerde zorg-/begeleidingsuren te kunnen uitvoeren. [stichting] heeft dit vooralsnog niet inzichtelijk kunnen maken.”30

Vanaf 8 september 2016 tot en met 5 oktober 2016 zijn gesprekken welke werden gevoerd via telefoonnummer [telefoonnummer] opgenomen en afgeluisterd. Verdachte was de tenaamgestelde van dit telefoonnummer en de gebruiker.31 Eén van de gesprekken is opgenomen onder sessienummer [sessienummer] . Dit betrof een gesprek tussen verdachte en [B] . Door [B] wordt gezegd dat onder toezicht de facturen werden gemaakt bij [stichting] . Verdachte geeft aan dat de facturen werden gemaakt op de CIZ indicatie en dat dit samen met [naam ] werd gedaan. Dat werd boven op kantoor gedaan 1 à 2 keer per week en daar zou niks mis mee zijn.32

[stichting] had beschikking over de zakelijke bankrekening met nummer [rekeningnummer] . Deze bankrekening is geopend op 16 mei 2012 en opgeheven op 18 februari 2016. Verdachte was één van de twee zakelijk vertegenwoordigers van deze rekening.33 Op 10 juni 2013 is een betaalpas ten name van [verdachte] aangevraagd34 en op 30 juli 2012 is een betaalpas aangevraagd voor [stichting] door verdachte.35

Het UWV heeft een overzicht van alle werknemers van [stichting] verstrekt.36 Medewerkers zijn onder andere: [medewerker 2] en [medewerker 3] . Deze medewerkers zijn door de politie gehoord.

[medewerker 2] is op 6 december 2016 door de politie gehoord:

[verdachte] was de baas.
V: Wie bedoelt u met [medeverdachte] ?

A: Dat is de vrouw van [verdachte] . En dan was ze weer directeur, dan weer hoofd administratie en dan weer niet.37

V: Hoe werden uw afspraken geregistreerd?

A: Daar hadden wij een programma voor. Iemand had bijvoorbeeld een budget dat heel veel uur aan zorg mocht krijgen. Ik gaf dan bij [verdachte] aan dat ik zoveel uur niet allemaal kon inplannen. [verdachte] zei dan dat ik mij niet zo druk hoefde te maken.
Dus dat was vreemd en anders werd [naam ] erbij gehaald en dan gaf [verdachte] haar opdracht om dingen te regelen.

0: Uit ons onderzoek is gebleken dat er verantwoordingsformulieren werden opgemaakt in verband met het aantal uren aan zorg die verleend werden.

V: Wat kunt u daarover verklaren?

A: Er stonden dingen op die ik niet gedaan heb. Ze zette er alles op aan uren wat aan de cliënt besteed werd.
Het totale pakket wat iemand aan zorg zou mogen ontvangen werd vermeld op het verantwoordingsformulier. Het bleek bijvoorbeeld dat er begeleiders op vermeld werden die dan 80 uur aan begeleiding zouden hebben gegeven.38

V: Waar werden deze verantwoordingsformulieren ondertekend?

A: Ik moest ze vaak al op kantoor tekenen.
[verdachte] en [medeverdachte] konden je ook echt onder druk zetten.
Ik moest op een later moment zelfs ook rapportages maken op momenten dat ik er niet was.

V: Aan wie moest u verantwoordelijkheid afleggen?

A: De urenstaten waren het belangrijkste. Die leverde je in. Dat ging allemaal via [verdachte] . Hij was de baas.

V: Heeft u urenstaten getekend waarvan u wist dat er uren op stonden niet klopten?

A: Ja, in het begin. Dat moest. Ik heb dat onder druk gedaan.39

V: Onder druk van wie heeft u dit gedaan?

A: Van [medeverdachte] .40
V: Wat was de rol van [verdachte] ?

A: Eigenlijk alles. Alle verantwoordelijkheid en alle beslissingen lagen bij hem. Hij was degene die aan de touwtjes trok.41

[medewerker 2] is op 13 november 2019 door de rechter-commissaris gehoord als getuige.

Over de rol van [verdachte] verklaart zij: “Hij was de directeur, de initiatiefnemer. Hij was volgens mij ook bestuursvoorzitter, hij had een centrale rol in het geheel.”

Over de rol van [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) verklaart zij: “Soms, was ze mededirecteur dan zat ze weer op de administratie. (…) Ze hield zich ook met de financiën bezig.”

Over de verantwoordingsformulieren verklaart zij: “(…) De formulieren zijn ook een paar keer opnieuw gemaakt, omdat ze niet aan de eisen voldeden van het Zorgkantoor. Ik werd verplicht om mee te werken aan het wijzigen van de formulieren. [medeverdachte] heeft daar ook nog iets over opgemerkt en zij zei dat lk dat wel zo moest doen. Op een gegeven moment kwamen ze erachter dat er te weinig mensen in dienst waren voor de mensen die ze hadden en dan wilden ze die uren toch schrijven. Ik zei dat dat niet kon.

Op de vraag: “ Hoe weet de administratie dat u bepaalde uren aan een cliënt heeft besteed? Hoe verloopt dat proces?” antwoordt zij: “Er waren formulieren en die moesten wij per cliënt invullen. Op een gegeven moment hadden we een soort urenverantwoordingslijsten. Eerst was het anders; er waren cliënten en die hadden uren en die uren werden zoveel mogelijk ingevuld. Er kwamen steeds meer cliënten en dan veranderde de verdeling weer, want dan was er te weinig personeel.”42

[medewerker 3] is op 17 december 2016 door de politie gehoord:

0: Uit ons onderzoek is gebleken dat er verantwoordingsformulieren werden opgemaakt in verband met het aantal uren aan zorg die verleend werden.

V: Wat kunt u daarover verklaren?

A: Na ongeveer 2 weken toen ik weer in dienst was, zag ik verantwoordingsformulieren op mijn naam in de tijd dat ik nog studeerde en niet bij [stichting] werkte.43

V: Wie was de verantwoordelijke binnen Stichting [stichting] ?

A: [verdachte] en hij stuurde [naam ] aan.44

V: Met wie heeft u uw verdiensten afgesproken?

A: Met [verdachte] .45

V: Wat was de rol van [verdachte] ?

A: Hij was de baas.

V: Welke werkzaamheden voerde hij uit?

A: Hij bepaalde hoe dingen gingen. Hij nam nieuwe cliënten aan. Hij delegeerde. Hij bepaalde wat er moest gebeuren.

V: [verdachte] heeft jou ontslagen?

A: Ja samen met [medeverdachte] .46

[onderneming] deed onder meer de salarisadministratie voor [stichting] . [B] was daar werkzaam en is op 5 december 2019 gehoord door de rechter-commissaris:

Wat was de functie van de heer [verdachte] bij [stichting]?

Hij had een sturende functie.47

Ook [getuige 1] was werkzaam bij [onderneming] en is op 11 februari 2020 gehoord door de rechter-commissaris:

Moet ik het zo zien dat u per cliënt een aantal uren had en dat invulde en dan het aantal?

Er waren bepaalde PGB-budgetten. [naam ] gaf aan dat iedereen de maximale zorg van zijn budget kreeg, dus dat was niet moeilijk te berekenen. Op basis van die informatie zijn de facturen opgesteld.48

Bij- en afschrijvingen zakelijke rekening [stichting]

In totaal is er in de periode van 30 juli 2012 tot en met 30 september 2014 voor een bedrag van € 2.905.887,09 aan PGB-gelden overgemaakt op de zakelijke bankrekening met nummer [rekeningnummer] van [stichting] .49

In de periode van 29 oktober 2012 tot 6 februari 2014 is van de bankrekening van [stichting] een bedrag van € 353.825,00 overgemaakt op de bankrekening [rekeningnummer] ten name van [C] met als omschrijving “o.a. [omschrijving] ”.50

Vanaf 12 september 2012 tot en met 6 oktober 2014 is van de bankrekening van [stichting]

€ 277.137,03 overgemaakt naar de bankrekening ten name van [medeverdachte] met als omschrijving “o.a. salaris, lening, vakantiegeld”.51

In de balansgegevens van [stichting] van 2013 stond bij de post ‘Hypotheek [medeverdachte] ’ een bedrag van € 209.782,00. Dit betrof een lening die was verstrekt door [stichting] .

In de balansgegevens van [stichting] van 2014 stond bij post ‘Hypotheek [medeverdachte] ’ een bedrag van € 213.782,00. Uit de grootboekrekeningen in de administratie van [stichting] van 2014 blijkt dat ten aanzien van de lening aan [medeverdachte] het beginsaldo € 209.782,00 bedroeg, er een bedrag van € 4.000,00 debet is geboekt met omschrijving “lening” en het eindsaldo
€ 213.782,00 bedroeg.52

Op een brief van 23 juni 2014 van [stichting] gericht aan verdachte staat onder meer het volgende benoemd:

“Middels deze brief zend ik u het overzicht van de reeds afbetaalde geldleningsovereenkomst van de Bentley. U heeft het totaalbedrag van € 129.950,00 in zijn geheel contant betaald.”53

[getuige 2] is op 24 september 2016 door de politie gehoord:

0: Door Achmea is aangifte gedaan. Bij deze aangifte is een brief overhandigd. We laten hem aan u zien.54
0: Uit de brief blijkt dat [verdachte] op 3 februari 2014, 3 maart 2014, 1 april 2014, 1 mei 2014 en 1 juni 2014 een contant geldbedrag heeft betaald.

V: Hoe komt u aan deze data?

A: Dat weet ik niet. Ik kreeg de brief van [verdachte] en (hij) vroeg mij deze te ondertekenen.55

Uit de bankgegevens blijkt niet dat verdachte de lening heeft afgelost conform het schema dat in het document vermeld wordt56.

Van de bankrekening van [stichting] is in de periode van 8 augustus 2012 tot en met 1 januari 2016 een bedrag van € 572.150,00 contant opgenomen en € 25.669,65 gestort.57

Een medewerker van Achmea heeft op 15 november 2016 een aanvulling gegeven op de aangifte:

O: [getuige 3] verstrekte ten behoeve van dit onderzoek het rapport Barometer Nederlandse Gezondheidszorg 2015 en achtergrondrapportage Actiz Benchmark in de zorg 2013. Uit beide rapporten blijkt dat de winst marge in de gezondheid minimaal zijn. Het rapport Barometer Nederlandse Gezondheidszorg 2015 spreekt:

- bij Zelfstandige behandelcentra van een rendement in 2013 van 0,9 %

- Verpleging, verzorging en thuiszorg van een rendement in 2013 van 1,5 %

Het rapport Actiz Benchmark in de zorg 2013 spreekt over een algemene netto marge in 2012 van 2,7 %.58

Verdachte heeft het volgende ter terechtzitting verklaard:

Ik was directeur van [stichting] . Ik heb [medeverdachte] gevraagd of zij alle betalingen voor [stichting] wilde uitvoeren en dat heeft zij gedaan. Later heb ik haar gevraagd om boven waar de administratie werd gedaan een oogje in het zeil te houden.
De inkomsten van [stichting] bestonden volledig uit de PGB-gelden.

De betaling van het bedrag van € 353.825,00 aan [C] heb ik verricht. Dit was een betaling ten behoeve van een huis in Kroatië. [C] is mijn schoonzoon.

Vanaf 8 september 2016 tot en met 5 oktober 2016 zijn gesprekken welke werden gevoerd via telefoonnummer [telefoonnummer] opgenomen en afgeluisterd. Verdachte was de tenaamgestelde van dit telefoonnummer en de gebruiker.59 Eén van de gesprekken is opgenomen onder sessienummer 3235. Dit betrof een gesprek tussen verdachte en [D] . Verdachte zegt in het gesprek dat hij overleg heeft gehad met het bestuur om [medeverdachte] een lening te verstrekken.60

4.3.2.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [stichting] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 meerdere verantwoordingsformulieren, facturen en urenregistratieformulieren die betrekking hebben op de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 ten name van of gericht aan [budgethouder 1] en [budgethouder 2] valselijk heeft laten opmaken. De rechtbank acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] in diezelfde periode hieraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Feitelijk leidinggeven

De rechtbank stelt voorop dat pas, nadat is vastgesteld dat een verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, de vraag aan de orde komt of kan worden bewezen dat de verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Bij de beoordeling daarvan dient niet uitsluitend de juridische positie te worden betrokken, maar ook de feitelijke positie van de verdachte bij de rechtspersoon en het gedrag dat de verdachte heeft vertoond of nagelaten op grond waarvan hij geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven.

Bij het gedrag dat de verdachte heeft vertoond, kan worden gedacht aan actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijke leiding geven valt, maar ook het algemene door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid waarvan de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is dan wel het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol van de verdachte tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. In het bijzonder kan dat het geval zijn bij de verdachte die, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, geen maatregelen heeft getroffen om verboden gedragingen te voorkomen of te beëindigen.

In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Als feitelijke leidinggever moet de verdachte ten minste de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de feitelijke leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Onder omstandigheden kan aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste eveneens zijn voldaan indien hij de werkzaamheden van de onderneming zo heeft georganiseerd dat hij ermee rekening heeft gehouden dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet konden worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard ging met het begaan van strafbare feiten.

Toerekening valsheid in geschrifte [stichting]

Een rechtspersoon kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • -

    het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • -

    de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. [stichting] heeft met betrekking tot de periode van januari 2013 tot en met juni 2013 wisselende facturen, verantwoordingsformulieren en urenregistratieformulieren opgemaakt/laten opmaken met als doel om de gefactureerde zorg aan [budgethouder 1] en [budgethouder 2] te verantwoorden. Het telkens (laten) opmaken van deze formulieren en facturen, terwijl zowel [budgethouder 1] als [budgethouder 2] in het geheel geen zorg hebben ontvangen van [stichting] , levert naar het oordeel van de rechtbank valsheid in geschrifte van voornoemde formulieren en facturen op. Dit geldt voor de formulieren en facturen die Achmea de eerste keer van [stichting] heeft ontvangen en voor de formulieren en facturen die [stichting] aan de IGZ heeft verstrekt. De bescheiden ten behoeve van het administratief vooronderzoek zijn buiten de ten laste gelegde periode aan Achmea verstrekt en zullen daarom niet in de bewezenverklaring worden meegenomen. Het opmaken van voornoemde formulieren en facturen is gedaan door medewerkers van [stichting] en past in de normale bedrijfsvoering van [stichting] . [stichting] was immers een stichting die zag op het verlenen van zorg in het kader van PGB. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het telkens valselijk opmaken van de formulieren en facturen is verricht in de sfeer van [stichting] en aan [stichting] kan worden toegerekend.

Betrokkenheid verdachte en [medeverdachte]

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte] het volgende af.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte zelf, blijkt dat hij de bestuurder, de directeur en eindverantwoordelijke van [stichting] was. Daarnaast kan uit de verklaringen van [medewerker 2] , [medewerker 3] , [B] en [getuige 1] in samenhang bezien met het tapgesprek tussen verdachte en [B] (sessienummer [sessienummer] ) worden afgeleid, dat verdachte de persoon was die het beleid binnen [stichting] uitzette. Dit beleid bestond uit het factureren en verantwoorden van alle zorguren waar de cliënten voor waren geïndiceerd, ook als er in werkelijkheid minder of – in het geval van [budgethouder 1] en [budgethouder 2] – geen zorguren waren geleverd. Dat verdachte wist dat dit beleid ook feitelijk werd uitgevoerd, blijkt onder meer uit het conceptverslag van het bezoek van de IGZ op 21 maart 2013. Tijdens dat bezoek is tegen verdachte gezegd dat de zorguren die zijn gedeclareerd niet allemaal kunnen zijn verleend. Bovendien blijkt uit de verschillende getuigenverklaringen dat verdachte de eindverantwoordelijke was, hij een sturende rol had en dat alle beslissingen bij hem lagen. Verdachte heeft [medeverdachte] op enig moment gevraagd of zij ‘boven’, waar de administratie van [stichting] werd gedaan, een oogje in het zeil wilde houden. Dat [medeverdachte] vervolgens ook handelde conform dat beleid blijkt onder meer uit de verklaring van [medewerker 2] . Zij heeft verklaard dat zij, onder druk van [medeverdachte] , moest tekenen voor uren die zij niet had geleverd.

Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat [medeverdachte] adjunct-directeur van [stichting] was en samen met verdachte alle betalingen verrichte. Verdachte had als enige zeggenschap over de zakelijke bankrekening van [stichting] en beschikte over de bankpas van deze rekening. Op de vraag wie de betalingen bij [stichting] verrichtte, antwoordde verdachte ter terechtzitting dat hij [medeverdachte] had gevraagd om alle girale betalingen te verrichten en dat heeft zij gedaan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte en [medeverdachte] niet dezelfde mate van betrokkenheid hadden bij het voornoemde beleid en de uitvoering daarvan. Dit hangt naar het oordeel van de rechtbank samen met de verschillende rollen die zij hadden: verdachte was de baas, heeft het beleid bepaald en was eindverantwoordelijke en [medeverdachte] hield in de gaten of iedereen bij [stichting] zich hield aan dat beleid. Het feitelijk leidinggeven heeft gelet op het voorgaande in vereniging plaatsgevonden.

Conclusie

Gelet op vorenstaande in samenhang met elkaar bezien is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 feitelijk leiding heeft gegeven aan de door [stichting] toe te rekenen valsheid in geschrifte zoals hierboven staat beschreven.

4.3.3.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.

Verdachte heeft tussen 29 oktober 2012 en 6 februari 2014 een bedrag van in totaal € 353.825,00 overgemaakt van de rekening van [stichting] naar de bankrekening ten name van [C] , met als omschrijving “o.a. [omschrijving] ”. Verdachte heeft dit bedrag overgemaakt om een appartementencomplex in Kroatië te kunnen bouwen. Verder heeft verdachte een geldbedrag van € 213.782,00 (hypothecaire lening) aan [medeverdachte] verstrekt. Voorts blijkt uit de brief van 23 juni 2014 dat door [stichting] aan verdachte een geldlening is verstrekt van € 129.950,00 voor een Bentley. Verdachte had als enige de beschikking over een bankpas van de zakelijke rekening van [stichting] en deed samen met [medeverdachte] de betalingen bij [stichting] .

In de periode van 30 juli 2012 tot en met 30 september 2014 heeft [stichting] een bedrag van in totaal € 2.905.887,09 aan PGB-gelden ontvangen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt reeds dat een deel van deze PGB-gelden uit misdrijf afkomstig is, immers de PGB-gelden van [budgethouder 1] en [budgethouder 2] door Achmea zijn uitgekeerd op basis van valselijk opgemaakte facturen (welke verantwoord worden door eveneens valselijk opgemaakte verantwoordingsformulieren) en daarmee onmiddellijk van misdrijf afkomstig. Voorts stelt de rechtbank vast dat het rapport Barometer Nederlandse Gezondheidszorg 2015 spreekt over een maximale netto marge van 2,7 %. Dit zou betekenen dat [stichting] in een jaar maximaal een winst zou hebben van € 78.458,95 per jaar. Gelet hierop acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat van het totale aan PGB-gelden ontvangen geldbedrag van € 2.905.887,09 in ieder geval de geldbedragen van € 353.825,00, € 213.782,00 en € 129.950,00 onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.

Verdachte heeft over de herkomst van de geldbedragen verklaard dat [stichting] de PGB-gelden van in totaal € 2.905.887,09 heeft ontvangen voor de zorg die [stichting] aan haar cliënten heeft verleend. Uit het strafdossier blijkt echter dat [stichting] deze zorg niet of gedeeltelijk niet heeft verleend aan de cliënten, maar wel heeft voorgedaan alsof dit zo was door valselijk opgemaakte facturen en verantwoordingsformulieren aan te leveren bij het Zorgkantoor Achmea. Met deze verklaring heeft verdachte derhalve het vermoeden dat de uitgegeven geldbedragen van misdrijf afkomstig waren, niet weerlegd.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank is van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk is, dan dat de ten laste gelegde geldbedragen onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Witwashandelingen

Het geldbedrag van € 213.782,00 is door verdachte en/of [medeverdachte] overgedragen door dit geldbedrag over te maken op de bankrekening van [medeverdachte] . Het geldbedrag van € 353.825,00 is blijkens de verklaring van verdachte ter zitting door verdachte overgedragen door dit geldbedrag over te maken op de bankrekening van [C] . Verder blijkt uit het dossier dat een bedrag van € 129.950,00 is betaald voor een Bentley en verdachte dit bedrag niet terug heeft betaald, zodat ook in dat geval sprake is van het overdragen van een geldbedrag. Verdachte en [medeverdachte] hadden samen de beschikking over de bankrekening van [stichting] .

Gewoonte maken van witwassen

Gelet op de lange periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden, de grote bedragen die zijn overgedragen en in het legale verkeer zijn gebracht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

feit 1

de Stichting [stichting] op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 in de gemeente Nieuwegein, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk, verantwoordingsformulieren persoonsgebonden budget, facturen en urenregistratieformulieren, waaronder

(zaaksdossier 1)

verantwoordingsformulieren persoonsgebonden budget ten name van [budgethouder 1] over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 en facturen gericht aan [budgethouder 1] over de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 juni 2013 en urenregistratieformulieren betreffende de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 juni 2013 op naam van [budgethouder 1] en

(zaaksdossier 2)

verantwoordingsformulieren persoonsgebonden budget ten name van [budgethouder 2] over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 en facturen gericht aan [budgethouder 2] over de periode 1 januari 2013 tot en met 28 juni 2013 en urenregistratieformulieren betreffende de periode 1 januari 2013 tot en met 28 juni 2013 op naam van [budgethouder 2] ,

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft laten opmaken door een ander, immers hebben de Stichting [stichting] en haar mededaders telkens valselijk in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven-

op die facturen en verantwoordingsformulieren en urenregistratieformulieren voorgedaan dat door de Stichting [stichting] diensten (levering van zorg en/of hulp in het kader van persoonsgebonden budget) waren verricht voor [budgethouder 1] en [budgethouder 2] en op die genoemde verantwoordingsformulieren vermeld en opgenomen en laten vermelden en opnemen dat door de Stichting [stichting] zorg en/of hulp was verleend aan de in die formulieren genoemde budgethouders in het kader van persoonsgebonden budget en dat die zorg en/of soort hulpverlening had bestaan uit Individuele begeleiding en/of groepsbegeleiding, terwijl in werkelijkheid in het geheel geen (uren) zorg (in het kader van persoonsgebonden budget) aan genoemde personen was geleverd en

op genoemde facturen uren en geldbedragen (geleverde zorg en/of hulp in het kader van persoonsgebonden budget) ten behoeve van [budgethouder 1] en [budgethouder 2] vermeld en opgenomen en laten vermelden en opnemen en op die urenregistratieformulieren zorguren verantwoord en laten verantwoorden, terwijl deze zorguren in zijn geheel niet hebben plaatsgevonden en zijn verleend,

zulks telkens met het oogmerk om die voorschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, telkens tot vorenstaande feiten opdracht gegeven en feitelijk leiding gegeven aan vorenstaande verboden gedragingen;

feit 2

op een of meer tijdstippen in de periode van 1 september 2012 tot en met 6 februari 2014 in de gemeente Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens voorwerpen, te weten geldbedragen van 353.825,- en 213.782,- en 129.950,- Euro heeft overgedragen , zulks terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen geheel – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, aldus van witwassen een gewoonte gemaakt.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1

medeplegen van het feitelijke leidinggeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 2

gewoontewitwassen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De officier van justitie heeft hierbij acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die ontwikkeld zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en rekening gehouden met het tijdsverloop in deze strafzaak.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging geen standpunt naar voren gebracht met betrekking tot de oplegging van de straf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft samen met medeverdachte [medeverdachte] gedurende een jaar misbruik gemaakt van de PGB-regelgeving. Deze regelgeving is bewust ruimhartig ingericht, zodat degenen die zorg nodig hebben, laagdrempelig een financiële tegemoetkoming kunnen krijgen. Verdachte heeft samen met [medeverdachte] , als feitelijk leidinggevenden, meerdere verschillende facturen, verantwoordingsformulieren en urenregistratieformulieren valselijk laten opmaken. Dit gebeurde door alle uren aan zorg waar de cliënten van Stichting [stichting] voor waren geïndiceerd, te factureren en te verantwoorden met formulieren, ook als cliënten minder of – in het geval van [budgethouder 1] en [budgethouder 2] – in het geheel geen zorg kregen. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij op deze manier is omgegaan met gemeenschapsgeld, dat bedoeld is voor mensen die zorg behoeven. Door op deze manier misbruik te maken van de zorgregelingen draagt verdachte bij aan het ontstaan van een klimaat waarin mensen (en in dit geval vooral kwetsbare mensen) die gebruik moeten maken van sociale voorzieningen worden gewantrouwd als zij daar een beroep op doen.

Daarnaast heeft verdachte geldbedragen van (telkens in totaal) € 353.825,00, € 213.782,00 en € 129.950,00 witgewassen en hiervan een gewoonte gemaakt. Verdachte heeft een deel van deze geldbedragen besteed aan het bouwen van een appartementencomplex in Kroatië door zijn schoonzoon, een deel aan de koop van een woning in Spanje voor [medeverdachte] en een deel ten behoeve van een Bentley voor verdachte. Dit terwijl dit geld bedoeld waren voor mensen die zorg nodig hebben. De rechtbank neemt het verdachte dan ook zeer kwalijk dat hij zo is omgegaan met op valselijke wijze verkregen gemeenschapsgeld.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de straf de rol van verdachte mee. De rechtbank ziet verdachte als de persoon die de fraudeconstructie heeft bedacht en het beleid daaromtrent binnen [stichting] heeft uitgezet. Verdacht wordt dan ook als hoofddader aangemerkt.

LOVS-oriëntatiepunten

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting van het LOVS. Nu de rechtbank heeft vast gesteld dat het bedrag van in totaal € 697.557,00 is witgewassen gaat de rechtbank uit van dat bedrag als benadelingsbedrag. De oriëntatiepunten gaan bij een benadelingsbedrag tussen € 500.000,00 en € 1.000.000,00 uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 18 en 24 maanden, hetgeen de rechtbank als uitgangspunt neemt.

Persoon verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 6 augustus 2021, waaruit blijkt dat verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Tevens blijkt daaruit dat verdachte na het plegen van de bewezen verklaarde feiten op 4 juni 2014 een straf opgelegd heeft gekregen. De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.

Het tijdsverloop

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank voorts rekening met het tijdsverloop. De bewezen verklaarde feiten zien op de periode van september 2012 tot en met februari 2014. Verdachte is in januari 2017 bij de politie gehoord en het strafdossier is op 10 februari 2017 gesloten. Vervolgens heeft de verdediging pas in februari 2019 de concept-tenlastelegging ontvangen, waarna er onderzoekswensen zijn geformuleerd. In 2019 en 2020 hebben op verzoek van de verdediging verschillende getuigenverhoren plaatsgevonden bij de rechter-commissaris. Het laatste verhoor vond plaats op 7 juli 2020. Vervolgens is de zaak op 31 maart 2021 gepland ten behoeve van de inhoudelijke behandeling, maar vanwege coronagerelateerde omstandigheden kon die zitting niet doorgaan. De zaak is toen gepland op 15 september 2021. De rechtbank neemt gelet op vorenstaande in het voordeel van verdachte mee dat de zaak ruim twee jaar onnodig stil lijkt te hebben gestaan.

De straf

Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende straf. Uitgaande van de LOVS-oriëntatiepunten en de overige omstandigheden – waaronder de grote rol die verdachte had – zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden in de rede hebben gelegen. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank echter passend en geboden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 47, 51, 57, 63, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Partiële nietigheid dagvaarding

- verklaart de dagvaarding partieel nietig ten aanzien van het gedeelte vanaf “(zaaksdossier 3)” tot en met “op naam van [budgethouder 3] ”;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Dit vonnis is gewezen door I.J.B. Corbeij, voorzitter, mrs. E.W.A. Vonk en M.E. Falkmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 september 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

feit 1

de Stichting [stichting] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 31 december 2013 in de gemeente Nieuwegein, en/of elders in Nederland,

tezamen in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (een) verantwoordingsformulier(en) persoonsgebonden budget en/of (een) factu(u)r(en) en/of (een) urenregistratieformulier (en) waaronder (ondermeer)

(zaaksdossier 1)

een verantwoordingsformulier persoonsgebonden budget ten name van [budgethouder 1]

over de periode van 01 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 en/of

een of meer factu(u)r(en) gericht aan [budgethouder 1] over de periode van 01

januari 2013 tot en met 28 juni 2013 en/of

een of meer urenregistratieformulieren betreffende de periode van 01 januari 2013 tot en met 28 juni 2013 op naam van [budgethouder 1] en/of

(zaaksdossier 2)

een verantwoordingsformulier persoonsgebonden budget ten name van [budgethouder 2] over de periode 01 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 en/of

een of meer factu(u)r(en) gericht aan [budgethouder 2] over de periode van 01 januari 2013 tot en met 28 juni 2013 en / of

een of meer urenregistratieformulieren betreffende de periode van 01 januari 2013 tot en met 28 juni 2013 op naam van [budgethouder 2] en/of

(zaaksdosssier 3)

een verantwoordingsformulier persoonsgebonden budget ten name van [budgethouder 3] en/of

een of meer factu(u)r(en) gericht aan [budgethouder 3] Dam over de periode van 01 januari 2013 tot en met 28 juni 2013 en/of

een of meer urenregistratieformulieren betreffende de periode van 01 januari 2013 tot en met 28 juni 2013 op naam van [budgethouder 3]

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst en/of valselijk heeft/hebben doen en/of laten opmaken en/of doen en/of laten vervalsen door (een) ander(en)

immers heeft de stichting [stichting] en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven –

in die factu(u)r(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of urenregistratieformulieren voorgedaan dat door de Stichting [stichting] (een) dienst(en) (levering van zorg en/of hulp in het kader van persoonsgebonden budget) was/waren verricht voor [budgethouder 1] en/of [budgethouder 2] en/of

op die genoemde verantwoordingsformulier(en) vermeld en/of geschreven en/of

opgenomen en/of aangekruist, en/of doen en/of laten vermelden en/of schrijven en/of opnemen en/of aankruisen,

dat door de zorgverlener Stichting [stichting] zorg en/of hulp was verleend aan de in die formulieren genoemde budgethouders in het kader van persoonsgebonden budget en/of

dat die zorg en/of soort hulpverlening had bestaan uit Individuele begeleiding

en/of groepsbegeleiding,

terwijl in werkelijkheid in het geheel geen (uren) zorg ( in het kader van persoonsgebonden budget) aan genoemde perso(o)n(en) was geleverd, althans minder uren zorg (in het kader van Persoonsgebonden Budget) aan genoemde personen was geleverd en/of

in/op genoemde factu(u)r(en) uren en/of geldbedragen (geleverde zorg en/of hulp in het kader van persoonsgebonden Budget) ten behoeve van die [budgethouder 1] en/of [budgethouder 2] en/of vermeld en/of opgenomen, en/of doen en/of laten vermelden en/of opnemen

en/of op die urenregistratieformulieren (zorg)uren verantwoord en/of laten verantwoorden, terwijl deze zorguren in zijn geheel niet hebben plaatsgevonden en/of zijn verleend en/of meer (uren aan) zorg aangegeven en/of laten aangeven dan er daadwerkelijk was

verleend en/of over dezelfde periode meerdere urenregistratieformulieren opgemaakt en/of

laten opmaken met daarop verschillen in uren en/of zorgverleners en/of aantal uren en/of verschillen in de data en/of

op die urenregistratieformulieren een (valse) handtekening geplaatst en/of laten plaatsten zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken

hebbende hij verdachte, tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) tot vorenstaande feiten opdracht gegeven en feitelijke leiding gegeven aan vorenstaande verboden gedragingen;

feit 2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 september 2012 tot en met 6 februari 2014 in de gemeente Nieuwegein en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen meermalen, althans eenmaal (telkens) (een) voorwerp(en) te weten een of meer geldbedrag(en) van 353.825,-- en/of 213.782,-- en/of 129.950,-- Euro, althans enig geldbedrag heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of (telkens) van (een) voorwerp(en) te weten, een of meer geldbedragen, de herkomst en/of vindplaats heeft verborgen en/of verhuld zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddelijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

hebbende hij verdachten en/of zijn mededaders aldus van witwassen een gewoonte gemaakt.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 februari 2017, genummerd PL09/2016-035479, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 983. Tevens zijn deze processen-verbaal opgenomen als bijlagen, dossier/zaak 1 tot en met 10, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1683 van het (voornoemde) in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 februari 2017, genummerd PL09/2016-035479, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Achmea Zilveren Kruis N.V., p. 276.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Achmea Zilveren Kruis N.V., p. 277.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 2 van de bijlagen.

5 Een geschrift, te weten een verantwoordingsformulier PGB van [budgethouder 1] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 39 en 40 van de bijlagen.

6 Een geschrift, te weten een urenregistratieformulier ten name van [budgethouder 1] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 54 tot en met 59 van de bijlagen.

7 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 3 van de bijlagen.

8 Geschriften, te weten facturen van [stichting] gericht aan [budgethouder 1] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 42 tot en met 53 van de bijlagen.

9 Een geschrift, te weten een brief van de IGZ aan [stichting] van 16 april 2013, p. 751.

10 Een geschrift, te weten een brief van de IGZ aan [stichting] van 16 april 2013, p. 752.

11 Geschriften, te weten facturen van [stichting] gericht aan [budgethouder 1] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 100 tot en met 107 van de bijlagen.

12 Geschriften, te weten 17 verantwoordingsformulieren, als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 108 tot en met 124 van de bijlagen.

13 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 4 van de bijlagen.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [budgethouder 1] , p. 197.

15 Een geschrift, te weten een registratiekaart detentiegegevens van [budgethouder 1] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 699.

16 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 126 van de bijlagen.

17 Een geschrift, te weten een verantwoordingsformulier PGB van [budgethouder 2] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 163 en 164 van de bijlagen.

18 Een geschrift, te weten een urenregistratieformulier ten name van [budgethouder 2] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 178 tot en met 188 van de bijlagen.

19 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 3 van de bijlagen.

20 Geschriften, te weten facturen van [stichting] gericht aan [budgethouder 2] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 166 tot en met 177 van de bijlagen.

21 Een geschrift, te weten een brief van de IGZ aan [stichting] van 16 april 2013, p. 751.

22 Een geschrift, te weten een brief van de IGZ aan [stichting] van 16 april 2013, p. 752.

23 Geschriften, te weten facturen van [stichting] gericht aan [budgethouder 2] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 281 tot en met 288 van de bijlagen.

24 Geschriften, te weten 26 verantwoordingsformulieren ten name van [budgethouder 2] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 202 tot en met 227 van de bijlagen.

25 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 128 van de bijlagen.

26 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [budgethouder 2] , p. 218.

27 Een geschrift, te weten een akte van oprichting “Stichting [stichting] ”, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van verstrekking en bevindingen gevorderde gegevens van verbalisant [verbalisant 2] , p. 934.

28 Een geschrift, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel van Stichting [stichting] , p. 732.

29 Een geschrift, te weten het bedrijfsprofiel van de Kamer van Koophandel betreffende [stichting] , p. 334-335.

30 Een geschrift, te weten een conceptverslag van de IGZ van 22 augustus 2013, p. 725-726.

31 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 969.

32 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 971.

33 Een geschrift, te weten een overzicht zakelijke rekening [rekeningnummer] , p. 385.

34 Een geschrift, te weten een overzicht van een pas van de rekening [rekeningnummer] , p. 386.

35 Het proces-verbaal verstrekking en bevindingen gevorderde gegevens van verbalisant [verbalisant 2] , p. 372.

36 Een geschrift, te weten een lijst met werknemers van [stichting] , als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 693.

37 Proces-verbaal van verhoor getuige [medewerker 2] , p. 285.

38 Proces-verbaal van verhoor getuige [medewerker 2] , p. 287.

39 Proces-verbaal van verhoor getuige [medewerker 2] , p. 288.

40 Proces-verbaal van verhoor getuige [medewerker 2] , p. 289.

41 Proces-verbaal van verhoor getuige [medewerker 2] , p. 290.

42 Proces-verbaal van verhoor getuige [medewerker 2] bij de rechter-commissaris van 13 november 2019.

43 Het proces-verbaal verhoor getuige [medewerker 3] , p. 295.

44 Het proces-verbaal verhoor getuige [medewerker 3] , p. 296.

45 Het proces-verbaal verhoor getuige [medewerker 3] , p. 297.

46 Het proces-verbaal verhoor getuige [medewerker 3] , p. 298.

47 Een geschrift, te weten het proces-verbaal verhoor getuige [B] door de RC, p. 2.

48 Een geschrift, te weten het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] door de RC, p. 3.

49 Het proces-verbaal verstrekking en bevindingen gevorderde gegevens van verbalisant [verbalisant 2] , p. 372 en 373.

50 Het proces-verbaal verstrekking en bevindingen gevorderde gegevens van verbalisant [verbalisant 2] , p. 379.

51 Het proces-verbaal verstrekking en bevindingen gevorderde gegevens van verbalisant [verbalisant 2] , p. 378.

52 Het proces-verbaal verstrekking en bevindingen gevorderde gegevens van verbalisant [verbalisant 2] , p. 863.

53 Een geschrift, te weten een factuur van [stichting] gericht aan [verdachte] , p. 920.

54 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] , 183.

55 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] , 184.

56 Aanvullend proces-verbaal Wederrechtelijk verkregen voordeel van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 21 maart 2017, p. 32.

57 Het proces-verbaal verstrekking en bevindingen gevorderde gegevens van verbalisant [verbalisant 2] , p. 377.

58 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 914.

59 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 969.

60 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 970.