Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4614

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
9245950 / ME VERZ 21-78
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

werknemer (tevens statutair bestuurder) verzoekt toekenning billijke vergoeding na toestemming UWV voor ontslag wegens bedrijfseconomische (organisatorische) redenen, schending herplaatsingsinspanningen, ernstig verwijtbaar handelen werkgever, billijke vergoeding toegewezen ogv 7:682 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1241
JAR 2021/274 met annotatie van Tuyll van Serooskerken, C.F.J. van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Beschikking van 17 september 2021

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer 9245950 / ME VERZ 21-78 van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde mr. M.E. Kind en mr. J. van der Pijl,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna ook te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde mr. B. Vaandrager en mr. T.E. van der Toorn.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoeker] met 43 producties, ter griffie ingekomen op 28 mei 2021;

- het verweerschrift van [verweerster] met 13 producties (A t/m M) van 19 augustus 2021;

- de aanvullende producties 44 tot en met 48 van [verzoeker] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 september 2021. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigden van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd, die zijn toegevoegd aan het dossier.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is een 100% dochtermaatschappij van [naam verweerster] Inc.. [naam verweerster] Inc. richt zich op het ontwerpen, produceren en verkopen van audiospeakers. De activiteiten van [verweerster] beperken zich tot de marketing en sales van de [verweerster] producten en diensten in Europa en daaraan gerelateerde ondersteunende diensten.

2.2.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1976, is sinds 1 februari 2013 in dienst van [verweerster] , laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en vanaf 1 december 2019 in de functie van [functie] tegen een salaris van € 16.618,29 exclusief emolumenten per maand. [verzoeker] is daarnaast per 1 juni 2013 door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (hierna: AVA) benoemd als statutair bestuurder van [verweerster] .

2.3.

In het addendum bij de arbeidsovereenkomst is het volgende overeengekomen:

“Employer and employee agree that, despite the appointment of employee as director (“bestuurder”) of [verweerster] B.V., employee’s rights with regard to the termination of the employment agreement, to the maximum extend permissible by statutory law, will be as if employee was not a director (“bestuurder”) but as a regular employee.”

2.4.

Op grond van artikel 3.7 van de arbeidsovereenkomst heeft [verzoeker] jaarlijks recht op een bonus, die bestaat uit een individuele component en een bedrijfsbonus. In het Bonus Plan is over uitbetaling van de bonus onder meer het volgende bepaald:

Participants must be actively employed on the day any award is paid through Payroll.

This means that employees who terminate before/after FY-end and before the date

an award is actually paid are not eligible for any award. It is anticipated that bonus

awards would be paid near the end of November.”

2.5.

[verzoeker] heeft over 2018 een bedrijfsbonus ontvangen van € 28.958,00 en over 2019 een bedrijfsbonus van € 46.125,00. Over 2020 heeft [verweerster] 114% van de vereiste targets behaald, wat neerkomt op een bedrijfsbonus van € 65.481,57 bruto.

2.6.

[verweerster] heeft haar ondernemingsraad om advies gevraagd voor het doorvoeren van een reorganisatie wegens organisatorische redenen. De ondernemingsraad van [verweerster] heeft de noodzaak voor het doorvoeren van een reorganisatie binnen [verweerster] erkend in haar advies van 23 juni 2020.

2.7.

In het door [verweerster] opgestelde reorganisatieplan van 5 juni 2020 staat als reden voor de reorganisatie onder meer het volgende vermeld:

Rationale for Organization Restructuring

While a strategic change is something we've been working toward through the LRP, the pandemic & recession place urgency on the need to transform our business economics now:

o The total speaker category is declining ($ 4B annually, flat through 2023). Soundbars flat through 2023 ( $ 3.6 B annually). This results in an uphill battle even though we are winning market share.

o Our lifetime unit economics don't work: we collect one-time revenue at the purchase, but support that product for many years at high costs. We spend three times the industry average on customer support.

o Our goal of 20% revenue / 10% profit growth YoY was getting harder & harder to reach (…)”

2.8.

Op 24 juni 2020 heeft [verweerster] aan [verzoeker] meegedeeld dat zijn functie komt te vervallen als gevolg van een reorganisatie en heeft zij aan [verzoeker] een vaststellingsovereenkomst overhandigd. Diezelfde dag is [verzoeker] per direct op non-actief gesteld, waarbij hem eveneens de toegang tot zijn zakelijke e-mailaccount en de overige bedrijfsnetwerken is ontzegd. [verweerster] heeft een “out-of-office” bericht vanuit het

e-mailaccount van [verzoeker] opgesteld voor in- en externe contacten waarin [verweerster] heeft vermeld dat [verzoeker] niet meer werkzaam is bij [verweerster] .

2.9.

Er zijn 32 (van de 146) arbeidsplaatsen in Nederland komen te vervallen binnen [verweerster] als gevolg van de reorganisatie, waarvan elf functies zijn komen te vervallen binnen de afdeling [naam afdeling] waar ook [verzoeker] werkzaam was.

2.10.

Op 24 juni 2020 heeft [verzoeker] (net als de overige 31 boventallige werknemers) een e-mail ontvangen met daarbij de uitnodiging om te solliciteren op één of meer van de drie nieuwe functies die waren ontstaan in het kader van de organisatiewijziging.

2.11.

Op 25 augustus 2020 heeft [verzoeker] een brief van het UWV ontvangen waarin werd meegedeeld dat [verweerster] voor hem op 22 juni 2020 een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen heeft ingediend. [verzoeker] heeft verweer gevoerd. UWV heeft op 7 oktober 2020 besloten de ontslagaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat [verzoeker] naast werknemer eveneens statutair bestuurder van [verweerster] was.

2.12.

Tijdens de aandeelhoudersvergadering van 21 september 2020 is [verzoeker] gehoord over het voornemen tot zijn ontslag als bestuurder en heeft hij gebruik gemaakt van zijn raadgevende stem als bestuurder. De AVA heeft in de vergadering van 21 september 2020 tot ontslag van [verzoeker] als statutair bestuurder besloten.

2.13.

Op 30 oktober 2020 heeft [verweerster] opnieuw een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend voor het dienstverband met [verzoeker] wegens organisatorische veranderingen. [verzoeker] heeft verweer gevoerd. UWV heeft op 18 december 2020 toestemming aan [verweerster] verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen.

2.14.

Per brief van 23 december 2020 heeft [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd per 1 april 2021.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door

[verweerster] heeft plaatsgevonden in strijd met art. 7:669 BW;

[verweerster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van
€ 1.387.034 bruto aan [verzoeker] , althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te

vermeerderen met wettelijke rente te berekenen vanaf 1 april 2021, althans de

datum waarop dit verzoek is ingediend, althans de datum van deze beschikking,

althans een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van algehele

voldoening;

[verweerster] te veroordelen om binnen twee dagen na de datum van deze beschikking,

althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de bonus over het

boekjaar 2020 van € 65.481,57 bruto aan [verzoeker] te betalen, althans een in

goede justitie te bepalen bedrag;

het onder C. toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke verhoging

van 50%, althans een in goede justitie te bepalen wettelijke verhoging, te

rekenen vanaf de datum waarop betaling van de bonus door [verweerster] had moeten

plaatsvinden, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot die van gehele

voldoening;

het onder C. en D toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente,

te rekenen vanaf de datum waarop betaling van de bonus door [verweerster] had

moeten plaatsvinden, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot die

van gehele voldoening;

[verweerster] te veroordelen om binnen twee dagen na de datum van deze beschikking,

althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het

verstrekken van een deugdelijke specificatie ex artikel 7:626 BW ter zake de

onder B., C., D. en E. toegewezen betalingen, zulks op straffe van een

dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte ervan dat [verweerster] in strijd

handelt met deze veroordeling, althans op straffe van een in goede justitie te

bepalen dwangsom;

om binnen twee dagen na deze beschikking, althans binnen een in goede justitie

te bepalen termijn, aan [verzoeker] de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.429,73 te betalen, althans een in goede Justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vijf dagen na de beschikking tot de dag van volledige betaling;

[verweerster] te veroordelen tot betaling van € 18.000,00 bij wijze van schadevergoeding ex artikel 7:611 BW aan [verzoeker] , te vermeerderen met wettelijke rente te berekenen vanaf 1 april 2021, althans de datum waarop dit verzoek is ingediend, althans de datum van deze beschikking, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van volledige betaling;

I. in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde en de

nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente te

rekenen vanaf vijf dagen na deze beschikking tot de dag van volledige betaling.

3.2.

[verzoeker] heeft verschillende stellingen aan zijn verzoek ten grondslag gelegd, waarop voor zover van belang hierna bij de beoordeling nader zal worden ingegaan.

3.3.

[verweerster] heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] . Het verweer van [verweerster] wordt bij de beoordeling zo nodig weergegeven.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat [verzoeker] een ‘dubbele’ rechtspositie heeft. Hij was immers zowel (statutair) bestuurder van [verweerster] als werknemer.
Hoewel [verweerster] in haar verweerschrift heeft aangevoerd dat op grond van artikel 2:241 BW de kantonrechter niet bevoegd is om over de verzoeken van [verzoeker] te oordelen gelet op zijn gewezen positie van statutair bestuurder, heeft [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zij zich ermee kan verenigen dat de kantonrechter ingevolge het bepaalde in artikel 96 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering de verzoeken van [verzoeker] behandelt en daarop beslist. Nu partijen aldus gezamenlijk hebben verzocht hun geschil aan de kantonrechter voor te leggen zal op alle verzoeken van [verzoeker] in deze beschikking worden beslist.

4.2.

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend. Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijnen heeft [verzoeker] het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding tijdig ingediend.

4.3.

Uit artikel 7:682 lid 1, onderdeel b, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV, aan die werknemer, bij een opzegging in strijd met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW, een billijke vergoeding kan toekennen indien herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Voor toekenning van een billijke vergoeding is dus in de eerste plaats vereist dat sprake is van een opzegging in strijd met artikel 7:669, lid 3, onderdeel a, BW, en dat ontslag wegens een bedrijfseconomische reden niet gerechtvaardigd is.

Redelijke grond op basis van artikel 7:669 lid 3 sub a BW

4.4.

[verzoeker] stelt dat er geen redelijke grond is voor zijn ontslag voor zowel zijn positie als werknemer als ook voor zijn positie van statutair bestuurder. De opzegging is aldus [verzoeker] in strijd met artikel 7:669 lid 3 sub a BW.
Hij voert daartoe onder meer aan dat (ook voor het ontslag van een statutair bestuurder) een redelijke grond is vereist en indien dat ontslag niet op een voldragen ontslaggrond berust, [verweerster] op grond van artikel 7:682 lid 3 sub a BW een billijke vergoeding aan hem verschuldigd is.

Ontslag als statutair bestuurder

4.5.

[verzoeker] stelt zich primair op het standpunt dat het UWV ook had moeten oordelen over zijn ontslag als statutair bestuurder vanwege het bepaalde over zijn arbeidsrechtelijke bescherming in het addendum bij de arbeidsovereenkomst (zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.3). Nu het UWV geen toestemming heeft gegeven voor het ontslag van [verzoeker] als statutair bestuurder is de opzegging, aldus [verzoeker] , in strijd met artikel 7:669 lid 1 en 3 BW, zodat hij alleen daarom al recht zou hebben op een billijke vergoeding.
De kantonrechter volgt [verzoeker] niet in zijn standpunt en is van oordeel dat het UWV op goede gronden het ontslag als statutair bestuurder buiten beschouwing heeft gelaten. Op grond van artikel 7:671 lid 1 sub e BW is voor het ontslag van een bestuurder geen toestemming van het UWV vereist. Het is aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (hierna :AVA) om een statutair bestuurder te ontslaan. Dat partijen afwijkende afspraken hebben gemaakt over de arbeidsrechtelijke bescherming staat daaraan niet in de weg, omdat die afspraken nu juist zien op de arbeidsovereenkomst die tussen [verzoeker] en [verweerster] bestond en daarover heeft het UWV dan ook terecht geoordeeld.

4.6.

Subsidiair stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat het ontslag door de AVA niet op een voldragen redelijke grond berust, zodat de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 3 sub a BW. Met [verweerster] is de kantonrechter van oordeel dat het ontslag in vennootschapsrechtelijke zin is onderworpen aan de eisen die daaraan worden gesteld in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de statuten. Uitgangspunt is dat een statutair bestuurder te allen tijde kan worden geschorst en ontslagen door de AVA en dat eventuele gebreken bij het besluitvormingsproces getoetst dienen te worden aan het vennootschapsrecht. [verzoeker] heeft nagelaten tegen het ontslagbesluit van de AVA te ageren. [verzoeker] heeft ook geen vernietiging van het ontslagbesluit verzocht op grond van artikel 2:15 BW. Dat had wel op zijn weg gelegen, nu [verzoeker] stelt dat het ontslagbesluit niet deugt. De kantonrechter laat het ontslagbesluit van de AVA en de besluitvorming daaromheen dan ook buiten beschouwing bij de beoordeling of sprake is van een redelijke grond in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub a BW.

4.7.

In het geval van een statutair bestuurder is uitgangspunt dat het rechtsgeldige ontslag uit zijn vennootschapsrechtelijke positie als regel tevens opzegging van zijn arbeidsovereenkomst met zich brengt, zoals volgt uit de zogeheten “15 april-arresten” van de Hoge Raad (HR 15 april 2015, ECLI:NL:HR:2005:AS2030 en AS2713). In onderhavige zaak is door partijen in het addendum bij de arbeidsovereenkomst evenwel een afwijkende afspraak gemaakt over de arbeidsrechtelijke bescherming die [verzoeker] geniet bij beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. In de situatie van [verzoeker] heeft het ontslagbesluit van de AVA derhalve niet geleid tot een opzegging van de arbeidsovereenkomst, omdat daarvoor (gelet op het bepaalde in het addendum) de ontslagprocedure van het UWV moet worden gevolgd. Voor de beëindiging van de contractuele, arbeidsrechtelijke, overeenkomst dient daarom een redelijke grond voor opzegging in de zin van artikel 7:669 BW aanwezig te zijn. Die redelijke grond voor opzegging zal hierna worden beoordeeld waar het gaat om de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerster] .

Arbeidsrechtelijk ontslag [functie]

4.8.

[verzoeker] stelt dat er geen sprake is van noodzakelijk verval van de functie [functie] als gevolg van bedrijfseconomische redenen en dat het UWV daarom ten onrechte toestemming heeft verleend om zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen.

[verzoeker] stelt zich allereerst op het standpunt dat de organisatorische redenen die [verweerster] heeft aangevoerd als reden voor het ontslag zijn ingegeven door financiële redenen. Dat blijkt volgens [verzoeker] uit de “Rationale for Organization Restructuring” zoals opgenomen in het reorganisatieplan van [verweerster] (zoals geciteerd onder rechtsoverweging 2.7.), waarin onder meer naar daling van de verkoop van speakers wordt verwezen en waarin staat vermeld dat het steeds moeilijker wordt om de targets te halen. Uit de Uitvoeringsregels UWV blijkt volgens [verzoeker] dat indien de organisatorische veranderingen zijn ingegeven door slechte of slechter wordende financiële resultaten of door vermindering van werk, de werkgever ook daaromtrent gegevens moet aanleveren om aannemelijk te maken dat het verval van arbeidsplaatsen noodzakelijk is. Het UWV heeft volgens [verzoeker] dan ook ten onrechte beslist dat het niet noodzakelijk is de ontslagaanvraag te voorzien van financiële gegevens, terwijl het reorganisatieplan duidelijk maakt dat de organisatorische veranderingen mede worden ingegeven door financiële redenen.

[verweerster] voert aan dat zij in 2020 de strategische keuze heeft gemaakt om de focus te verleggen van de verkoop van hardware (met name via de detailhandel) naar online verkoop via de eigen webshop van [verweerster] . Daarnaast heeft [verweerster] met name voor zakelijke klanten pakketten/bundels van hardware en software ontwikkeld, waarbij periodieke inkomsten worden gegeneerd en gebruikerservaringen van klanten worden geoptimaliseerd door middel van nieuwe diensten. Dit heeft er toe geleid dat in Nederland binnen de afdeling [naam afdeling] , waar [verzoeker] werkzaam was, in totaal elf rollen zijn komen te vervallen.
[verweerster] voert aan dat alle ontslagen die gebaseerd zijn op organisatorische veranderingen per definitie in enige mate verband houden met winstoptimalisatie. Dat verklaart volgens [verweerster] ook waarom er in het reorganisatieplan aandacht is besteed aan de financiële positie van [verweerster] . Uit het reorganisatieplan blijkt volgens [verweerster] echter ook duidelijk dat ten gevolge van strategische keuzes bepaalde functies komen te verdwijnen, terwijl daar andere functies voor in de plaats komen. De ontslagaanvraag is, aldus [verweerster] , dan ook gebaseerd op organisatorische veranderingen van strategische aard, waartoe al in mei 2020 besloten is.

4.9.

Met [verweerster] is de kantonrechter van oordeel dat het, bij een reorganisatie die voortkomt uit organisatorische veranderingen, inherent is dat daarbij ook financiële afwegingen worden betrokken. De essentie van het reorganisatiebesluit van [verweerster] ligt echter wel duidelijk besloten in de strategische heroverweging die zij heeft gemaakt teneinde haar (verkoop)positie op de markt te veranderen, zodat hierna zal worden beoordeeld of dit redelijk is.

Het is aan een werkgever voorbehouden om zijn onderneming zo te kunnen inrichten dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn verzekerd is. Bij de toetsing van die beslissing past dan ook een zekere mate van terughoudendheid, waarbij de werkgever zich moet verantwoorden. Het verleggen van de focus van de verkoopactiviteiten en het over een andere boeg gooien voor wat betreft nieuwe (andere) vormen van dienstverlening behoort tot de beleidsvrijheid van [verweerster] . Dat die keuze mede wordt ingegeven door winstoptimalisatie en kostenreductie is in de UWV procedure mogelijk onderbelicht gebleven, maar dat leidt er niet toe dat daardoor geen sprake is van een redelijke grond in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub a BW. Dat [verweerster] geen financiële gegevens heeft aangeleverd bij het UWV, maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat daarmee door het UWV ten onrechte toestemming is verleend. [verweerster] hoefde in het kader van de ontslagprocedure ook geen slechte financiële situatie aan te tonen, aangezien zij niet heeft betoogd dat daar sprake van zou zijn. Dat de nevendoelstelling van de organisatorische veranderingen is om kosten te reduceren is aannemelijk en komt de kantonrechter niet onredelijk voor.

4.10.

[verzoeker] stelt verder dat er geen financiële redenen waren om te reorganiseren en hij wijst er in dat kader onder meer op dat de verkoop van speakers niet is gedaald, maar dat uit recente documentatie van [verweerster] blijkt dat de verkoop van speakers sterk is gestegen in 2020 en 2021. Ook is, aldus [verzoeker] , de omzet over 2020 aanzienlijk gestegen.

Naar het oordeel van de kantonrechter wijst [verweerster] er op dit punt terecht op dat ook al zijn de cijfers uiteindelijk gunstiger gebleken dan voorzien, dat dit weinig tot niets zegt over de voorzienbaarheid daarvan ten tijde van de inzet van de reorganisatie.

Verder heeft hier te gelden dat [verweerster] geen slechte financiële situatie aan haar ontslagaanvraag ten grondslag heeft gelegd, maar juist organisatorische redenen. Zoals hiervoor is overwogen heeft [verweerster] die keuze voldoende onderbouwd.

4.11.

[verzoeker] stelt vervolgens nog dat [verweerster] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een organisatorische verandering die noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. [verzoeker] betwist dat [verweerster] een nieuwe weg inslaat door zich ook te richten op software, omdat zij zich al sinds de oprichting op software richt. Volgens [verzoeker] is het onjuist en heeft [verweerster] niet onderbouwd dat software nu het primaire doel wordt van [verweerster] . [verzoeker] stelt dat de verkoop van hardware (speakers) nog steeds het hoofdproduct is van [verweerster] .
heeft aangevoerd dat deze nieuwe ontwikkelingen een strategiewijziging vereist die zich niet slechts beperkt tot het verkopen van software. [verweerster] voert aan dat het bedrijfsmodel voor de korte en middellange termijn weliswaar nog steeds is gericht op het optimaliseren van de verkoop van hardware, maar dat dit in steeds grotere mate gebeurt via de eigen website in plaats van door middel van fysieke verkoopkanalen. [verweerster] voert aan dat zij er aldus een strategisch belang bij heeft om te investeren in bijbehorende diensten en software om dit doel te bereiken. Dat heeft tot gevolg gehad dat de activiteiten van het [.] team, die met name gericht zijn op het ontwikkelen van verkoop via externe partijen, niet langer prioriteit hebben. Daardoor bestaat in veel mindere mate behoefte aan [.] . Dat heeft onder meer geleid tot het verval van de functie van [verzoeker] .
[verweerster] heeft er verder tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat het verleggen van haar focus zoals hierboven beschreven, er toe heeft geleid dat er grote verschuivingen plaats hebben gevonden binnen [verweerster] , waardoor er nu meer mensen zijn aangetrokken met een online en commerce achtergrond. Door [verzoeker] is dit alles niet danwel onvoldoende weersproken.

4.12.

[verweerster] heeft daarmee naar het oordeel van de kantonrechter haar keuzes, gelet op al het vorenstaande, voldoende verantwoord. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de functie van [verzoeker] als gevolg van organisatorische veranderingen is vervallen.

Herplaatsingsverplichtingen

4.13.

Vervolgens ligt de vraag voor of aan het tweede uit artikel 7:669 lid 1 BW volgende vereiste voor de rechtsgeldigheid van het ontslag is voldaan, te weten het herplaatsingsvereiste. Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW geldt, naast het aanwezig zijn van een redelijke grond, als extra voorwaarde dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede

ligt.

[verzoeker] stelt dat [verweerster] haar herplaatsingsverplichtingen heeft geschonden door geen herplaatsingsgesprek met hem te hebben gevoerd en hem ook niet te hebben gewezen op openstaande vacatures.

[verweerster] betwist dat zij niet aan haar herplaatsingsverplichtingen heeft voldaan en stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] niet heeft gereageerd op de vacatures die hij op 24 juni 2020 van [verweerster] toegestuurd heeft gekregen en dat hij al vanaf 1 juli 2020 elders een functie als CFO heeft aanvaard, zodat hij ook niet openstond voor de mogelijkheid van herplaatsing binnen [verweerster] .

4.14.

De kantonrechter is van oordeel dat [verweerster] geen herplaatsingsinspanningen heeft ondernomen ten aanzien van [verzoeker] . Zij heeft slechts aan [verzoeker] de drie openstaande vacatures toegestuurd die zij naar alle boventallige werknemers heeft verzonden op de dag waarop zij heeft meegedeeld dat de functie van [verzoeker] in het kader van de reorganisatie komt te vervallen. Vaststaat dat daarbij geen voor [verzoeker] passende vacature zat. Dat [verzoeker] niet gesolliciteerd heeft op één van die vacatures kan hem dan ook niet worden tegengeworpen.

Daarnaast staat vast dat [verweerster] nooit een gesprek heeft gevoerd met [verzoeker] over mogelijke passende functies danwel zijn wensen ten aanzien van herplaatsing in een andere functie.
Door [verweerster] is niet weersproken dat er vacatures openstonden binnen [verweerster] of de [naam verweerster] -groep, gedurende de periode dat de ontslagprocedure bij het UWV aanhangig was, waar mogelijk ook één of meerdere passende functies voor [verzoeker] bij zaten. [verweerster] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat er functies op haar website zijn geplaatst die niet door [verweerster] bij [verzoeker] onder de aandacht zijn gebracht. Die functies zijn door [verweerster] niet aan [verzoeker] aangeboden, sterker nog: [verweerster] heeft [verzoeker] in het geheel niet gewezen op openstaande vacatures.

[verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de vacatures op een gegeven moment op de website van [verweerster] heeft zien staan, maar dat hij daar niet op heeft gereageerd vanwege de opstelling van [verweerster] . Dat [verweerster] hem in het geheel niet heeft geattendeerd op deze vacatures is voor [verzoeker] een teken geweest waaruit volgens hem blijkt dat [verweerster] hem ook geen kans wilde geven op deze vacatures. De kantonrechter acht die opstelling van [verzoeker] , onder de gegeven omstandigheden, begrijpelijk.

Dat [verzoeker] al vanaf 1 juli 2020 bij een ander bedrijf werkzaam zou zijn als CFO, zoals [verweerster] heeft aangevoerd, is door [verzoeker] uitdrukkelijk betwist. De kantonrechter is gebleken dat [verzoeker] , na daarvoor verleende schriftelijke toestemming van [verweerster] , sinds april 2020 nevenwerkzaamheden verrichtte voor dit bedrijf, maar niet is gebleken dat [verzoeker] vanaf
1 juli 2020 fulltime als CFO bij dat bedrijf aan de slag is gegaan. Overigens heeft [verweerster] ook verklaard dat zij pas achteraf en dus niet op het moment dat de vacatures op haar website stonden, tot de ontdekking kwam dat [verzoeker] als CFO werkzaam zou zijn bij een ander bedrijf. [verweerster] kan zich dan ook niet verschuilen achter haar stelling dat [verzoeker] geen interesse zou hebben gehad in vacatures binnen [verweerster] en dat daardoor de vacatures niet bij hem onder de aandacht hoefden te worden gebracht.

Van een werkgever wordt ook een actieve opstelling verwacht in het kader van haar herplaatsingsverplichtingen. Door met [verzoeker] geen gesprek aan te gaan over mogelijke passende functies en door hem niet te wijzen op de mogelijke passende vacatures gedurende de periode dat de ontslagprocedure bij het UWV nog aanhangig was, heeft [verweerster] haar herplaatsingsverplichtingen geschonden.

Van een voldoende en deugdelijk herplaatsingstraject kan derhalve niet worden gesproken. Dit betekent dat de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW.

4.15.

Gelet op artikel 7:682 lid 1, onderdeel b, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding niet alleen vereist dat de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW, maar ook dat herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

4.16.

[verweerster] heeft aangevoerd dat [verzoeker] heeft nagelaten om herstel van zijn dienstverband te vorderen, zodat volgens [verweerster] alleen al om die reden geen billijke vergoeding kan worden toegekend.

De kantonrechter is anders dan [verweerster] van oordeel dat het feit dat [verzoeker] geen herstel heeft gevorderd van de arbeidsovereenkomst, niet in de weg staat aan het toekennen van een billijke vergoeding. Een werknemer kan er gelet op artikel 7:682 lid 1, onderdeel b, BW voor kiezen een billijke vergoeding te vorderen, in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter neemt hierbij mede in aanmerking dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het in eerste instantie aan de werknemer zelf is om te beoordelen of herstel in redelijkheid nog mogelijk is (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 113). Wel is voor het toekennen van een billijke vergoeding vereist dat herstel in redelijkheid niet mogelijk is als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of in dit verband sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] .

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat, of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever?
4.17. [verzoeker] stelt dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en voert daartoe de volgende redenen aan:

a. a) [verweerster] heeft hem per direct, eenzijdig en zonder hem te horen en een grond mede te delen op non-actief gesteld;

b) [verweerster] heeft geruime tijd (drie maanden en een week) voorafgaand aan de aandeelhoudersvergadering intern en extern gecommuniceerd dat [verzoeker] niet meer in dienst was, met alle schade aan zijn reputatie, naam en carrièreperspectieven tot gevolg;

c) [verweerster] heeft [verzoeker] in strijd met de wettelijke vereisten op grond van artikel 2:8, 2:227 lid 7 BW en/of 2:15 BW ontslagen als statutair bestuurder (omdat het ontslag op voorhand al vaststond). Reeds dat gegeven brengt met zich mee dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] ;

d) [verweerster] is haar herplaatsingsverplichting ex artikel 7:669 lid 1 BW niet nagekomen, hetgeen gezien het feit dat [verzoeker] gedurende vele jaren met succes vele posities binnen [verweerster] heeft vervuld zeker tot de mogelijkheden had behoord;

e) er is geen redelijke grond voor het ontslag van [verzoeker] . Mitsdien heeft zij de arbeidsovereenkomst opgezegd in strijd met artikel 7:669 BW, dit brengt met zich dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, nu deze ernstige verwijtbaarheid reeds besloten ligt in de schending van de opzeggingsregels;

f) [verweerster] heeft [verzoeker] door de bewuste vertraging van de ‘nagekomen informatie’

geschaad in zijn recht en belangen om zich gedegen te kunnen verweren

tegen het ontslag.

4.18.

[verweerster] betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat geen sprake kan zijn van toekenning van een billijke vergoeding.

Zij voert aan dat de non-actiefstelling voor [verzoeker] geen nadelige effecten voor zijn reputatie en/of carrièreperspectieven heeft gehad, dat het ontslag in vennootschapsrechtelijke zin voldoet aan de vereisten en dat [verweerster] wel degelijk herplaatsingsinspanningen heeft verricht, maar dat [verzoeker] hier zelf geen belangstelling voor had.

4.19.

Naar het oordeel van de kantonrechter is wel sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerster] op grond van de navolgende omstandigheden. Vaststaat dat [verzoeker] altijd uitstekend heeft gefunctioneerd en dat het ontslag aldus niets van doen heeft met zijn persoon. Het gaat verder om een bedrijfseconomisch ontslag wegens organisatorische veranderingen, zodat er geen enkele noodzaak bestond voor [verweerster] om in navolging op de mededeling aan [verzoeker] dat zijn functie komt te vervallen, hem per direct op non-actief te stellen, hem de toegang te ontzeggen tot zijn e-mailaccount en overige systemen en daarnaast een “out of office” melding in te schakelen voor [verzoeker] waarin vermeld staat dat hij niet meer werkzaam is voor [verweerster] . Daarmee is direct intern en extern gecommuniceerd over het vertrek van [verzoeker] zonder dit vooraf met hem af te stemmen. Uit de out of office melding blijkt ook niet dat het gaat om een ontslag in het kader van een reorganisatie. Dit heeft veel vragen van relaties aan [verzoeker] opgeleverd en kan de indruk wekken dat [verzoeker] een verwijt valt te maken van zijn vertrek, te meer nu dit van de één op andere dag heeft plaatsgevonden en als zodanig is gecommuniceerd.

Er bestond geen enkele noodzaak, althans [verweerster] heeft deze niet aangetoond, om per direct het besluit te nemen de functie van [verzoeker] te laten vervallen en evenmin om hem zonder enige aanleiding op non-actief te stellen en het middels de out of office melding te communiceren aan in-en externe contacten van [verzoeker] . Deze handelwijze van [verweerster] is een ernstige schending van goed werkgeverschap en valt [verweerster] zwaar aan te rekenen.
Onder die omstandigheden is herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet meer mogelijk, mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen over de onvoldoende herplaatsingsinspanningen van [verweerster] en het kennelijk bewust niet attenderen van [verzoeker] op de mogelijke passende vacatures binnen haar organisatie op het moment dat de ontslagprocedure nog aanhangig was. Ook die schending van de herplaatsingsinspanningen van [verweerster] is te kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen.
Het verzoek van [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding is dus in beginsel toewijsbaar.


Ernstig verwijtbaar handelen werknemer?
4.20. [verweerster] heeft echter nog aangevoerd dat het juist [verzoeker] is die ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat hij, indien hij financiële gevolgen ondervindt van het ontslag, dat deels aan zichzelf te wijten heeft en een billijke vergoeding dan ook niet aan de orde kan zijn.
Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [verweerster] aangevoerd dat [verzoeker] in de ontslagprocedure bij het UWV heeft gemeld dat hij statutair bestuurder bij [verweerster] is, hetgeen tot afwijzing van de ontslagaanvraag zou hebben geleid. Daarnaast heeft [verzoeker] , aldus [verweerster] , ernstig verwijtbaar gehandeld door per 1 juli 2020 elders als CFO in dienst te treden, zonder daarvan melding te doen aan [verweerster] , waardoor hij gedurende een periode van negen maanden dubbele inkomsten heeft ontvangen. Door die indiensttreding elders, terwijl hij nog in dienst was van [verweerster] , heeft [verzoeker] tevens in strijd met het concurrentiebeding gehandeld, wat eveneens ernstig verwijtbaar is.
De kantonrechter volgt [verweerster] niet in dit standpunt omdat er geen aanwijzingen zijn dat [verzoeker] het UWV heeft willen misleiden en bewust de ontslagprocedure bij het UWV zou hebben getraineerd. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij in het kader van zijn verweer tegen de ontslagaanvraag ook is ingegaan op de werkzaamheden die hij in de hoedanigheid van statutair bestuurder verricht voor [verweerster] . Dat [verzoeker] niet expliciet heeft vermeld in zijn verweer richting het UWV dat hij per 21 september 2020 door de AVA als statutair bestuurder is ontslagen, kan hem niet worden verweten.
Het had primair op de weg van [verweerster] gelegen bij aanvang van de ontslagprocedure volledige openheid van zaken te geven over de functies en werkzaamheden van [verzoeker] . Daarnaast had van [verweerster] , na ontvangst van het verweer van [verzoeker] waarin hij refereert aan zijn werkzaamheden als statutair bestuurder, verwacht mogen worden dat zij zelf bij het UWV zou melden dat [verzoeker] sinds 21 september 2020 geen statutair bestuurder meer is door het ontslagbesluit van de AVA.
Ten aanzien van het verwijt dat [verweerster] maakt aan [verzoeker] dat hij al per 1 juli 2020 als CFO bij een ander bedrijf zou zijn gestart, geldt allereerst dat dit niet is komen vast te staan. [verzoeker] heeft uitdrukkelijk betwist dat hij daar al vanaf juli 2020 werkzaam is als CFO, en heeft gesteld dat dit pas per 2 november 2020 het geval is.
Daarbij weegt mee dat [verweerster] aan [verzoeker] schriftelijke toestemming heeft gegeven voor het verrichten van nevenwerkzaamheden bij dit desbetreffende bedrijf. Van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] is dan ook geen sprake. De vraag is vervolgens wat de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding moet zijn.

4.21.

De billijke vergoeding moet – naar haar aard – in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval (zie: HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR: 2017:1187 (Hairstyle)). Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Gelet op het curriculum vitae van [verzoeker] en zijn daaruit naar voren komende werkervaring, zijn leeftijd en het feit dat hij al vanaf in ieder geval november 2020 elders werkzaam is als CFO (zij het tegen een aanzienlijk lager inkomen), is de kantonrechter met [verweerster] van oordeel dat [verzoeker] binnen afzienbare tijd een andere baan zal kunnen vinden. Anderzijds kan aan [verzoeker] worden toegegeven dat vergelijkbare functies tegen een vergelijkbare beloning niet voor het oprapen liggen. De kantonrechter acht het daarom aannemelijk dat het ongeveer een half jaar zal duren voordat [verzoeker] een andere vergelijkbare baan heeft gevonden. Verder weegt mee dat [verzoeker] al gedurende langere tijd dubbele inkomsten heeft ontvangen, in elk geval vanaf november 2020 als CFO en dat hij die inkomsten tot en met 30 september 2021 blijft ontvangen. De kantonrechter acht het redelijk om die inkomsten in mindering te brengen op de geschatte overbruggingsperiode van een half jaar zoals hiervoor overwogen. [verzoeker] heeft gesteld in die functie een jaarsalaris van € 72.000,00 te verdienen, zodat de kantonrechter daarbij aansluit. Dat komt neer op een maandsalaris van € 6.000,00 per maand.
De billijke vergoeding wordt dan ook begroot op een bedrag gelijk aan zes maanden aan inkomen dat [verzoeker] bij [verweerster] verdiend zou hebben (€ 16.618,29 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en het gemiddelde bonusbedrag van € 3.904,33 per maand x zes maanden) minus elf maanden aan inkomsten van [verzoeker] bij een derde (elf maanden x € 6.000,00). De zes maanden overbruggingsperiode staat gelijk aan zes maanden inkomsten van [verzoeker] bij [verweerster] ; dat komt neer op een bedrag van € 131.112,50, waarop een bedrag van € 66.000,00 in mindering wordt gebracht wegens zijn inkomen als CFO bij een derde over de periode van november 2020 tot en met september 2021. De billijke vergoeding komt daarmee op een bedrag van € 65.112,50. Voor het berekenen van de gemiddelde bonus is het gemiddelde genomen over de jaren 2018 tot en met 2020. Die bedragen, zoals vermeld in rechtsoverweging 2.5 staan niet ter discussie.
De schade die [verzoeker] meent te lijden door het mislopen van Restricted Stock Units (RSU’s) en het Stock Options Plan door zijn ontslag per 1 april 2021 worden – anders dan [verzoeker] heeft verzocht – niet bij de begroting van de billijke vergoeding meegenomen. Aan het eindigen van de arbeidsovereenkomst is inherent dat er na 1 april 2021 geen aanspraken meer bestaan op die RSU’s en opties. Dit zou slechts anders kunnen zijn als er geen redelijke grond voor het ontslag zou zijn.
De wettelijke rente over de billijke vergoeding is toewijsbaar vanaf twee weken na datum van deze beschikking.

Verklaring voor recht
4.22. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerster] heeft plaatsgevonden in strijd met artikel 7:669 BW wordt afgewezen. Bij dit verzoek bestaat geen zelfstandig belang meer, gelet op de toewijzing van de billijke vergoeding.

Bonus

4.23.

[verzoeker] heeft verzocht om toekenning van de bonus over het boekjaar 2020 (dat loopt van 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2020) ter hoogte van € 65.481,57 bruto. [verweerster] heeft aangevoerd dat aan [verzoeker] geen bonus toekomt over 2020, omdat een vereiste voor toekenning van de bonus zou zijn dat de werknemer op het moment van uitbetaling van de bonus “actively employed” is (verwezen wordt naar het geciteerde onder rechtsoverweging 2.4).
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] er terecht op gewezen dat het feit dat hij sinds 24 juni 2020 geen werkzaamheden meer heeft verricht, het gevolg is van de handelwijze van [verweerster] . Het valt dan ook in de risicosfeer van [verweerster] dat [verzoeker] geen werkzaamheden meer heeft verricht. De eenzijdige beslissing van [verweerster] om [verzoeker] op nonactief te stellen kan niet leiden tot het gevolg dat zij daarmee ook eenzijdig bepaalt dat aan [verzoeker] geen bonus meer hoeft te worden betaald. Dat [verweerster] die voorwaarde weliswaar in haar bonusregeling heeft opgenomen, maakt nog niet dat dit gerechtvaardigd is. Ook aan het verweer van [verweerster] dat dan slechts over de periode tot 1 juli 2020 een bonus kan worden toegekend, wordt voorbijgegaan omdat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] al per 1 juli 2020 elders als CFO werkzaam was. Door [verweerster] is de hoogte van de bonus over 2020 die is berekend op 114% van de behaalde targets, verder niet weersproken. De vordering tot betaling van de bonus over het boekjaar 2020 van € 65.481,57 bruto wordt dan ook toegewezen.

Wettelijke verhoging

4.24.

[verzoeker] heeft verzocht om toewijzing van de wettelijke verhoging over de bonus die [verweerster] hem over het boekjaar 2020 had moeten betalen. De kantonrechter wijst de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW toe, maar ziet aanleiding deze te matigen tot 10%.

Specificaties
4.25. [verweerster] heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot verstrekking van een deugdelijke bruto-netto specificatie van de billijke vergoeding, bonusbetaling, de wettelijke verhoging over de bonus en de over die bedragen verschuldigde wettelijke rente. Dit verzoek is dan ook toewijsbaar. Evenmin heeft [verweerster] verweer gevoerd tegen de verzochte dwangsom, zodat deze wordt toegewezen, zij het gemaximeerd tot een bedrag van € 100,00 per dag, met een maximum van € 2.000,00.

Schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW

4.26.

[verzoeker] stelt dat hij advocaatkosten heeft moeten maken, omdat [verweerster] in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen uit hoofde van goed werkgeverschap ex artikel 7:611 juncto 2:8 lid 1 BW en verzoekt vergoeding van zijn advocaatkosten van € 18.000,00 inclusief BTW te vermeerderen met wettelijke rente.
Voor een veroordeling tot betaling van de volledige advocaatkosten is slechts plaats in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van recht. Niet gesteld of gebleken is dat die situatie zich in dit geval voordoet. Dat is geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerster] is daarvoor op zichzelf niet, althans niet zonder meer, toereikend. Het verzochte bedrag aan advocaatkosten zal derhalve worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.27.

[verzoeker] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden en dat [verzoeker] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.429,73 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen omdat niet is gesteld of gebleken dat [verzoeker] deze kosten al daadwerkelijk aan zijn gemachtigde heeft betaald of met de betaling daarvan in verzuim verkeert en als zodanig vermogensschade heeft geleden.


Proceskostenveroordeling
4.28. [verweerster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [verzoeker] tot vandaag begroot op € 1.503,00 bestaande uit € 507,00 aan griffierecht en € 996,00 aan salaris gemachtigde.
Ook de door [verzoeker] verzochte nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar, op de hierna te melden wijze.

Uitvoerbaar bij voorraadverklaring

4.29.

De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring, waartegen geen verweer is gevoerd, zal eveneens worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 65.112,50 bruto ter zake van de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:682 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf twee weken na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [verweerster] om binnen twee dagen na de datum van deze beschikking over te gaan tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 65.481,57 bruto ter zake de bonus over het boekjaar 2020, te vermeerderen met de gemaximeerde wettelijke verhoging van 10%;

5.3.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag onder 5.2 en de wettelijke verhoging, vanaf het moment van opeisbaarheid van de afzonderlijke bedragen tot de dag der algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt [verweerster] om binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking over te gaan tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie ex artikel 7:626 BW ter zake de onder 5.1 tot en met 5.3 toegewezen bedragen, zulks op straffe van een dwangsom van
€ 100,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat [verweerster] in strijd handelt met deze veroordeling, met een maximum van € 2.000,00;

5.5.

veroordeelt [verweerster] om binnen twee dagen na de datum van deze beschikking over te gaan tot betaling aan [verzoeker] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.429,73;

5.6.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot vandaag begroot op € 1.503,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

5.7.

veroordeelt [verweerster] in de kosten die zijn ontstaan na deze beschikking, begroot op
€ 124,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze beschikking is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van volledige betaling;

5.8.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2021