Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4584

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-09-2021
Datum publicatie
24-09-2021
Zaaknummer
16.081453.21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor kunstroven schilderijen Van Gogh en Frans Hals. Bewijs berust op resultaten DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van schakelbewijs. Maximale gevangenisstraf opgelegd. Dit vanwege de ernst van diefstallen van cultureel erfgoed dat nog steeds spoorloos is en vanwege het strafblad van verdachte, die al eerder voor een kunstroof is veroordeeld. Toewijzing schadevordering benadeeld museum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.081453.21 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1962] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , aan [adres] ,
thans gedetineerd te P.I. Nieuwegein,

(hierna: verdachte).

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 september 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. G. Hoppenbrouwers en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.W. van Zanden, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt erop neer dat verdachte:

feit 1:

op 30 maart 2020 te Laren samen met (een) ander(en), uit het Singer museum heeft weggenomen een schilderij van Vincent Van Gogh door middel van braak en/of verbreking en//of inklimming;

feit 2:

op 26 augustus 2020 te Leerdam samen met (een) ander(en) uit het museum Hofje Van Aerden heeft weggenomen een schilderij van Frans Hals door middel van braak en/of verbreking en//of inklimming;

feit 3:

op 6 april 2021 te Baarn een vuurwapen, van het merk HS, kaliber 9x19 mm in de vorm van een pistool,
en

munitie, te weten een of meer scherpe patro(o)n(en) van het merk Geco, kaliber 9 mm Luger voorhanden heeft gehad;

feit 4:

op 6 april 2021 te Baarn 4321,7 gram (te weten 10404 pillen) MDMA aanwezig heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft haar standpunt verwoord in een ter terechtzitting overgelegd schriftelijk requisitoir. De officier van justitie acht het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft haar standpunt verwoord in een ter terechtzitting overgelegde pleitnota. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Bewijsmiddelen 1

[aangever 1] heeft op 30 maart 2020 namens Singer Museum en Groninger Museum bij de politie aangifte gedaan. Aangever heeft, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte

proces-verbaal van aangifte, het volgende verklaard:2

Op 30 maart 2020 omstreeks 03:25 uur werd ik gebeld door de alarmmaatschappij. Er

werd mij verteld dat er een alarm bij het Singer museum te Laren af zou gaan. Hierop ben ik meteen ter plaatse gegaan. Ik zag dat de voordeur geheel vernield was. Ook zag ik dat de tweede toegangsdeur vernield was. Deze twee deuren zijn van glas. Ik zag dat er nog een ruit van een andere deur vernield was. Ook zag ik dat er een ruit vernield was van een deur richting Zaal 1. Ik zag dat uit zaal 1 een schilderij van Vincent van Gogh was weggenomen. Het schilderij dat is weggenomen is Lentetuin. Het schilderij is eigendom van het Groninger museum.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 30 maart 2020 camerabeelden bekeken. Daarover heeft hij het volgende verklaard, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal van bevindingen:3

30 maart 2020 om 03.14:28 uur: vanaf de linkerzijde van het beeld is een motor/brom/snorfiets zichtbaar met aan de voorzijde de verlichting aan. Het betreffende voertuig keert om en rijdt met kopverlichting aan richting de camera. Vervolgens gaat de kopverlichting uit en blijft de bestuurder met de motor/brom/snorfiets stil staan. De bestuurder blijft een aantal seconden stil staan en rijdt vervolgens terug waar hij vandaan kwam.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 14 april 2020 verklaard dat cameraspecialist [cameraspecialist] camerabeelden heeft bekeken. Daarover is het volgende verklaard, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal van bevindingen:4

03:14:51 uur: de man trekt een hamer/moker tevoorschijn en slaat tegen de buitenste ruit van de shop. Het glas barst. Na een tweede slag valt de rest van het glas naar beneden. De man loopt naar binnen.

03:14:57 uur: de tweede deur probeert hij eerst kort met de hand te openen. Wanneer dit niet lukt, slaat hij wederom twee keer op het glas met de hamer/moker. Het glas breekt en hij rent naar binnen.

03:15:06 uur: ook de derde deur probeert hij eerst kort met de hand te openen. Wanneer dit niet lukt slaat hij met de hamer/moker 9 keer hard en snel tegen het glas van de derde deur. Het glas breekt, hij loopt verder.

03:15:53 uur: de man rent terug door de shop heen met het schilderij onder zijn rechterarm. Al snel komt de motor weer vanaf rechts aangereden.

03:15:58 uur: de motor komt vanaf rechts aangereden. Vermoedelijk stapt hij achterop de motor en rijden ze met zijn tweeën links uit beeld.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 1 mei 2020 verklaard dat cameraspecialist [cameraspecialist] camerabeelden heeft bekeken. Daarover is het volgende verklaard, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal van bevindingen:5

30 maart 2020 om 03:14:27 uur: een man rijdt op een scooter in oostelijke richting over de Oude Drift. Bij het kruispunt met de Naarderstraat mindert hij snelheid en maakt hij linksom een draai van 180 graden. Hierna komt hij midden op het kruispunt tot stilstand en doet hij de lichten van de motor uit. Hij kijkt nu recht naar het museum.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft op 2 april 2020 het volgende verklaard, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal van forensisch onderzoek bedrijf:6

Ik zag dat rechts voor de ingang van het museum enkele delen van een lijst, kennelijk de lijst van het weggenomen schilderij, lagen.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft op 7 april 2020 het volgende verklaard, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal vooronderzoek lab:7

In verband met een gekwalificeerde diefstal heb ik forensisch onderzoek verricht naar sporen aan onderstaande sporendrager: Lijst aangetroffen op trottoir, rechts van ingang museum.

Ik heb de achterzijde en de zijkant van alle acht de stukken en de schuifsluitingen van stuk 1 t/m 4 bemonsterd op mogelijke aanwezigheid van humane biologische sporen (greep- en aanraaksporen). Ik heb de sporen veiliggesteld, gewaarmerkt met onder andere SIN AAN06647NL.

Plaats veiligstellen: achterkant stuk 1 inclusief ophangoog.

Uit de deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek betreffende ‘aanvullend vergelijkend DNA-onderzoek’ van The Maastrischt Forensic Institute van 14 oktober 2020 blijkt het volgende:8

Om een uitspraak te doen over het mogelijke donorschap van celmateriaal van verdachte [verdachte] in de bemonstering van achterzijde stuk 1 en ophang oog AAN06647NL is de likelihood.-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:

Hyppthese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [verdachte] en twee onbekende, niet verwante personen.


Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante personen.

De resultaten van het onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijk wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

Bewijsmiddelen 9

[aangever 2] heeft op 26 augustus 2020 namens Museum Hofje van Aerden bij de politie aangifte gedaan. Aangever heeft, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte

proces-verbaal van aangifte, het volgende verklaard:10

Op 26 augustus 2020 omstreeks 04:50 uur werd ik gebeld door de alarmcentrale

dat het alarm in het museum Hofje van Aerden te Leerdam was afgegaan. Aangekomen bij het museum zag ik dat de deur open stond. Ik zag dat de deur kapot was. Ik zag dat het hout en de spijkers aan de rechter zijkant van de deur vervormd waren. Op de eerste verdieping deed ik de deur open van een grote ruimte waar diverse schilderijen hangen. Ik zag dat het schilderij "De twee lachende jongens" van Frans Hals was weggenomen.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft op 26 augustus 2020 het volgende verklaard, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal van bevindingen:11

Ik zag dat er vlak achter de rechter muur, gezien vanaf de straatzijde, in de tuin een plat getrapte courgetteplant stond. Ik vermoed dat de daders hier over de muur zijn geklommen om in de tuin te komen welke toegang geeft tot de deur die was opengebroken. Ik heb vervolgens met de hondengeleider een onderzoek op de plaats delict ingesteld. Na dit onderzoek hoorde ik de hondengeleider verklaren dat zijn hond in de tuin opvallend aansloeg op de platgetrapte courgette plant. Dat hij in de tuin vanaf de geforceerde deur ook naar de achterzijde van de tuin naar de stadsmuur aan de straat de Veerstoep liep. Ik verbalisant zag dat er op die locatie een lange oranje spanband aan een vlaggenmast op de stadsmuur hing. Ik zag dat deze band op de grond ongeveer 5 meter lager op de straat eindigde. Ik stelde vast dat het een platte kunststof spanband van ongeveer 3 cm breed was.

Verbalisant [verbalisant 6] heeft camerabeelden bekeken en heeft daarover op 2 september 2020 het volgende verklaard, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal van bevindingen:12

Cam 1, 26.08.2020, 03.04.59 uur (werkelijke tijd ongeveer 6 minuten later 03.10.59 uur):

Een scooter - met verlichting - komt aanrijden vanuit de richting van restaurant de Beren.
De scooter, met daarop twee NN personen
Het signalement van de personen op de scooter is niet te zien. Ook de scooter is niet nader te
omschrijven. Te zien is dat de persoon die achterop zit aan zijn linkerzijde iets vierkants met zich meedraagt. Gelet op het feit dat het weggenomen schilderij uit het museum een afmeting heeft van 68 x 56,5 cm, zou het betreffende schilderij geweest kunnen zijn.
De tijd dat de scooter uit beeld was betrof ongeveer 18 minuten. Op die plek is aan de ene zijde water en aan de andere zijde een muur. De muur is ongeveer 5 tot 7 meter hoog. Achter deze muur is het museum Hofje van Aerden de tuinen van het museum. Het water is doodlopend. Twee weken voor de inbraak in het museum werd door een wandelaar in het water een uitschuifbare ladder aangetroffen. Hij vond dat vreemd, haalde de ladder uit het water en stelde die veilig.

Verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] hebben op 2 september 2020 het volgende verklaard, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal van bevindingen:13

Wij hoorden [getuige] zeggen dat hij twee weken geleden een ladder had zien liggen in het water. [getuige] heeft ons de plaats aangewezen waar hij de ladder had aangetroffen. Dit betrof een plaats in het water recht tegenover de vlaggenmast waar vermoedelijk de dader(s) een spanband omheen hadden geknoopt.

Uit het rapport ‘onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een inbraak gepleegd in Leerdam op 26 augustus 2020’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 13 oktober 2020 blijkt het volgende:

Het onderzoeksmateriaal betreft twee aan elkaar geknoopte transportbanden.

Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek

Het DNA-profiel van de [verdachte] RAAY5465NL (geboren op [1962] ) is betrokken bij

het vergelijkend DNA-onderzoek. Dit DNA-profiel is betrokken bij het vergelijkend DNA-

onderzoek vanwege een overeenkomst in de DNA-databank.

AANO9483NL#17

Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie
niet-verwante personen. Ook is aangenomen dat een deel van het DNA afkomstig is van
persoon 1 uit de EDB.

DNA-mengprofiel AANO9483NL# 17 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer
de bemonstering DNA bevat van persoon 1 uit de EDB, [verdachte] en een willekeurige
onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van persoon 1 uit de EDB
en twee willekeurige onbekende personen.

AANO9483NL#18
Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee
niet-verwante personen. Ook is aangenomen dat een deel van het DNA afkomstig is van
persoon 2 uit de EDB.

DNA-mengprofiel AANO9483NL#18 is' meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer
de bemonstering DNA bevat van persoon 2 uit de EDB, [verdachte] , dan wanneer de
bemonstering DNA bevat van persoon 2 uit de EDB en een willekeurige onbekende
persoon.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 1 en 2

Schakelbewijs

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de wijzen waarop de feiten 1 en 2 zijn begaan niet op essentiële punten met elkaar overeenkomen, zodat de werkwijze onvoldoende onderscheidend is van andere diefstallen binnen de kunstwereld en er om die reden niet kan worden geschakeld.

Met de term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheiden feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.14

De rechtbank stelt voorop dat het in casu gaat om zeer bijzondere feiten. Diefstallen van erg kostbare schilderijen van wereldberoemde schilders uit een museum komen – gelukkig – niet regelmatig voor. Wanneer twee van deze diefstallen binnen een tijdsbestek van enkele maanden plaatsvinden, is alleen dat al een essentiële overeenkomst tussen die beide feiten. Ook ten aanzien van de werkwijze met betrekking de diefstallen bestaan, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, sterke overeenkomsten tussen de modus operandi. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen van beide feiten is gebleken dat de inbraken hebben plaatsgevonden rond hetzelfde tijdstip, namelijk tussen 3 uur en half 4 ‘s nachts. Ook is uit de camerabeelden gebleken dat bij beide diefstallen gebruik is gemaakt van een scooter, althans tweewielig motorvoertuig. Daarnaast gaat het in beide gevallen om een zeer waardevol schilderij van een beroemde schilder dat is weggenomen uit een klein (en daardoor minder beveiligd) museum met een relatief kleine collectie, waarvan het weggenomen schilderij het topstuk was en waarbij kennelijk doelgericht uitsluitend dit topstuk is weggenomen. In aanvulling daarop heeft de rechtbank in ogenschouw genomen de omstandigheid dat verdachte eerder veroordeeld is voor een kunstroof, eveneens van een zeer specifiek kunstwerk, uit een in omvang vergelijkbaar museum, te weten dat in Gouda.15 Bij die diefstal werd een vergelijkbare modus operandi gebruikt. Ten slotte is het in dit kader op zijn minst opvallend te noemen dat verdachte, die aangeeft geen bijzondere belangstelling voor schilderijen te hebben, op 30 januari 2012 werd vast gelegd op camerabeelden in het Drents Museum te Assen, waarbij hij meer aandacht zou hebben gehad voor de beveiligingssystemen dan voor de tentoongestelde schilderijen.16

De rechtbank zal daarom de bewijsmiddelen van feit 1 gebruiken als steunbewijs voor feit 2 en de bewijsmiddelen van feit 2 als steunbewijs voor feit 1. De bewijsmiddelen worden aldus over en weer gebruikt als steunbewijs.

Op grond van deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samengenomen bezien, is naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat het verdachte moet zijn geweest die betrokken is geweest bij de diefstal van de beide schilderijen.

Uit de onder de bewijsmiddelen opgenomen resultaten van DNA-onderzoeken, blijkt immers het volgende. Van een na de inbraak in ’t Hofje van Aerden aangetroffen spanband zijn bemonsteringen genomen die DNA-mengprofielen hebben opgeleverd. Van twee van die mengprofielen is berekend dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is dat dit DNA bevat van verdachte dan dat dit niet het geval is. Van delen van de lijst die na de inbraak bij het Singer museum zijn aangetroffen zijn eveneens bemonsteringen genomen die DNA-mengprofielen hebben opgeleverd. Van vier van die mengprofielen is berekend dat het ‘zeer veel waarschijnlijker’ (tussen de 10.000 en 1.000.000) is dat dit DNA bevat van verdachte dan dat niet het geval is. De rechtbank acht op grond van deze resultaten bewezen dat zowel op de spanband als op de lijst DNA van verdachte is aangetroffen.

De sporen op de lijst kunnen vanzelfsprekend als dadersporen worden bestempeld. Dit geldt ook voor de sporen op de spanband; het aantreffen direct na de diefstal van die aan een vlaggenmast bevestigde spanband, die vanaf een hoge muur naar de straat hing op een locatie waar kort daarvoor al een – kennelijk verborgen - uitschuifbare ladder was aangetroffen, brengt de rechtbank tot de conclusie dat die spanband door de dader(s) is gebruikt om het hoogteverschil tussen de museummuur en de straat te overbruggen.

Verdachte heeft geen enkel aannemelijk alternatief scenario gegeven voor de wijze waarop zijn DNA, anders dan door zijn betrokkenheid bij de diefstallen, op de lijst en de spanband is aangetroffen.

Medeplegen

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat er twee personen betrokken zijn geweest bij de diefstallen. Op de beelden is weliswaar een motor te zien, maar op geen enkel camerabeeld is te zien dat er twee personen op de motor zitten. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat tussen die twee personen in ieder geval geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, nu geen intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht van de bestuurder van de motor kan worden vastgesteld.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Zij overweegt daartoe dat uit de camerabeelden bij ’t Hofje van Aerden volgt dat een scooter met twee personen wegrijdt rond het tijdstip van de diefstal. Daarbij is te zien dat de persoon die achterop zit iets vierkants vasthoudt. Uit de camerabeelden van het Singer museum is gebleken dat een man op een scooter komt aanrijden. Vervolgens maakt hij een draai van 180 graden, doet de lichten van de motor uit en kijkt recht naar het museum. De combinatie van het rijgedrag, de gedoofde lichten en het tijdstip zijn omstandigheden die naar het oordeel van de rechtbank leiden tot de conclusie dat hier sprake is van een mededader van degene die op dat moment in het museum was. Uit hetgeen hierboven al is overwogen volgt dat verdachte steeds één van de daders is geweest. De uit de beschrijving van de camerabeelden volgende rol van de bestuurder(s) van de scooter(s) laat geen andere conclusie toe dan dat deze in een nauwe en bewuste samenwerking met de andere dader heeft gehandeld. De rechtbank merkt overigens op dat verdachte, die zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht heeft beroepen en ter terechtzitting zijn betrokkenheid bij beide feiten heeft ontkend, geen aanknopingspunten heeft gegeven voor een andere – niet als medeplegen te kwalificeren - rolverdeling tussen beide personen.

Conclusie

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank aldus van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee diefstallen in vereniging door middel van braak.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

Verdachte heeft het onder 3 tenlastegelegde bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 september 2021;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2021, genummerd PL0900-2020093226-60, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, procesdossier pagina 1266.

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 8 april 2021, genummerd PL0900-2020093226-61, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, procesdossier pagina’s 1267 en 1268.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

Verdachte heeft het onder 4 tenlastegelegde bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 september 2021;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 8 april 2021, genummerd PL0900-2020093226-62, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, pagina’s 1274 tot en met 1276.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

op 30 maart 2020 te Laren, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het Singer museum heeft weggenomen, een schilderij (te weten “Lentetuin, de pastorietuin te Nuenen in het voorjaar” van Vincent van Gogh toebehorende aan het Groninger Museum, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

feit 2:

op 26 augustus 2020 te Leerdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het museum Hofje Van Aerden heeft weggenomen, een schilderij (te weten de 'Twee lachende jongens' van Frans Hals) toebehorende aan het museum Hofje van mevrouw Van Aerden waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

feit 3:

op omstreeks 6 april 2021 te Baarn, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk HS, kaliber 9x19 mm in de vorm van een pistool,
en
munitie in de zin van 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten een of meer scherpe patronen van het merk Geco, kaliber 9 mm Luger voorhanden heeft gehad;

feit 4:

op 6 april 2021 te Baarn opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 4321,7 gram (te weten 10404 pillen) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de periode van het voorarrest en de inhoud van het reclasseringsadvies. Voor de feiten 3 en 4 heeft zij verzocht rekening te houden met de oriëntatiepunten van de LOVS en het feit dat het wapen ingepakt in de woning is aangetroffen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging door middel van braak. Daarbij gaat het niet zomaar om diefstallen, maar om de diefstallen van zeer waardevolle schilderijen uit verschillende musea. De schilderijen zijn van de voor vrijwel iedereen in Nederland en voor velen in de wereld bekende schilders Vincent van Gogh en Frans Hals. Deze schilderijen zijn onderdeel van het nationale cultureel erfgoed. Ze zijn onderdeel van ons verleden en zijn van groot belang voor de huidige en toekomstige generaties, zodat zij op die manier kennis kunnen nemen van dat verleden. Het betreft kunstschatten waaraan iedereen die dat wilde, dankzij expositie in de nu benadeelde musea, door de jaren heen plezier of troost heeft kunnen beleven, in het geval van de gestolen Frans Hals gaat het zelfs om eeuwen. Daarnaast hebben schilderijen als de onderhavige grote wetenschappelijke waarde, doordat ze ook voor onderzoek beschikbaar zijn. Voor de gedupeerde musea in Groningen en Leerdam behoren de weggenomen stukken bovendien tot de kerncollectie en omdat juist die schilderijen extra aantrekkelijk zijn voor het bezoekend publiek zijn de stukken voor deze musea ook nog eens van groot commercieel belang. Verdachte heeft met het wegnemen van deze schilderijen niet alleen de betreffende musea voor enorme bedragen benadeeld, maar ook de samenleving – en het internationale publiek - geschaad nu aan eenieder de mogelijkheid is ontnomen deze schilderijen te kunnen bezichtigen en hiervan te kunnen genieten. De schilderijen zijn immers nog altijd spoorloos. Verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft kennelijk slechts oog gehad voor zijn eigen materiële belangen. Bovendien heeft verdachte zich in zwijgen gehuld en heeft hij geen enkele verantwoording willen afleggen voor zijn daden. Ook op de vraag of hij weet wat er met de schilderijen is gebeurd heeft hij niet inhoudelijk geantwoord. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Voorts heeft verdachte een grote hoeveelheid harddrugs, te weten MDMA aanwezig gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs een bedreiging vormen voor de volksgezondheid en het milieu, en het gebruik ervan bezwarend is voor de samenleving. Het gaat om zeer verslavende drugs. Met zijn handelwijze heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit en de delicten die daarmee gepaard gaan.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het behoeft geen betoog dat het ongecontroleerde bezit van voornoemde voorwerpen onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich brengt en bovendien de in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid versterkt. Het voorhanden hebben van een vuurwapen versterkt immers de kans op het gebruik daarvan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 7 juni 2021, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland van 1 september 2021.

Op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten vanuit een oogpunt van normbevestiging, vergelding en generale preventie een forse gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank weegt bovendien in zeer strafverzwarende zin mee dat verdachte al veel vaker wegens strafbare feiten is veroordeeld, ook tot langdurige gevangenisstraffen. Het meest in het oog springt de veroordeling in 2015 wegens – onder meer – een kunstroof uit een museum in Gouda. Die veroordeling heeft hem er niet van kunnen weerhouden opnieuw kunstroven te plegen, hetgeen voor herhaling in de toekomst doet vrezen. Ook uit het summiere reclasseringsrapport en de proceshouding van verdachte rijst het beeld van een onverbeterlijke en berekenende crimineel; in ieder geval komt daaruit geen enkele strafverminderende omstandigheid naar voren.

De door de officier van justitie gevorderde straf is de maximale straf die voor de bewezenverklaarde feiten gezamenlijk kan worden opgelegd. De rechtbank acht, gelet op de aard en waarde van de weggenomen goederen, het feit dat de schilderijen nog steeds niet terug zijn, het strafblad van de verdachte, zijn proceshouding en het ontbreken van strafverminderende omstandigheden, die maximale straf in dit geval passend en geboden. Zij zal verdachte daarom veroordelen tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 jaren.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9 BESLAG

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het zwartkleurig handvuurwapen met patroonhouder (goednummers: 2803840 en 2803843), het doosje 50st. 9mm patronen (goednummer: 2803843) en de 5 zakken met oranje/roze kleurige pillen (goednummer: 2803852) te onttrekken aan het verkeer.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de in beslag genomen goederen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de volgende in beslag genomen goederen onttrekken aan het verkeer:

  • -

    zwartkleurig handvuurwapen met patroonhouder (goednummers: 2803840 en 2803843);

  • -

    doosje 50 st. 9mm patronen (goednummer: 2803843);

  • -

    5 zakken met oranje/roze kleurige pillen (goednummer: 2803852);

Deze goederen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10 BENADEELDE PARTIJ

Stichting Familie Vrouwenhofje, eigenares van het schilderij van Frans Hals, heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 16.000.000,--, verminderd met het bedrag ad € 7.260.483,46 dat reeds door de verzekeraar is vergoed, derhalve € 8.739.516,54. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er nog gesprekken zullen plaatsvinden tussen de benadeelde partij en de verzekeraar aangaande het uit te keren bedrag. Daarover bestaat dan ook nog onduidelijkheid, zodat de officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering af te wijzen, nu de schade volledig zou zijn gedekt door de verzekeraar. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is dan wel omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Voldoende is komen vast te staan dat sprake is van rechtstreekse schade als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit. Het schilderij is weggenomen en is tot op heden spoorloos. De benadeelde partij heeft door middel van het door haar overgelegde taxatierapport van [taxatiebureau] , voldoende onderbouwd dat het weggenomen schilderij een waarde heeft van € 16.000.000,-. Ook heeft zij door middel van stukken onderbouwd dat de verzekeraar daarvan slechts een bedrag van € 7.260.483,46 heeft vergoed en niet meer wenst te vergoeden.. Er resteert derhalve een bedrag van € 8.739.516,54 aan schade. Tegenover die onderbouwing is die schade door verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat de benadeelde partij het niet eens is met de vergoeding door de verzekeraar en daarover nog in gesprek wil, kan er ook niet aan af doen dat de schade thans op voornoemd bedrag moet worden vastgesteld. Dit bedrag komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 8.739.516,54, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2020.

Proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht, op de wijze zoals hieronder is opgenomen.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    36b, 36d, 36f, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 tot en met 4 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- onttrekt de volgende goederen aan het verkeer:

  • -

    zwartkleurig handvuurwapen met patroonhouder (goednummers: 2803840 en 2803843);

  • -

    doosje 50 st. 9mm patronen (goednummer: 2803843);

  • -

    5 zakken met oranje/roze kleurige pillen (goednummer: 2803852);

Benadeelde partij

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Stichting Familie Vrouwenhofje van een bedrag van € 8.739.516,54 ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening,;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

  • -

    legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van Stichting Familie Vrouwenhofje van een bedrag van € 8.739.516,54, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal aan te vullen met 365 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

  • -

    verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Ludwig, voorzitter, mrs. R.P.P. Hoekstra en A.A.M. Elzakkers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Doorman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 september 2021.

mr. Elzakkers is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 maart 2020 te Laren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging
met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening
in/uit het Singer museum heeft weggenomen, een schilderij (te weten Lentetuin, de pastorietuin
te Nuenen in het voorjaar van Vincent van Gogh), in elk geval enig goed, geheel of ten dele
toebehorende aan het Singer museum en/of het Groningermuseum, in elk geval aan een ander of
anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)
zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of het weg te nemen goed
onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door braak en/of verbreking en/of inklimming;
(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)


2.
hij op of omstreeks 26 augustus 2020 te Leerdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke
toe-eigening in/uit het museum Hofje Van Aerden heeft weggenomen, een schilderij (te weten de
'Twee lachende jongens' van Frans Hals), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende
aan het museum Hofje van mevrouw Van Aerden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot
de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder
zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door braak en/of verbreking en/of inklimming;
(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)

3.
hij op of omstreeks 6 april 2021 te Baarn, in elk geval in Nederland,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een vuurwapen, van het merk HS, kaliber 9x19 mm in de vorm van een pistool,
en/of
munitie in de zin van 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in
artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten een of meer scherpe patro(o)n(en) van het
merk Geco, kaliber 9 mm Luger voorhanden heeft gehad;
(Artikel art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

4.
hij op of omstreeks 6 april 2021 te Baarn, in elk geval in Nederland,
opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 4321,7 gram (te weten 10404 pillen), in elk geval een
hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet;
(Artikel art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 10 lid 3 Opiumwet)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers, betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlage opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2020093226, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1441. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 57 e.v.

3 Pagina 64 e.v.

4 Pagina 192 e.v.

5 Pagina 90 e.v.

6 Pagina 761 e.v.

7 Pagina 784 e.v.

8 Pagina 1150 e.v.

9 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers, betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlage opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2020093226, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1441. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

10 Pagina 1040 e.v.

11 Pagina 1049 e.v.

12 Pagina 1062 e.v.

13 Pagina 1080 e.v.

14 ECLI:NL:HR:2017:3118

15 Pagina 36 van het procesdossier.

16 Pagina 1334 van het procesdossier.