Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4496

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-09-2021
Datum publicatie
27-09-2021
Zaaknummer
21_2336
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting woning Opiumwet. Verhuurd via verhuurmakelaar, controle eigenaren op betrouwbaarheid huurder en op feitelijke bewoning. Onbewoonde staat. Verwijtbaarheid eigenaren. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/2336


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2021 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. J.F.H. Molema),

en

de burgemeester van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: H.J.M. van Gellekom).

Procesverloop

In het besluit van 16 februari 2021 (primair besluit) heeft verweerder besloten om de woning aan de [adres] in [woonplaats] te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden. De sluiting is aangevangen op 18 februari 2021.

Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben verweerder verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft hier per brief van 19 mei 2021 mee ingestemd. De rechtbank zal het doorgestuurde bezwaar als beroep behandelen.

Eisers hebben hun beroepsgronden aangevuld bij brief van 4 augustus 2021.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Op 5 januari 2021 is er door de Politie Midden-Nederland, district Flevoland, een onderzoek ingesteld naar de woning aan de [adres] in [woonplaats] naar aanleiding van wateroverlast bij de onderburen. Eisers zijn eigenaar/verhuurder van de woning. Tijdens het onderzoek is gebleken dat er 168 hennepplanten in de woning aanwezig waren. De aangetroffen hennepkwekerij is diezelfde dag door functionarissen van de politie ontmanteld en afgevoerd. De politie heeft hiervan proces-verbaal opgemaakt en dit samen met een op basis hiervan opgesteld hennepinformatiebericht aan verweerder gestuurd.

  2. Eisers verhuurden de woning per 21 september 2020 via een verhuurmakelaar, 123Wonen (hierna: de makelaar), aan [huurster] (hierna: de huurster).
    Het bestreden besluit

  3. Verweerder heeft de woning per 18 februari 2021 gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden omdat er een handelshoeveelheid hennep is aangetroffen. Daaruit volgt volgens verweerder dat moet worden aangenomen dat de drugs bestemd zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking. De sluiting is noodzakelijk voor het herstel van de openbare orde. Eisers zijn als eigenaren verantwoordelijk voor wat er in hun woning gebeurt. Volgens verweerder hebben zij onvoldoende toezicht gehouden op de woning en het gebruik daarvan, zodat niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid. De belangen van eisers bij het open blijven van de woning wegen verder volgens verweerder minder zwaar dan het belang bij sluiting.
    Procesbelang

  4. De rechtbank stelt vast dat de woning is gesloten van 18 februari 2021 tot 18 mei 2021. De sluiting is dus inmiddels beëindigd. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat zij nog belang hebben bij een uitspraak van de rechtbank over de rechtmatigheid van de sluiting omdat zij schade hebben geleden door de sluiting. Die schade bestaat uit schade aan de (deur van de) woning die is ontstaan bij het binnentreden, schade aan de woning door de hennepkwekerij, schade in de vorm van misgelopen huurpenningen en reputatieschade ten opzichte van de VvE. De rechtbank ziet in eisers stelling dat zij door de sluiting schade heeft geleden als gevolg van het mislopen van huurpenningen aanleiding om het beroep van eisers inhoudelijk te behandelen.
    De bevoegdheid van verweerder om tot sluiting over te gaan

  5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in de woning een handelshoeveelheid softdrugs (168 hennepplanten) is aangetroffen en dat verweerder daarom op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet in beginsel bevoegd was de woning te sluiten.

  6. Verweerder beschikt bij de uitoefening van de in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid over beoordelingsvrijheid. Dit brengt mee dat de bestuursrechter de uitoefening van die bevoegdheid terughoudend dient te toetsen. De door verweerder bij de uitoefening van deze bevoegdheid gehanteerde beleidsregels1 komen er in het kort op neer dat bij een constatering van een overtreding bij een feitelijk onbewoonde woning sluiting bevolen wordt voor de duur van drie maanden. De rechtbank stelt vast dat eisers het beleid als zodanig niet ter discussie hebben gesteld en dat op voorhand niet kan worden geoordeeld dat dit beleid onredelijk is.

7. Tussen partijen is in geschil of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, dan wel dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat hij van zijn beleid om voor drie maanden te sluiten, had moeten afwijken.

8. Verweerder dient bij die beoordeling alle omstandigheden van het geval te betrekken en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) blijkt dat bij de beoordeling of er bijzondere omstandigheden zijn, in de eerste plaats van belang is in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding. In de tweede plaats moet worden beoordeeld of de sluiting evenredig is. Hierbij moeten onder meer de verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting in aanmerking worden genomen.2
De noodzakelijkheid en evenredigheid van de sluiting

9. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder had moeten afzien van een sluiting van de woning. Daartoe voeren zij aan dat er geen handel in drugs én geen loop naar de woning is vastgesteld. De openbare orde was ook gezien de korte huurperiode niet aangetast. Verder zijn de doelen van de sluiting volgens eisers al bereikt door het ontmantelen van de hennepkwekerij, het vertrek van de huurster en het vervangen van de sloten. Verder vinden eisers dat verweerder bij het besluit te weinig rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval. Eisers verhuurden de woning via een verhuurmakelaar die de nieuwe huurster gescreend heeft. Dat zij met valse documenten de verhuurmakelaar heeft misleid is niet iets wat aan eisers kan worden toegerekend. Verder hebben eisers de nodige controles uitgevoerd in en om de woning. Er was geen enkele aanleiding voor hen om te denken dat de woning als hennepkwekerij werd gebruikt. Ook heeft verweerder volgens eisers onvoldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen van de sluiting. Door de hennepkwekerij zelf en de doorzoeking van de woning is veel schade aangebracht die hersteld moest worden. Verder hebben eisers zeker drie maanden huurpenningen misgelopen door de sluiting. Verweerder had op grond van artikel 4:84 van de Awb moeten afwijken van zijn eigen beleid. Er had gekozen kunnen worden voor een minder ingrijpende maatregel zoals een waarschuwing. Eisers hebben hierbij gewezen op recente uitspraken van verschillende rechtbanken en op de conclusie van 7 juli 2021.3

10. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat in de woning 168 hennepplanten zijn aangetroffen. Volgens vaste rechtspraak kan bij een dergelijke hoeveelheid worden aangenomen dat het gaat om een handelshoeveelheid en tussen partijen is verder ook niet in geschil dat aannemelijk is dat deze voorraad bestemd was voor verkoop, verstrekking of aflevering. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat dit bijdraagt aan de noodzakelijkheid van de sluiting. Voor het ontstaan van de sluitingsbevoegdheid is niet vereist dat de aanwezigheid van drugs in een woning overlast veroorzaakt. Bij het aantreffen van een handelshoeveelheid mag worden aangenomen dat de woning een rol vervult in de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert.4

10.1.

Verweerder heeft verder bij zijn besluit mogen betrekken dat de woning onbewoond was en hierbij kunnen verwijzen naar het Hennepinformatiebericht en de daarbij gevoegde foto’s. Dat wat eisers hebben aangevoerd over de bewoonde staat van de woning volgt de rechtbank niet. Eisers hebben dit namelijk wel gesteld, maar niet onderbouwd. Verweerder heeft daarom conform zijn beleid als uitgangspunt mogen nemen dat de woning voor drie maanden wordt gesloten, in plaats van over te gaan tot een lichtere maatregel zoals een waarschuwing.

10.2.

Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat het feit dat er illegaal stroom werd afgetapt in de woning ten behoeve van de hennepkwekerij, bijdraagt aan de noodzakelijkheid van de sluiting. Het illegaal aftappen van stroom levert een gevaar op voor omwonenden, en daarmee voor de openbare orde.

10.3.

Verweerder heeft er belang bij om de geconstateerde verstoring van de openbare orde te herstellen, onder andere door voor de buurt zichtbaar tot sluiting over te gaan. Met de ontruiming van de woning was slechts een begin gemaakt met het herstel van de verstoorde rechtsorde en verweerder was dus bevoegd, en had belang om alsnog, na de ontruiming, de woning te sluiten.

11. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in redelijkheid, na afweging van de betrokken belangen, een sluiting voor de duur van drie maanden heeft kunnen bevelen. De rechtbank zal dat hierna toelichten.

11.1.

De stelling van eisers dat hen geen enkel verwijt kan worden gemaakt voor het gebruik van hun woning als hennepkwekerij, volgt de rechtbank niet. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het feit dat eisers de verhuur van hun woning goed wilden regelen door het inschakelen van een verhuurmakelaar, ontslaat dat hen in dit geval niet van de eigen verantwoordelijkheid om de door die makelaar uitgevoerde controles zelf te verifiëren en om zelf te controleren wat er in de woning gebeurt. Eisers hebben een afschrift overgelegd van de overeenkomst van opdracht met de verhuurmakelaar. Daarin staat dat de makelaar de opdracht krijgt om te zoeken naar een huurder en om een huurovereenkomst voor de woning tot stand te brengen. Het tarief voor deze opdracht bedroeg één maand huur, tegen no cure no pay. De rechtbank begrijpt dat eisers er vanuit gingen dat de makelaar diverse controles zou verrichten om er voor te zorgen dat de huurovereenkomst zou worden gesloten met een betrouwbare huurder. Wat die controles inhielden is echter tamelijk algemeen in de opdracht omschreven (‘controleren van identiteit, betaalhistorie en inkomen van een kandidaat’). Eisers hadden gelet daarop zelf moeten nagaan wat de precieze inhoud en uitkomst van de werkzaamheden van de makelaar was. In dit geval staat vast dat de huurster voor aanvang van de huurovereenkomst drie schermprints van bankafschriften heeft overgelegd waarop betalingen te zien zijn. Deze afschriften bleken achteraf bezien vervalst te zijn, zo heeft de huurster toegegeven. De rechtbank begrijpt het standpunt van eisers dat zij het slachtoffer zijn geworden van misleiding, en de rechtbank rekent het eisers niet aan dat zij (of de makelaar) niet direct hebben gezien dat de bankafschriften vervalst waren. Uit de bankafschriften had voor eisers echter wel duidelijk kunnen zijn dat daarop niet de naam van de beoogde huurster voorkwam, maar de naam van een bedrijf. Het was daardoor onduidelijk of de rekening aan de huurster toebehoorde. Er is vóór het sluiten van de huurovereenkomst hierover niet bij de huurster doorgevraagd, of aangedrongen op een inkomensverklaring van de Belastingdienst of een werkgeversverklaring, toen bleek dat de huurster deze ondanks een verzoek daartoe niet had opgestuurd. Verder blijkt uit e-mails in het dossier dat de huurster zich van twee namen bediende. Dat dit een geldige reden kan hebben, iemand kan zich bijvoorbeeld bedienen van zowel de eigen naam als de naam van de partner, neemt niet weg dat uit het dossier niet blijkt dat hiernaar geïnformeerd is. Op de huurovereenkomst is één van beide namen vermeld. Dat de makelaar nog twee databasebevragingen heeft verricht bij bedrijven die zich bezighouden met beoordeling van de kredietwaardigheid van potentiële huurders neemt het voorgaande niet weg.

11.2.

Vaste rechtspraak van de ABRvS brengt verder met zich mee dat verhuurders concreet toezicht moeten houden op het gebruik van een woning die zij verhuren. Het is niet genoeg als zij het pand alleen maar bezoeken. Zij moeten ook controles uitvoeren die gericht zijn op het gebruik van het pand.5 Eisers hebben aan de makelaar opdracht gegeven voor het uitvoeren van technisch en financieel beheer, maar niet voor het uitvoeren van inspecties. Dit betekent dat zij zelf toezicht moesten houden op het gebruik van de woning. Eisers hebben gesteld dat zij zelf controles hebben uitgevoerd in en om de woning, maar naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende onderbouwd dat de controles hebben plaatsgevonden. Uit de overgelegde stukken volgt immers niet dat zij de woning na de begininspectie bij aanvang van de huur nog van binnen hebben geïnspecteerd. Ook kan uit de overgelegde stukken van de makelaar niet worden afgeleid dat de monteur, zoals eisers stellen, op 13 oktober 2020 en 30 oktober 2020 daadwerkelijk in de woning is geweest. Aan de stelling dat die monteur geen bijzonderheden had waargenomen in de woning komt daarom weinig waarde toe. De inspectie die op 28 december 2020 alleen aan de buitenkant van de woning heeft plaatsgevonden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een controle gericht op het feitelijke gebruik van het pand.

11.3.

Verweerder heeft niet bestreden dat eisers schade lijden als gevolg van de sluiting bestaande uit huurderving gedurende drie maanden. Voor zover eisers hebben gesteld dat ook de schade aan de woning moet worden betrokken, omdat die het gevolg is van de hennepkwekerij, de doorzoeking en de sluiting, overweegt de rechtbank dat die schade geen gewicht in de schaal legt. Uit de stelling zelf volgt namelijk al dat een groot deel van die schade niet het gevolg is van de sluitingshandeling van verweerder en eisers hebben niet onderbouwd welk deel van de schade rechtstreeks aan verweerder moet worden toegerekend. Het is inherent aan de sluiting van een woning dat daarmee financiële consequenties gepaard gaan en eisers hebben niet onderbouwd dat deze consequenties hen onevenredig benadelen of dat zij hierdoor in financiële nood komen. Verweerder heeft in redelijkheid het belang van herstel van de openbare orde zwaarder kunnen laten wegen dan het financiële belang van eisers.

12. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.L. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 16 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd

om de uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie het Damoclesbeleid gemeente Almere 2021.

2 Zie onder andere de uitspraak van de ABRvS van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.

3 Conclusie van de Staatsraden advocaat-generaal bij de ABRvS, P.J. Wattel en R.J.G.M. Widdershoven, ECLI:NL:RVS:2021:1468.

4 Zie noot 2.

5 Bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2462.