Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4478

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
16.054883.21 en 16.030206.21 (gev. ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het plegen van opzettelijke brandstichting in een woning, vernieling van een raam en het beschadigen van drie auto’s. Het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario ten aanzien van de brandstichting is niet aannemelijk geworden. Verdachte is volledig ontoerekeningsvatbaar en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Oplegging van tbs-maatregel met verpleging van overheidswege voor ongemaximeerde duur. Niet-ontvankelijkheid van de twee benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16.054883.21 en 16.030206.21 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 september 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te Justitieel Complex Zaanstad,

hierna te noemen: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 juni 2021 en 25 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. R.E. Craenen, en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.M.G. de Groot, advocaat te Hilversum, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16.054883.21

(hierna: feit 1)

primair

op 26 februari 2021 in [woonplaats] opzettelijk brand heeft gesticht in de woning aan de [adres] , waardoor gevaar is ontstaan voor de inboedel van de woning en/of naastgelegen woningen en waardoor levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan voor in de woning aanwezige personen en/of omwonenden;

subsidiair

op 26 februari 2021 in Hilversum vuur in aanraking heeft gebracht met brandbaar materiaal, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat brand is ontstaan en daardoor gevaar voor de inboedel van de woning en/of naastgelegen woningen is ontstaan en waardoor levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan voor in de woning aanwezige personen en/of omwonenden;

16.030206.21

1

(hierna: feit 2)

op 23 januari 2021 in Hilversum een raam van de toegangsdeur (van het appartementencomplex aan de [straat] ) van woningbouwvereniging Gooi en Omstreken heeft vernield, dan wel beschadigd;

2

(hierna: feit 3)

op 19 januari 2021 in Hilversum een personenauto (Peugeot, kenteken [kenteken] ) van

[benadeelde 1] heeft vernield, dan wel beschadigd;

3

(hierna: feit 4)

op 19 januari 2021 in Hilversum een personenauto (Renault, kenteken [kenteken] ) van

[benadeelde 2] heeft vernield, dan wel beschadigd;

4

(hierna: feit 5)

op 19 januari 2021 in Hilversum een personenauto (Ford, kenteken [kenteken] ) van

[benadeelde 3] heeft vernield, dan wel beschadigd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde. Het dossier bevat wel het wettig en overtuigend bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde.

De verdediging heeft ten aanzien van de brandstichting een alternatief scenario naar voren gebracht. Verdachte heeft een cigarillo, dan wel sigaret gerookt in de kamer waar de brand uitbrak. Verdachte heeft het rookgerei uitgemaakt op de vloer of een gipsblok in die ruimte, waarna kennelijk alsnog brand is ontstaan. Met betrekking tot het primair tenlastegelegde geldt dan ook dat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet gericht op het stichten van de brand. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde geldt dat het doven van rookgerei op de vloer of een gipsblok geen culpa oplevert zoals bedoeld in artikel 158 van het Wetboek

van Strafrecht (Sr). Bovendien ontbreekt de verwijtbaarheid gelet op de psychische gesteldheid van verdachte.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feit 1 primair 1

26 februari 2021 omstreeks 07:48 uur kwamen verbalisanten ter plaatse op de [adres] in [woonplaats] vanwege een melding van overlast, veroorzaakt door verdachte. Volgens een vrouw zou in de portiek een sterke brandlucht hangen. Verbalisanten zagen dat verdachte via de trappengang in de richting van zijn woning liep. De verbalisanten zijn vervolgens via de toegangshal richting de aangrenzende opslagboxen gelopen. Ze roken dat de brandlucht sterker werd. Ter hoogte van de openstaande toegangsdeur zagen de verbalisanten dat enkele verbrande stukjes papier op de grond lagen. Op het glas van de toegangsdeur zat tevens een verbrand stukje papier. Verbalisanten zagen dat dit een deel van een voetbalsticker betrof.2 De voetbalplaatjes zijn afkomstig van Albert Heijn.3

Omstreeks 08:00 uur keek de buurvrouw van verdachte, [getuige 1] , uit het raam. Het raam van [getuige 1] zit naast het raam van verdachte. Ze zag allemaal vlammen uit de woning komen.4 Omstreeks 08:10 uur fietste [getuige 2] over de [straat] in [woonplaats] . Daar rook zij een heftige, intense brandlucht. Zij zag rook uit de ramen van een flat komen aan de [straat] ter hoogte van de percelen nummer [nummers] . Ze zag dat de rook uit de middelste woning op de hoek van het complex kwam. Ze zag een man in de woning waar de rook uit kwam.5

Omstreeks 08:10 uur kregen de verbalisanten de opdracht om naar [adres] te gaan. Er zouden meerdere meldingen binnen zijn gekomen van uitslaande woningbrand. Verbalisanten waren omstreeks 08:15 uur ter plaatse bij de woning aan de [adres] . Zij zagen grote zwarte rookwolken afkomstig uit de woning van verdachte. Een verbalisant zag dat vuurvlammen uit de ramen van de betreffende woning kwamen. Op het trottoir voor de gezamenlijke toegangsdeur, zag een verbalisant plotseling verdachte staan. Hij maakte een verwarde indruk en bracht onverstaanbare kreten uit. Bij de vervoersfouillering trof een verbalisant in de jaszak van verdachte meerdere aanstekers aan.6Tevens troffen verbalisanten in de jaszak van verdachte meerdere natte en gescheurde voetbalplaatjes aan. Dit betrof soortgelijke voetbalplaatjes als eerder aangetroffen in het pand.7

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard: “Ik heb niet voor de lol bijna mijn huis in de brand gestoken.”8

Uit forensisch onderzoek van de woning [adres] blijkt het volgende.

Een oorzaak van de brand kon niet met zekerheid worden bepaald. Gelet op het niet aantreffen van elektrische bedrading, is een technische brandoorzaak uit te sluiten. Gelet op het aangetroffen brand- en schadebeeld kan worden vastgesteld dat het een felle brand betrof, met een snel brandverloop in opbouw. In onderhavige casus is te stellen dat er meerdere bewoners in het flatgebouw aanwezig waren. Vastgesteld is dat er in de voorgevel van de woning waar de brand woedde open stonden (de rechtbank begrijpt: ramen open stonden). Dit zorgde ervoor dat het vuur gevoed werd met zuurstof en zich ongehinderd uit kon breiden. Hierbij ging een hevige rook- en hitteontwikkeling gepaard. Uit de beschreven situatie en het aangetroffen brandbeeld bleek dat bij deze brand gemeen gevaar voor goederen was te duchten. Het bleek dat bij deze brand tevens levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was geweest.9

Bewijsoverweging feit 1 primair

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte kort na 07:48 uur in het appartementencomplex in de richting van zijn woning liep. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij omstreeks 08:00 uur vlammen uit de woning zag komen. Om 08:10 uur kregen verbalisanten de opdracht om naar de woning van verdachte te gaan in verband met uitslaande woningbrand. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij rond diezelfde tijd rook uit de woning van verdachte zag komen en een man achter het raam in die woning zag staan. Omstreeks 08:15 uur zijn dit volgens de inmiddels ter plaatse gekomen politie grote, zwarte rookwolken.

Uit het voorgaande volgt dat de brand is ontstaan in de periode gelegen tussen kort na 07:48 uur en 08:00 uur. Een technische oorzaak is uitgesloten en er zijn geen andere personen in beeld die mogelijk in de woning zijn geweest. Verdachte beschikte blijkens zijn fouillering bovendien over aanstekers. Uit het forensisch dossier en de bijgevoegde foto's blijkt hoe grootschalig en verwoestend de brand is geweest. Deze brand is in een kort tijdbestek ontstaan. Op grond van voornoemde omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht of gericht iets heeft aangestoken in huis, waarmee hij op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er vervolgens brand uitbrak.

De rechtbank heeft hierbij ook gelet op verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris dat hij zijn huis niet voor de lol bijna in de brand heeft gestoken, mede in aanmerking genomen dat dit de eerst afgelegde verklaring van verdachte betreft. De rechtbank wordt gesterkt in haar overtuiging dat verdachte de brand heeft aangestoken doordat het dossier opvallende informatie bevat op grond waarvan de rechtbank de conclusie trekt dat verdachte in de periode voor de brand op verschillende manieren met vuur in de weer is geweest. Zo heeft een medebewoner verklaard dat er in de week voorafgaand aan de brand een brandende kaars voor het huis van verdachte stond.10 Daarnaast hebben bewoners verklaard dat verdachte enkele dagen terug een brandend T-shirt van het balkon, dan wel in de tuin van de buren had gegooid.11 Ook lagen er bij de toegangsdeur van het complex verbrande voetbalplaatjes van de Albert Heijn. Deze plaatjes werden ook aangetroffen bij verdachte, evenals drie aanstekers.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte een cigarillo heeft uitgemaakt op de vloer of op een gipsblok in de ruimte waar de brand uitbrak en er daarom geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet gericht op het stichten van de brand. Dit scenario is echter niet aannemelijk geworden. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen die verdachte geeft over hoe de brand is ontstaan, wisselen. De rechtbank vraagt zich af in hoeverre verdachte zich de oorzaak van de brand daadwerkelijk herinnert. Het doven van rookgerei op een gipsblok is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval onaannemelijk, aangezien er geen gipsblok (of resten daarvan) is (zijn) aangetroffen in de kamer waar de brand uitbrak en het scenario van verdachte ook niet past binnen de hiervoor uiteengezette tijdlijn.

Feit 2

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 augustus 2021;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Gooi en Omstreken van 25 januari 2021, genummerd PL0900-2021024180-9, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Midden-Nederland.12

Bewijsmiddelen feiten 3, 4 en 5 13

De hieronder weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

[benadeelde 1] heeft aangifte gedaan van vernieling van zijn auto. Het is een Peugeot met kenteken [kenteken] . Hij zag zijn auto nagenoeg onbeschadigd op 19 januari 2021 omstreeks 18:00 uur. De auto was geparkeerd in Hilversum. Op 20 januari 2021 omstreeks 09:15 uur is [benadeelde 1] op de hoogte gesteld dat zijn voertuig beschadigd zou zijn. [benadeelde 1] zag dat zijn linker buitenspiegel naar binnen gebroken is. Hij zag dat er vrij diepe krassen rondom het hele voertuig zitten. Hij zag dat zijn kentekenplaat gebogen is. Ook was de tankdop en het beschermkapje eraf/eruit gebroken.14

[benadeelde 2] heeft aangifte gedaan van vernieling van zijn voertuig. Het is een personenauto van Renault met kenteken [kenteken] . Zijn voertuig stond geparkeerd in Hilversum. Op 19 januari 2021 omstreeks 23.15 uur zag [benadeelde 2] dat de tankdop van zijn voertuig niet meer op zijn voertuig zat. Hij zag dat een meter of 10 van hem vandaan een man zat. Hij zag dat deze man containers aan het omgooien was. Hij is op deze man afgelopen en vroeg of hij zijn auto

had gesloopt. Hij hoorde hem zeggen dat hij dat had gedaan. [benadeelde 2] heeft de politie gebeld en zag dat de politie de juiste verdachte aanhield.15

[benadeelde 3] heeft aangifte gedaan van vernieling van een voertuig van haar moeder. Het is een personenauto van Ford met kenteken [kenteken] . Op 19 januari 2021 omstreeks 15:00 uur heeft [benadeelde 3] het voertuig onbeschadigd geparkeerd in Hilversum. Een verbalisant vertelde haar moeder dat haar voertuig 19 januari 2021 omstreeks 23:24 uur beschadigd was. [benadeelde 3] zag schade aan de passagierszijde. Zij zag dat de portiergreep naar beneden hing. Net boven het handvat stond een voetafdruk met krassen erom heen. [benadeelde 3] zag dat de deurhendel met een deel aan het voertuig hing. Hierdoor zat de deur niet meer goed dicht.16

Op 19 januari 2021 waren verbalisanten te Hilversum. Zij werden aangesproken door een aantal mannen. De verbalisanten hoorden dat zij verklaarden dat er een man rond liep op het terrein die meerdere auto's had vernield. De verbalisanten zagen verse schade aan onder andere de Ford Ka voorzien van kenteken [kenteken] .17

De melder wees hen op een manspersoon die achter een container stond. De verbalisanten hoorden de melder zeggen dat dit de man betrof die de vernielingen had gepleegd. Verbalisant [verbalisant 2] herkende deze man als: [verdachte] . Hij herkende hem ambtshalve van eerdere meldingen. Hij had 17 januari nog een melding omtrent deze man. 18

De verbalisant bekeek beelden. Hij zag dat de laad- en losplek van de Hoogvliet te Hilversum gefilmd werd. De verbalisant zag dat een man aan de linker achterzijde van het donker gekleurd busje ging staan. Hij zag dat hij heen en weer bewoog alsof hij hier handelingen aan het uitvoeren was. De verbalisant was 20 januari ter plaatse was geweest en het was hem bekend dat dit het Renault (de rechtbank begrijpt: Peugeot) busje was, voorzien van kenteken [kenteken] . De verbalisant zag dat de man aan het kenteken trok. De verbalisant zag dat hij aan de zijspiegel van het voertuig zat.19

De verbalisant zag op het filmpje dat de politie ter plaatse kwam. Te zien is dat het de hele tijd dezelfde man betreft als waar de politieagenten even later ter plaatse bij komen.20

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1

op 26 februari 2021 te Hilversum opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres] door open vuur in aanraking te brengen of te laten komen met enig in die woning aanwezig brandbaar materiaal, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van voornoemde woning en/of naastgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de in de woning aanwezige persoon en voor omwonenden, en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige persoon en voor omwonenden te duchten was;

2

op 23 januari 2021 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een raam van de toegangsdeur (van het appartementencomplex gelegen aan de [straat] ), dat aan woningbouwvereniging Gooi en Omstreken toebehoorde, heeft vernield;

3

op 19 januari 2021 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Peugeot, gekentekend [kenteken] ), die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft beschadigd;

4

op 19 januari 2021 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Renault, gekentekend [kenteken] ), die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft beschadigd;

5

op 19 januari 2021 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Ford, gekentekend [kenteken] ), die aan een ander toebehoorde, heeft beschadigd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

1 primair

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

2

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

3, 4 en 5

telkens, opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht verdachte ontoerekeningsvatbaar ter zake van zowel feit 1 primair, als de feiten 2 tot en met 5. De officier van justitie vordert ontslag van alle rechtsvervolging.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw meent eveneens dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen voor alle ten laste gelegde feiten, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Over verdachte is een Pro Justitia dubbel persoonlijkheidsonderzoek opgemaakt, dat de volgende rapporten bevat:

- een psychologisch onderzoek van 16 augustus 2021, opgemaakt door drs. T. ‘t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog;

- een psychiatrisch onderzoek van 24 juli 2021, opgemaakt door B. van der Hoorn, psychiater, en E. Bohte, psychiater in opleiding.

Het rapport, opgemaakt door de psycholoog houdt onder meer het volgende in. Bij verdachte is sprake van een schizoaffectieve stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis (ernstig), bij een onderliggend kwetsbare persoonlijkheid (hechtingsstoornis). Hier was ook sprake van ten tijde van de ten laste gelegde brandstichting. Het delictscenario is onduidelijk, gelet op de (gedeeltelijke) ontkenning. Tegelijkertijd blijkt op basis van de beschikbare informatie dat verdachte in de periode naar het tenlastegelegde steeds meer (manisch) psychotisch ontregeld raakte. Beschreven wordt dat verdachte op de ochtend van de brand ernstig verward, ontremd en ontregeld gedrag liet zien. De psycholoog is dan ook van mening dat verdachte in een ernstig manisch psychotisch ontregeld toestandsbeeld was op het moment van de ten laste gelegde brandstichting. Verdachtes realiteitstoetsing stond in die periode ernstig onder druk, evenals zijn oordeels- en kritiekvermogen. Het denken, voelen en handelen werden op dat moment volledig beheerst door zijn psychotisch toestandsbeeld. Het is zeer waarschijnlijk dat verdachte op het moment van de brandstichting volledig in beslag werd genomen door zijn psychotisch toestandsbeeld. Hij was daardoor niet in staat om op een gezonde en adequate manier te functioneren. De psycholoog adviseert de ten laste gelegde brandstichting niet toe te rekenen aan verdachte.

Het rapport, opgemaakt door de psychiater en psychiater in opleiding, houdt onder meer het volgende in. De onderzoekers komen in diagnostische zin tot de conclusie dat er sprake is van een schizoaffectieve stoornis, een reactieve hechtingsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Er was ten tijde van de ten laste gelegde brandstichting sprake van een manisch psychotisch toestandsbeeld. De ontremming en desorganisatie beheersten de gedachten, het gevoel en handelen ten tijde van de ten laste gelegde brandstichting. Deze werden volledig beïnvloed door het manisch psychotische toestandsbeeld. Verdachte had hierdoor geen controle meer over zijn denken en handelen en kon het ontoelaatbare en het gevaar van de zijn handelen niet zien. Geadviseerd wordt om de brandstichting, indien bewezen, niet toe te rekenen aan verdachte. Dit geldt zowel voor het scenario van brandstichting vanuit een psychotische overtuiging, als brand veroorzaakt vanuit gedesorganiseerd en verward gedrag.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de rapporten en neemt de conclusie van de deskundigen over. De rechtbank heeft geconstateerd dat de onderzoeken enkel zien op de onder 1 primair bewezenverklaarde opzettelijke brandstichting. Alle bewezenverklaarde feiten hebben zich echter afgespeeld binnen een periode van vier tot vijf weken. Uit het dossier over de vernieling en beschadigingen blijkt dat verdachte ook ten tijde van deze feiten kampte met ernstige psychische problematiek en erg verward was. De verbalisanten hebben bijvoorbeeld opgeschreven dat zij beiden dachten dat verdachte in de observatiecel in een psychose verkeerde. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de in de rapporten beschreven problematiek ook speelde ten tijde van de overig bewezen verklaarde feiten en het handelen van verdachte ten aanzien van die feiten in grote mate beïnvloed heeft.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de bewezenverklaarde brandstichting, als de vernieling en de beschadigingen, niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verdachte is als dader niet strafbaar en de rechtbank zal verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

8 OPLEGGING VAN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde gevorderd aan verdachte de maatregel terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging op te leggen. De duur van deze maatregel dient ongemaximeerd te zijn.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er niet voldaan is aan alle vereisten voor tbs (met dwangverpleging). Er kan namelijk worden volstaan met een zorgmachtiging, waarbij ook sprake kan zijn van voldoende risicoreductie en beveiliging van de maatschappij.

De raadsvrouw heeft erop gewezen dat er sprake was van een geldige zorgmachtiging, waarvan de vorm ‘Opnemen in een accommodatie’ als verplichte zorg deel uitmaakte. De opname bleef echter ten onrechte uit en verdachte is daar slachtoffer van geworden. Indien verdachte de juiste medicatie krijgt, kan worden volstaan met een zorgmachtiging. Verdachte heeft zich jarenlang staande kunnen houden zonder enige gedwongen behandeling.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht, indien de rechtbank meent dat er tbs dient te worden opgelegd en van oordeel is dat de feiten wel in enige mate aan verdachte kunnen worden toegerekend, geen straf op te leggen conform het bepaalde in artikel 37a lid 2 Sr.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat een op te leggen TBS-maatregel met dwangverpleging in duur beperkt zou moeten zijn.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Persoon van verdachte

Uit het dubbele persoonlijkheidsonderzoek blijkt het volgende. De psycholoog schat het risico op vergelijkbaar delictgedrag, zonder passende behandeling, hoog in. Er zijn weinig beschermende factoren. Verdachte ervaart steun van zijn broer, maar zijn sociaal netwerk is desondanks beperkt en kwetsbaar. Verdachte is een kwetsbare man met een chronisch

psychiatrische stoornis, die bij oplopende spanning al snel psychotisch kan ontregelen. Op dat soort momenten zal hij verward, bizar en ontremd gedrag vertonen, passend bij deze pathologie. Op die momenten, maar ook op momenten dat hij meer stabiel is, ontbreekt het verdachte aan voldoende ziektebesef en -inzicht. Wanneer verdachte zijn anti-psychotische medicatie niet inneemt, is het risico dat hij nog verder ontregelt zeer groot. Verdachte gebruikt bovendien cannabis, wat bij hem een versterkend effect heeft op de psychotische pathologie. Zelf ziet hij dat effect niet en hij is ook niet voornemens om te stoppen met het cannabisgebruik. Op momenten van psychotische ontregeling heeft verdachte de neiging zich terug te trekken uit contact, ook met de hulpverlening, en zich te isoleren. De hulpverlening krijgt dan geen grip meer op verdachte, waardoor het steeds moeilijker is tijdig de psychotische ontregeling te stoppen.

Ondanks ingezette medicamenteuze behandeling en de geboden structuur en stabiliteit vanuit het PPC, is verdachte volgens de psycholoog niet stabiel. Verdachte heeft problemen op meerdere levensgebieden en tot op heden is hij er niet in geslaagd zelfstandig voor langere tijd voldoende stabiliteit en structuur in zijn leven te behouden. Hier heeft hij hulp bij nodig en er zal ook toezicht moeten blijven op het middelengebruik. Een zorgmachtiging is onvoldoende geweest om verdachte voldoende gestabiliseerd te houden. Verdachte onttrok zich aan ambulante behandeling: hij stopte met medicatie en trok zich terug uit het contact. Tijdens opnames liet hij ernstige gedragsproblemen zien, waardoor hij niet houdbaar was binnen diverse instellingen.

De psycholoog is van mening dat langdurige klinische behandeling in een forensische setting

met een hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is. Behandeling voor verdachtes chronisch psychiatrische pathologie is vereist en hij dient adequaat ingesteld te blijven op medicatie. Vanwege het zeer beperkte ziektebesef en -inzicht, evenals het feit dat hij zonder de beschreven langdurige, intensieve behandeling snel weer zal ontregelen bij oplopende spanningen of problemen, zal verdachte zich naar inschatting van de psycholoog onvoldoende kunnen houden aan voorwaarden. De psycholoog is van mening dat een tbs is aangewezen om het hoge recidiverisico voldoende terug te dringen. Aangezien verdachte zich naar verwachting onvoldoende aan voorwaarden zal kunnen houden, ziet de psycholoog geen andere mogelijkheid om te adviseren tbs met dwangverpleging op te leggen.

De psychiater en psychiater in opleiding hebben het volgende gerapporteerd. Bij verdachte is sprake van weinig inzicht ten aanzien van zijn ziektebeeld. Verdachte ziet zelf geen verband tussen het stoppen met medicatie, het cannabisgebruik en het ontwikkelen van manische en psychotische klachten. Dit heeft een negatieve invloed op het recidiverisico. Gezien het chronische karakter van verdachtes schizoaffectieve stoornis is er een reële kans om weer psychotisch te worden, van waaruit gevaarlijk gedrag kan ontstaan, waar ook derden het slachtoffer van kunnen worden. Dit risico wordt groter wanneer verdachte weer cannabis gebruikt en de voorgeschreven medicatie niet inneemt. Naar mening van de onderzoekers is

het risico op een nieuwe manisch psychotische decompensatie, met daaruit voortvloeiend gevaar, reëel indien er onvoldoende begeleiding, toezicht en behandeling is in de toekomst.

Het is verdachte afgelopen jaar niet gelukt om zich staande te houden in de maatschappij wanneer hij zelfstandig woont, ondanks intensieve behandeling via het FACT-team onder een zorgmachtiging. Behandeling en begeleiding binnen het kader van een zorgmachtiging lijkt hiermee onvoldoende om het risico op recidive te verminderen. De recente opname op de Forensisch Psychiatrische Afdeling van Fivoor werd voortijdig afgebroken bij

aanhoudende forse gedragsproblemen, die ondanks meerdere medicamenteuze aanpassingen niet afnamen tijdens de opname.

De psychiater en psychiater in opleiding adviseren om een stevig, intensief en langdurig behandeltraject toe te passen, gelet op de ernstige en invaliderende combinatie van psychopathologie en het hoog ingeschatte recidiverisico op korte en middellange termijn. Dit recidiverisico kan naar mening van de onderzoekers met een behandeltraject binnen de kaders van een tbs verminderd worden. Verdachte is ten tijde van het uitvoeren van het psychiatrisch onderzoek onvoldoende bereid om een klinische behandeling te ondergaan met stapsgewijze resocialisatie, met voldoende structuur, behandeling, begeleiding en toezicht. Verdachte heeft onvoldoende inzicht in zijn eigen beperking en het belang van adequate behandeling. Dit maakt dat de psychiater en psychiater in opleiding inschatten dat het uitvoeren van het behandeltraject binnen een tbs met voorwaarden niet haalbaar is. De deskundigen zijn dan ook van mening dat tbs met dwangverpleging vanuit overheidswege het noodzakelijke forensisch strafrechtelijk kader moet zijn om het behandeltraject zorgvuldig, veilig en verantwoord uit te kunnen voeren.

Uit het advies van de reclassering van 18 augustus 2021, opgesteld door C.S. Pruis, reclasseringswerker, blijkt dat ook volgens hen sprake is van een hoog recidiverisico. Dit is gebaseerd op de psychiatrische problematiek, het ontbreken van huisvesting en zinvolle dagbesteding, het druggebruik en de houding van verdachte. De reclassering conformeert zich aan het advies (tbs met dwangverpleging) van de Pro Justitia-onderzoekers.

De op te leggen maatregel

Voor het opleggen van een tbs-maatregel moet aan een aantal vereisten zijn voldaan, namelijk:

  • -

    i) er dient sprake te zijn van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;

  • -

    ii) er dient sprake te zijn van een tbs-waardig delict: een misdrijf waarop minimaal 4 jaar gevangenisstraf staat, of dat is genoemd in 37a lid 1 onder 2 Sr;

  • -

    iii) de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel (gevaarscriterium).

(i) Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens

Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de hierboven beschreven schizoaffectieve stoornis, hechtingsstoornis en stoornis in cannabisgebruik van verdachte ook ten tijde van de onder 1 primair bewezenverklaarde brandstichting aan de orde was.

(ii) Een misdrijf genoemd in artikel 37a, lid 1, onder 2, Sr
De rechtbank stelt vast dat de door verdachte opzettelijk gepleegde brandstichting een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a, lid 1, onder 2, Sr, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

(iii) De veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan het plegen van opzettelijke brandstichting. Gelet op de hierboven beschreven stoornissen waar verdachte aan lijdt, het door de deskundigen hoog ingeschatte gevaar voor herhaling, evenals de aard en ernst van dit feit, waarvoor verdachte niet toerekeningsvatbaar is te achten, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen,

behandeling van verdachte in het kader van een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege noodzakelijk maakt. De rechtbank acht behandeling van verdachte in dit kader noodzakelijk, voordat de mogelijkheid bestaat dat hij in de samenleving terug kan keren op veilige en verantwoorde wijze. Dit dient de maatschappij de waarborg te geven dat een eventuele terugkeer in de maatschappij niet plaatsvindt zolang verdachte lijdt aan stoornissen die aanleiding zijn geweest voor verdachtes handelen. De behandeling binnen dit kader zal ook in het belang van verdachte zelf zijn.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een tbs-maatregel met dwangverpleging aangewezen. Het standpunt van de raadsvrouw dat kan worden volstaan met een zorgmachtiging volgt de rechtbank dan ook niet. Ondanks (intensieve) behandeling, opnames en medicamenteuze aanpassingen, is verdachte teruggevallen in ernstige gedragsproblemen. Ook kan de benodigde behandeling van verdachte volgens de deskundigen alleen verantwoord plaatsvinden binnen het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging.

De tbs-maatregel zal worden opgelegd voor opzettelijk gepleegde brandstichting, een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De tbs-maatregel kan daarom langer dan vier jaar duren.

9 BENADEELDE PARTIJEN

Er hebben zich twee benadeelde partijen in het geding gevoegd:

Stichting Woningcorporatie Het Gooi en Omstreken

De stichting, volgens het voegingsformulier vertegenwoordigd door [A] , vordert een bedrag van € 125.000,00, geheel bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 (primair dan wel subsidiair) ten laste gelegde feit.

[benadeelde 1]

vordert een bedrag van € 2.400,00, geheel bestaande uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

Stichting Woningcorporatie Het Gooi en Omstreken

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering aangezien er geen uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) is gevoegd. Er kan dus niet worden vastgesteld of de indiener van de vordering gerechtigd was om namens de stichting de vordering in te dienen.

[benadeelde 1]

Deze benadeelde partij dient volgens de officier van justitie eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. Uit de vordering blijkt onvoldoende duidelijk uit welke posten de gevorderde schade bestaat. Daarnaast ontbreekt onderbouwing van de schade en is niet duidelijk of op de schade de uitgekeerde verzekeringsvergoeding in mindering dient te worden gebracht.

9.2

Het standpunt van de verdediging

Stichting Woningcorporatie Het Gooi en Omstreken

Er dient niet-ontvankelijkheid te volgen, gelet op de bepleite vrijspraak, dan wel de bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Voorts geldt dat er geen uittreksel van de KvK bij de vordering is gevoegd, waardoor de benadeelde ook niet-ontvankelijk is in de vordering. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is. Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Indien de rechtbank deze wel oplegt, verzoekt de raadsvrouw dat de gijzeling wordt bepaald op één dag.

[benadeelde 1]

Nu er vrijspraak is bepleit, dient er primair afwijzing, althans niet-ontvankelijkheid te volgen. Subsidiair, bij ontslag van rechtsvervolging en het uitblijven van de oplegging van een maatregel, dient niet-ontvankelijkheid te volgen op grond van vaste jurisprudentie.

Voorts is de schade onvoldoende onderbouwd en gespecificeerd. Het lijkt erop dat de schade al is vergoed door de verzekeringsmaatschappij. Bij gedeeltelijke toewijzing zou het bedrag gematigd moeten worden.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Stichting Woningcorporatie Het Gooi en Omstreken

De vordering van een benadeelde partij die een rechtspersoon is, zal door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger moeten worden ingesteld. De vertegenwoordiging kan volgen uit de wet (Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek), de statuten van de rechtspersoon en/of uit een volmacht. Als een persoon die verbonden is aan de rechtspersoon namens de rechtspersoon een vordering instelt en uit het procesdossier (bijvoorbeeld de aangifte) of een uittreksel van de KvK duidelijk is dat deze persoon een voor de vordering relevante functie heeft binnen de rechtspersoon, dan mag van de Hoge Raad al snel worden aangenomen dat die persoon bevoegd is namens de rechtspersoon de vordering in te dienen.

De rechtbank stelt vast dat de rechtspersoon Stichting Woningcorporatie Het Gooi en Omstreken zich als benadeelde partij in het geding heeft gevoegd. De vordering tot schadevergoeding is namens haar ingediend door [A] . De rechtbank overweegt dat bij de vordering geen stukken zijn gevoegd waaruit blijkt dat [A] de vertegenwoordiger is van de stichting of dat hij of zij is gemachtigd tot het indienen van de vordering. Ook uit het procesdossier kan dit niet worden opgemaakt.

De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de vordering tot schadevergoeding is ingediend door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger van de benadeelde partij. In beginsel dient de benadeelde partij de gelegenheid te worden geboden tot herstel van dit gebrek. De rechtbank is echter van oordeel dat het bieden van een herstelmogelijkheid in dit geval een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Het belang van verdachte bij een voortvarende afdoening van de strafzaak weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het belang van de professionele benadeelde partij in kwestie bij schadeverhaal via de strafzaak. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering en bepalen dat zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

[benadeelde 1]

Hoewel vaststaat dat de auto van [benadeelde 1] is beschadigd door toedoen van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding onvoldoende onderbouwd is. Het is niet duidelijk waar de precieze schade uit bestaat. Ook is niet duidelijk of de schade (gedeeltelijk) is vergoed. De rechtbank zal [benadeelde 1] daarom eveneens niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering en bepalen dat hij zijn vordering kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 37a, 37b, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ten aanzien van die feiten;

Oplegging maatregel

- gelast dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

Benadeelde partijen

Stichting Woningcorporatie Het Gooi en Omstreken

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[benadeelde 1]

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzitter, mr. H. den Haan en mr. I.L. Gerrits, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Fortuin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 september 2021.

Mrs. Elzakkers en Gerrits zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

16.054883.21

hij op of omstreeks 26 februari 2021 te [woonplaats] , althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres] door open vuur in aanraking te brengen en/of te laten komen met enig in die woning aanwezig brandbaar materiaal, ten gevolge waarvan dat materiaal geheel of gedeeltelijk is verband, in elk geval brand is ontstaan,en daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van voornoemde woning en/of naastgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de in de woning aanwezige personen en/of voor (een) omwonende(n), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige personen en/of voor (een) omwonende(n), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 februari 2021 te [woonplaats] , althans in Nederland, in een woning gelegen aan de [adres] grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam (open) vuur in aanraking heeft gebracht met enig in die woning aanwezig brandbaar materiaal, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat dit materiaal geheel of gedeeltelijk is verband, in elk geval brand is ontstaan en daardoor gemeen gevaar voor de inboedel van voornoemde woning en/of naastgelegen woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de in de woning aanwezige personen en/of voor (een) omwonende(n), in elk geval levensgevaar voor

een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige personen en/of voor (een) omwonende(n), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond.

16.030206.21

1

hij op of omstreeks 23 januari 2021 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een raam van de toegangsdeur (van het appartementencomplex gelegen aan de [straat] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de woningbouwvereniging Gooi en Omstreken toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2

hij op of omstreeks 19 januari 2021 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Peugeot, gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3

hij op of omstreeks 19 januari 2021 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Renault, gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4

hij op of omstreeks 19 januari 2021 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Ford, gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 3] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal ‘PROCES-VERBAAL Dossier [verdachte] ’ van 28 februari 2021, Bvh nummer: 2021062023, opgemaakt door politie Midden-Nederland, in de digitale telling doorgenummerd 1 tot en met 154. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 11

3 Pagina 15

4 Pagina 41

5 Pagina 25

6 Pagina 16

7 Pagina 17

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 1 maart 2021, p. 2.

9 Pagina 119

10 Pagina 35

11 Pagina 34

12 Pagina’s 37-38

13 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal ‘PROCES-VERBAAL [verdachte] ’ van 9 februari 2021, zaaksregistratienummer PL0900-2021021125, opgemaakt door politie Midden-Nederland, in de digitale telling doorgenummerd 1 tot en met 53. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

14 Pagina’s 5-6

15 Pagina’s 10-11

16 Pagina’s 17-18

17 Pagina 23

18 Pagina 24

19 Pagina 36

20 Pagina 37