Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4411

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-09-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
07/662266-10 (vordering verlenging tbs)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging van tbs-maatregel met 1 jaar, omdat het volgens de inrichting niet uit te sluiten is dat komend jaar wordt toegewerkt naar een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Het verzoek tot het door de reclassering doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege wordt afgewezen, omdat dit thans prematuur is gelet op de nog te nemen stappen in het behandel- en resocialisatietraject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 07/662266-10 (vordering verlenging tbs)

Beslissing op grond van artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 13 september 2021

in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde:

[betrokkene] ,

geboren op [1969] te [geboorteplaats] ,

verblijvende in een kliniekwoning van FPC [kliniek] te [plaats] ,

hierna te noemen: betrokkene.

1 De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:

  • -

    het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juni 2011 waarbij de betrokkene ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege wegens, kort gezegd, verschillende zedendelicten;

  • -

    stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling is ingegaan op 18 september 2015;

  • -

    de beslissing van deze rechtbank van 16 september 2019, waarbij de termijn van terbeschikkingstelling voor het laatst is verlengd met twee jaar;

  • -

    de vordering van de officier van justitie van 9 augustus 2021, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar;

  • -

    het verlengingsadvies van [kliniek] kliniek van 30 juli 2021, opgemaakt door I. de Boer (GZ-psycholoog, locatiedirecteur en plaatsvervangend hoofd van de inrichting), E.W.M. van den Broek (GZ-psycholoog/klinisch psycholoog i.o. en hoofd behandeling), F. Haak (psychiater) en R. Huiskes (psycholoog en assistent-hoofd behandeling), inhoudend het advies om de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar;

  • -

    de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene, over de periode 16 juli 2019 tot en met 13 juli 2021;

  • -

    de overige stukken van het de betrokkene betreffende dossier.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De behandeling van de zaak heeft op 30 augustus 2021 ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord:

- de officier van justitie, mr. P.E.F. Poppe;

- de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden;

- de aan de kliniek verbonden deskundige, de heer J. Scheer, GZ-psycholoog en hoofd behandeling.

3 Het standpunt van de inrichting

Het standpunt van de inrichting blijkt uit het onder 1 genoemde rapport.

Betrokkene is gediagnosticeerd met pedofilie van het niet-exclusieve type en een autismespectrumstoornis. Op 23 juli 2019 is het transmuraal verlof gestart en op 16 september 2019 is hij verhuisd naar een woning van de kliniek in [plaats] , waar hij zelfstandig verblijft. De overgang is goed verlopen. Als betrokkene na het overlijden van zijn vader, tegen de afspraken in contact zoekt met zijn zoon, wordt hij tijdelijk teruggeplaatst in de kliniek. Op 24 februari 2020 hervat hij zijn transmuraal verlof. In juli 2020 wordt hij opnieuw tijdelijk teruggeplaatst in de kliniek nadat uit een telefooncontrole blijkt dat hij via een app livestreams heeft bijgewoond van minderjarige meisjes. Er worden geen strafbare feiten op de telefoon aangetroffen. Eerst bagatelliseert betrokkene zijn gedrag, maar vanaf augustus 2020 is een kentering in zijn opstelling zichtbaar. Hij lijkt meer probleembesef te hebben en maakt zijn worsteling met zijn pedoseksualiteit meer inzichtelijk voor zijn behandelteam. Hij overweegt libidoremmende medicatie. Half september 2020 worden de begeleide verloven hervat en later ook de onbegeleide verloven. In oktober 2020 is betrokkene gestart met de libidoremmende medicatie. Betrokkene is open en eerlijk en beschrijft zijn (pedoseksuele) fantasieën, waaruit blijkt dat deze gaandeweg afnemen sinds hij de medicatie gebruikt. Op 4 december 2020 wordt besloten dat betrokkene zijn transmuraal verlof kan hervatten en kan terugkeren naar de kliniekwoning. De behandeling verloopt naar behoren en betrokkene geeft aan dat hij, mede door de libidoremmende medicatie, beter in zijn vel zit. Hij signaleert dat hij eenzaam is en genegenheid mist en spreekt hierover. Ook is hij zich meer bewust van risicogedrag en toont hij zich gemotiveerd om hier niet aan toe geven. De langetermijneffecten van de libidoremmende medicatie moet nog wel gemonitord worden en ook de gebrekkige probleemoplossende vaardigheden zijn een punt van aandacht. Betrokkene blijft het lastig vinden om het behandelteam tijdig te betrekken bij ervaren problemen. Extern risicomanagement blijft nog van groot belang. Bij beëindiging van de tbs-maatregel wordt het risico van terugval in seksueel delictgedrag als matig tot hoog ingeschat. Vooralsnog is de prognose dat een vorm van externe structuur, van steun en begeleiding nog geruime tijd nodig zal zijn. Bij voldoende ontwikkeling op de gestelde behandeldoelen kan op termijn worden toegewerkt naar een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, al dan niet voorafgegaan door een proefverlof.

De kliniek verwacht niet dat binnen het komende jaar al kan worden toegewerkt naar een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, maar kan dat ook niet op voorhand volledig uitsluiten. De kliniek heeft daarom geadviseerd om de tbs-maatregel met één jaar te verlengen.

De deskundige voornoemd heeft ter zitting het advies van de inrichting toegelicht.
Betrokkene is open geweest en is na de incidenten het gesprek en de behandeling aangegaan. Er wordt toegewerkt naar een verblijf in een eigen sociale huurwoning.

Er zal langdurig gemonitord moeten worden of betrokkene gemotiveerd blijft voor het gebruik van de libidoremmende medicatie en of hij niets gaat missen als hij een relatie heeft. Dit monitoren kan eventueel ook plaatsvinden via een psychiatrisch contact bij De Waag. Door de positieve ontwikkelingen is niet uit te sluiten dat volgend jaar de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigd kan worden. Dat zal een opgave zijn, maar niet onrealistisch. Het uitstroomtraject is nog niet duidelijk. Als een proefverlof nodig wordt geacht is de verpleging van overheidswege niet binnen een jaar afgerond. Als betrokkene op de huidige manier zijn behandeling voortzet, wordt er door de inrichting ingezet op de voorwaardelijke beëindiging.

4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting haar vordering strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met twee jaar gehandhaafd. Zij schat in dat er niet over een jaar een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege aan de orde is, omdat er nog veel moet gebeuren in de behandeling van betrokkene en zijn netwerk moet worden uitgebreid.

5 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een verlenging van de maatregel voor de duur van een jaar. Daartoe is aangevoerd dat betrokkene erg gemotiveerd is. Sinds het gebruik van de medicatie ervaart hij veel rust. Hij woont niet meer in de kliniek en er wordt gezocht naar een eigen huurwoning. Ook bestaat het voornemen om de therapie over te dragen naar De Waag. Er zijn niet veel contactmomenten meer met de inrichting.

De verdediging heeft verder verzocht om de beslissing ten aanzien van de verpleging van overheidswege aan te houden voor het door de reclassering doen opmaken van een maatregelenrapport.

6 Het oordeel van de rechtbank

Maximering

Betrokkene is bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaren van 10 juni 2011 veroordeeld voor, kort gezegd, verschillende zedendelicten.

De rechtbank heeft in de verlengingsbeslissing van 16 september 2019 overwogen dat de opgelegde terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd.

Stoornis en recidivegevaar

Uit het verlengingsadvies blijkt dat er nog steeds sprake is van een stoornis bij betrokkene, te weten pedofilie van het niet-exclusieve type en een autismespectrumstoornis.

Het recidivegevaar wordt bij beëindiging van de maatregel als matig tot hoog ingeschat.

De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van het advies te twijfelen en neemt dit over.

Verlenging

Gelet op het advies van de inrichting, de deskundige en hetgeen overigens ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Zij is van oordeel dat wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.


Uit het verlengingsadvies komt naar voren dat betrokkene sinds augustus 2020 meer probleembesef heeft en dat het sinds het gebruik van libidoremmende medicatie beter met hem gaat. Zijn pedoseksuele fantasieën nemen af. Betrokkene maakt goede stappen en is gemotiveerd voor zijn verdere behandeling.

De komende periode zal gezocht worden naar een eigen sociale huurwoning. Volgens de inrichting is het niet uit te sluiten dat komend jaar toegewerkt kan worden naar een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

De rechtbank heeft als uitgangspunt dat, wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling van betrokkene meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, de terbeschikkingstelling - behoudens bijzondere omstandigheden - verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren.
De rechtbank constateert dat het volgens de inrichting niet uit te sluiten is dat komend jaar wordt toegewerkt naar een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege over een jaar. Bij een verlenging van twee jaar zou betrokkene mogelijk langer dan noodzakelijk onvoorwaardelijk ter beschikking gesteld zijn. De rechtbank zal daarom de maatregel met één jaar verlengen. Hierbij merkt de rechtbank overigens wel op dat hieraan niet de verwachting kan worden ontleend dat bij de volgende verlengingszitting tot een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege of een verlenging van één jaar zal worden beslist. Dat is en blijft afhankelijk van de vorderingen van betrokkene.

Het verzoek tot het door de reclassering doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege wordt afgewezen.

De rechtbank acht een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel thans prematuur gezien de stappen die nog moeten worden gezet in het behandel- en resocialisatietraject. De rechtbank gaat ervan uit dat de inrichting, ten behoeve van de volgende verlengingszitting, tijdig een maatregelenrapport door de reclassering laat opstellen indien de behandeling van betrokkene de positieve lijn heeft doorgezet en er daadwerkelijk toegewerkt wordt naar een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank wijst af het verzoek tot aanhouding teneinde het doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van [betrokkene] met één jaar.

Deze beslissing is genomen door mr. I.L. Gerrits, voorzitter, mrs. D.S. Terporten-Hop en A.W.M. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2021.

Mrs. Van Hoof, Gerrits en Feenstra zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.