Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4388

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
08-10-2021
Zaaknummer
C/16/523148 / KG ZA 21-323
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Rekeninghouder (eiser) vordert voortzetting van de dienstverlening van de bank (gedaagde) zolang de bodemzaak loopt. De vordering wordt voor een beperkte periode toegewezen. Eiser mocht, als zogenoemde accidental american, vertrouwen ontlenen aan de afspraak tussen de minister en de NVB dat in 2021 geen bankrekeningen van accidental americans gesloten zouden worden. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2020:5647)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/523148 / KG ZA 21-323

Vonnis in incident van 25 augustus 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. E.C. Timmer te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

DE VOLKSBANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M.H. Berrevoets te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en Volksbank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, ook inhoudende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening;

  • -

    de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident;

  • -

    de beslissing dat er vonnis komt in het incident.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiser] is rekeninghouder bij Volksbank. Volksbank, handelend onder de naam Regiobank, heeft twee betaalrekeningen en een spaarrekening van [eiser] opgezegd. De opzegging houdt verband met de Amerikaanse Foreign Account Tax Compliance Act (hierna: FATCA), een in relatie daarmee door de Verenigde Staten (hierna: VS) en Nederland gesloten International Governmental Agreement en nadere Nederlandse uitvoeringswetgeving, waaronder de Leidraad FATCA/CRS (hierna gezamenlijk: FATCA-regelgeving).

2.2.

[eiser] is zogenoemd ‘accidental american’. Hij is als kind van Nederlandse ouders geboren in de VS en na circa één jaar naar Nederland verhuisd, waar hij sindsdien onafgebroken woont. Vanwege zijn geboorteplaats heeft hij echter de Amerikaanse nationaliteit. Op grond van de FATCA is [eiser] daarom verplicht belastingaangifte in de VS te doen, of om zijn Amerikaanse nationaliteit prijs te geven door de aanvraag van een Certificate Loss of Nationality (hierna: CLN). Voor belastingaangifte dient [eiser] over een U.S. Taxpayer Identification Number (hierna: TIN) te beschikken. Op grond van de FATCA-regelgeving is Volksbank verplicht het TIN van rekeninghouders op te vragen en door te geven aan de autoriteiten. [eiser] weigert een TIN aan te vragen bij de Amerikaanse autoriteiten, als gevolg waarvan hij die ook niet verstrekt aan Volksbank.

2.3.

Volksbank baseert de opzegging van de overeenkomst met [eiser] in haar brief van 24 september 2020 kortgezegd op deze drie gronden:

  • -

    [eiser] heeft valsheid in geschrifte gepleegd door het FATCA formulier van de bank onjuist in te vullen (hetgeen naar haar (bank)voorwaarden een reden tot opzegging oplevert).

  • -

    [eiser] ontduikt belastingen door, hoewel daartoe verplicht, geen belastingaangifte in de VS te doen. Dat staat gelijk aan witwassen [opmerking rechtbank: in latere stukken spreekt Volksbank over ‘enige vorm van en een risico op witwassen’ dat een ‘onaanvaardbaar integriteitsrisico’ met zich brengt]. Artikel 5 lid 3 Wet ter voorkoming witwassen en financieren terrorisme (hierna: Wwft) bepaalt dat de bank haar relatie dan opzegt.

  • -

    Door de handelwijze van [eiser] is de vertrouwensrelatie geschonden als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden.

2.4.

Op 23 december 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in kort geding geoordeeld dat geen sprake is van valsheid in geschrifte, maar dat Volksbank de bankrekeningen mocht opzeggen op de grond van belastingontduiking (zie 3.16 kortgedingvonnis).

2.5.

Diezelfde dag heeft Volksbank [eiser] laten weten dat de sluiting van zijn bankrekeningen wordt uitgesteld tot 1 november 2021 en hij tot dan heeft om deze elders onder te brengen. [eiser] is vervolgens een bodemprocedure gestart.

2.6.

[eiser] vordert in dit incident dat de rechtbank Volksbank gebiedt haar dienstverlening aan [eiser] onder de overeengekomen voorwaarden te blijven verlenen zo lang niet in hoogste instantie over het onderhavige geschil is beslist, tegen een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat Volksbank daar niet aan voldoet.

2.7.

De Volksbank voert verweer. Volksbank stelt zich op het standpunt dat, omdat [eiser] ook na de kortgedinguitspraak van 23 december 2020, op geen enkele manier een begin heeft gemaakt met het aanvragen van een TIN, de belangenafweging in dit incident dezelfde uitkomst dient te hebben als in de kortgedingprocedure. De Volksbank wijst daarbij op haar belang om wet- en regelgeving na te leven en sancties te voorkomen.

3 Hoe oordeelt de rechtbank in het incident?

3.1.

[eiser] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering gelet op de naderende afsluiting van zijn betaalrekeningen en spaarrekening op 1 november 2021. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven.

3.2.

De rechtbank komt daarom toe aan de beoordeling of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde voorziening rechtvaardigt, tegen de achtergrond van de verwachte duur en afloop van de hoofdzaak. Hoewel de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 23 december 2020 al een voorlopig oordeel heeft gegeven over de rechtsverhouding tussen partijen, dient de rechtbank ongeacht dat oordeel tot een zelfstandige beoordeling te komen (vergelijk HR 16 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1583).

3.3.

Voor het toewijzen van een incidentele vordering als deze is onder meer van belang in hoeverre het aannemelijk is dat de rechtbank in de bodemzaak ook tot een toewijzing zal komen. De rechtbank komt, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, daar echter nog niet aan toe.

3.4.

[eiser] mag er namelijk op vertrouwen dat zijn bankrekeningen voor de resterende duur van 2021 niet worden afgesloten. Dat volgt uit de afspraak die begin 2021 is gemaakt tussen de minister van financiën en de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: NVB), waar [eiser] zich op beroept. In een kamerbrief van 2 februari 2021 schrijft de minister: ‘Wij hebben daarom met de NVB afgesproken om te komen tot een tijdelijke oplossing in 2021, met een inzet om vóór 2022 tot een definitieve regeling met de VS te komen. De banken hebben aan ons toegezegd om in 2021 geen rekeningen te sluiten van personen met ook de Amerikaanse nationaliteit als zij geen US TIN of CLN hebben aangeleverd. Een kanttekening hierbij is dat deze toezegging niet ziet op gevallen waarin zich ook andere omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen zijn voor het sluiten van de rekening indien blijkt dat dit noodzakelijk is voor het naleven van de (…) Wwft.’ (Kamerbrief, 2 februari 2021, Kamerstukken II, 2021/21, 25087, nr. 266, p. 1).

3.5.

Volksbank stelt dat sprake is van omstandigheden die maken dat het sluiten van de rekeningen noodzakelijk is voor naleving van de Wwft. Volksbank voert aan dat [eiser] principieel weigert een TIN (of CLN) aan te vragen en om belastingaangifte in de VS te doen. Dat maakt dat sprake is van belastingontduiking, aldus Volksbank, als gevolg waarvan de bank ook op grond van de Wwft afscheid moet nemen.

3.6.

Artikel 5 Wwft bepaalt – kort samengevat – dat instellingen die onder het regime van de Wwft vallen (zoals Volksbank) een zakelijke relatie (moeten) beëindigen als zij niet in staat zijn om een cliëntenonderzoek (met goed gevolg) uit te voeren. Een cliëntenonderzoek heeft tot doel witwassen te voorkomen (artikel 3 lid 1 Wwft), door onder andere de identiteit van de cliënt vast te stellen. De vraag doet zich dus voor of Volksbank, vanwege de weigering van [eiser] om een TIN aan te leveren, haar cliëntenonderzoek niet heeft kunnen voltooien en of (daarmee) een (onaanvaardbaar) risico op witwassen bestaat.

3.7.

Zoals Volksbank terecht aanhaalt kan ook het plegen van een fiscaal delict tot witwassen leiden. De persoon die belasting ontduikt, beschikt dan immers over gelden afkomstig uit enig misdrijf, namelijk de ten onrechte niet afgedragen belastingen (HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774). Daarvoor is dus wel vereist dat daadwerkelijk belasting is ontdoken. Volksbank heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld die aannemelijk maken dat er ook daadwerkelijk belasting had moeten worden afgedragen door [eiser] in de VS. Daartegenover wijst [eiser] – onder verwijzing naar gegevens van de Amerikaanse overheid – dat uiteindelijk bij minder dan 10% van de accidental americans die belastingaangifte doet, ook enige belasting wordt geheven. Daarbij komt dat [eiser] ’ keuze om in de VS geen belastingaangifte te doen in eerste instantie niet lijkt te zijn ingegeven om geen belasting te hoeven betalen, maar vooral te doen heeft met zijn overtuiging dat accidental americans onterecht worden opgezadeld met tijdrovende en kostbare (Amerikaanse) procedures. Van een intentie om belasting te ontduiken is daarom niet gebleken. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank thans onvoldoende vast dat, zoals Volksbank stelt, er sprake is van enige vorm en risico op witwassen die een onaanvaardbaar integriteitsrisico (voor de bank) met zich brengt. Daarvoor is op zijn minst nodig dat een reële kans op belastingheffing aannemelijk is.

3.8.

Uit de totstandkoming van de afspraak tussen de minister en de NVB leidt de rechtbank ook af dat, anders dan Volksbank stelt, de afspraak mede ziet op accidental americans die geen TIN (of CLN) willen aanvragen. Aanvankelijk, op 20 november 2020, zeggen de banken toe om geen rekeningen meer te zullen sluiten als klanten ‘louter niet reageren op brieven’. Daarmee is de discussie echter niet ten einde. In gesprekken met de NVB wordt, nadat de minister de kamer informeert dat de rekeningen van weigeraars nog wel kunnen worden beëindigd, gezocht naar een (tijdelijke) oplossing voor ook deze groep. De gesprekken met de NVB leiden uiteindelijk tot de tijdelijke oplossing voor 2021, zoals hierboven geciteerd. Die houdt dus in dat er geen rekeningen worden gesloten van personen als zij ‘geen US TIN of CLN hebben aangeleverd’. De reden dat een TIN ontbreekt, doet dus niet meer ter zake. Dat leidt de rechtbank ook af uit het oordeel van de minister dat Nederland banken ‘compliant acht’ als zij een redelijke inspanning hebben verricht om een TIN te bemachtigen. Of een rekeninghouder niet reageert op die verzoeken of gewoon weigert, maakt de inspanningen van de bank niet anders. Om deze redenen mag ook [eiser] er op vertrouwen dat Volksbank zijn bankrekeningen in 2021 openhoudt.

3.9.

Met het oog hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot toewijzing van de voorlopige voorziening voor beperkte duur. De gevraagde dwangsom, die naar de rechtbank begrijpt niet alleen op de vordering in de hoofdzaak maar ook op de voorlopige voorziening ziet, wordt afgewezen. Volksbank heeft toegezegd om de beslissing van de rechtbank te zullen uitvoeren. Gelet op de maatschappelijke positie van Volksbank zijn er geen redenen daaraan te twijfelen.

3.10.

Omdat de incidentele vordering van [eiser] gedeeltelijk wordt toegewezen en beide partijen geen eigen processtuk (of inhoudelijk een zelfstandige argumentatie) hebben gewijd aan het incident, worden de proceskosten – voor zover gemaakt – gecompenseerd.

3.11.

De rechtbank zal de hoofdzaak verwijzen naar de rol voor het opgeven van verhinderdata tot en met december 2021 voor een comparitie van partijen.

4 De beslissing

De rechtbank:

In incident

4.1.

bepaalt dat Volksbank haar dienstverlening aan [eiser] onder de overeengekomen voorwaarden blijft verlenen tot en met 31 december 2021;

4.2.

bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;

4.3.

wijst het meer of anders gevorderde af;

In de hoofdzaak

4.4.

verwijst de hoofdzaak naar de rol en draagt partijen op om verhinderdata op te geven tot en met december 2021 voor een comparitie van partijen;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Verboom en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2021.