Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4304

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-08-2021
Datum publicatie
16-09-2021
Zaaknummer
UTR - 20 _ 3660
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitbreiding horeca-exploitatievergunning, passeren bevoegdheidsgebrek, vertrouwensbeginsel, belangen eiser, voorwaarden vergunning, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/3660


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.A.L.D.I. van Slagmaat),

en

de burgemeester van de gemeente Nieuwegein, verweerder

(gemachtigden: mr. I. van Oort en A. de Graaf).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij] B.V.

Procesverloop

In het besluit van 17 april 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aan derde-partij verleende horeca-exploitatievergunning aangepast, in die zin dat de artillerieloods als extra locatie wordt toegevoegd en dat de sluitingstijd gewijzigd wordt naar 01.30 uur.

In het besluit van 27 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2021 online op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens derde-partij is [A] verschenen.

Overwegingen

Wat is de aanleiding van deze uitspraak?

1. Derde-partij exploiteert aan de [straat] in [plaats] ‘ [naam] ’. Zij faciliteert onder andere vergaderingen, workshop en brainstormsessies. Na afloop wordt de mogelijkheid geboden een borrel te schenken en eten te serveren, al dan niet met muziek. Hiervoor heeft derde-partij in 2017 een horeca-exploitatievergunning gekregen. De horeca-exploitatievergunning heeft betrekking op het terrein gelegen ‘Wachthuis’ en de terrasweide.

Op een gegeven moment wil derde-partij haar activiteiten uitbreiden. Zij wil de op haar terrein gelegen ‘Artillerieloods’ betrekken bij de exploitatie van haar bedrijf. Hiervoor dient zij een aanvraag in. Verweerder beslist positief op de aanvraag en past de horeca-exploitatievergunning van derde-partij aan. Daarmee is het derde-partij toegestaan om in de Artillerieloods horeca-activiteiten te exploiteren.

Waar gaat deze uitspraak over?

2. Deze uitspraak gaat alleen over het besluit om de verleende horeca-exploitatievergunning aan te passen. Het gaat er over dat het derde-partij is toegestaan om in de Artillerieloods horeca-activiteiten te exploiteren. Het gaat dus niet over de in 2017 verleende horeca-exploitatievergunning en de daarbij behorende omstandigheden. Ook gaat het niet over de wijze hoe derde-partij de beschikking heeft gekregen over het terrein waar zij ‘ [naam] ’ exploiteert.

Is het bestreden besluit door het juiste bestuursorgaan genomen?

3. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een bevoegdheidsgebrek heeft. Het college van burgemeester en wethouders heeft het bestreden besluit ondertekend, terwijl het een bevoegdheid is die aan de burgemeester toekomt. De burgemeester heeft de rechtbank op 16 juni 2021 meegedeeld dat hij het bestreden besluit heeft genomen en het besluit voor zijn rekening komt. Hiermee heeft de burgemeester het bestreden besluit bekrachtigd. Op de zitting heeft eiser zich hierover kunnen uitlaten. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser niet is benadeeld door het bevoegdheidsgebrek dat aan het bestreden besluit kleeft. De rechtbank ziet daarom reden om dit gebrek te passeren1. Dit betekent dat de rechtbank geen gevolgen verbindt aan het geconstateerde bevoegdheidsgebrek.

Is in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld?

4. Eiser heeft onder meer een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en stelt zich op het standpunt dat het derde-partij om die reden niet is toegestaan ook de Artillerieloods te gebruiken voor horecadoeleinden. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan (of gedragingen heeft verricht) waaruit eiser kon en mocht afleiden dat het derde-partij niet zou worden toegestaan om haar horeca-activiteiten uit te breiden. De stelling van eiser dat de gewijzigde vergunning in strijd is met de oorspronkelijke doelstellingen en uitgangspunten op basis waarvan het terrein in 2014 door verweerder aan derde-partij is verkocht, kan niet als een dergelijke toezegging of uitlating worden aangemerkt. Bovendien gaat het hier over de uitbreiding van de horeca-activiteiten. Op het terrein vinden dus al horeca-activiteiten plaats. Als eiser van mening is dat de horeca-activiteiten niet passen binnen de oorspronkelijke doelstellingen en uitgangspunten, had hij dit moeten aanvoeren tegen de in 2017 verleende horeca-exploitatievergunning.

Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de belangen van eiser?

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser gestelde belangen heeft betrokken bij de besluitvorming en dat hij in die belangen in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om de aanpassing van de vergunning te weigeren.

5.1.

Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat derde-partij qua geluidsvoorschriften is gebonden aan de normen die het Activiteitenbesluit daarover vermeldt. Als eiser van mening is dat deze normen worden overschreden, kan hij op dat moment bij verweerder een handhavingsverzoek indienen. Nu is het nog te vroeg om hier iets over te zeggen. Daarbij merkt de rechtbank op dat er afspraken zijn gemaakt met derde-partij, zoals het niet open laten staan van deuren. Ook heeft derde-partij zijn personeel geïnstrueerd om het geluidsniveau binnen de kaders van het Activiteitenbesluit systematisch te meten en hieraan te toetsen. Verder worden klanten van derde-partij op de hoogte gesteld van de geluidsvoorschriften en wordt dit contractueel vastgelegd. Gelet op het voorgaande hoefde verweerder op voorhand geen ontoelaatbare geluidsoverlast te verwachten waardoor het woon- en leefklimaat in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

5.2.

Over de door eiser verwachte problemen door het toenemende verkeer, heeft verweerder in het verweerschrift opgemerkt dat de uitbreiding van de horeca-exploitatievergunning wellicht extra invloed heeft op de verkeersaantrekkende werking. Met het eerder openstellen van de [straat] is er volgens verweerder een oplossing gecreëerd om het verkeer over meerdere toegangswegen en uitvalswegen te verspreiden. Ook zijn hierdoor de parkeerbewegingen op de [straat] weggenomen, aldus verweerder. Verder merkt verweerder op dat derde-partij de mogelijkheid biedt om gebruik te maken van pendeldiensten en wordt het gebruik van het openbaar vervoer en de fiets door haar gestimuleerd. Op de zitting heeft verweerder nader toegelicht dat hij bereid is om bij eventuele verkeersoverlast mee te denken over oplossingen van deze overlast, zoals het plaatsen van signalering en borden om het verkeer de goede kant op te leiden. Gelet op het voorgaande hoefde verweerder dan ook niet op voorhand in de door eiser verwachte verkeersproblematiek ontoelaatbare overlast te verwachten waardoor het woon- en leefklimaat in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Dat de hiervoor gegeven toelichting van verweerder niet in het bestreden besluit staat vermeld, betekent niet dat dit een motiveringsgebrek oplevert. In bezwaar is de verkeersaantrekkende beweging namelijk aangevoerd in het kader van de te verwachten geluidsoverlast.

Heeft verweerder aanvullende voorwaarden in de vergunning moeten opnemen?

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om aanvullende (beperkende) voorwaarden in de aanvullende horeca-exploitatievergunning van derde-partij op te nemen. Verweerder is niet verplicht om aanvullende voorwaarden op te nemen. Daarbij is mede van belang dat de verleende aanvullende horeca-exploitatievergunning past binnen het bestemmingsplan (horeca categorie 2). Verweerder kan uiteraard wel aanvullende (beperkende) voorwaarden opnemen. Verweerder heeft op de zitting nader toegelicht dat hij alleen aanvullende (beperkende) voorwaarden opneemt als daarvoor aanleiding bestaat, zoals bijvoorbeeld bij geconstateerde overlastproblematiek. Volgens verweerder is daar in dit geval geen sprake van en heeft hij om die reden geen aanvullende (beperkende) voorwaarden in het besluit opgenomen. De rechtbank ziet in deze handelwijze van verweerder geen onrechtmatigheid. Daarbij merkt de rechtbank op dat het dossier geen blijk geeft van door derde-partij veroorzaakte objectiveerbare overlast. Van een motiveringsgebrek op dit punt is geen sprake.

Wat is de conclusie van de rechtbank?

7. Het bestreden besluit heeft een bevoegdheidsgebrek, maar dit maakt niet dat de inhoud van het besluit niet juist is. Wat eiser tegen de inhoud van het bestreden besluit heeft aangevoerd, maakt niet dat verweerder de aanvullende horeca-vergunning niet had mogen verlenen. De gronden slagen niet en het beroep is ongegrond.

Welke kosten moet verweerder vergoeden?

8. Het ligt in de rede om bij het passeren van gebreken een proceskostenveroordeling uit te spreken en een vergoeding van het griffierecht te gelasten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden om daarvan af te zien2. Omdat van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken, moet verweerder een vergoeding voor de door eiser gemaakte proceskosten betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748,-) bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.496,-. Daarnaast moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is uitgesproken op 27 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1762).