Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:4141

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
01-10-2021
Zaaknummer
9111878 UC EXPL 21-2463
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

incasso huurachterstand. Geen proceskostenveroordeling omdat verhuurder en deurwaarder onzorgvuldig hebben gehandeld. Proceskosten daarom nodeloos gemaakt. Onduidelijke en onnodig intimiderende dagvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2022/5
NJF 2022/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 9111878 UC EXPL 21-2463 PP/1211

Vonnis van 1 september 2021

inzake

de stichting

Patrimonium Woonservice,

gevestigd te Veenendaal,

verder ook te noemen Patrimonium,

eisende partij,

gemachtigde: DigiDeur, incasso & gerechtsdeurwaardersdiensten,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A. Kara.

1 Het verloop van de zaak

1.1.

Patrimonium heeft [gedaagde] gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde] heeft op de dagvaarding gereageerd. De kantonrechter heeft besloten dat de zaak op een zitting verder besproken moet worden.

Beide partijen hebben, vóórdat de zaak met de kantonrechter is besproken, nog nadere stukken opgestuurd.

1.2.

De zaak is bij de kantonrechter besproken op 17 augustus 2021. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Patrimonium heeft zich laten vertegenwoordigen door haar incassogemachtigde. [gedaagde] is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2 Waar het in deze procedure om gaat

2.1.

[gedaagde] huurt van Patrimonium de woning aan de [adres] in [plaatsnaam] . De huur is (op dit moment) € 544,34 per maand en moet worden vooruitbetaald. [gedaagde] heeft een huurachterstand.

2.2.

Patrimonium vordert kort gezegd betaling van de huurachterstand met rente en kosten.

2.3.

Volgens [gedaagde] klopt de hoogte van de betalingsachterstand niet. Hij zegt dat hij alles betaald heeft. Volgens [gedaagde] heeft hij de gevorderde huurachterstand en de kosten vóór de eerste zittingsdatum van 31 maart 2021 betaald en hij vindt dat er verder geen kosten in rekening gebracht moeten worden. Volgens [gedaagde] zijn er drie betalingen niet afgetrokken van de huurachterstand, namelijk € 544,34 op 11 juni 2020 en tweemaal € 555,16, op 22 januari 2021 en op 28 maart 2021. Ook is niet duidelijk waar het bedrag ‘Creditnota [.] 2020 d.d. 28-06-2021’ op ziet.

3 De beoordeling

Moet [gedaagde] nog achterstallige huur betalen? Ja, een bedrag van € 158,37

3.1.

Bij de mondelinge behandeling van de zaak heeft Patrimonium toegelicht dat de huurachterstand ten tijde van de mondelinge behandeling € 158,37 was. De vordering in hoofdsom (bij dagvaarding was dit volgens Patrimonium nog € 543,58) heeft zij dus tot dat bedrag verminderd. Deze huurachterstand is berekend tot en met de maand augustus 2021. [gedaagde] heeft van de betaling van 28 maart 2021 een betalingsbewijs overgelegd, maar van de andere twee gestelde betalingen niet. Het verweer dat op 22 januari en 11 juni 2021 nog bedragen in mindering op de hoofdsom zijn betaald is dus onvoldoende onderbouwd. De creditnota zal waarschijnlijk betrekking hebben op een teruggave van een voorschot servicekosten. Niet aannemelijk is dat die relevant is voor de hoogte van de achterstallige huur. Omdat het een teruggave betreft is het niet in het nadeel van [gedaagde] dat Patrimonium dit niet nader heeft gespecificeerd. Ook de betaling die [gedaagde] heeft gedaan op 28 maart 2021 kan niet in mindering worden gebracht op de huurachterstand. In de omschrijving van het betalingsbewijs heeft [gedaagde] namelijk vermeld ‘Eenheid: [straatnaam] Patrimonium’. Dat betreft het adres van de woning van de moeder van [gedaagde] die ook bij Patrimonium huurde. [gedaagde] heeft begin januari 2021 aan Patrimonium doorgegeven dat de correspondentie met betrekking tot de huur van zijn moeder aan hem gericht moest worden. Daarom heeft [gedaagde] de huurnota van zijn moeder ontvangen en die gebruikt om te betalen. De kantonrechter is van oordeel dat Patrimonium ervan uit mocht gaan dat deze betaling zag op de huurachterstand van zijn moeder en mocht dus die betaling, zoals zij heeft gedaan, in mindering brengen op de huurachterstand die moeder had. De vordering van de hoofdsom van € 158,37 zal daarom toegewezen worden.

Moet [gedaagde] (buiten)gerechtelijke kosten betalen? Nee

3.2.

Van een sociale verhuurder als Patrimonium en haar incassogemachtigde/gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat de incasso ter hand wordt genomen met oog voor de omstandigheden van het geval en conform de maatschappelijk betamende zorgvuldigheid. Daarbij moet rekening worden gehouden met het gegeven dat mensen die het al niet breed hebben en rond moeten komen van een inkomen op het bestaansminimum van onnodige (proces)kosten verder in de problemen zullen raken. Waar mogelijk moet dat naar het oordeel van de kantonrechter voorkomen worden. Een schuldeiser heeft er bovendien ook niets aan als de schuldenlast door incasso- en proceskosten hoger wordt. Daarmee wordt de kans op verhaal namelijk alleen maar kleiner.

Patrimonium, althans haar gemachtigde, heeft met dit alles onvoldoende rekening gehouden. De kantonrechter licht dit als volgt toe.

3.2.1.

Uit de specificatie van de huurachterstand die Patrimonium heeft overgelegd (hierna: de huurspecificatie) volgt dat [gedaagde] de huur over de maanden juni en juli 2020 onbetaald heeft gelaten. In de maanden daarna is de huurachterstand ingelopen en werd de lopende huur nagenoeg op tijd betaald. Dat roept de vraag op waarom op 22 maart 2021 de noodzaak werd gevoeld [gedaagde] te dagvaarden.

3.2.2.

De manier waarop [gedaagde] gedagvaard is roept ook vraagtekens op. In de dagvaarding wordt gegoocheld met cijfers, rente en kosten. De inhoud van de dagvaarding komt met name dreigend over omdat naast een hoofdsom van € 1.098,88 een bedrag wordt opgenomen van € 4.348,64 aan vervallen termijnen. Dat bedrag wordt verhoogd met rente en buitengerechtelijke kosten en daarop wordt dan een bedrag van € 4.903,94 in mindering gebracht, zijnde het bedrag dat al is voldaan. Per saldo resteert dan aan kale hoofdsom € 543,58, maar dat bedrag wordt niet met zoveel woorden als de achterstallige huur genoemd. Dat maakt de dagvaarding moeilijk leesbaar en onnodig imponerend.

3.2.3.

Er is bovendien voor gekozen [gedaagde] te dagvaarden op een heel korte termijn, namelijk tegen 31 maart 2021. [gedaagde] kreeg dus nauwelijks de tijd om nog voor de eerst dienende dag de openstaande hoofdsom te betalen en verdere kosten te voorkomen.

3.2.4.

Op het moment van dagvaarden had [gedaagde] volgens Patrimonium een huurachterstand van € 543,58, dat is nog geen maand huur. De moeder van [gedaagde] had een forsere huurachterstand en dreigde uit de woning te worden gezet. [gedaagde] hoopte die huurachterstand in te lopen door bij zijn moeder te gaan wonen en het gehuurde dus te verlaten. In dat verband had hij met Patrimonium afgesproken dat de post van zijn moeder naar hem zou worden gestuurd en ontving hij dus ook de huurnota’s van zijn moeder. [gedaagde] heeft, zo is toegelicht bij de mondelinge behandeling, naar aanleiding van de dagvaarding contact opgenomen met de incassogemachtigde van Patrimonium en heeft laten weten dat hij zou betalen. Hoewel de kantonrechter hiervoor heeft overwogen dat Patrimonium ervan uit mocht gaan dat de betaling van 28 maart 2021 bedoeld was voor het inlopen van de huurachterstand van de moeder van [gedaagde] , is ook mogelijk dat die eigenlijk bedoeld was om uitvoering te geven aan de toezegging de achterstallige huur in deze zaak te betalen en daarmee een procedure te voorkomen. Die mogelijkheid is ook uitdrukkelijk besproken door de incassogemachtigde van Patrimonium met de toenmalig gemachtigde van [gedaagde] . Die heeft namelijk op 30 maart 2021 uitdrukkelijk aan de incassogemachtigde van Patrimonium laten weten dat de betaling van 28 maart 2021 (die rechtstreeks aan Patrimonium is betaald) en de betaling van € 423,85 (die [gedaagde] op 30 maart 2021 aan de incassogemachtigde van Patrimonium heeft betaald) waren bedoeld als betaling op de dagvaarding in deze zaak en om proceskosten te voorkomen. Daar had rekening mee moeten worden gehouden bij het besluit om al dan niet de zaak aan te brengen bij de kantonrechter.

3.2.5.

Omdat [gedaagde] op 30 maart 2021 aan de incassogemachtigde van Patrimonium € 423,85 heeft betaald, stond er feitelijk op de eerste zittingsdag (31 maart 2021) aan huur nog maar open een bedrag van € 119,73. Dit is niet een achterstand die noopt tot procederen met alle kosten van dien.

3.3.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat bij de uitgevoerde incassowerkzaamheden niet conform de maatschappelijk vereiste zorgvuldigheid is gehandeld en dat daardoor onnodige procedurekosten zijn gemaakt. Omdat [gedaagde] pas na ontvangst van de dagvaarding is gaan betalen, zou Patrimonium wel recht hebben op incassokosten. Het gevorderde bedrag van € 199,44 sluit echter niet aan bij het bedrag dat volgens het Besluit buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou zijn over de ten tijde van dagvaarding openstaande hoofdsom van € 543,58. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen dus worden afgewezen.

3.4.

Dat betekent dat de vordering van Patrimonium zal worden toegewezen tot een bedrag van in hoofdsom van € 158,37, zijnde de meest bekende huurachterstand. De in de dagvaarding becijferde verschenen wettelijke rente is, gezien de wijze waarop de dagvaarding is ingericht, voor de kantonrechter niet controleerbaar. De wettelijke rente zal dus worden toegewezen met ingang van 17 maart 2021. Hoewel Patrimonium deels in het gelijk is gesteld dienen de proceskosten als nodeloos gemaakt voor haar rekening te blijven.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Patrimonium tegen bewijs van kwijting te betalen

€ 158,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2021;

4.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

wijst af wat er meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2021, in aanwezigheid van de griffier.