Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:3899

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
20-08-2021
Zaaknummer
16.264481.19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van drie inbraken, een schuldheling, een afpersing en de deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank vindt het ernstig dat een jonge jongen als verdachte in een korte tijd zoveel ernstige strafbare feiten heeft gepleegd. Ook de houding van verdachte bij het plegen van de strafbare feiten, die uit het dossier naar voren komt, vindt de rechtbank ernstig en zorgelijk.

Verdachte en de andere leden van de criminele organisatie hebben in en rondom Zeist bijgedragen aan een groot gevoel van onrust en onveiligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.264481.19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 augustus 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2001] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De rechtszaak tegen [verdachte] heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zittingen van 16 april 2020 en 14 juli 2021. Op 14 juli is de zaak inhoudelijk behandeld. [verdachte] was bij de inhoudelijke behandeling aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak. Het onderzoek is op de zitting van 5 augustus 2021 gesloten.

De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van [verdachte] , zijn advocaat mr. E.D. van Elst, de officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman, en de deskundigen M. Snippe en L. Noest van Samen Veilig Midden-Nederland.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt [verdachte] ervan dat hij betrokken is geweest bij meerdere strafbare feiten. Deze verdenkingen staan beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage is opgenomen in dit vonnis.

Kort gezegd verdenkt de officier van justitie [verdachte] ervan dat hij:

  1. op 26 september 2019 in Den Haag samen met anderen fietsen in bezit heeft gehad, terwijl hij wist of moest weten dat die fietsen van een misdrijf afkomstig waren;

  2. op 25 oktober 2019 in [woonplaats] samen met anderen heeft ingebroken aan de [adres] , waarbij een tablet, computers, een koptelefoon, een luidspreker, twee jassen, een rugzak en sieraden zijn weggenomen;

  3. tussen 25 en 27 oktober 2019 in [woonplaats] samen met anderen heeft ingebroken aan de [adres] , waarbij computers, telefoons, een camera, een kunstbeeld, een portemonnee, spaarpotten, sieraden, geld een headset/oortjes, een sporttas, een kniebeschermer en een ID-kaart zijn weggenomen (primair), dan wel dat hij in die periode en plaats heeft geholpen bij genoemde inbraak (subsidiair);

  4. op 29 oktober 2019 in [woonplaats] samen met anderen heeft geprobeerd in te breken aan de [adres] ;

  5. op 28 oktober 2019 in [woonplaats] samen met anderen heeft ingebroken aan de [adres] , waarbij geld, een laptop, een telefoon, een spelcomputer, parfums en sieraden zijn weggenomen;

  6. op 2 november 2019 in [woonplaats] heeft geholpen bij een inbraak aan de [adres] , waarbij een kluis, sieraden, munten, een houten kistje en een kliko zijn weggenomen (primair), dan wel op die datum en in die plaats voornoemde goederen in bezit heeft gehad, terwijl hij wist of moest weten dat die goederen van een misdrijf afkomstig waren (subsidiair);

  7. op 4 november 2019 in [woonplaats] een telefoon in bezit heeft gehad, terwijl hij wist of moest weten dat die telefoon van een misdrijf afkomstig was (primair), dan wel op die datum en in die plaats die telefoon heeft verduisterd (subsidiair);

  8. tussen 1 februari en 7 november 2019 in [woonplaats] samen met anderen [slachtoffer] onder bedreiging van geweld heeft gedwongen tot het afgeven van geldbedragen;

  9. op 21 september 2019 in Zeist een rijbewijs in bezit heeft gehad, terwijl hij wist of moest weten dat dat rijbewijs van een misdrijf afkomstig was;

  10. in de periode van 24 februari 2019 en 4 november 2019 in Zeist samen met anderen een criminele organisatie heeft gevormd, die het plegen van woninginbraken en andere vermogensdelicten tot doel had.

3 INLEIDING 1

Al vanaf eind 2018 vinden in de gemeente Zeist verschillende incidenten plaats. De politie vermoedde dat de jeugdige ‘Koppelgroep’ daarvoor verantwoordelijk was. De politie kreeg meerdere meldingen over afpersingen en geweldshandelingen door deze groep. De groep zou voor veel overlast zorgen in de horeca en op verschillende scholen in (voornamelijk) ZeistWest. In de meldingen wordt [medeverdachte 1] genoemd als leider van de groep. Ook de namen van [verdachte] en [medeverdachte 2] worden in meldingen genoemd.

De politie besluit daarop in oktober 2019 het onderzoek ‘033Wing’ te starten. Het onderzoek richtte zich op dat moment op de afpersingen die [medeverdachte 1] (met anderen) mogelijk gepleegd zou hebben. De politie heeft toen, na bevel daartoe van de rechter-commissaris, de telefoonnummers van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgeluisterd. Uit de tapgesprekken bleek volgens de politie dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich bezighielden met woninginbraken met (onder andere) de volgende personen: [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Later werd ook [medeverdachte 6] door de politie als één van de daders van de woninginbraken geïdentificeerd en als verdachte aangemerkt. Binnen twee weken luisterde de politie met meerdere gesprekken mee die over inbraken leken te gaan. De politie verbond de verdachten op grond van die tapgesprekken aan in ieder geval acht inbraken of pogingen daartoe. Door de hoeveelheid inbraken in een korte tijd, besloot het openbaar ministerie tot aanhouding van verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Later werd ook [medeverdachte 6] aangehouden.2

4 VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen [verdachte] , moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag [verdachte] vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

5 WAARDERING VAN HET BEWIJS

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, met uitzondering van de poging tot inbraak aan de [straat] in [woonplaats] .

Voor zover relevant worden de standpunten van de officier van justitie verder besproken onder het oordeel van de rechtbank.

5.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat van [verdachte] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2, 3 en 10. De advocaat van [verdachte] vindt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van alle overige tenlastegelegde feiten

Voor zover relevant worden de standpunten van de advocaat verder besproken onder het oordeel van de rechtbank.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

Algemene opmerkingen over het bewijs

Tijdens het onderzoek werden de telefoonnummers waarvan de politie vermoedde dat die in gebruik waren bij de verdachten getapt. Volgens de politie maakte [verdachte] gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer] . Verbalisant [verbalisant 1] herkende de stem van de gebruiker van het telefoonnummer als de stem van [verdachte] door een verhoor dat hij van hem had afgenomen. De gebruiker van het telefoonnummer wordt vaak ‘ [bijnaam 1] ’ genoemd.3

Op 25 augustus 2019 controleerde verbalisant [verbalisant 2] (onder andere) [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2] . [verdachte] ging op enig moment weg. Verbalisant [verbalisant 2] vroeg aan [medeverdachte 2] om [verdachte] te bellen. Verbalisant [verbalisant 2] zag dat [medeverdachte 2] vervolgens uit zijn contactenlijst het contact ‘ [bijnaam 1] ’ belde. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de voicemail van het telefoonnummer ingesproken met het verzoek teruggebeld te worden. Verbalisant [verbalisant 2] werd later door het telefoonnummer [telefoonnummer] teruggebeld. De gebruiker van het telefoonnummer stelde zich toen voor als ‘ [verdachte] ’. Verbalisant [verbalisant 2] vroeg of hij naar de verbalisant wilde toegaan. Vervolgens kwam [verdachte] naar verbalisant [verbalisant 2] toe.4

De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer] en dat hij ook wel ‘ [bijnaam 1] ’ wordt genoemd. De rechtbank zal verder in dit vonnis naar dat telefoonnummer refereren als ‘het telefoonnummer van [verdachte] ’.

5.3.2

Vrijspraken

De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van de feiten 4, 6, 7 en 9, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat [verdachte] die feiten heeft gepleegd.

Over de feit 6 en 8 overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat [verdachte] beschikkingsmacht heeft gehad over de kluis en het rijbewijs. Over feit 7 overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat [verdachte] ten tijde van het verkrijgen van de telefoon wist of moest vermoeden dat de telefoon gestolen was.

5.3.3

Bewezenverklaringen

Feit 1

Op donderdag 26 september 2019 kreeg de politie een melding dat mannen fietsen aan het inladen waren in een huurbox op de [straat] in [woonplaats] . De fietsen zaten nog op slot. Toen de politie daar aankwam, zag zij vijf mannen lopen bij een geopende huurbox. Ook stond er een auto van het merk Citroën met kenteken [kenteken ] geparkeerd. Vier mannen gingen in de auto zitten. De bestuurder was [medeverdachte 5] en de bijrijder [verdachte] . Verbalisant [verbalisant 4] zag dat aangifte was gedaan van diefstal van één van de fietsen in de box.5

Op camerabeelden van de opslagloods aan de [adres] in [woonplaats] zag de politie dat op 25 september 2019 een bestelbus binnen komt rijden. Uit de bestelbus stappen drie mannen die verbalisant [verbalisant 3] herkende als [verdachte] , [verdachte] en [medeverdachte 5] . De bus staat vol met fietsen die op slot staan. [medeverdachte 5] en [verdachte] laden de fietsen uit en zetten die in het opslaghok.

Op camerabeelden van 26 september 2019 zag de politie dat een Citroën met kenteken [kenteken ] binnen komt rijden. Uit de auto stappen vier mannen, die verbalisant [verbalisant 3] herkende als [verdachte] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 1] halen de fietsen daarna uit het opslaghok en ontdoen de fietsen van trappers en voorwielen.6

Bewijsoverweging: interpretatie van de bewijsmiddelen

Uit de hierboven besproken bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] op 25 september 2019 samen met anderen fietsen vanuit een bestelbus in een opslaghok heeft geplaatst. Deze fietsen stonden nog op slot. Bij het uitladen van de fietsen moet dat [verdachte] zijn opgevallen. De volgende dag is hij teruggekomen en heeft hij samen met anderen de fietsen van het voorwiel en de trappers ontdaan. Van één van de fietsen in de loods was aangifte van diefstal gedaan, maar de rechtbank gaat onder de genoemde omstandigheden ervan uit dat meerdere fietsen van een misdrijf afkomstig waren, omdat algemeen bekend is dat van het overgrote deel van fietsendiefstallen nooit aangifte wordt gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] onder de genoemde omstandigheden had moeten vermoeden dat de fietsen van een misdrijf afkomstig waren. [verdachte] heeft verklaard dat hij met de anderen op 26 september 2019 bij de moskee is geweest. Daar zou een man hen hebben gevraagd om voor een klein bedrag trappers en voorwielen van fietsen te halen. Deze verklaring vindt de rechtbank, gelet op het feit dat [verdachte] de dag ervoor de fietsen zelf naar de loods heeft gebracht, niet geloofwaardig.

Feit 2

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. [verdachte] heeft tijdens de zitting toegegeven dat hij dit feit – voor zover bewezen verklaard door de rechtbank – heeft gepleegd en zijn advocaat heeft ook geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom niet opschrijven wat er in de bewijsstukken staat, maar alleen opsommen welke bewijsstukken zij voor de bewezenverklaring gebruikt. De rechtbank verwijst met voetnoten naar de plaats waar de bewijsstukken in het dossier te vinden zijn.

De bewijsstukken:

- de aangifte door [aangever 1] van 25 oktober 20197;

- de verklaring van [verdachte] op de zitting8.

Feit 3

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. [verdachte] heeft tijdens de zitting toegegeven dat hij dit feit – voor zover bewezen verklaard door de rechtbank – heeft gepleegd en zijn advocaat heeft ook geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom niet opschrijven wat er in de bewijsstukken staat, maar alleen opsommen welke bewijsstukken zij voor de bewezenverklaring gebruikt. De rechtbank verwijst met voetnoten naar de plaats waar de bewijsstukken in het dossier te vinden zijn.

De bewijsstukken:

- de aangifte door [aangeefster 2] van 27 oktober 20199;

- de verklaring van [verdachte] op de zitting10.

Feit 5

Op 28 oktober 2019 deed [aangeefster 1] aangifte bij de politie. Zij verklaarde dat zij op 28 oktober 2019 om 16.45 uur haar huis aan de [adres] in [woonplaats] verliet. Om 19.41 uur werd zij door haar buurvrouw gebeld, die vertelde dat er was ingebroken. Er was geen schade aan het huis van [aangeefster 1] . De daders zijn vermoedelijk via de eerste verdieping, waar de ramen op de tochtstand stonden, naar binnen gekomen. De daders hadden contant geld, een Macbook met oplader, een Samsung telefoon en gouden sieraden meegenomen.11 Eén dag later verklaarde [aangeefster 1] dat ook de Playstation 4 van haar zoon en een aantal luchtjes waren gestolen.12

Op 28 oktober 2019 om 19.27 uur vond een telefoongesprek plaats tussen de telefoonnummers van [medeverdachte 1] en [verdachte] . De politie herkende ook de stem van [medeverdachte 4] . In het gesprek werd het volgende gezegd:

“ [medeverdachte 1] : Ik weet het jullie zijn als bezig he kankerhoer

[bijnaam 1] : Ja we zijn gelijk bezig. Blijf aan de lijn.

[bijnaam 1] : Ik heb een kinderbueno.

[medeverdachte 4] : Jongens jullie moeten opschieten het is een drukke straat.

Op de achtergrond “Niet schijnen niet schijnen”

[medeverdachte 4] : Vraag of ze al iets hebben

[medeverdachte 1] : Heb je al een beetje gevonden of niks?

[bijnaam 1] : Klein beetje

[bijnaam 1] : Kunnen wij lopen naar buiten

[medeverdachte 1] : Ja

[medeverdachte 4] : Ik zweer het achterkant. Zeg achterkant dan snel.

[medeverdachte 1] : Hey snel de loopt wij rijden daar heel hard heen.

[medeverdachte 1] : Kom naar de stenen hok.

[bijnaam 1] : Haal me op bij het stenen hokje nu”.13

[aangeefster 1] heeft in een telefoongesprek met de politie aangegeven dat zij altijd kinderbueno’s in huis heeft liggen. Die liggen altijd in de kast die schade heeft opgelopen tijdens de inbraak.14

Uit onderzoek van de politie blijkt dat in de buurt van het huis van [aangeefster 1] een stenen huisje ligt.15

De politie heeft onderzoek gedaan in een iPhone die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen. Op 29 oktober 2019 is op de telefoon tussen 1.40 uur en 1.43 uur gezocht op:

  • -

    14 karaat

  • -

    14 karaat goud

  • -

    Waarde 585 goudprijs

  • -

    Werkwijze contante inkoop goud

  • -

    Inkoop goud

  • -

    De veiligste kluis Utrecht16

Bewijsoverweging: interpretatie van de bewijsmiddelen

Uit de hierboven besproken bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte de inbraak aan de [straat] in [woonplaats] samen met anderen gepleegd. Het tijdstip van de inbraak komt overeen met het telefoongesprek dat tussen de verdachten wordt gevoerd. Meerdere details van de inbraak komen terug in de tapgesprekken, waar verdachte aan deelnam. Zo wordt in het tapgesprek gesproken over een kinderbueno die aangeefster altijd in huis heeft liggen. Ook ligt in de buurt van het huis van aangeefster een stenen huisje, waar in de tapgesprekken over wordt gesproken. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat in de tapgesprekken wordt gesproken over deze inbraak.

Feit 8

Bij de politie zijn in 2019 meerdere meldingen binnengekomen over [medeverdachte 1] . Volgens de meldingen perst een groep waarvan [medeverdachte 1] de leider is verschillende personen af. De melders durven daar geen aangifte van te doen, omdat ze bang zijn voor represailles vanuit de groep van [medeverdachte 1] . Eén van de melders verklaarde dat [medeverdachte 1] vaak te vinden was in café [café] .17

Op 7 november 2019 deed [slachtoffer] aangifte bij de politie. Hij verklaarde dat hij in februari 2019 uitging in de horeca in Zeist. Daar werd hij aangesproken door een jongen die [medeverdachte 1] heet. De volgende ochtend kreeg [slachtoffer] een bericht van [medeverdachte 1] op Instagram. [medeverdachte 1] zei dat [slachtoffer] zijn telefoon had gestolen. [medeverdachte 1] zei dat [slachtoffer] naar het Bethanieplein in Zeist moest komen. Daar stond [verdachte] Idrissi. [verdachte] heeft [medeverdachte 1] toen gebeld. [medeverdachte 1] zei dat [slachtoffer] 350 euro moest geven voor de telefoon. [slachtoffer] zei dat hij dat niet kon halen, maar [medeverdachte 1] bleef doorgaan en aandringen. [slachtoffer] heeft toen 350 euro betaald om ervan af te zijn. Hij was bang dat [medeverdachte 1] hem in elkaar zou slaan. Hij had gehoord dat [medeverdachte 1] een keer iemands kaak had gebroken omdat diegene geen geld kon betalen. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn samen weggegaan. Een paar dagen later kreeg [slachtoffer] weer berichten van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zei dat [slachtoffer] 100 euro moest geven. Ook toen was [slachtoffer] bang dat hij in elkaar geslagen zou worden door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] stuurde [slachtoffer] elke keer na een paar dagen opnieuw berichten via Instagram. [slachtoffer] moest dan van [medeverdachte 1] ergens naartoe komen om geld te geven.

Een maand voor de zomervakantie kwam [slachtoffer] [verdachte] spontaan tegen. [verdachte] zei dat hij geld wilde zien. [slachtoffer] moest toen gaan pinnen. [verdachte] kwam volgens [slachtoffer] heel dreigend over en zei dat het geen grapje was. Via Whatsapp zei [verdachte] dat [slachtoffer] moest betalen, omdat er anders klappen zouden vallen. [slachtoffer] was bang en heeft toen geld gegeven. Daarna kreeg [slachtoffer] weer een bericht van [medeverdachte 1] om naar het Bethanieplein te komen. [medeverdachte 1] zei toen dat [slachtoffer] nog 300,- euro aan hem moest geven. [A] heeft dat toen aan [medeverdachte 1] betaald. [slachtoffer] kwam toen ook [verdachte] tegen. [verdachte] zei dat [slachtoffer] hem 300,- of 350,- euro moest geven. Toen [slachtoffer] zei dat hij dat niet ging doen, heeft [verdachte] hem bij zijn kraag ter hoogte van zijn borst en nek beet gepakt. Zijn andere hand maakte [verdachte] tot vuist. Hij hield zijn vuist vlak bij het hoofd van [slachtoffer] en zei dat hij hem ging slaan. [slachtoffer] was toen heel angstig.

Midden in de zomer was [slachtoffer] in de Jumbo in het centrum van Zeist. Toen hij de Jumbo uitliep zag hij een groep jongens op scooters aan komen rijden. [A] sloeg toen met zijn vuist tegen de linkerkant van het hoofd van [slachtoffer] en pakte de sleutels van zijn scooter af. [A] zei dat [slachtoffer] hem nog terug moest betalen. [slachtoffer] moest 500,- euro geven, anders zou hij worden geslagen. [medeverdachte 1] kwam erbij staan en zei tegen [slachtoffer] dat hij nog wat te regelen had met hem. [A] moest dat met [slachtoffer] regelen.

In totaal heeft [slachtoffer] ongeveer 1.100,- euro aan [medeverdachte 1] gegeven, 500,- euro aan [A] en meer dan 1.000,- euro aan [verdachte] .18

Op 5 december 2019 verklaarde [slachtoffer] bij de politie dat hij had gehoord dat [medeverdachte 1] geweld tegen anderen gebruikt als mensen niet doen wat [medeverdachte 1] van hen vraagt. Dat gaf hem voldoende angst om [medeverdachte 1] te betalen, in de hoop dat het vanzelf zou stoppen. Als [slachtoffer] met [medeverdachte 1] , [verdachte] of [A] afsprak werd hij dreigend en boos aangekeken. Als hij niet kwam opdagen of te laat kwam, werd tegen hem gezegd dat hij niet met hen moest spotten. [slachtoffer] voelde zich hierdoor bedreigd en is daarom ook doorgegaan met het betalen van geld.19

[getuige] vertelde op 24 november 2019 tegen de politie dat hij in januari of februari 2019 van [slachtoffer] hoorde dat hij problemen had gekregen met een Marokkaanse jongen in het centrum van Zeist en dat hij geld aan die jongen moest betalen als schadevergoeding voor zijn telefoon. [getuige] had in het uitgaansleven gehoord dat die jongen samen met andere Marokkaanse jongens uit Zeist voor veel problemen zorgde en dat er ook een dreiging van deze groep jongens uitging. Zo ging het verhaal dat deze jongens je slaan en bedreigen als er iets gebeurt dat zij niet willen. Hij had van [slachtoffer] gehoord dat hij bang was voor nog meer ellende als hij niet zou betalen. [getuige] vertelde verder dat hij in juli 2019 gezien heeft dat [slachtoffer] een klap kreeg van een Marokkaanse jongen bij de Jumbo in Zeist. Hij zag dat die jongen [slachtoffer] sloeg en toen de sleutel uit zijn scooter trok. Deze jongen zei tegen [slachtoffer] dat hij met hem moest meelopen en hij zag toen dat zij wegliepen. 20

In de telefoon die onder [verdachte] in beslag is genomen was een WhatsAppgesprek te lezen met het telefoonnummer [telefoonnummer] onder de naam ‘ [medeverdachte 1] Ap’. Vanaf 25 augustus 2019 is het volgende te lezen:

“ [verdachte] : [bijnaam 2] belle

Zeg tegen nu 5 verkies

Barkies

[medeverdachte 1] : Nee wachten op maandag

Geld is op drm wil je hem bellen

Niet doen je gaat verpesten

(…)

Morgen krijg je van [bijnaam 2]

(…)

Bel en

M

(…)

[verdachte] : Hij negeer mij

(…)

Morgen ga ik na ze werk na hem toe dan werkt hij tot sluit

[medeverdachte 1] : Als ik terug ben je weet heb niks e broer

(…)

[verdachte] : Ik ga vnv na ze werk naar hem toe bij de achter kant jumbo ga ik zegge rij naar clz

[medeverdachte 1] : [bijnaam 1] morgen kom ik welou doekoe je had die bar niet moeten opmaken man

[verdachte] : Ja weet maar wollah vnv ik ga hem leeg trekke ik hoop dat ik zelfs meer krijg snapje

(…)

[medeverdachte 1] : Ik ga ook aan de slag met hem als ik terug ben

Ik heb morgen echt minimaal bankoe nodig

(…)

Nee niet popo durft hij niet

(…)

[verdachte] : Morgen zorg ik er voor dat je doekoe heb

Anders radicaal word geregeld”.21

De politie heeft ook onderzoek gedaan in de telefoon van [slachtoffer] . Daarin stond een gesprek met ‘ [bijnaam 1] ’. [slachtoffer] heeft aangegeven dat [verdachte] ‘ [bijnaam 1] ’ wordt genoemd.22 In het gesprek zegt [verdachte] dat [slachtoffer] vandaag € 100,- moet geven. Hij stelt [slachtoffer] voor de keus vandaag € 100,- of morgen € 200,- te betalen. Als [slachtoffer] zegt dat dat niet kan, zegt [verdachte] : “ [bijnaam 2] als ik jou was zou ik vandaag 100” en daarna “Luister [bijnaam 2] , want dit zijn geen grapjes”.23

Bewijsoverweging: interpretatie van de bewijsmiddelen

Uit de hierboven besproken bewijsstukken concludeert de rechtbank dat verdachte samen met anderen [slachtoffer] heeft gedwongen tot het afstaan van meerdere geldbedragen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

[slachtoffer] heeft een concrete en gedetailleerde verklaring afgelegd over hoe hij onder bedreiging van geweld geld moest afstaan aan [verdachte] , [medeverdachte 1] en [A] . De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van die verklaring.

De rechtbank moet vervolgens bekijken of er voldoende bewijs is dat de verklaring van [slachtoffer] ondersteunt. Dat is het geval. De rechtbank hecht daarbij vooral waarde aan de WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [slachtoffer] en tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] .

Uit de bewijsstukken blijkt dat ‘de groep’ van [medeverdachte 1] , waar ook [verdachte] onderdeel van uitmaakte, de reputatie had dat geweld werd gebruikt als mensen niet meewerkten met de groep. Bij de politie zijn meerdere meldingen binnengekomen dat die groep onder (bedreiging van) geweld geld van mensen afhandig maakte. [slachtoffer] kende deze reputatie ook. Die reputatie werd zelfs enkele keren waargemaakt door [verdachte] en [A] . [slachtoffer] was zo bang voor [verdachte] , [A] en [medeverdachte 1] dat hij geen andere uitweg zag dan simpelweg te doen wat [verdachte] , [A] en [medeverdachte 1] vroegen: betalen. De rechtbank concludeert daaruit dat [slachtoffer] door bedreiging van geweld door [verdachte] en anderen is gedwongen om geld af te staan.

Uit het WhatsAppgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] blijkt dat zij overleg voerden over de manier waarop zij [slachtoffer] (voornaam [slachtoffer] , door [verdachte] en [medeverdachte 1] weergegeven als [bijnaam 2] ) zouden aanpakken. Dat het niet ging om vriendelijke verzoeken om geld te geven én dat [verdachte] en zijn mededaders wisten dat [slachtoffer] vanuit angst betaalde, volgt ook wel uit het chatgesprek “popo (de rechtbank begrijpt: politie) durft hij niet”. De rechtbank verklaart daarom wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de afpersing in nauwe en bewuste samenwerking met een ander heeft gepleegd.

Feit 10

Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie is ten eerste vereist dat sprake is van een ‘organisatie’. Volgens vaste jurisprudentie betekent een organisatie: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat de verdachte heeft samengewerkt met alle andere personen van de organisatie, dat hij die kende of dat er steeds in dezelfde samenstelling werd samengewerkt (vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134).

Een organisatie is ‘crimineel’ als die organisatie het plegen van misdrijven als doel heeft. Voor het bewijs van dat doel kan van belang zijn of er misdrijven in het kader van de organisatie zijn gepleegd, of de samenwerking duurzaam en gestructureerd was en of de activiteiten van deelnemers die gericht waren op de verwezenlijking van het doel van de organisatie planmatig of stelselmatig waren (onder meer HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502).

Tot slot is voor een bewezenverklaring volgens de Hoge Raad vereist dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en bijdraagt aan het realiseren van het doel van de organisatie. De verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie een misdadig doel heeft, maar niet welke concrete misdrijven er zijn of worden gepleegd (HR 10 februari 2015, ECLI:NL:2015:264 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413).

Beoordeling

Gelet op het voorgaande moet de vraag worden beantwoord of in deze zaak sprake is geweest van een op het plegen van woninginbraken gerichte organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en, zo ja, of de verdachte heeft behoord tot dat criminele samenwerkingsverband en of hij daarnaast ook een aandeel heeft gehad in gedragingen, of gedragingen heeft ondersteund, die verband hielden met de verwezenlijking van het plegen van woninginbraken.

Verdachte en de medeverdachten in dit onderzoek worden veroordeeld voor een aanzienlijke hoeveelheid woninginbraken en pogingen daartoe. De rechtbank verwijst daarvoor naar de hiervóór al besproken bewijsmiddelen voor de verschillende inbraken. Deze (pogingen tot) inbraken werden gepleegd door een min of meer vaste kern van dit samenwerkingsverband. Verdachte en de medeverdachten gingen in wisselende samenstelling op pad. Verdachte en de medeverdachten hebben aan de inbraken deelgenomen als dader of als medeplichtige.

De rechtbank komt op grond van het bewijs voor die gepleegde inbraken, andere tapgesprekken en de onderlinge belcontacten tussen de verdachten tot de conclusie dat sprake was van een zodanig gestructureerd samenwerkingsverband dat zich richtte op het plegen van woninginbraken, dat gesproken kan worden van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij dat vindt.

Woninginbraken

Verdachte en de medeverdachten worden door de rechtbank veroordeeld voor het plegen van zeven woninginbraken. Zij hebben de inbraken in wisselende samenstelling gepleegd. In het overzicht hieronder is te zien wie bij welke inbraak betrokken was.

[medeverdachte 1]

[medeverdachte 2]

[medeverdachte 3]

[verdachte]

[medeverdachte 4]

[medeverdachte 5]

[medeverdachte 6]

[straat]

X

X

[straat]

X

X

[straat]

X

X

X

X

X

[straat]

X

X

X

[straat]

X

X

[straat]

X

X

X

X

X

X

[straat]

X

De zeven bewezenverklaarde woninginbraken zijn aan het licht gekomen doordat de politie telefoongesprekken van verschillende verdachten afluisterde. De inbraken zijn gepleegd in een periode van tien dagen (24 oktober 2019 tot en met 2 november 2019), met uitzondering van de inbraak aan de [straat] die op 1 oktober 2019 werd gepleegd. De rechtbank concludeert hieruit dat de meeste verdachten zich structureel bezighielden met het plegen van inbraken.

Uitvalsbasis

Uit de camerabeelden van [flat] aan de [straat] , het huis van [medeverdachte 3] , blijkt dat de verdachten vaak vóór en na een inbraak in dat huis aanwezig waren.24 Uit camerabeelden blijkt dat de verdachten na een inbraak vaak met tassen of spullen onder kledingstukken terugkwamen. Dat was het geval bij de inbraken aan de [straat] , de [straat] , de [straat] en de [straat] . Ook blijkt uit tapgesprekken en camerabeelden dat gestolen goederen naar het huis van [verdachte] werden gebracht. Zo zegt [verdachte] in een telefoongesprek met [medeverdachte 1] rondom de inbraak aan de [straat] dat [medeverdachte 1] de televisie en laptop moet komen brengen, maar dat hij niet met de lift mag.25 In het huis van [verdachte] zijn ook meerdere goederen afkomstig van inbraken gevonden.26 De rechtbank concludeert uit dit alles dat het huis van [verdachte] door de verdachten werd gebruikt als uitvalsbasis.

Belcontacten

De politie heeft op basis van de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van de verdachten vastgesteld dat de verdachten veel onderling belcontact hebben gehad.27 De rechtbank betrekt dat bij haar beoordeling over de samenwerking tussen de verdachten.

Werkwijze en structuur

Uit het bewijs van de verschillende inbraken, wat hiervóór al per inbraak is besproken, volgt dat de verdachten een min of meer vaste werkwijze gebruikten en dat sprake was van een zekere structuur. De verdachten verzamelden vaak bij het huis van [verdachte] en kwamen daar later weer terug. Tijdens de inbraak gold een bepaalde taakverdeling, ook al voerde niet ieder groepslid steeds dezelfde taken uit en was niet steeds elk groepslid bij iedere inbraak aanwezig. Zo pleegden één of meerdere groepsleden de daadwerkelijke inbraak en stond een ander deel op de uitkijk of klaar met de vluchtauto om iedereen zo snel mogelijk van de plaats delict weg te krijgen. Voorafgaand, tijdens en na de inbraak hielden de verdachten veel telefonisch contact en voerden overleg, zo blijkt uit de tapgesprekken in het dossier. De gestolen goederen werden na een inbraak verkocht. Soms aan [verdachte] en soms aan anderen. Zo werd een televisie en laptop aan [verdachte] gekocht28 en werd de buit van een andere inbraak ingeruild voor geld29. De buit werd vervolgens over degenen die deel hadden genomen aan de inbraak verdeeld, zo blijkt bijvoorbeeld uit een tapgesprek dat [medeverdachte 1] met [medeverdachte 4] voerde na de inbraak aan de [straat] .30

Rolverdeling

Uit de tapgesprekken volgt dat [medeverdachte 1] een leidende rol had bij het plegen van de inbraken. Hij stuurde de anderen aan en regelde de verdeling van de buit. Ook is hij bij de meeste inbraken betrokken. [verdachte] had een faciliterende rol; hij stelde zijn huis ter beschikking, leende zijn auto uit aan de andere verdachten en kocht gestolen goederen op. De overige verdachten hadden een uitvoerende rol bij het plegen van de inbraken.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] . Met alle handelingen die hierboven omschreven zijn leverden alle verdachten, als lid van de organisatie, een wezenlijk aan het bereiken van het doel van de organisatie: het plegen van woninginbraken.

6 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] :

1. (zaak 31)

op 26 september 2019 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen meerdere fietsen voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van deze fietsen redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

2. ( (zaak 34)

op 25 oktober 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen uit een woning gelegen aan de [adres] een tablet (merk: Apple, kleur: wit), meerdere computers (merk/type: HP Probook en merk/type: Imac, met randapparatuur), een koptelefoon (merk: Bose), een luidspreker (merk: JBL), twee jassen (merk: Napaijri), een rugzak (merk: Wildebeast) en meerdere sieraden, welke goederen toebehoorden aan [aangever 1] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

3. ( (zaak 35)

op 26 oktober 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen (uit een woning gelegen aan de [adres] ) meerdere computers (merk: Apple, type Macbook Air en merk: Toshiba en merk: Sony Vaio), meerdere telefoons (merk/type: Apple iPhone 5 en 6), een (actie)camera, een kunstbeeld (vorm: zeehond), een portemonnee, meerdere spaarpotten (kleur: zilver en kleur: blauw), meerdere sieraden, een boormachine (merk: Wesco), een geldsom, oortjes (merk: Apple, kleur: wit), een sporttas (merk: Adidas), een kniebeschermer (merk: Mizuno) en een identiteitskaart (op naam van [B] ), welke goederen toebehoorden aan [C] en/of [B] en/of [D] en/of [aangeefster 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

5. ( (zaak 37)

op 28 oktober 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen (uit een woning gelegen aan de [adres] ) een geldsom, een laptop (merk/type: Apple Macbook), een mobiele telefoon (merk: Samsung), een spelcomputer (merk/type: Sony Playstation 4), meerdere luchtjes en sieraden, welke goederen toebehoorden aan [aangeefster 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van inklimming;

8. ( (zaak 45)

op meerdere momenten in de periode van 1 februari 2019 tot en met 7 november 2019 te Zeist tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] , door bedreiging met geweld, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten meermaals betalen van geld, door die [slachtoffer] meermaals op dwingende wijze om geld te vragen (via Instagramchat en/of Whatsapp althans via een online communicatiekanaal) en/of geen afstand te nemen van/aanwezig te zijn bij bedreigingen welke door medeverdachten tegen die [slachtoffer] zijn geuit en/of geld in ontvangst te nemen van die [slachtoffer] ;

10. ( (zaak 52)

in de periode van 24 oktober 2019 t/m 4 november 2019 te Zeist, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , en [medeverdachte 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van woninginbraken.

[verdachte] wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen. De rechtbank heeft taal- en spelfouten in de tenlastelegging verbeterd. Dat is niet nadelig voor [verdachte] .

7 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Als een verdachte zich kan beroepen op zo’n rechtvaardigingsgrond is zijn gedrag niet in strijd met het recht. Niet is gebleken dat er zo’n rechtvaardigingsgrond voor de door [verdachte] gepleegde feiten bestond. De door [verdachte] gepleegde feiten zijn dus strafbaar.

De wet noemt de door [verdachte] gepleegde feiten:

  1. medeplegen van schuldheling;

  2. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

  3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

8. afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

10. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

8 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Als een verdachte zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond is zijn gedrag niet verwijtbaar. Niet is gebleken dat [verdachte] een beroep kon doen op zo’n schulduitsluitingsgrond. [verdachte] is dus strafbaar.

9 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat [verdachte] ernstige feiten heeft gepleegd. Alhoewel [verdachte] tijdens het plegen van de strafbare feiten nog minderjarig was, had hij een grote rol bij het plegen van de strafbare feiten. Volgens de officier van justitie ging [verdachte] bij het plegen van de afpersing zelfs meedogenloos te werk.

De officier van justitie vindt dat [verdachte] moet worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 172 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de voorwaarden die door de jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming zijn geadviseerd. Daarnaast vindt de officier van justitie dat [verdachte] een taakstraf van 100 uur moet krijgen.

9.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat verzoekt [verdachte] niet terug te sturen naar de gevangenis en sluit zich aan bij het advies van de jeugdreclassering. De eis van de officier van justitie vindt de advocaat te hoog.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf en maatregel rekening gehouden met de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder [verdachte] die feiten heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

De rechtbank legt aan [verdachte] een jeugddetentie van 172 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf van 200 uren op. Daarnaast legt de rechtbank aan [verdachte] een vrijheidsbeperkende maatregel op. Hieronder legt de rechtbank uit waarom zij dat doet.

9.3.1

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van drie inbraken, een schuldheling, een afpersing en de deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank vindt het ernstig dat een jonge jongen als [verdachte] in een korte tijd zoveel ernstige strafbare feiten heeft gepleegd. Ook de houding van [verdachte] bij het plegen van de strafbare feiten, die uit het dossier naar voren komt, vindt de rechtbank ernstig en zorgelijk. Met de officier van justitie is de rechtbank eens dat [verdachte] meedogenloos lijkt te zijn geweest bij het plegen van de afpersing. De gevolgen voor het slachtoffer zijn enorm geweest, zoals hij ook tijdens de zitting kenbaar heeft gemaakt. Maar ook bij het plegen van de andere feiten heeft [verdachte] alleen oog gehad voor het verdienen van geld in plaats van de gevolgen van zijn gedrag voor anderen. Naast de emotionele schade die [verdachte] heeft veroorzaakt, heeft hij in enkele weken tijd ook flinke materiele schade veroorzaakt met de inbraken die hij heeft gepleegd. De rechtbank neemt dit alles [verdachte] zeer kwalijk.

[verdachte] en de andere leden van de criminele organisatie hebben in en rondom Zeist bijgedragen aan een groot gevoel van onrust en onveiligheid. Ook dat betrekt de rechtbank strafverzwarend bij het bepalen van de straf.

De rechtbank vindt het goed dat [verdachte] op de zitting enige openheid van zaken heeft gegeven over sommige bewezenverklaarde feiten. Toch heeft [verdachte] weinig inzicht gegeven in de manier waarop de strafbare feiten tot stand kwamen en plaatsvonden.

Bij de strafbare feiten die [verdachte] heeft gepleegd vindt de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van behoorlijke duur passend. Dat neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt bij het bepalen van de straf.

9.3.2

De persoonlijke omstandigheden van [verdachte]

Strafblad

Uit het strafblad (de ‘justitiële documentatie’) van [verdachte] blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Het strafblad van [verdachte] heeft dus geen invloed op het bepalen van de straf.

Adviezen van deskundigen

Advies van Samen Veilig Midden-Nederland

[verdachte] heeft een gesprek gevoerd met M. Snippe van Samen Veilig Midden-Nederland. Snippe heeft een rapport over [verdachte] geschreven.

Volgens de jeugdreclassering heeft de begeleiding die in de schorsingsperiode heeft plaatsgevonden voor meer rust gezorgd. Op het gebied van school en werk heeft de jeugdreclassering wel nog grote zorgen. Het ontbreken van een dagbesteding vormt volgens de jeugdreclassering een risicofactor voor de kans op herhaling van het plegen van strafbare feiten.

De jeugdreclassering adviseert aan [verdachte] een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van twee jaren. In de proeftijd moet [verdachte] volgens de jeugdreclassering begeleid worden door de volwassenreclassering, omdat de mogelijkheden van de jeugdreclassering uitgeput zijn. [verdachte] laat geen motivatie zien om samen te werken met de jeugdreclassering en een begeleiding door de volwassenreclassering past ook bij zijn leeftijd. Als bijzondere voorwaarden moeten volgens de jeugdreclassering worden opgelegd: een meldplicht bij de volwassenreclassering, een contactverbod met de medeverdachten en meewerken aan begeleiding op het gebied van school en werk.

Advies van de Raad voor de Kinderbescherming

De Raad voor de Kinderbescherming heeft in een e-mailbericht van 9 juli 2021 aangegeven dat zij zich aansluit bij het advies van Samen Veilig Midden-Nederland.

9.3.3

Conclusie

Alhoewel de rechtbank bij de strafbare feiten die [verdachte] heeft gepleegd in principe een onvoorwaardelijke jeugddetentie vindt passen, vindt de rechtbank het niet passend als [verdachte] nu terug moet naar de (jeugd)gevangenis. Het voorarrest van [verdachte] is op 22 november 2019 geschorst en sindsdien wordt [verdachte] door de jeugdreclassering begeleid. Uit het rapport van de jeugdreclassering blijkt dat [verdachte] nog verdere begeleiding nodig heeft om herhaling van strafbare feiten te voorkomen. De rechtbank is het eens met dat advies. De rechtbank legt daarom aan [verdachte] een jeugddetentie van 172 dagen op, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf verbindt de rechtbank de voorwaarden die de jeugdreclassering heeft geadviseerd.

De rechtbank vindt dat door het aantal en de ernst van de strafbare feiten die [verdachte] heeft gepleegd niet met deze straf kan worden volstaan. [verdachte] moet voelen dat wat hij heeft gedaan ernstig is. Daarom legt de rechtbank ook een werkstraf van 200 uren aan [verdachte] op.

Tot slot maakt de rechtbank zich zorgen over de wijze waarop [verdachte] en zijn medeverdachten vasthoudend belastend hebben gedragen richting de in het dictum genoemde slachtoffers. De rechtbank legt daarom een contactverbod op in de vorm van een 38vmaatregel. Deze maatregel verklaart de rechtbank dadelijk uitvoerbaar. [verdachte] heeft lange tijd in een schorsingskader gelopen, maar gelet op de ernst en vasthoudendheid van het gedrag van gedachte en de groep verdachten waar hij onderdeel van uitmaakte, maakt de rechtbank zich grote zorgen dat hij zich opnieuw belastend zal gedragen richting een van de slachtoffers.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de vorderingen van de benadeelde partijen hoofdelijk moeten worden toegewezen, met uitzondering van de vordering van benadeelde partij [benadeelde] . [benadeelde] moet volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

10.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat vindt dat de vordering van benadeelde partij [aangever 1] maar kan worden toegewezen tot € 2.159,57, omdat naar de dagwaarde van de goederen moet worden gekeken. De benadeelde partijen [B] , [C] , [D] , [aangeefster 2] en [benadeelde] moeten volgens haar niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering, omdat die vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

10.4

[aangever 1]

heeft een schadevergoedingsverzoek ingediend. Zij stelt materiële schade te hebben geleden van € 9.641,20, door de diefstal van audiovisuele apparatuur, sieraden en overige inboedel. De verzekering heeft een bedrag van € 6.531,50 vergoed. [aangever 1] wil het resterende bedrag van € 3.109,70 nog van de daders van de inbraak vergoed krijgen.

Uit de schadespecificatie die [aangever 1] bij de vordering heeft gevoegd, blijkt dat de verzekering de schade aan audiovisuele apparatuur en de overige inboedel al volledig heeft vergoed. De verzekering heeft daarbij naar de dagwaarde gekeken. De vergoeding van sieraden was echter gemaximeerd tot een bedrag van € 5.000,-, terwijl het schadebedrag aan sieraden € 7.159,70 was. De rechtbank is van oordeel dat het verschil, een bedrag van € 2.159,70, een rechtstreeks gevolg is van het onder 5 bewezenverklaarde feit en dat [verdachte] aansprakelijk is voor die schade. De vordering wordt tot dat bedrag toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank verklaart [aangever 1] niet-ontvankelijk in de rest van de vordering. [aangever 1] kan de vergoeding van die schade nog wel aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank [verdachte] veroordelen tot vergoeding van de door [aangever 1] gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

[verdachte] is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Als en voor zover [verdachte] mededader betaalt, hoeft [verdachte] die schade niet meer te betalen.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 1] aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.159,70, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door [verdachte] niet wordt betaald, zal deze verplichting niet worden aangevuld met gijzeling.

Als [verdachte] aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, vervalt de andere.

10.5

[C]

heeft een schadevergoedingsverzoek ingediend. Hij vordert een bedrag van € 400,- voor de immateriële schade die hij door de inbraak heeft opgelopen. [C] heeft aangegeven dat hij door de inbraak gevoelens van onveiligheid heeft ervaren. Ook heeft hij zijn dochters na de inbraak zien veranderen.

In uitzonderlijke gevallen kan bij woninginbraken sprake zijn van psychische schade doordat iemand ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake als een benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Dat sprake is van geestelijk letsel moet met voldoende concrete gegevens worden onderbouwd. Ook kan de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. Ook dat moet met concrete gegevens worden onderbouwd. Soms kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank is van oordeel dat [C] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij door de inbraak geestelijk letsel heeft opgelopen. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor [C] zijn in dit geval ook niet zodanig dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Nu de wet geen grondslag biedt voor het vergoeden van de schade van [C] , zal de rechtbank [C] nietontvankelijk verklaren in de vordering. [C] kan de vergoeding van die schade nog wel aan de burgerlijke rechter verzoeken.

10.6

[aangeefster 2]

heeft een schadevergoedingsverzoek ingediend. Zij vordert een bedrag van € 400,- voor de immateriële schade die zij door de inbraak heeft opgelopen. [aangeefster 2] heeft aangegeven dat zij door de inbraak gevoelens van onveiligheid heeft ervaren. Ook heeft zij haar dochters na de inbraak zien veranderen.

In uitzonderlijke gevallen kan bij woninginbraken sprake zijn van psychische schade doordat iemand ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake als een benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Dat sprake is van geestelijk letsel moet met voldoende concrete gegevens worden onderbouwd. Ook kan de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. Ook dat moet met concrete gegevens worden onderbouwd. Soms kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank is van oordeel dat [aangeefster 2] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij door de inbraak geestelijk letsel heeft opgelopen. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor [aangeefster 2] zijn in dit geval ook niet zodanig dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Nu de wet geen grondslag biedt voor het vergoeden van de schade van [aangeefster 2] , zal de rechtbank [aangeefster 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. [aangeefster 2] kan de vergoeding van die schade nog wel aan de burgerlijke rechter verzoeken.

10.7

[D]

heeft een schadevergoedingsverzoek ingediend. Zij vordert een bedrag van € 1.461,99. Dat bedrag bestaat uit materiële schade van € 761,99 en uit immateriële schade van € 700,-. De materiële schade bestaat uit de kosten van een psycholoog. De immateriële schade bestaat uit de psychische schade die [D] door de inbraak heeft opgelopen. Sinds de inbraak slaapt zij slecht en is ze erg emotioneel. Zij is hiervoor doorverwezen naar een psycholoog. Bij de vordering zit een bericht van de psycholoog waarin staat dat de inbraak het gevoel van onveiligheid en de spanning verder hebben doen versterken. Ook zijn sieraden met een emotionele waarde gestolen.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade van € 700,- een rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezenverklaarde feit en dat [verdachte] aansprakelijk is voor die schade. De vordering tot vergoeding van de materiële schade wordt dan ook toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling.

In uitzonderlijke gevallen kan bij woninginbraken sprake zijn van psychische schade doordat iemand ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake als een benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Dat sprake is van geestelijk letsel moet met voldoende concrete gegevens worden onderbouwd. Ook kan de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. Ook dat moet met concrete gegevens worden onderbouwd. Soms kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank is van oordeel dat [D] voldoende heeft onderbouwd dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de inbraak. Uit de vordering blijkt namelijk dat zij mede als gevolg van de inbraak in behandeling is bij een psycholoog. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom, op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het onder feit 6 bewezenverklaarde handelen van [verdachte] . De vordering tot vergoeding van de immateriële schade wordt dan ook toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank [verdachte] veroordelen tot vergoeding van de door [D] gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

[verdachte] is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Als en voor zover [verdachte] mededader betaalt, hoeft [verdachte] die schade niet meer te betalen.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [D] aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.461,99, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door [verdachte] niet wordt betaald, zal deze verplichting niet worden aangevuld met gijzeling.

Als [verdachte] aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, vervalt de andere.

10.8

[B]

heeft een schadevergoedingsverzoek ingediend. Zij vordert een bedrag van € 400,-. Dat bedrag bestaat uit immateriële schade bestaat uit de psychische schade die [B] door de inbraak heeft opgelopen. Sinds de inbraak is zij erg emotioneel, ligt ze met angst in bed en kan ze niet slapen, voelt ze zich onveilig en durft ze nog steeds niet alleen thuis te zijn. Haar schoolprestaties in de periode na de inbraak hebben geleden onder deze gevoelens. Ook zijn sieraden met een emotionele waarde gestolen.

In uitzonderlijke gevallen kan bij woninginbraken sprake zijn van psychische schade doordat iemand ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake als een benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Dat sprake is van geestelijk letsel moet met voldoende concrete gegevens worden onderbouwd. Ook kan de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. Ook dat moet met concrete gegevens worden onderbouwd. Soms kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Toekenning van immateriële schade vanwege een gemis aan goederen (met een emotionele waarde) ligt niet voor de hand.

De rechtbank is van oordeel dat [B] voldoende heeft onderbouwd dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de inbraak. De rechtbank let daarbij ook op haar leeftijd van destijds 16 jaar oud en de door haar beschreven gevoelens van onveiligheid als gevolg van de inbraak. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom, op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het onder feit 6 bewezenverklaarde handelen van [verdachte] .

[B] heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank vindt – mede gelet op bedragen die in andere zaken worden toegekend – een bedrag van € 250,- billijk. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank [B] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. [B] kan de vergoeding van dat deel van de vordering aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank [verdachte] veroordelen tot vergoeding van de door [B] gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

[verdachte] is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Als en voor zover [verdachte] mededader betaalt, hoeft [verdachte] die schade niet meer te betalen.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [B] aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door [verdachte] niet wordt betaald, zal deze verplichting niet worden aangevuld met gijzeling.

Als [verdachte] aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, vervalt de andere.

10.9

[benadeelde]

heeft een schadevergoedingsverzoek ingediend. Hij stelt materiële schade te hebben geleden van € 75.736,-, door de diefstal van een kluis, een sieradendoos en sieraden en schade aan de achterdeur. De waarde van de kluis en de sieradendoos en de schade aan de achterdeur is al vergoed door de verzekering. De verzekering heeft ook een bedrag van € 6.000,- vergoed voor de weggenomen sieraden. De overige waarde van de sieraden wil [benadeelde] nog van de daders van de inbraak vergoed krijgen.

De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde] onvoldoende heeft onderbouwd dat bij de inbraak sieraden ter waarde van € 71.090,- zijn weggenomen. In het dossier is een indicatie te vinden dat de waarde van de weggenomen sieraden lager is. In tapgesprekken tussen de verdachten wordt namelijk gesproken over de buit: 63 gram aan goud, wat volgens de verdachten gelijk zou staan aan een bedrag van rond € 1.200,-. Dat betekent dat het aan de benadeelde partij is om nader bewijs aan te leveren. De rechtbank is van oordeel dat verder onderzoek naar deze vordering een onevenredige belasting van de strafzaak zou opleveren en verklaart [benadeelde] daarom niet-ontvankelijk in de vordering. [benadeelde] kan de vergoeding van zijn schade nog wel aan de burgerlijke rechter verzoeken.

10.10

[slachtoffer]

Alhoewel [slachtoffer] in de zaak tegen [verdachte] geen schadevergoedingsverzoek heeft ingediend (zijn verzoek bleek niet tijdig bij het Openbaar Ministerie te zijn ingediend), blijkt uit zijn aangifte dat hij schade heeft opgelopen door de afpersing die [verdachte] met anderen heeft gepleegd.

Uit de aangifte blijkt dat [slachtoffer] in totaal een bedrag van € 1.000,- aan [verdachte] heeft afgestaan. De rechtbank is van oordeel dat die materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 12 bewezenverklaarde feit en dat [verdachte] aansprakelijk is voor die schade.

Daarnaast komt op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b Burgerlijk Wetboek immateriële schade (onder andere) voor vergoeding in aanmerking als sprake is van een aantasting in de persoon. Afpersing zoals zich in onderhavig geval heeft voorgedaan vormt een ernstige inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit en als algemene ervaringsregel kan worden aangenomen dat dit leidt tot (ernstige) psychische gevolgen. Uit de verklaring van de moeder van [slachtoffer] volgt dat hij maandenlang in angst heeft geleefd, niet meer buiten durfde te komen en aan automutilatie heeft gedaan als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom, op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van [verdachte] .

[slachtoffer] heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding. De rechtbank vindt – mede gelet op bedragen die in andere zaken worden toegekend – een bedrag van € 1.000,- billijk. De rechtbank heeft daarbij vooral gelet op de ernst en duur van de afpersing en de gevolgen daarvan voor [slachtoffer] . Omdat de afpersing in vereniging is gepleegd en de vordering van [slachtoffer] niet tegelijk in alle strafzaken is behandeld, zal de rechtbank de immateriële schade die door [slachtoffer] is geleden niet hoofdelijk opleggen, maar deze verdelen over [verdachte] en zijn mededader [medeverdachte 1] . Het deel dat [verdachte] moet vergoeden bedraagt dan € 500,-.

De rechtbank zal ten behoeve van [slachtoffer] aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.500,-. Als door [verdachte] niet wordt betaald, zal deze verplichting niet worden aangevuld met gijzeling.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38v, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77we, 77aa, 77gg, 140, 311, 317 en 417bis, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart de onder 4, 6, 7 en 9 ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart de onder 1, 2, 3, 5, 8 en 10 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 172 dagen;

  • -

    bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte van 150 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

  • -

    als voorwaarden gelden dat verdachte:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

o zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ in Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

o op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

 [medeverdachte 1] , geboren op [1999] ,

 [medeverdachte 5] , geboren op [1998] ,

 [medeverdachte 3] , geboren op [1987] ,

 [medeverdachte 6] , geboren op [1996] ,

 [medeverdachte 2] , geboren op [2001] ,

 [medeverdachte 4] , geboren op [1994] .

zolang de reclassering dat nodig vindt, te controleren door de politie;

o meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk of scholing.

- waarbij Reclassering Nederland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 200 uren;

  • -

    beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen jeugddetentie;

Oplegging maatregel

  • -

    legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaren;

  • -

    beveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met:

o [slachtoffer] , geboren op [2001] ,

te controleren door de politie;

  • -

    beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 7 dagen jeugddetentie met een maximum van 6 maanden;

  • -

    toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

  • -

    omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Benadeelde partij [aangever 1]

  • -

    wijst de vordering van [aangever 1] toe tot een bedrag van € 2.159,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2019;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 1] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [aangever 1] € 2.159,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2019, aan de Staat te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling wordt geen aanvullende gijzeling opgelegd. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [C]

- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Benadeelde partij [aangeefster 2]

- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Benadeelde partij [D]

  • -

    wijst de vordering van [D] toe tot een bedrag van € 1.461,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [D] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [D] € 1.461,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019, aan de Staat te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling wordt geen aanvullende gijzeling opgelegd. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [B]

  • -

    wijst de vordering van [B] toe tot een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [B] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [B] € 250,‑, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019, aan de Staat te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling wordt geen aanvullende gijzeling opgelegd. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [benadeelde]

- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Benadeelde partij [slachtoffer]

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] € 1.500,- aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling wordt geen aanvullende gijzeling opgelegd. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door P.M. Leijten, voorzitter, mrs. Y.M. Vanwersch en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 augustus 2021.

Mrs. Y.M. Vanwersch en J.G. van Ommeren zijn buiten staat dit vonnis mede te

ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. (zaak 31)

hij op of omstreeks 26 september 2019 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal een of meer goederen, te weten een of meerdere fietsen, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2. ( (zaak 34)

hij op of omstreeks 25 oktober 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (uit een woning gelegen aan de [adres] ) een tablet (merk: Apple, kleur: wit), een of meerdere computers (merk/type: HP Probook, kleur: zwart en/of merk/type: Imac, met randapparatuur), een koptelefoon (merk: Bose), een luidspreker (merk: JBL), twee jassen (merk: Napaijri, kleuren: zwart en/of groen), een rugzak (merk: Wildebeast) en/of een of meerdere sierraden (o.a. ringen, kettingen, oorbellen en horloges), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [aangever 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

3. ( (zaak 35)

hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2019 tot en met 27 oktober 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (uit een woning gelegen aan de [adres] ) een of meerdere computers (merk: Apple, type Macbook Air, kleur: grijs en/of merk: Toshiba en/of merk: Sony Vaio), meerdere telefoons (merk/type: Apple iPhone 5 en/of 6), een (actie)camera, een kunstbeeld (vorm: zeehond), een portemonnee (vorm: vlinder), meerdere spaarpotten (vorm: olifant, kleur: zilver en/of kleur: blauw met bloemetjes), meerdere sieraden (o.a. armbanden, een enkelband, ringen, oorbellen, kettingen, een boormachine (merk: Wesco), een geldsom (ter waarde van in totaal 368,80 euro), een headset/oortjes (merk: Apple, kleur: wit), een sporttas (merk: Adidas), een kniebeschermer (merk: Mizuno, kleur: zwart) en/of een identiteitskaart (op naam van [B] ) in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [C] en/of [B] en/of [D] en/of [aangeefster 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 25 oktober 2019 tot en met 27 oktober 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere computers (merk: Apple, type Macbook Air, kleur: grijs en/of merk: Toshiba en/of merk: Sony Vaio), meerdere telefoons (merk/type: Apple iPhone 5 en/of 6), een (actie)camera, een kunstbeeld (vorm: zeehond), een portemonnee (vorm: vlinder), meerdere spaarpotten (vorm: olifant, kleur: zilver en/of kleur: blauw met bloemetjes), meerdere sieraden (o.a. armbanden, een enkelband, ringen, oorbellen, kettingen, een boormachine (merk: Wesco), een geldsom (ter waarde van in totaal 368,80 euro), een headset/oortjes (merk: Apple, kleur: wit), een sporttas (merk: Adidas), een kniebeschermer (merk: Mizuno, kleur: zwart) en/of een identiteitskaart (op naam van [B] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [C] en/of [B] en/of [D] en/of [aangeefster 2] , (uit een woning gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks 25 oktober 2019 tot en met 27 oktober 2019 te Zeist tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door op de uitkijk te staan en/of (telefonisch) inlichtingen door te geven met betrekking tot eventuele verstoring en/of betrapping van de inbraak;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

4. ( (zaak 36)

hij op of omstreeks 29 oktober 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om (uit een woning gelegen aan de [adres] ) goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [E] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, de ruit van de tuin/achterdeur heeft vernield en/of het (klap)raampje naast de keukendeur heeft geforceerd/vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

5. ( (zaak 37)

hij op of omstreeks 28 oktober 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (uit een woning gelegen aan de [adres] ) een geldsom (ter waarde van 765 euro), een laptop (merk/type: Apple Macbook), een mobiele telefoon (merk: Samsung), een spelcomputer (merk/type: Sony Playstation 4), meerdere parfums/luchtjes (merk: Jimmy Choo, Hugo Boss en/of Abercrombie) en/of sieraden (o.a. kettinkjes, ringen en/of een horloge), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [aangeefster 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

6. ( (zaak 39)

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen op of omstreeks 2 november 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kluis (grijs), meerdere sieraden (o.a. oorbellen, ringen, kettingen, broches, armbanden), meerdere munten, een houten kistje en/of een grijze vuilniskliko, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde] , (uit een woning gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meerdere onbekend gebleven personen en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 2 november 2019 te [woonplaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door op de uitkijk te staan en/of (telefonisch) inlichtingen door te geven met betrekking tot eventuele verstoring en/of betrapping van de inbraak en/of mee te helpen de gestolen goederen te vervoeren (van het inbraakadres vandaan);

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 november 2019 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een kluis (grijs), meerdere sieraden (o.a. oorbellen, ringen, kettingen, broches, armbanden), meerdere munten, een houten kistje en/of een grijze vuilniskliko heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

7. ( (zaak 43)

hij op of omstreeks 4 november 2019 te Zeist, een goed, te weten een telefoon (merk: Huawei, type: P9) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 november 2019 te Zeist opzettelijk een telefoon (merk: Huawei, type: P9), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [F] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

( art 321 Wetboek van Strafrecht )

8. ( (zaak 45)

hij op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 t/m 7 november 2019 te Zeist, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft/hebben gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten (meermaals) betalen van geld (in totaal ter hoogte van 300 euro), door die [slachtoffer] (meermaals) op dwingende wijze om geld te vragen (via Instagramchat en/of Whatsapp althans via een online communicatiekanaal) en/of geen afstand te nemen van/aanwezig te zijn bij geweld en/of bedreigingen welke door medeverdachten tegen die [slachtoffer] zijn geuit en/of geld in ontvangst te nemen van die [slachtoffer] ;

( art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

9. ( (zaak 49)

hij op of omstreeks 21 september 2019 te Zeist, te Bunnik, in elk geval in Nederland, een goed, te weten een rijbewijs (op naam van [G] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

10. ( (zaak 52)

hij in of omstreeks de periode van 24 februari 2019 t/m 4 november 2019 te Zeist, althans in Nederland, een of meerdere malen heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten: (onder andere) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en/of [H] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van woninginbraken en/of het plegen van (andere) vermogensdelicten.

( art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna in dit vonnis wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met onderzoeksnaam 033WING van 24 maart 2020, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 2001. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van relaas, p. 6-7.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 36.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 172-173.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 181-182.

7 Proces-verbaal van aangifte, p. 263-264.

8 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting.

9 Proces-verbaal van aangifte, p. 304-305.

10 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting.

11 Proces-verbaal van aangifte, p. 452-453.

12 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 456.

13 Een geschrift, te weten: een tapgesprek, p. 464-465.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 468.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 469.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 471.

17 Proces-verbaal van verdenking, p. 1219.

18 Proces-verbaal van aangifte, p. 712-715.

19 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 733.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 749-750.

21 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, p. 882-908.

22 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 733.

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 758.

24 Proces-verbaal van bevindingen, p. 239-243; proces-verbaal van bevindingen, p. 291-293; proces-verbaal van bevindingen, p. 370; proces-verbaal van bevindingen, p. 587-589.

25 Een geschrift, te weten: een tapgesprek, p. 231.

26 Proces-verbaal van bevindingen, p. 377.

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1088-1089.

28 Zie bewijsstukken van de inbraak aan de [straat] .

29 Zie bewijsstukken van de inbraak aan de [straat] .

30 Een geschrift, te weten: een tapgesprek, p. 574.