Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:3805

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
C/16/504854 / HA ZA 20-406 van
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

[krant] heeft steken laten vallen bij de totstandkoming van een artikel over een ‘onderzoek’ van de Amsterdamse Deken naar het lekken van informatie door advocaat [eiser] aan de organisatie van [D]. Ook had de voormalige advocaat van [H] in een uitzending van [talkshow] niet herhaaldelijk mogen zeggen dat het ‘algemeen aangenomen wordt dat [eiser] informatie verschaft aan [D]. Volgens de rechtbank Midden-Nederland zijn die twee publicaties onrechtmatig. Twee andere artikelen van het [krant] over de kwestie zijn niet onrechtmatig.

Op [2020] publiceerde het [krant] een artikel op zijn website met als kop: “OM en politie: Advocaat [eiser] lekte informatie naar organisatie [D]”. Die publicatie houdt in dat politie en justitie er toen van overtuigd waren dat [eiser] in 2015 informatie uit een lopend onderzoek heeft gelekt aan de organisatie van [D]. Ook wordt gemeld dat de Amsterdamse deken door het OM is geïnformeerd over dat lekken. Een dag later meldde het [krant] in een artikel dat de Deken een onderzoek had ingesteld naar het ‘lekken door advocaat [eiser] aan organisatie [D]’. Begin [2020] publiceerde het [krant] een artikel waarin de voormalige advocaat van [H] in het [onderzoek] aan het woord komt. Deze advocaat, mr. [gedaagde 5], vertelt over zijn rol als advocaat van [H] en uit kritiek op [eiser] en [A]. Volgens [gedaagde 5] vond het OM een samenwerking tussen [H] en [A] onwenselijk vanwege banden die [eiser], de toenmalige kantoorgenoot van [A], zou hebben met [D]. Ook herhaalt hij de verdenkingen tegen [eiser] die het [krant] [2020] publiceerde. Op [2021] was [gedaagde 5] te gast in de talkshow [talkshow]. Daar zei hij meermalen dat ‘algemeen aangenomen wordt dat [eiser] informatie verschaft aan [D]’. Volgens [eiser] zijn deze vier mediamomenten onrechtmatig. Hij wil dat de artikelen verwijderd worden en eist een rectificatie en vergoeding van zijn (reputatie)schade.

De rechtbank oordeelt dat de artikelen in het [krant] van [2020] en [2020] niet onrechtmatig zijn. In het artikel van [2020] schrijven de journalisten van het [krant] niet dat zijzelf de overtuiging hebben dat [eiser] lekt, maar dat politie en justitie die overtuiging hebben. Dat berustte op voldoende bronnen en daarom mochten ze dat opschrijven. Dat geldt ook voor de artikelen van [2020]: die berustten op een interview van de journalisten met [gedaagde 5] en wat die vertelde was voldoende onderbouwd om zo te publiceren.

Het artikel in het [krant] van [2020] was wel onrechtmatig. Dat de deken toen het genoemde onderzoek ‘naar het lekken door [eiser] naar de organisatie [D] was gestart’, bleek niet voldoende uit de bronnen die de journalisten hadden. Een woordvoerder van de Landelijke Orde van Advocaten had wel gezegd dat er mogelijk een onderzoek kwam, maar had daarbij geen naam van een advocaat genoemd. Ook had de Amsterdamse deken op die 30e mei verklaard dat er op dat moment nog geen onderzoek liep.

De rechtbank oordeelt verder dat [gedaagde 5] niet aan tafel bij [talkshow] herhaaldelijk mocht zeggen dat algemeen aangenomen wordt dat [eiser] informatie lekt aan [D]. Daarmee wordt gesuggereerd dat er een breed vermoeden bestaat van een actueel (al dan niet direct) contact tussen [eiser] en [D]. Die suggestie vindt geen steun in de feiten.

[eiser] heeft recht op vergoeding van (reputatie)schade die hij door de twee onrechtmatige publicaties heeft geleden. Hoe groot die schade is moet in een vervolgprocedure bepaald worden.

De rechtbank verplicht het [krant] aan het online-artikel van [2020] een pop-upvenster toe te voegen waarin staat dat het artikel onrechtmatig was. [eiser] had gevraagd om het artikel offline te halen, maar dat kan niet. Internetarchieven van de pers zijn beschermd omdat zij een grote bijdrage leveren aan het behoud en de verspreiding van nieuws en informatie en vormen ook een belangrijke bron voor onderwijs en historisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Vonnis van 18 augustus 2021

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/504854 / HA ZA 20-406 van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

domicilie gekozen hebbende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

domicilie gekozen hebbende te [woonplaats] ,

4. [gedaagde sub 4],

domicilie gekozen hebbende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. O.G. Trojan te Den Haag,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/16/507307 / HA ZA 20-522 van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

1 MR. [gedaagde 5] ,

domicilie gekozen hebbende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.F.K. Schulz te Amsterdam,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [gedaagde sub 2],

domicilie gekozen hebbende te [woonplaats] ,

4. [gedaagde sub 3],

domicilie gekozen hebbende te [woonplaats] ,

5. [gedaagde sub 4],

domicilie gekozen hebbende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. O.G. Trojan te Den Haag.

Eiser in beide procedures zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk zullen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde 5] genoemd worden. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] gezamenlijk zullen [gedaagden c.s.] genoemd worden.

1 De procedure in de zaak 20-406

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 juni 2020,

  • -

    de akte overlegging producties van 1 juli 2020 van [eiser] (1-24),

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagden c.s.] met producties (1-7)

  • -

    het bericht van 21 januari 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    de akte van [eiser] van 11 mei 2021 houdende overlegging nadere producties
    (24-44),

  • -

    de op voorhand overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] en [gedaagden c.s.] ,

  • -

    de mondelinge behandeling van 26 mei 2021, waarbij de zaak gelijktijdig met de gevoegde
    zaak 507307 / HAZA 20-522 is behandeld en partijen ieder pleitaantekeningen overgelegd
    hebben.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 20-522

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 juli 2020,

  • -

    de akte overlegging producties van 12 augustus 2020 van [eiser] (1-16),

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde 5] met producties (1-8)

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagden c.s.] met producties (1-7)

  • -

    het bericht van 21 januari 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    de akte van [eiser] houdende wijziging van eis tevens overlegging nadere producties
    (17-20),

  • -

    de op voorhand overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] , [gedaagden c.s.] en [gedaagde 5] ,

  • -

    de mondelinge behandeling van 26 mei 2021, waarbij de zaak gelijktijdig met de gevoegde
    zaak 504854 / HAZA 20-406 is behandeld, de eiswijziging is toegelaten en
    partijen ieder pleitaantekeningen overgelegd hebben.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1.

[eiser] is advocaat in [plaats] . Hij is partner en medeoprichter van het advocatenkantoor [advocatenkantoor] . [A ] (de vader van medeoprichter mr. [B] ) was tot [2020] directeur van het advocatenkantoor.

3.2.

[eiser] heeft een broer die [C] heet en [eiser] heeft op de basisschool tot en met groep 7 in de klas gezeten met [D] . [eiser] heeft, door middel van een voorkeurspiketmelding, op 15 en 16 juli 2015 [E] bijgestaan als een van de verdachten in een strafrechtelijk onderzoek met de codenaam [onderzoek] . In dit onderzoek was een grote partij wapens aangetroffen in een opslagbox in [plaats] . Meerdere personen zijn in deze zaak vervolgd, de vijf hoofdverdachten onder meer voor wapenbezit, wapenhandel en voorbereiding van moord.

3.3.

Op 16 juli 2015, een kwartier na ontvangst van het voorgeleidingsdossier, kreeg [eiser] een e-mail van advocaat mr. [F] met het verzoek de zaak aan hem over te dragen, omdat [F] gevraagd was de verdediging van [E] over te nemen. [eiser] informeerde de rechtbank hierover en droeg het dossier over. Bij de voorgeleiding van [E] op 17 juli 2015 werd hij bijgestaan door mr. [F] . [eiser] is bij het [onderzoek] betrokken gebleven als advocaat van [G] , een van de andere verdachten in dat proces. De bijnaam van [E] is ‘ [bijnaam 1] ’. Hij en de andere verdachten in het [onderzoek] bevonden zich op 15 juli 2015 en de dagen erna in voorlopige hechtenis ‘in alle beperkingen’, dat wil zeggen dat het hen slechts was toegestaan contact met een advocaat te hebben en dat deze advocaat van hetgeen hem uit hoofde van de rechtsbijstand bekend werd, niets naar buiten mocht brengen.

3.4.

[gedaagde sub 1] is uitgever van verschillende kranten, waaronder het [krant] (hierna ook: [krant] ). Verder onderhoudt zij op internet de website [website] nl.

3.5.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn journalisten en [gedaagde sub 4] is hoofdredacteur van het

[krant] . [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zijn in dienst bij [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 2] heeft een opdrachtrelatie met [gedaagde sub 1] .

3.6.

[gedaagde 5] , die tot begin 2021 advocaat te [plaats] was, is enkele maanden de anonieme advocaat geweest van [H] , kroongetuige in het [proces] . Op 12 maart 2020 heeft [H] de relatie opgezegd. Per brief van 13 maart 2020 heeft [gedaagde 5] dit bevestigd aan [H] en aan zijn tweede opdrachtgever, de Staat der Nederlanden.

3.7.

In het [onderzoek] zijn in 2019 vijf personen in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot lange gevangenisstraffen voor grootschalig wapenbezit en het voorbereiden van een aantal moorden. Die personen worden allen gelinkt aan [D] . Het huidige [proces] is een strafzaak tegen 17 verdachten, waaronder [D] , die als de leider van deze groep wordt gezien. Zij worden ervan verdacht als leden van een criminele organisatie verantwoordelijk te zijn voor een reeks moorden en pogingen daartoe in Nederland, in de periode 2015-2019.

3.8.

In het [proces] zijn op enig moment (in elk geval voor [2020] ) door de politie onderschepte PGP-berichten ontsleuteld. In het onderzoek naar de juistheid van de verklaringen van de kroongetuige [H] kon van de inhoud van die berichten gebruik worden gemaakt. Onder de PGP-berichten bevond zich een bericht van 17 juli 2015 van [I] aan [D] waarin het volgende staat:

“Salaam alikon sir ik heb net die man gesproken die [bijnaam 1] helpt broertje van [C] hy zei tegen my dat ze in maart zyn begonnen met dit onderzoek en het komt door die gestolen auto’s die s5 en rs6 die iniedergeval die S5 die gestolen is die jongens werden in de gaten gehouden toen hun die auto verkochten zat er al een zender onder die auto is van [plaats] naar [plaats] gereden en daarna naar [plaats] daar is die in box gezet hebben ze gekeken zagen ze hem staan hebben ze box vol gehangen met camera en richtmicrofoon ze hebben beelden van spotters en [bijnaam 2] by garage en gesprekken dat ze het over liqudatie hebben voorbereiding ze hebben hun zien oefenen met schieten met kalas die spotters zyn naar box van [bijnaam 1] gegaan met [bijnaam 1] zyn code binnengekomen zo zyn ze by die box gekomen”.

3.9.

In het proces-verbaal van 4 augustus 2020 dat naar aanleiding van dit PGP-bericht is opgemaakt, is onder meer het volgende opgemerkt:

“Uit het bericht van [I] […] aan [D] kan worden opgemaakt dat [I] langs advocaat mr. [eiser] is gegaan en dat hij van mr. [eiser] heeft gehoord wanneer het onderzoek is gestart, wat de aanleiding van het onderzoek is geweest en hoe de politie bij de garagebox is gekomen. Dit is informatie uit het voorgeleidingsdossier van onderzoek [onderzoek] .”

3.10.

Op [2020] verscheen een artikel in [krant] met de titel: “[D] raakte in paniek door politie-onderzoek”. In het artikel staat onder meer:

“De zogenaamde ‘klapdag’ is het hoogtepunt van het onderzoek [onderzoek] , dat in maart 2015 begon met het volgen van een gestolen auto waaronder de politie een baken plaatste. [D] maakt zich duidelijk zorgen over hetgeen de politie heeft gevonden. “Bij [bijnaam 1] en [bijnaam 2] gaan ze niks vinden toch sir?” stuurt hij aan een vriend.

Een uurtje later stuurt [D] nog een bericht met zijn PGP-telefoon waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd. De politie heeft die berichten ontcijferd. “Sir ga even ergens veilig zitten!!”. Buiten het advies om onder te duiken geeft hij nog een instructie: “Sir allemaal top advos erop zetten”. Het inschakelen van de topadvocaten moet “direct vandaag” gebeuren.

Orders van ‘de kleine’

Het zijn niet de enige orders van ‘de kleine. Mensen hebben fouten gemaakt. Er moeten spullen veilig gesteld worden, een kluis moet zo snel mogelijk worden leeggehaald, wapens mogen niet gepakt worden. Daarnaast informeert hij naar de stash. Om iets na half tien ’s avonds stuurt [D] nog een bericht. “Sir, advos moeten nu toch weten wat de aanklacht is?”


De start van het onderzoek, dat de naam [onderzoek] meekreeg, is een cruciaal moment in de strafzaak [proces] waarin [D] de hoofdverdachte is. Dat blijkt uit nieuwe informatie die het Openbaar Ministerie de afgelopen twee weken heeft gepresenteerd in een serie tussentijdse zittingen en inzage in het strafdossier.

(…)

‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 1] ’

In de dagen na de invallen is [D] druk bezig met het opmaken van de schade. Hij wil weten hoeveel wapens er nog zijn, hoeveel hasj er nog is en waar de Britse ponden zijn gebleven. Ook wil hij weten waar zijn vrienden van verdacht worden. Is het soms de moord op [J] ? “Die jongen moet naar advo gaan en precies kijken wat de aanklacht is” tegen [bijnaam 2] sir”, zegt [D] op 17 juli.

Op die dag worden de verdachten in het onderzoek aan de rechter-commissaris voorgeleid, onder hen twee jeugdvrienden van [D] . Hun bijnamen luiden “ [bijnaam 2] ” en “ [bijnaam 1] ”.

Twee uur later stuurt [D] het volgende bericht door: “Saloom alikom sir. Ik heb net die man gesproken die [bijnaam 1] helpt. Het broertje van [C] . Hij zei tegen mij dat ze in maart zijn begonnen met dit onderzoek en het komt door die gestolen auto’s. Die jongens werden in de gaten gehouden. Toen hun die auto verkochten zat er al een zender onder. Die auto is van [plaats] naar [plaats] gereden. En daarna naar [plaats] . Daar is die in de box gezet. Hebben ze gekeken, zagen ze hem staan. Hebben ze box volgehangen met camera’s en richtmicrofoon.”

Dit bericht vat precies samen hoe het onderzoek [onderzoek] is begonnen. Het is brisant dat [D] twee dagen na de aanhoudingen op de hoogte is van de aanleiding en het verloop van het onderzoek. Alle verdachten zitten op dat moment nog in beperkingen. Ze mogen alleen contact hebben met hun advocaat. De informatie die verdachten en hun raadslieden krijgen mag in het belang van het onderzoek niet met derden worden gedeeld. Die regel is geschonden maar in het dossier is niet vastgesteld wie dat heeft gedaan.”

3.11.

Op [2020] heeft [eiser] naar aanleiding van voormelde publicatie contact opgenomen met de deken van de Amsterdamse orde van advocaten, mr. Henrichs. [eiser] heeft hem gevraagd onderzoek te doen naar de vraag welke advocaat uit het [onderzoek] heeft gelekt, zodat daaruit zou blijken dat het niet [eiser] was.

3.12.

Op [2020] om 12.52 uur ontving [eiser] een WhatsAppbericht van [gedaagde sub 2] , waarin hij aangaf [eiser] dringend te willen spreken ‘inzake [onderzoek] ’. Om 14.06 uur volgde een tweede WhatsAppbericht van [gedaagde sub 2] aan [eiser] met onder meer de volgende inhoud:

“Wij ( [gedaagde sub 3] en ik) willen je dringend spreken en hebben jou daarom vanmiddag gebeld. Wij gaan vanmiddag een artikel publiceren waarin wij op basis van politie en justitiebronnen alsmede chatberichten uit het [proces] dossier, stellen dat voornoemde organisaties (politie justitie) van mening zijn dat jij in 2015 als advocaat van [E] […] (en zijnde ‘het broertje van [C] ’) de beperkingen hebt geschonden, en informatie uit het voorgeleidingsdossier van 26 koper hebt gelekt. Wat is hierop jouw reactie? Was je bekend met het feit dat [E] alle beperkingen opgelegd had gekregen? Ben jij inderdaad het broertje van [C] ? Kun je bevestigen dat jij de advocaat was van [E] ? Heb jij informatie doorgegeven uit het dossier op 17 juli 2015 (Aan [I] […])

Deze reactie zien we graag tegemoet voor of uiterlijk tot 15.30.”

3.13.

In reactie op voormeld WhatsAppbericht antwoordde [eiser] dezelfde dag om 15.50 uur het volgende aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] :

“Dag [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] ,

Ik heb gisteren kennis genomen van het artikel in [krant] van [K] en [L] . Ik ben daar zeer van geschrokken. Weliswaar werd mijn naam niet genoemd, maar ik begrijp dat de gedachte ontstaat dat de omschrijving op mij van toepassing is.

Ik kan jullie het volgende mededelen:

Het is juist dat ik in juli 2015 heel kort de raadsman ben geweest van [E] […]. Ik heb hem, denk ik, maximaal twee dagen bijgestaan. Het dossier is eigenlijk meteen overgenomen door [F] . Ik heb de voorgeleiding dan ook niet gedaan. Ik heb in die periode geen contacten gehad met [I] […]: ik heb hem niet gezien, noch gesproken. Ik heb hem – maar ook anderen – geen enkele informatie over dit dossier verstrekt, niet direct en niet indirect.

Zoals je ziet ontken ik expliciet dat ik hier iets mee te maken heb gehad, daarom was ik ook zo geschokt over de publicatie in [krant] . Ik hoop en verwacht dat jullie heel verantwoordelijk met een en ander omgaan en beseffen dat mijn reputatie door een lichtvaardige publicatie snel onherstelbaar beschadigd kan worden. Het is mij een raadsel waar dit bericht vandaan komt. Het is in ieder geval niet gebaseerd op feiten.

Met vriendelijke groet,

Mr. [eiser]

Advocaat”

3.14.

Op [2020] verscheen op de website [website] nl en de volgende dag op de voorpagina van de papieren weekendeditie van het [krant] een artikel met als kop:

OM en politie: Advocaat [eiser] lekte informatie naar organisatie [D] ”.

In de onderkop van het artikel staat, onder meer:

Politie en justitie zijn ervan overtuigd dat advocaat [eiser] in 2015 informatie uit een lopend strafonderzoek aan de organisatie van [D] heeft gelekt.” en “De deken, die toezicht houdt op de advocatuur, is door het OM geïnformeerd over misstanden rondom dat strafonderzoek.”

3.15.

Op [2020] verscheen op de website van [website] nl een tweede artikel over [eiser] met als kop:

Deken onderzoekt lekken door advocaat [eiser] aan organisatie [D]”.

In de onderkop van het artikel staat:

“De Amsterdamse deken Evert-Jan Henrichs, die namens de Orde van Advocaten toezicht houdt op de advocatuur, is een onderzoek gestart naar advocaat [eiser] . De in opspraak geraakte advocaat zou informatie uit een lopend strafonderzoek hebben doorgespeeld aan de criminele organisatie [D] .”

Verder staat in het artikel:

“Dat zegt de Nederlandse Orde van Advocaten in een reactie. “Het is een heftige beschuldiging. Heel ongebruikelijk”, zegt de woordvoerder [S] . “De deken van Amsterdam (…) is een onderzoek gestart.” (…)

De beschuldiging van lekken van vertrouwelijke informatie is als een bom ingeslagen bij de advocatuur. [eiser] zou nadat in 2015 een wapenopslag van [D] ’s bende werd ontmanteld informatie over het achterliggende onderzoek hebben gegeven. Zijn cliënt [E] zat op dat moment nog ‘in beperkingen’. [eiser] mocht toen met niemand anders dan zijn cliënt over de zaak praten. (…) In ontcijferde versleutelde berichten tussen de criminelen wordt ‘het broertje van [C] ’ als bron aangewezen. Dat het om [eiser] gaat, die inderdaad een oudere broer heeft die [C] heet, bevestigen meerdere bronnen bij politie, justitie en in de onderwereld. (…)

De dekens zijn onafhankelijke toezichthouders en besluiten ook of een tijdelijke schorsing op zijn plaats is. (…) Als de deken tot de conclusie komt dat [eiser] niet volgens “de kernwaarden van de advocatuur heeft gehandeld” dan volgt er een tuchtrechtelijke procedure. Dan gaat de raad van discipline de zaak beoordelen en tot een eventuele strafmaatregel komen. [eiser] kan dan worden geschorst als advocaat.(…) De deken beziet de zaak [eiser] alleen vanuit het tuchtrecht.”

3.16.

Op [2020] heeft de deken van de Amsterdamse orde van advocaten, mr. Henrichs, aan NOS het volgende verklaard:

“Ik ga na het weekend contact opnemen met het OM, kijken waar dit vandaan komt. Dan beslis ik of er een onderzoek komt”.

3.17.

In een e-mail van 5 juni 2020 aan mr. [M] (strafrechtadvocaat) heeft mr. [N] , rechercheofficier bij het Landelijk Parket, die verantwoordelijk is voor de zaak [proces] , onder meer geschreven:

Als raadsvrouw van mr. [eiser] kan ik u zeggen dat het Openbaar Ministerie geen klacht bij de Deken heeft ingediend tegen uw client in deze zaak. (…) Wij hebben vandaag wel aan de Deken die delen uit het [proces] dossier ter beschikking gesteld op basis waarvan blijkbaar is geconcludeerd dat mr [eiser] zou hebben gelekt.”

3.18.

Op 2 juli 2020 heeft [gedaagde 5] bij de notaris onder ede een verklaring afgelegd die is opgenomen in een proces-verbaal. Deze verklaring luidt onder meer als volgt:

“Op donderdag twaalf maart 2020 heb ik telefonisch contact gehad met mr. [zaaksofficier] , zaaksofficier in de zaak [proces] . Ik heb haar toegelicht waarom ik niet langer de advocaat was van [H] en dat het tot een breuk was gekomen door zijn wens samen te willen werken met [A ] . [zaaksofficier] reageerde daarop door te zeggen dat dit voor het OM onwenselijk zou zijn, vanwege de rol van [A ] ’ kantoorgenoot [eiser] en diens banden met [D] . Het OM maakte zich hierover grote zorgen en [zaaksofficier] liet merken dat zij [eiser] kwalificeerde als een advocaat die niet te vertrouwen was. Voorts bleek het OM al langer op de hoogte dat de kroongetuige [H] contact onderhield met [A ] .”

In een e-mail aan de deken van de Amsterdamse orde van advocaten, mr. Henrichs, heeft [gedaagde 5] het bovenstaande eveneens bericht.

3.19.

In een e-mail van 2 juli 2020 heeft mr [O] (rechercheofficier) onder meer het volgende geschreven aan [eiser] :

“De vermeende uitlatingen van de door u aangehaalde advocaat komen – uiteraard – voor zijn rekening. Temeer daar het, zo lees ik in uw mail, ook nog gaat om interpretaties van bedoelde advocaat over hetgeen zou zijn besproken met een officier van justitie van het Landelijk Parket.”

3.20.

Op 2 juli 2020 heeft [gedaagde sub 1] in een e-mail van [gedaagde sub 3] aan [eiser] citaten uit de verklaring van [gedaagde 5] voorgelegd en gevraagd te reageren voor [2020] 13.00 uur. [eiser] heeft op [2020] [gedaagde sub 1] gesommeerd om af te zien van publicatie. Verder heeft hij onder meer als volgt gereageerd:

“De vraag naar het schoolverleden is al beantwoord in paragraaf 8.22 van de dagvaarding. Daar kun je uit citeren.

Wederhoor [eiser]
Het [krant] schrijft dat volgens een ‘anonieme advocaat’ mijn ‘banden met [D] ’ tot ‘grote zorgen’ bij het OM zouden leiden. Dit zou ‘de zaaksofficier’ tegen hem hebben gezegd in een telefoongesprek. Daarin zou hij mij hebben gekwalificeerd ‘als een advocaat die niet te vertrouwen was vanwege zijn bemoeienis met de organisatie van [D] ’. Dit is onwaar. Ik heb geen banden met [D] . Ik heb geen banden met de organisatie van [D] . Het OM heeft mij inmiddels schriftelijk laten weten dat deze uitspraken ‘geheel voor rekening van de anonieme advocaat komen’. Het OM heeft mij bovendien schriftelijk gevestigd dat er geen klacht tegen mijn persoon is ingediend. Deze beschuldigingen worden dus op geen enkele manier bevestigd door het OM. Deze valse beschuldigingen zijn zeer schadelijk voor mij. Er loopt al een bodemprocedure tegen het [krant] wegens onterechte beschuldigingen op de voorpagina van het [krant] van 29 mei jl. Ook deze onterechte beschuldigingen zullen aan de rechter worden voorgelegd. Ik laat dit niet over mijn kant gaan.”

3.21.

Op [2020] verscheen op de website van het [krant] en van de regionale kranten van [gedaagde sub 1] een artikel, getiteld:

OM vond rol [A ] onwenselijk vanwege banden kantoorgenoot met [D] .”

Op de desbetreffende webpagina kan worden doorgeklikt naar de integrale tekst van het

interview met [gedaagde 5] . In het artikel staat (op de bedoelde webpagina) onder meer:

“Onlangs onthulde deze nieuwssite dat politie en justitie ervan overtuigd zijn dat [eiser] in 2015 informatie heeft gelekt aan [D] (…)

Na de moord op advocaat [advocaat] in september 2019 zat [H] , die getuigt tegen de moordbende van [D] , zonder juridische bijstand. Uiteindelijk vond de kroongetuige een advocaat bereid, hoewel deze met zeer uitzonderlinge toestemming anoniem bleef. In maart 2020 kwam het tot een breuk. Volgens de anonieme advocaat was dat vanwege de bemoeienis van misdaadjournalist [A ] .”

Het artikel luidt verder onder meer (als citaat uit de volledige interviewtekst):

“Op donderdag 12 maart 2020 heb ik telefonisch contact gehad met de zaaksofficier. Ik heb toegelicht waarom ik niet langer de advocaat was van [H] en dat het tot een breuk was gekomen door zijn wens samen te willen werken met [A ] . De zaaksofficier reageerde daarop door te zeggen dat dit voor het OM onwenselijk zou zijn, vanwege de rol van [A ] ’ kantoorgenoot [eiser] en diens banden met [D] . Het OM maakte zich hierover grote zorgen en de officier liet merken dat zij [eiser] kwalificeerde als een advocaat die niet te vertrouwen was. Voorts bleek het OM al langer op de hoogte dat de kroongetuige [H] contact onderhield met [A ] .”

Verder vermeldt het artikel nog:

“In het interview stelt de voormalige advocaat tevens dat hij door de kroongetuige is bedreigd. [H] zou een ‘envelop met spullen’ terug willen, die de advocaat weigerde terug te geven. ‘Als je mijn spullen niet terugbezorgt, dan leer je een heel andere kant van mij kennen’. Daar schrok ik van, deze bedreiging’.”

Onder de publicatie van staat het volgende:

“Reactie [eiser] :
De inhoud van het telefoongesprek tussen de zaaksofficier en de anonieme advocaat van 12 maart 2020, komt mij onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig voor. Ik heb geen banden met [D] . Het OM heeft mij inmiddels schriftelijk laten weten dat de uitspraken van deze anonieme advocaat ‘geheel voor rekening van de anonieme advocaat komen.’ [D] en ik zijn leeftijdsgenoten. We zaten op dezelfde basisschool.”

3.22.

Op [2020] verscheen op de website en in de papieren editie van het [krant] en van de regionale kranten van [gedaagde sub 1] (deels op de voorpagina), een artikel met de tekst van het interview met de voormalige en toen nog anonieme advocaat van de kroongetuige [H] , mr. [gedaagde 5] . De kop van het online-artikel luidt:

Ex-advocaat van kroongetuige [H] doet zijn verhaal: ‘Ik stopte vanwege [A ]

De kop van het artikel in de papieren editie luidt:

Voormalig advocaat kroongetuige [H] doet zijn verhaal. Ex-advocaat: ‘Ik stopte vanwege [A ] ’ .” (prod. 2 dv).

In de artikelen staat onder meer, als uitlating van [gedaagde 5] :

“Het OM had een psychologisch rapport laten uitbrengen over [H] . Daar las hij uit voor en over de uitkomsten was hij laaiend. Hij voelde zich enorm genaaid door het OM. Voor hem was dat het toppunt, hij was er helemaal klaar mee. Het roer zou omgaan en de onderste steen moest boven komen. En [A ] moest daarvoor gaan zorgen. (…) vroeg ik wat [A ] zou moeten doen. (…) Maar ik merkte al snel dat [H] vastbesloten was om met [A ] in zee te gaan. Nou, als hij dat per se wil, dan wilde ik best met hem praten, zei ik nog. Maar toen zei hij al dat [A ] niet met mij in zee wilde en een andere advocaat op het oog had. Hij had slecht over mij gesproken. (…) Die avond belde [H] mij op, Hij zei dat (…) dat hij met me wilde stoppen. Ik zei hem dat mij dat speet, maar dat ik ook niet met [A ] wilde samenwerken. Toen was het over. (…)”

Daaronder wordt in het artikel het onder 3.21 vermelde citaat herhaald over het telefonische contact van [gedaagde 5] op 12 maart 2020 met de zaaksofficier.

Daarna vervolgt het artikel, als uitlating van [gedaagde 5] :

“Ja. Er was gedoe over [eiser] , dat heeft hij verteld. We spraken wel eens over advocaten. Hij zei toen dat hij bijvoorbeeld niet met [A ] zoon [B] kan werken, omdat die kantoor hield met [eiser] . Later, voor jullie publicatie, begreep ik ook dat [eiser] en [D] schoolvriendjes waren. Dat geeft al gauw het gevoel dat hij iets te maken had met de organisatie van [D] . Ook door de reactie van de officier van justitie, die liet merken bedenkingen tegen [eiser] als advocaat te hebben vanwege zijn banden met [D] .”

In het artikel worden voorts de hiervoor omschreven publicaties van 29 en [2020] gememoreerd.

Onder de publicatie van staat het volgende:

“ [eiser] zegt in een reactie dat de inhoud van het telefoongesprek tussen de zaaksofficier en de anonieme advocaat op hem ‘onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig’ overkomt. Ik heb geen banden met [D] . Ik heb geen banden met de organisatie van [D] .”

3.23.

Op 8 juli 2020 diende [eiser] een klacht in bij de deken van de Amsterdamse orde van advocaten tegen de anonieme advocaat van kroongetuige [H] , van wie hij toen nog niet wist dat het om [gedaagde 5] ging.

3.24.

Op de openbare terechtzitting van [2020] heeft het OM in het [proces] -proces onder meer het volgende meegedeeld:

“De inval in [onderzoek] is op 15 juli 2015. Direct daarna legt [D] contact met [P] […[. [P] […]is één van de verdachten die in het [onderzoek] onderzoek is veroordeeld, maar is op dat moment nog niet aangehouden. (…)

[D] wil van [P] […]weten wat de aanklacht is tegen de aangehouden verdachten, en zegt dat de advocaten dat nu toch moeten weten. Dit bericht stuurt hij op 15 juli 2015, de dag van de aanhoudingen van de verdachten. Alle aangehouden verdachten bevonden zich toen in volledige beperkingen. (…).

[I] […]geeft per PGP-bericht aan [D] door dat één van de aangehouden verdachten ( [E] […]) wordt bijgestaan door “het broertje van [C] ”, dat is mr [eiser] . Uit het bericht blijkt dat [I] […]langs mr [eiser] is gegaan en daar gehoord heeft hoe het onderzoek [onderzoek] is gestart, wat de aanleiding voor het onderzoek is geweest en hoe de politie bij de boxen is gekomen. Deze informatie over de start van het onderzoek [onderzoek] was opgenomen in het voorgeleidingsdossier van onderzoek [onderzoek] dat op 16 juli 2015 is verspreid onder de advocaten van de verdachten. Op dat moment was er door het OM nog geen informatie naar buiten gebracht, behalve een beperkt persbericht van de politie en het OM van 21 juli 2015.”

3.25.

Op [2021] was [gedaagde 5] te gast bij de NPO-talkshow [talkshow] . In deze televisie-uitzending is het volgende gezegd:

“ [gedaagde 5] : “ [A ] en [eiser] die zitten samen op een kantoor. Dat is een hele bijzondere combinatie. Van [eiser] wordt algemeen aangenomen dat hij informatie verschaft aan [D] .”

Presentator: “Nou, dat wordt onderzocht hè dat is een belangrijk…”.

[gedaagde 5] :“Nee, dat wordt algemeen aangenomen, inmiddels. In ieder geval het OM stelt zich op dat standpunt. Als je het dossier kent, dan begrijp je ook waarom. En [A ] kwam bij de kroongetuige binnen, dus dat is een hele bijzondere combinatie van twee mensen op één kantoor.”

3.26.

Op 18 februari 2021 maakte de deken van de Amsterdamse Orde van advocaten, mr. E.J. Henrichs, het resultaat bekend van het door hem verrichte onderzoek naar het lekken door een advocaat uit het [onderzoek] , met name naar de mogelijke rol van [eiser] daarin. In het door mr. Henrichs opgestelde persbericht van dezelfde datum staat onder meer:

“ • Het PGP-bericht waarnaar ik onderzoek heb gedaan, bevat feitelijk correcte informatie over
het strafrechtelijk onderzoek in de [onderzoek] -zaak. Die informatie was op het moment van
verzending van dat bericht bekend bij zeven advocaten die verdachten in die zaak bijstonden.
Gezien de omstandigheden moet ik aannemen dat die feitelijk correcte informatie afkomstig is
van een van deze advocaten.

De verzender van het PGP-bericht vermeldt dat hij deze informatie heeft verkregen van het ‘broertje van [C] ’. Omdat mr. [eiser] één van de advocaten in de [onderzoek] -zaak was en een broer heeft die [C] heet, kan het PGP-bericht worden opgevat als een aanwijzing dat hij degene was die de informatie heeft verstrekt. Ik heb daarom onderzoek gedaan naar mr. [eiser] betrokkenheid bij het bericht.

Ik heb uitgebreid onderzoek gedaan, maar dit onderzoek heeft geen bewijs of verdere aanwijzingen opgeleverd dat mr. [eiser] degene is geweest die de informatie heeft verstrekt. Ik heb ook niet kunnen vaststellen wie de informatie wel heeft verstrekt.

In het licht van mr. [eiser] ontkenning is mijn conclusie dat niet is komen vast te staan dat mr. [eiser] de informatie heeft verstrekt aan degene die het PGP-bericht heeft verstuurd. Ik heb daarom geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen vastgesteld.”

4 Het geschil

in de zaak 20-406

4.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat de in de dagvaarding genoemde publicaties van 29 en [2020] onrechtmatig zijn jegens [eiser] , althans voor wat betreft de verdachtmaking: “Politie en Justitie zijn ervan overtuigd dat advocaat [eiser] in 2015 informatie uit een lopend strafonderzoek aan de organisatie van [D] heeft gelekt’, de beschuldiging “Politie en Justitie zijn er van overtuigd dat hij in 2015 informatie heeft doorgespeeld aan de organisatie van [D]’, een en ander in samenhang met de op [2020] gepubliceerde bewering ‘Het OM heeft onlangs de Amsterdamse deken Evert-Jan Henrichs, die namens de Orde van Advocaten toezicht houdt op de advocatuur heeft geïnformeerd over verschillende misstanden rondom het [onderzoek].”

II. [gedaagde sub 1] te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de navolgende rectificatie te publiceren, althans een rectificatie met een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen tekst:

RECTIFICATIE

ADVOCAAT [eiser] TEN ONRECHTE BESCHULDIGD

In [krant] en alle regionale nieuwsmedia van [gedaagde sub 1] van [2020] is de Amsterdamse advocaat mr. [eiser] er van beschuldigd dat hij in 2015 informatie zou hebben doorgespeeld aan de organisatie van [D] , dat OM en politie daarvan overtuigd waren, en dat het OM dit als misstand zou hebben gemeld bij de Amsterdamse Orde van Advocaten. Deze verdachtmakingen zijn onjuist en ongefundeerd. De publicatie van [gedaagde sub 1] is daarom onrechtmatig jegens [eiser] . De Rechtbank Midden-Nederland heeft dit bepaald bij vonnis van [datum] en [gedaagde sub 1] bevolen deze rectificatie te publiceren in al haar media waarin de publicatie is verschenen. Voorts is [gedaagde sub 1] veroordeeld tot betaling van

schadevergoeding aan mr. [eiser] .

De directie van [gedaagde sub 1]

a. op de voorpagina van de volgende uitgaven: Algemeen Dagblad, De Stentor, PZC, Brabants Dagblad, Eindhovens Dagblad, De Twentsche Courant Tubantia, BN DeStem en De Gelderlander, in een vetgedrukt kader, linksonder op de pagina, over de breedte van twee kolommen, zonder verder bijschrift of naschrift, in zodanige lettergrootte dat de tekst ADVOCAAT [eiser] TEN ONRECHTE BESCHULDIGD zich over de volle breedte van de twee kolommen uitstrekt, met gecentreerd in kapitale letters het woord R E C T I F I C A T I E daarboven weergegeven over de volle breedte van de twee kolommen en met dezelfde lettergrootte als de letters in de beschuldiging ‘ADVOCAAT [eiser] LEKTE INFORMATIE NAAR [D] ” op de voorpagina van het [krant] van [2020] , één en ander conform goed drukkersgebruik, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen layout; en

b. op de websites van Algemeen Dagblad, De Stentor, PZC, Brabants Dagblad, Eindhovens Dagblad, De Twentsche Courant Tubantia, BN DeStem en De Gelderlander, in lettertype Arial, minimale lettergrootte 12, vetgedrukt, duidelijk leesbaar in zwarte tekst op een witte achtergrond, met een zwart omlijnd kader, zodanig dat de rectificatietekst schermvullend zichtbaar is op schermen met een resolutie tussen 1024 * 768 pixels en 1920 * 1080 pixels, en dat deze rectificatie bij ieder bezoek aan de homepage in een pop-up venster zal worden getoond gedurende twee weken, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen manier van online publiceren van de rectificatie;

III. [gedaagde sub 1] te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de publicaties uit de online-archieven van alle uitgaven van [gedaagde sub 1] (waaronder Algemeen Dagblad, De Stentor, PZC, Brabants Dagblad, Eindhovens Dagblad, De Twentsche Courant Tubantia, BN DeStem en De Gelderlander) te verwijderen, en te zorgen dat de publicaties en de door de rechtbank als onrechtmatig geoordeelde beschuldigingen niet meer via internet openbaar beschikbaar wordt gemaakt door of namens [gedaagde sub 1] , subsidiair de publicaties te ontkoppelen van c.q. ondoorzoekbaar te maken voor externe zoekmachines en de publicaties ieder afzonderlijk te voorzien van een pop-up venster met daarin de opgelegde rectificatie;

IV. [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van € 15.000,= aan [eiser] wegens immateriële schade, althans een door de Rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te betalen binnen twee werkdagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ingeval van niet tijdige betaling;

V. [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de materiële schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagden, nader op te maken bij staat, en te betalen binnen twee werkdagen na de datum van dit vonnis in de schadestaatprocedure, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ingeval van niet-tijdige betaling;

VI. [gedaagde sub 1] te veroordelen tot verbeurte van een dwangsom van € 25.000,= voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde sub 1] verzuimt de bevelen hierboven genoemd sub II en III geheel of gedeeltelijk na te komen, althans een door de Rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom; en

VII. [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, vermeerderd met de nakosten.

4.2.

[gedaagden c.s.] voert verweer met conclusie tot afwijzing van de vorderingen, althans deze niet-ontvankelijk te verklaren met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 20-522

4.4.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat [gedaagden c.s.] en [gedaagde 5] door de in de dagvaarding genoemde publicaties van 3 juli en (het interview) van [2020] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] , in het bijzonder de volgende passages, althans de hierin jegens [eiser] geuite beschuldigingen dat hij banden zou hebben met [D] , dat hij iets te maken had met de organisatie van [D] , en de suggestie dat [eiser] als advocaat (daarom) niet te vertrouwen is:

“(...) Op donderdag 12 maart 2020 heb ik telefonisch contact gehad met de zaaksofficier. Ik heb haar toegelicht waarom ik niet langer de advocaat was van [H] en dat het tot een breuk was gekomen door zijn wens samen te willen werken met [A ] . De zaaksofficier reageerde daarop door te zeggen dat dit voor het OM onwenselijk zou zijn, vanwege de rol van [A ] ’ kantoorgenoot [eiser] en diens banden met [D] . Het OM maakte zich hierover grote zorgen en de officier liet merken dat zij [eiser] kwalificeerde als een advocaat die daarom niet te vertrouwen was.”

en:

“Ja. Er was gedoe over [eiser] , dat heeft hij verteld. We spraken wel eens over advocaten. Hij zei toen dat hij bijvoorbeeld niet met [A ] zoon [B] kan werken, omdat die kantoor hield met [eiser] . Later, voor jullie publicatie, begreep ik ook dat [eiser] en [D] schoolvriendjes waren. Dat geeft gauw het gevoel dat hij iets te maken had met de organisatie van [D] . Ook door de reactie van de officier van Justitie, die liet merken bedenkingen tegen [eiser] als advocaat te hebben vanwege zijn banden met [D] .”

II. [gedaagde 5] te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de navolgende mededeling te publiceren bij wijze van advertentie, althans een mededeling met een door de Rechtbank in goede justitie vast te stellen tekst:

INGEZONDEN MEDELING

ADVOCAAT [eiser] TEN ONRECHTE BESCHULDIGD

In een interview met Algemeen Dagblad en alle regionale nieuwsmedia van [gedaagde sub 1] van [2020] heb ik de Amsterdamse advocaat mr. [eiser] er van beschuldigd dat banden zou hebben met de criminele organisatie van [D] . Deze beschuldiging is onterecht en had ik daarom niet mogen doen. Hierdoor heb ik zonder enige rechtvaardiging de eer en goede naam van mijn collega advocaat mr. [eiser] ernstig aangetast. Met deze rechtzetting beoog ik de schade aan zijn reputatie zo veel mogelijk te herstellen. De rechtbank Midden-Nederland heeft mij veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan advocaat mr [eiser] en ook tot de plaatsing van deze rechtzetting.

Mr. [gedaagde 5]

1. op de voorpagina van de volgende uitgaven: Algemeen Dagblad , De Stentor, PZC, Brabants Dagblad, Eindhovens Dagblad, De Twentsche Courant Tubantia, BN DeStem en De Gelderlander, in een vetgedrukt kader, midden op de pagina, over de breedte van twee kolommen, zonder verder bijschrift of naschrift, in zodanige lettergrootte dat de tekst ADVOCAAT [eiser] TEN ONRECHTE BESCHULDIGD zich over de volle breedte van de twee kolommen uitstrekt, met gecentreerd in kapitale letters het woord M E D E D E L I N G daarboven weergegeven over de volle breedte van de twee kolommen, één en ander conform goed drukkersgebruik, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen layout; en

2. op de websites van Algemeen Dagblad , De Stentor, PZC, Brabants Dagblad, Eindhovens Dagblad, De Twentsche Courant Tubantia, BN DeStem en De Gelderlander, in lettertype Arial, minimale lettergrootte 12, vetgedrukt, duidelijk leesbaar in zwarte tekst op een witte achtergrond, met een zwart omlijnd kader, zodanig dat de rectificatietekst schermvullend zichtbaar is op schermen met een resolutie tussen 1024 * 768 pixels en 1920 * 1080 pixels, en dat deze rectificatie bij ieder bezoek aan de homepage in een pop-up venster zal worden getoond gedurende twee weken, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen manier van online publiceren van de rectificatie;

III. [gedaagde sub 1] te gebieden om de onder II. bedoelde mededeling binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis na ommekomst van de onder II. b genoemde termijn de daar bedoelde mededeling in een goed leesbaar pop-up venster toe te voegen aan de litigieuze publicaties van [2020] en [2020] in de online-archieven van alle uitgaven van [gedaagde sub 1] (waaronder Algemeen Dagblad , De Stentor, PZC, Brabants Dagblad, Eindhovens Dagblad, De Twentsche Courant Tubantia, BN DeStem en De Gelderlander en Het Parool) waarin dit interview is verschenen en waar dit online gepubliceerd staat, alsmede deze publicaties te ontkoppelen van c.q. ondoorzoekbaar te maken voor externe zoekmachines;

IV. [gedaagde 5] te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis een brief te sturen aan de redactie van de talkshow [talkshow] , de netmanager van NPO1, en tevens gericht aan de presentatoren [Q] en [R] , met de navolgende inhoud en met als bijlage dit vonnis, zonder verder commentaar of bijschrift, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift hiervan aan de advocaten van [eiser] :

Geachte redactie en presentatoren van [talkshow]

Op [2021] was ik te gast in uw uitzending. Ik heb bij die gelegenheid enkele uitspraken gedaan over de Amsterdamse advocaat [eiser] . Ik heb toen verklaard dat algemeen wordt aangenomen dat advocaat [eiser] informatie verschaft aan [D] . Dit is echter niet waar. Ik heb dit daarom niet mogen zeggen. Hierdoor heb ik ten onrechte de reputatie van advocaat [eiser] beschadigd. Ik ben veroordeeld door de Rechtbank Midden-Nederland om dit recht te zetten (ik verwijs naar bijgaand vonnis). Om die reden verzoek ik de redactie en presentatoren van [talkshow] om hieraan in de eerstvolgende uitzending aandacht te schenken door deze rechtzetting namens mij uit te spreken.

[gedaagde 5]

V. voor recht te verklaren dat [gedaagden c.s.] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door de eerder op 29 en [2020] gepubliceerde verdachtmaking als volgt te herhalen: “Onlangs onthulde deze nieuwssite dat politie en justitie ervan overtuigd zijn dat [eiser] in 2015 informatie heeft gelekt aan [D] ”(d.d. [2020] ) en “Eind mei onthulde deze nieuwssite dat politie en justitie ervan overtuigd zijn dat advocaat [eiser] in 2015 informatie uit een strafrechtelijk onderzoek heeft gelekt aan de organisatie van [D] ” (d.d. [2020] ).

VI. [gedaagde 5] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van € 30.000,= aan [eiser] wegens immateriële schade, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te betalen binnen twee werkdagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ingeval van niet- tijdige betaling;

VII. [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van € 10.000,= aan [eiser] wegens immateriële schade, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te betalen binnen twee werkdagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ingeval van niet-tijdige betaling;

VIII. [gedaagde 5] en [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de materiële schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagden, nader op te maken bij staat, en te betalen binnen twee werkdagen na de datum van dit vonnis in de schadestaatprocedure, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ingeval van niet-tijdige betaling;

IX. [gedaagde 5] te veroordelen tot verbeurte van een dwangsom van € 25.000,= voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde sub 1] (bedoeld zal zijn [gedaagde 5] , rechtbank) verzuimt de bevelen hierboven genoemd onder II en IV geheel of gedeeltelijk na te komen, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom;

X. [gedaagde sub 1] te veroordelen tot verbeurte van een dwangsom van € 25.000,= voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde sub 1] verzuimt de bevelen hierboven genoemd onder III geheel of gedeeltelijk na te komen, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom;

XI. [gedaagde 5] en [gedaagden c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, vermeerderd met de nakosten.

4.5.

[gedaagde 5] en [gedaagden c.s.] voeren verweer, met conclusie [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen te verklaren, dan wel deze af te wijzen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Het juridisch kader

5.1.

In deze zaken gaat het om een botsing van fundamentele rechten. Aan de kant van [eiser] het recht op eerbiediging van de eer en goede naam (artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM) en aan de kant van [gedaagden c.s.] het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM).

5.2.

Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle relevante omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM gewaarborgde recht. Voor de door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. Dit brengt mee dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing in die zin dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging. De toetsing moet namelijk in één keer plaatsvinden. Daarbij brengt het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 [naam] ; HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A).

5.3.

Welk van de beide genoemde belangen in het concrete geval zwaarder weegt, hangt zoals gezegd af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is onder meer relevant:

  • -

    i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben,

  • -

    ii) de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld,

  • -

    iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie,

  • -

    iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen,

  • -

    v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en

  • -

    vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon.

Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval. De rechtbank gaat daar hieronder per zaak en per punt verder op in.

in de zaak 20-406

5.4.

Voor [eiser] geldt dat het gaat om het recht op eerbiediging van zijn eer en goede naam door niet op lichtzinnige wijze te worden blootgesteld aan ernstige verdachtmakingen en beschuldigingen die gebaseerd zijn op onjuiste dan wel onvolledige feiten of suggesties. Dit geldt te meer nu [eiser] , als advocaat, in de rechtstaat een bijzondere positie inneemt. Het belang van [gedaagden c.s.] is dat zij met haar publicaties een rol vervult in het informeren over een breed maatschappelijk probleem. In die rol moet zij misstanden aan de kaak kunnen stellen door zich kritisch en opiniërend uit te laten alsmede moet zij het publiek kunnen voorlichten en waar nodig waarschuwen.

De aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben

5.5.

In de publicatie van het artikel op de website van het [krant] van [2020] wordt onomwonden gesteld dat politie en justitie ervan overtuigd zijn dat [eiser] informatie heeft gelekt aan de organisatie van [D] . Ook wordt gemeld dat de Amsterdamse deken door het OM is geïnformeerd over het in 2015 lekken van informatie uit het lopende strafonderzoek [onderzoek] , aan de organisatie van [D] . Het gaat volgens het artikel om informatie uit het strafdossier van [E] (‘ [bijnaam 1] ’), dat [eiser] heeft verkregen toen hij op 15 en 16 juli 2015 [E] bijstond toen die nog ‘in beperkingen’ tijdens zijn voorarrest zat. Het tijdens de beperkingen delen van informatie is verboden teneinde het lopende strafonderzoek niet te frustreren. Partijen zijn het eens dat een dergelijke mededeling over een advocaat, die desondanks informatie aan een criminele organisatie doorspeelt, een enorme impact heeft en ook schadelijk is voor de reputatie van de betreffende advocaat. Weliswaar heeft deze kwestie een grote nieuwswaarde (zie hierna onder 5.7) wat het standpunt van [gedaagden c.s.] onderschrijft, maar de keerzijde daarvan is, en dat is het belang van [eiser] , dat bij de verwoording van die kwestie in de pers zeer nauwkeurig moet worden bezien op welke gronden het lekken van de desbetreffende informatie aan een met naam genoemde advocaat wordt aangewreven.

5.6.

In de publicatie van [2020] op de website van het [krant] wordt gemeld dat de Amsterdamse deken van de Orde van Advocaten een onderzoek is gestart naar [eiser] wegens het lekken van informatie naar de organisatie van [D] . Verder wordt gemeld dat de melding over het lekken van vertrouwelijke informatie als een bom is ingeslagen bij de advocatuur. Ook deze publicatie kan worden aangemerkt als schadelijk voor de reputatie van [eiser] .

De ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld

5.7.

De misstand die het [krant] in de publicatie van [2020] aan de kaak stelt is een ernstige. Het door advocaten doorgeven van justitiële informatie aan criminelen, terwijl de verdachte in beperkingen zit, kan het strafrechtelijke onderzoek naar zeer ernstige vergrijpen, zoals liquidaties, ernstig frustreren. Een dergelijke misstand waar ook een publiek belang mee gemoeid is, heeft grote nieuwswaarde. Dat geldt temeer nu de informatie uit het [onderzoek] na korte tijd bij [D] terecht is gekomen. [D] is de hoofverdachte in het [proces] waarin [H] als kroongetuige optreedt. De broer en de voormalige advocaat van [H] zijn in respectievelijk 2018 en 2019 doodgeschoten en het OM vermoedt dat [D] daarin de hand had. [gedaagden c.s.] dient dan ook het algemeen belang bij het informeren van het publiek over de gestelde misstand.

5.8.

De berichtgeving van [2020] over het onderzoek door de Amsterdamse deken van de Orde van Advocaten is geen melding van een nieuwe misstand, maar moet worden gezien als een aanvullend artikel op de publicatie van [2020] .

De mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie

5.9.

Voor wat betreft de publicatie van het artikel op de website van het [krant] van
[2020] geldt dat [eiser] uitgebreid betwist heeft dat hij informatie heeft gelekt aan en banden heeft met [D] of diens criminele organisatie. Zoals [gedaagden c.s.] ook heeft betoogd zijn hierover in het artikel geen beschuldigingen geuit jegens [eiser] door [gedaagden c.s.] heeft de gestelde overtuiging van politie en justitie, zoals zij ook aanvoert, niet geadopteerd. De rechtbank hoeft niet te beoordelen of die overtuiging terecht was en zal dat ook niet doen. Waar het om gaat is de vraag of het [krant] op [2020] mocht melden dat politie en justitie er destijds van overtuigd waren dat [eiser] in 2015 informatie uit het lopende strafonderzoek [onderzoek] aan de organisatie van [D] heeft gelekt en dat de deken van de Amsterdamse orde van advocaten door het OM hierover is geïnformeerd. In dat verband is relevant dat het niet zo is dat een publicatie pas mag worden gedaan als de juistheid onomstotelijk vast is komen te staan. Voldoende is dat er serieus te nemen aanwijzingen zijn die de inhoud van de publicatie kunnen dragen. Tussen partijen is in geschil of daar sprake van is.

5.10.

[gedaagden c.s.] stelt dat pas gepubliceerd is nadat uitvoerig onderzoek is gedaan en diverse bronnen zijn geraadpleegd. Volgens [gedaagden c.s.] begon het met een opmerking van een (opsporings)bron rond het [onderzoek] (door [gedaagden c.s.] aangeduid als De Bron), begin januari 2020. De Bron liet zich toen – beroepende op de ontsleutelde PGP-berichten - ontvallen dat advocaten in het [proces] zich schuldig hadden gemaakt aan het lekken van vertrouwelijke informatie aan [D] . In dat verband werd [eiser] genoemd. [gedaagden c.s.] stelt dat de Bron dit nadien herhaaldelijk heeft bevestigd. Vervolgens is bij andere bronnen navraag gedaan, waaronder een bron binnen het OM. Volgens [gedaagden c.s.] hebben al deze bronnen bevestigd dat de politie en het OM de overtuiging hadden dat [eiser] informatie gelekt had naar de organisatie van [D] . [gedaagden c.s.] heeft ter zitting gemeld de publicatie te hebben gebaseerd op meer dan alleen het PGP-bericht van 17 juli 2015, maar dat zij, ter bescherming van deze bronnen, daar geen nadere mededelingen over kan doen en ook die bronnen niet nader kan omschrijven.

5.11.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in voldoende mate vast dat de publicatie is gebaseerd op diverse afzonderlijke bronnen binnen politie en justitie. Het is ook van belang dat [gedaagden c.s.] in een zaak als deze gebruik moet kunnen maken van anonieme bronnen. Dat niet uitgesloten is dat deze bronnen zich mogelijk met name of zelfs enkel hebben gebaseerd op het ene PGP-bericht van 17 juli 2015 betekent niet dat politie en OM niet de overtuiging konden hebben dat [eiser] informatie heeft doorgespeeld aan de organisatie van [D] .

5.12.

In het proces-verbaal over het PGP-bericht van 17 juli 2015 merkt de verbalisant op dat uit dit bericht kan worden opgemaakt dat [I] […]van [eiser] informatie heeft gekregen uit het voorgeleidingsdossier van onderzoek [onderzoek] . Echter heeft het OM op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2020 zonder enig voorbehoud meegedeeld dat uit het PGP-bericht van 17 juli 2015 blijkt dat [I] langs [eiser] is gegaan en daar gehoord heeft hoe het onderzoek [onderzoek] is gestart, wat de aanleiding voor het onderzoek is geweest en hoe de politie bij de boxen is gekomen. De publicatie van [2020] vond weliswaar plaats vóór de bedoelde terechtzitting, maar aangenomen mag worden dat het OM het toen verwoorde standpunt (dat met de publicatie overeenstemt) reeds voor die publicatie had ingenomen, mede gezien het feit dat het PGP-bericht van 17 juli 2015 al voor die publicatiedatum was ontsleuteld. Dat officier van justitie mr. [officier] in een fragment bij RTL Nieuws op [2020] zich minder stellig uitlaat, doet aan de toelichting van het OM op de zitting eerder die dag niets af. Tot slot geldt dat de stelling van [eiser] dat het OM aan mr. [M] heeft bevestigd dat de bewering dat het OM en de politie ervan overtuigd zijn dat hij informatie aan [D] heeft doorgespeeld onjuist is, door hem niet is onderbouwd en door [gedaagden c.s.] voldoende is betwist. Dit leidt derhalve niet tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor het beroep van [eiser] op de e-mail van mr. [N] van 5 juni 2020. Deze e-mail weerlegt onvoldoende hetgeen de zaaksofficier enkele maanden later op de terechtzitting van [2020] namens het OM naar voren heeft gebracht.

5.13.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat bij de verdere beoordeling ervan uit moet worden gegaan dat politie en justitie ten tijde van de publicatie de overtuiging hadden dat het [eiser] is geweest die informatie heeft gelekt.

5.14.

Voor wat betreft de in het artikel van [2020] voorkomende mededeling dat het OM de Amsterdamse deken heeft geïnformeerd over misstanden rondom het strafonderzoek naar de organisatie van [D] , wordt [gedaagden c.s.] niet gevolgd in het standpunt dat uit het artikel volgt dat dit slechts ziet op het in algemene zin spreken over het lekken van informatie door advocaten. De kop en de onderkop van het artikel melden immers dat OM en politie ervan overtuigd zijn dat [eiser] informatie lekte, waarna - nog steeds in de onderkop - wordt gemeld dat de deken is geïnformeerd over misstanden in het strafonderzoek. De onderkop sluit af met de melding dat [eiser] met klem ontkent. De lezer zal de informatie in het artikel over het lekken van informatie in onderlinge samenhang lezen en zonder meer aan [eiser] koppelen en concluderen dat volgens de berichtgeving de deken daar door het OM over geïnformeerd is. Dat, zoals door [gedaagden c.s.] is aangevoerd, in het lichaam van het artikel gemeld wordt dat de deken is geïnformeerd over ‘verschillende misstanden rondom het [onderzoek]’ maakt dit niet anders. De lezer zal hooguit denken dat er naast het lekken door [eiser] nog meer aan de hand is. Een en ander betekent dat de mededeling dat de deken door het OM is geïnformeerd over het lekken van informatie door [eiser] onvoldoende steun vindt in het feitenmateriaal.

5.15.

Voor wat betreft de publicatie van het artikel op de website van [krant] .nl van [2020] geldt het volgende.

5.16.

De onderkop van het artikel van [2020] meldt dat de Amsterdamse deken van de orde van advocaten een onderzoek is gestart naar [eiser] wegens het lekken van informatie naar de organisatie van [D] . Niet gebleken is dat dit toen feitelijk juist was. Integendeel: de Amsterdamse deken mr. Henrichs stelt volgens de publicatie van de NOS van dezelfde dag dat hij “na het weekend contact” gaat opnemen “met het OM” en dan beslist “of er een onderzoek komt”.

5.17.

[gedaagden c.s.] wijst er op dat de kop van het artikel van [2020] tussen aanhalingstekens is geplaatst, waardoor de stelling volgens haar niet voor rekening van het [krant] komt. Volgens [gedaagden c.s.] heeft [S] als volgt verklaard:

“Het is een heftige beschuldiging. Heel ongebruikelijk. De deken van Amsterdam is de

aangewezen toezichthouder en is een onderzoek gestart. We wachten tot dat is afgerond voordat we verder commentaar willen geven.”

5.18.

Uit dit citaat blijkt echter niet dat het onderzoek zich specifiek richt op het vermeende lekken door [eiser] . Dit is niet onbelangrijk, omdat [gedaagden c.s.] in deze procedure bij de berichtgeving van [2020] over het informeren van de Amsterdamse deken door het OM nadrukkelijk stelt dat de gedane mededelingen door het OM aan de Amsterdamse deken slechts zien op het in algemene zin spreken over het lekken van informatie door advocaten. Dat de kop tussen aanhalingstekens is geplaatst baat [gedaagden c.s.] dus niet.

5.19.

Naast het voormelde citaat van [S] heeft [gedaagden c.s.] niet, ook tijdens de mondelinge behandeling niet, op andere wijze onderbouwd dat de Amsterdamse deken al op [2020] heeft besloten een onderzoek in te stellen naar het (vermeend) lekken door [eiser] . De bewering dat de Amsterdamse deken al een onderzoek is gestart of dat een dergelijke mededeling aan het [krant] is gedaan, vindt dan ook geen steun in de feiten.

De totstandkoming en inkleding van de uitlatingen

5.20.

Het artikel van [2020] is, zoals hiervoor al is vermeld, gepubliceerd nadat de journalisten [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] (uitvoerig) onderzoek hebben gedaan en diverse bronnen zijn geraadpleegd. In het artikel wordt voldoende duidelijk aangegeven dat wat men bericht (namelijk dat [eiser] informatie lekte naar de organisatie van [D] ) de overtuiging van het OM en de politie is. Verder wordt een achtergrond geschetst waar deze overtuiging op gebaseerd is en wordt het weerwoord van (onder meer) [eiser] gepubliceerd.

5.21.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voldoende ruimte heeft gekregen voor een reactie. Zijn weerwoord is weliswaar onder grote tijdsdruk tot stand gekomen, maar van de journalisten kon niet worden verwacht dat zij publicatie uitstelden totdat [eiser] de volgende dag met de deken overlegd zou hebben. Bovendien was [eiser] bekend met de publicatie in [krant] van de dag daarvoor en had hij toen zelf al begrepen dat men zou kunnen denken dat de publicatie over hem gaat. Voorts geldt dat van een advocaat verwacht mag worden dat hij als professional snel kan handelen.

5.22.

De publicatie van [2020] van [T] op de website [krant] .nl over het onderzoek van de Amsterdamse deken is gebaseerd op een enkele bron, te weten de landelijke woordvoerder van de Nederlandse Orde van Advocaten. Deze zou tijdens een telefoongesprek met de journalist spontaan de mededeling over het onderzoek door de Amsterdamse deken naar [eiser] hebben gedaan. Dat men zich op deze bron beriep, is voldoende duidelijk in het artikel vermeld. Van [gedaagde sub 1] had mogen worden verwacht dat zij bij de Amsterdamse deken navraag had gedaan, zoals NOS. Dat zij dat niet gedaan heeft, is weinig zorgvuldig, temeer omdat het nieuws over [eiser] , zoals [gedaagde sub 1] zelf gepubliceerd heeft, bij de advocatuur was ingeslagen als een bom.

5.23.

Verder zijn enkele onderwerpen uit de publicatie van een dag eerder opnieuw vermeld (o.a. het lekken van informatie door [eiser] , de PGP-berichten en het criminele broertje van [eiser] ) en zijn kort als nieuwe feiten vermeld dat de beschuldiging van het lekken van vertrouwelijke informatie als een bom is ingeslagen bij de advocatuur en dat [eiser] in de race was om [U] als presentator van het nieuwe [programma] op te volgen. Over het standpunt van [eiser] wordt (slechts) vermeld dat [eiser] de dag ervoor ontkende informatie over het dossier te hebben verstrekt.

Het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet

5.24.

Het [krant] is een landelijk dagblad met een groot bereik, zeker wanneer men de publicatie van de nieuwsmededelingen op de website meeneemt. Het [krant] is ook een serieuze krant, wiens berichtgeving grote impact heeft omdat de lezer snel op het waarheidskarakter van die berichtgeving zal vertrouwen. De gevolgen van de publicatie worden daarnaast nog versterkt doordat de berichtgeving op internet te raadplegen blijft.

De maatschappelijke positie van de betrokken persoon

5.25.

[eiser] is advocaat die geregeld zelf de publiciteit zoekt. [eiser] moet zich in die hoedanigheid dan ook meer kritiek laten welgevallen dan wanneer het om een hem betreffende privéaangelegenheid gaat. Daarentegen geldt dat wanneer de betrouwbaarheid van een advocaat ter discussie staat dit uiterst schadelijk is voor zijn beroepsuitoefening.

De toetsing aan de voormelde aandachtspunten van de publicatie van [2020] op [krant] .nl

5.26.

De kern van de publicatie van [2020] is onmiskenbaar dat politie en justitie (het OM) ten tijde van de publicatie de overtuiging hadden dat [eiser] in 2015 informatie uit

het lopende strafonderzoek [onderzoek] aan de organisatie van [D] heeft doorgespeeld. Deze mededeling heeft grote nieuwswaarde en vond, zoals hiervoor al is aangeven, op dat moment voldoende steun in de feiten. In de publicatie wordt daarnaast duidelijk het andersluidende standpunt van [eiser] weergegeven. De lezer wordt dus volledig geïnformeerd.

5.27.

Dat [krant] in de publicatie van [2020] de naam van [eiser] niet noemt, betekent - anders dan [eiser] meent - niet dat het wel noemen van de naam [eiser] in de publicatie in het [krant] van [2020] daarom onrechtmatig is. [krant] en [gedaagden c.s.] hebben ieder een eigen afweging gemaakt en dat staat hen vrij. Bovendien is niet bekend welke bronnen [krant] geraadpleegd heeft. Ook het beroep van [eiser] op het signaalbericht van de journalist van [krant] aan [eiser] van [2020] , waarbij die journalist aan [eiser] meedeelt dat hij bekend is met de geruchten over [eiser] , maar dat hij het allemaal te dun vond om hem ermee te confronteren, laat staan op te schrijven, maakt dit niet anders. Feit blijft dat [gedaagde sub 1] c.s voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat politie en het OM ten tijde van de publicatie de overtuiging hadden dat het [eiser] was die informatie heeft doorgespeeld aan de criminele organisatie van [D] .

5.28.

Dat de berichtgeving beschadigend is voor [eiser] is zonder meer aannemelijk. Gelet echter op de grote nieuwswaarde van het bericht en het feit dat in de publicatie het lekken door [eiser] niet als feit naar voren wordt gebracht, maar duidelijk wordt aangegeven dat dit de overtuiging is van politie en het OM, maakt dat deze mededeling, in samenhang met het weergegeven weerwoord van [eiser] , niet onrechtmatig is.

5.29.

Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de lezer van het artikel van [2020] het bericht dat de deken door het OM is geïnformeerd over het lekken van informatie zal verbinden aan [eiser] . Een dergelijke strekking vindt niet voldoende steun in het feitenmateriaal. Dit betekent echter niet dat deze mededeling onrechtmatig is jegens [eiser] . De rechtbank acht dit bericht in het geheel van de publicatie van [2020] van ondergeschikt belang, aangezien het zwaartepunt van die publicatie ligt bij het (niet onrechtmatig) vermelden van het standpunt van politie en justitie en aangezien de interpretatie van de bedoelde woorden in engere zin (‘de deken is geïnformeerd over misstanden rondom het strafonderzoek’) niet onjuist is.

5.30.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat met betrekking tot de publicatie van [2020] het belang van [gedaagde sub 1] zwaarder weegt dan het belang van [eiser] . De publicatie van [2020] is dan ook niet onrechtmatig jegens [eiser] te achten.

5.31.

[eiser] heeft nog aangeknoopt bij de journalistieke maatstaven zoals neergelegd in de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, maar dit maakt het oordeel niet anders. Deze Leidraad is op zichzelf geen rechtens aan te leggen criterium waaraan de rechter moet toetsen. Bovendien is datgene waar [eiser] zich in dat kader op beroept (wederhoor, deugdelijke grondslag voor de publicatie, waarheidsgetrouwe berichtgeving en afweging van belangen) al bij de beoordeling van de vorderingen meegenomen.

De toetsing aan de voormelde aandachtspunten van de publicatie van [2020] op [krant] .nl

5.32.

De kern van de publicatie van [2020] is dat de Amsterdamse deken een onderzoek heeft ingesteld naar het ‘lekken door advocaat [eiser] aan organisatie [D] ’. Deze mededeling heeft ook nieuwswaarde, zij het dat deze minder groot is dan de mededelingen over het lekken door [eiser] in de publicatie van [2020] . Anders dan de publicatie van [2020] vindt, zoals hiervoor is overwogen, de mededeling over het door de deken ingestelde onderzoek onvoldoende steun in de feiten. Het in het artikel melden van de door politie en justitie geuite beschuldigingen aan het adres van [eiser] over het lekken, die ook in het artikel van [2020] aan de orde zijn geweest is opnieuw schadelijk voor [eiser] en dient geen zelfstandig doel. Daarbij is van belang dat in het artikel van [2020] de vermelding dat het om de overtuiging bij politie en justitie gaat, niet zo stringent aanwezig als in de publicatie van [2020] . In de publicatie van [2020] staat immers (nadat eerst de beschuldiging van lekken is omschreven) ‘Dat het om [eiser] gaat, die inderdaad een oudere broer heeft die [C] heet, bevestigen meerdere bronnen bij politie, justitie en in de onderwereld’. Bovendien wordt in de tekst van die publicatie, onder meer met de woorden ‘de zaak [eiser] ’ ook voor het overige sterk gefocust op [eiser] als dé advocaat waarop het onderzoek naar het lekken van informatie betrekking heeft, zonder dat daarbij ook de overige advocaten die destijds over het voorgeleidingsdossier beschikten zijn genoemd. Ook telt hier dat de onderbouwing van wat is vermeld over het dekenonderzoek, het verwijzen naar de verklaring van [S] , niet voldoende is. Verder is van belang dat de door de deken op [2020] aan de NOS afgegeven verklaring, veeleer erop wijst dat toen nog geen sprake was van het onderzoek waarover de publicatie rept. Een en ander leidt tot de slotsom dat het belang van [eiser] hier zwaarder weegt dan dat van [gedaagden c.s.] De publicatie van [2020] is dan ook onrechtmatig jegens [eiser] te achten.

in de zaak 20-522

5.33.

De belangen van [eiser] en [gedaagden c.s.] zijn dezelfde als in de zaak 20-406, zoals hiervoor omschreven. Voor [gedaagde 5] geldt, zoals in zijn conclusie van antwoord gesteld, het belang zich - met gebruikmaking van zijn recht op vrije meningsuiting - publiekelijk te kunnen verdedigen tegen de visie van [A ] dat [gedaagde 5] in de zakelijke relatie met de kroongetuige [H] zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag en dat dit de reden voor de breuk tussen hem en de kroongetuige is geweest.

5.34.

Hierna zullen eerst de publicaties van 3 en 4 juli in het [krant] aan de orde komen en vervolgens zal geoordeeld worden over de rechtmatigheid van de door [gedaagde 5] gedane uitlatingen in de talkshow [talkshow] van [2021] .

De publicaties van [2020] en [2020] in het [krant]

De aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben.

5.35.

Wat de positie van [eiser] aangaat kan hier verwezen worden naar desbetreffende rechtsoverwegingen over de publicaties van 29 en [2020] . De publicaties van 3 en [2020] vormen in zoverre immers een herhaling van de uitlating dat politie en justitie ervan overtuigd zijn dat [eiser] in 2015 uit het dossier [onderzoek] heeft gelekt. Daarbij geldt weliswaar dat de herhaling van die uitlating de daarvan voor [eiser] te verwachten reputatieschade kan vergroten, maar daar staat tegenover dat die herhaling gedaan is binnen een nieuwe context: die van de (beëindiging van de) positie van [gedaagde 5] als advocaat van de kroongetuige [H] en het verband met de rol van [A ] , de toenmalige kantoordirecteur van het advocatenkantoor van [eiser] .

5.36.

De journalisten [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] hebben [gedaagde 5] diverse keren langdurig geïnterviewd. Daarbij heeft [gedaagde 5] op 2 juli 2020 de belangrijkste elementen uit zijn verklaring onder ede bevestigd ten overstaan van een notaris die daarvan een akte heeft opgenomen. Ook aan de Amsterdamse deken heeft [gedaagde 5] een e-mail gestuurd met een soortgelijke inhoud. In de publicaties van 3 en [2020] in het [krant] wordt melding gemaakt van hetgeen [gedaagde 5] over zijn periode als voormalige en anonieme advocaat van de kroongetuige [H] aan de journalisten heeft verteld.

5.37.

In de publicatie van [2020] ligt de nadruk op de volgens [gedaagde 5] door het OM aan hem gedane mededeling dat men het onwenselijk vond dat de kroongetuige [H] zou gaan samenwerken met [A ] . Volgens [gedaagde 5] vond het OM dat onwenselijk vanwege banden die [eiser] , toenmalig kantoorgenoot van [A ] , zou hebben met [D] . Ook wordt in de publicatie vermeld dat de breuk tussen [gedaagde 5] en de kroongetuige in maart 2020 veroorzaakt werd door de bemoeienis van misdaadjournalist [A ] en dat het OM al wist dat de kroongetuige contact onderhield met [A ] . Voorts wordt onder meer vermeld dat het [krant] in een eerdere publicatie onthulde dat politie en justitie ervan overtuigd zijn dat [eiser] in 2015 informatie heeft gelekt aan [D] . In het artikel wordt als reactie een weerwoord van [eiser] vermeld.

5.38.

In de publicatie van [2020] wordt verteld hoe [gedaagde 5] de anonieme raadsman van de kroongetuige is geworden en wordt dieper ingegaan op de door [gedaagde 5] genoemde reden van de breuk tussen hem en de kroongetuige. In het artikel wordt de vermeende positie van [eiser] aangehaald en wordt opnieuw gerefereerd aan de publicatie(s) van het [krant] van eind mei 2020, de publicaties die in de procedure 20-406 aan de orde zijn. In het artikel van [2020] wordt ook een weerwoord van [eiser] vermeld.

De ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld

5.39.

Ook op dit punt kan verwezen worden naar wat de rechtbank over de publicaties van 29 en [2020] heeft overwogen. Gezien de nieuwe context waarbinnen de herhaalde uitlatingen over [eiser] zijn gedaan, moet bovendien het oordeel zijn dat een mogelijk verband tussen die uitlatingen - waarom [gedaagde 5] niet meer als advocaat van de kroongetuige optreedt, wie als nieuwe advocaat of als vertrouwenspersoon van de kroongetuige zal aantreden, hoe het OM zich in die kwestie heeft uitgelaten en waarom het proces vertraagd is - een kwestie is van algemeen belang. Dat geldt in het algemeen waar het gaat om omvangrijke strafzaken en het optreden van een kroongetuige daarin, maar meer nog wanneer die strafzaak (zoals hier het geval is) gepaard gaat met zeer ernstige bijkomende omstandigheden, zoals het omgebracht zijn van de broer en de voormalige advocaat van de kroongetuige. Tot dat algemene belang behoort ook informatie over (de reden van) het aftreden van de opvolgende advocaat van de kroongetuige.

De mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie

5.40.

Wat [gedaagden c.s.] betreft heeft allereerst te gelden dat tussen partijen vaststaat dat [gedaagde 5] de bedoelde uitlatingen aan [gedaagden c.s.] heeft gedaan. In die beperkte zin vinden die uitlatingen, als weergave door [gedaagden c.s.] van wat zij van [gedaagde 5] zegt te hebben vernomen, steun in dat feit. Maar hier is (voor [gedaagden c.s.] , maar temeer voor [gedaagde 5] zelf) daarnaast van belang in hoeverre de inhoud van de bedoelde uitlatingen inhoudelijk steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal.

5.41.

Die steun kan worden gevonden in het feit dat [gedaagde 5] meermalen over deze kwestie aan [gedaagden c.s.] heeft verklaard, op een innerlijk consistente wijze, die ook strookt met de verklaring die hij op 2 juli 2020 onder ede ten overstaan van een notaris heeft afgelegd. Dat hij daarbij, als ervaren advocaat en in een precaire situatie als deze, meineed zou hebben gepleegd op een wijze die (bijvoorbeeld door navraag te doen bij de behandelende zaaksofficier) gemakkelijk aan het licht kon worden gebracht, is geenszins aannemelijk. Bovendien vond, zoals hiervoor is geoordeeld over de uitlatingen in de publicaties van 29 en [2020] , de stelling dat politie en justitie ervan overtuigd waren dat [eiser] in 2015 uit het [onderzoek] had gelekt, voldoende steun in de daartoe beschikbare feiten. Daarbij sluit zeer wel aan dat justitie, zoals [gedaagde 5] stelt, tezelfdertijd bezwaar heeft gemaakt tegen het optreden van een kantoorgenoot van [eiser] als de vertrouwenspersoon van de kroongetuige. Bovendien, zo volgt uit de door [eiser] zelf overlegde productie 10, is namens hem door mr. [M] op 2 juli 2020 aan de zaaksofficier om commentaar gevraagd op de door [gedaagde 5] gedane uitlatingen, is in reactie daarop niet weersproken dat het door [gedaagde 5] aangehaalde gesprek heeft plaatsgehad en is slechts het antwoord gekomen dat die uitlatingen voor rekening komen van [gedaagde 5] . In het voordeel van [gedaagden c.s.] en [gedaagde 5] mag daaruit worden geconcludeerd dat de zaaksofficier de inhoud van die uitlatingen niet heeft tegengesproken. Daarin weegt mee dat [eiser] ook zelf geen andersluidende stellingen over dat gesprek naar voren heeft gebracht dan dat hij het onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig vindt dat het gesprek de door [gedaagde 5] gestelde inhoud had.

De totstandkoming en inkleding van de uitlatingen

5.42.

Van belang is dat de bedoelde uitlatingen het vervolg vormen op de uitlatingen in de publicaties van [2020] en [2020] (in zoverre kan hier worden verwezen naar wat hiervoor omtrent die publicaties is overwogen) en dat zij voortvloeien uit de door [gedaagde 5] aan [gedaagden c.s.] afgelegde interviewverklaringen, waarbij hij uit eigen wetenschap verklaarde. Verder is hier van belang dat [eiser] voor publicatie van de uitlatingen gelegenheid is geboden daarop weerwoord te geven en dat zijn weerwoord in essentie onder de beide publicaties is weergegeven.

Het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet

5.43.

Zoals reeds overwogen is het [krant] een landelijk dagblad met een groot bereik, zeker wanneer men de publicatie van de nieuwsmededelingen op de website meeneemt. Het [krant] is bovendien een serieuze krant, waardoor het lezerspubliek niet snel zal twijfelen aan de betrouwbaarheid van mededelingen over een persoon als [eiser] , zoals gedaan in de omstandigheden van dit geval. Wat de persoon van [gedaagde 5] betreft, geldt dat hij een ervaren advocaat is die een zekere bekendheid geniet, met het bijbehorende gezag, temeer nu hij is aangesteld door de Staat der Nederlanden als advocaat van de kroongetuige [H]

De maatschappelijke positie van de betrokken persoon

5.44.

[eiser] is advocaat en geniet - ook buiten de directe kring van zijn beroepsuitoefening - een zekere landelijke bekendheid. In die hoedanigheid moet hij zich meer aan publiciteit laten weggevallen dan een ander, zeker bij publiciteitsgevoelige zaken als deze, die in verband staan met zijn functioneren als advocaat.

5.45.

Op grond van deze omstandigheden, in onderling verband beoordeeld, is de rechtbank van oordeel dat de publicaties van [2020] en [2020] niet onrechtmatig jegens [eiser] zijn, niet wat de positie van [gedaagden c.s.] betreft en niet wat de positie van [gedaagde 5] betreft. [gedaagden c.s.] mocht het interview met [gedaagde 5] weergeven op de desbetreffende wijze en [gedaagde 5] mocht dat interview geven, wetende dat zijn uitlatingen in het [krant] zouden worden gepubliceerd. Die uitlatingen vormden weliswaar deels een herhaling van wat in de publicaties van 29 en [2020] stond, maar die herhaling was gerechtvaardigd door de nieuwe context waarbinnen deze plaatsvond. De daarmee samenhangende uitlatingen vonden voldoende steun in de feiten en dienden op toelaatbare wijze het doel het lezerspubliek over een en ander te informeren en daarnaast het doel om de goede naam en eer van [gedaagde 5] publiekelijk te verdedigen.

De door [gedaagde 5] in het programma [talkshow] gedane uitlatingen

De aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben

5.46.

Op [2021] heeft de toen net als advocaat gestopte [gedaagde 5] in het televisieprogramma [talkshow] gesproken over de periode dat hij de (anonieme) advocaat van de kroongetuige [H] was. In het gesprek heeft [gedaagde 5] op enig moment gezegd dat algemeen aangenomen wordt dat [eiser] informatie verschaft aan [D] . Nadat de presentator daarop opmerkte dat dit nog onderwerp van onderzoek was, onderbrak [gedaagde 5] de presentator, heeft hij gezegd dat die aanname inmiddels algemeen gedaan wordt, met de toevoeging dat dit in ieder geval het standpunt van het OM is en dat je dit ook begrijpt als je het hele dossier kent.

5.47.

Het in een televisieprogramma meedelen dat [eiser] informatie verschaft aan [D] is, zoals ook in de procedure 20-406 is overwogen, voor [eiser] schadelijk waarbij ook te verwachten is dat dit opnieuw (reputatie)schade tot gevolg kan hebben.

De ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld

5.48.

De uitlating van [gedaagde 5] die geacht moet worden op een misstand betrekking te hebben die aan de kaak wordt gesteld, is zijn (herhaalde) uitlating dat algemeen wordt aangenomen dat [eiser] informatie verschaft aan [D] . Een dergelijke misstand (indien feitelijk juist) is een ernstige kwestie van aanmerkelijk algemeen belang.

De mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie

5.49.

De mededeling dat algemeen aangenomen wordt dat [eiser] informatie verschaft aan [D] vindt geen steun in de feiten. Zoals in de procedure 20-406 is overwogen, kan slechts worden gesteld dat ten tijde van de publicatie in het [krant] van [2020] politie en het OM ervan overtuigd waren dat [eiser] in juli 2015 informatie uit het [onderzoek] heeft gelekt, waarna deze kort nadien bij [D] terecht is gekomen. Dat is iets anders dan de - niet naar feitelijke inkleding of tijdsbepaling gespecificeerde - stelling dat [eiser] informatie verschaft aan [D] en dat dat algemeen wordt aangenomen, zeker nu daarbij niet is toegelicht door welke andere personen buiten de kring van politie en justitie die aanname wordt gedaan en nu die stelling suggereert dat er een actueel en direct contact is tussen [eiser] en [D] . Daar komt nog bij dat [gedaagde 5] zijn stelling kracht heeft bijgezet door op te merken dat dit te begrijpen is als je het dossier kent.

De totstandkoming en inkleding van de uitlatingen

5.50.

[gedaagde 5] heeft de uitlating over [eiser] gedaan tijdens een vraaggesprek in het programma [talkshow] over onder meer zijn positie als advocaat van de anonieme getuige [H] [gedaagde 5] deelt zonder enig voorbehoud of nadere duiding mee dat “algemeen aangenomen” wordt dat [eiser] “informatie verschaft aan [D]”. Nadat de presentator hem wijst op de omstandigheid dat dit onderwerp van onderzoek is en dat dit belangrijk is, onderbreekt [gedaagde 5] de presentator en herhaalt hij zijn stelling. Van belang is hier dat hij die stelling in de tegenwoordige tijd verwoordt, alsof het aan [eiser] gemaakte verwijt ook ziet op diens actuele handelen, met de suggestie van een direct contact tussen [eiser] en [D] . Ook is hier van belang dat [gedaagde 5] in zijn reactie op de onderbreking door de presentator de relevantie van het (door de deken) ingestelde onderzoek lijkt weg te wuiven, alsof de uitkomst ervan aan de terechtheid van de bedoelde aanname niet af zal kunnen doen. Dat [gedaagde 5] vervolgens heeft gezegd “In ieder geval het OM stelt zich op dat standpunt. Als je het dossier kent, dan begrijp je ook waarom.”, moge zo zijn, maar dat doet aan het gewicht van zijn voorafgaande woorden niet af.

Het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet

5.51.

[talkshow] is een serieuze talkshow op landelijke televisie met een groot kijkerspubliek. De formule van het programma is dat twee presentatoren met de aanwezige gasten doorgaans actuele onderwerpen bespreken. Als een bekende (oud-)advocaat in zo’n programma beschuldigende uitlatingen over [eiser] doet, heeft dat een aanmerkelijke impact.

De maatschappelijke positie van de betrokken persoon

5.52.

[eiser] is advocaat. In die hoedanigheid is te verwachten dat hij extra in de publiciteit komt. Zeker bij dergelijke publiciteitsgevoelige zaken. [eiser] moet zich als advocaat ook meer kritiek laten welgevallen dan wanneer het om een hem betreffende privé-aangelegenheid gaat.

5.53.

Zoals hiervoor is overwogen zijn de door [gedaagde 5] in het programma [talkshow] gedane uitlatingen over het door [eiser] verschaffen van informatie aan [D] opnieuw (en, gelet op de gebruikte bewoordingen, meer dan voorheen) schadelijk voor [eiser] . Er was geen bijzondere grond waarom [gedaagde 5] dit onderwerp (in deze, expliciete, vorm en zonder nadere invulling van zijn stelling) aan de orde mocht stellen, met wegwuiving van de betekenis van (de toen nog verwachte uitkomst van) het dekenonderzoek. Het gesprek had bovendien niet als doel het aan de kaak stellen van misstanden, maar het geven van informatie door [gedaagde 5] over - kort gezegd - zijn werkzaamheden als advocaat van de kroongetuige. Verder geldt dat niet gesteld of gebleken is dat in de uitzending van [talkshow] is gesproken over de door [A ] gedane uitlating dat [gedaagde 5] in de zakelijke relatie met de kroongetuige [H] zich schuldig zou hebben gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag en dat dit de reden voor de breuk tussen hem en de kroongetuige is geweest. Van de door [gedaagde 5] gestelde noodzaak om zich tegen die uitlating te verdedigen en zich in dat kader ook uit te laten over [eiser] kan daarom niet worden uitgegaan.

5.54.

De voormelde omstandigheden tegen elkaar afwegende is de rechtbank van oordeel dat het belang van [eiser] hier prevaleert boven dat van [gedaagde 5] , zodat de slotsom is dat [gedaagde 5] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door tijdens zijn optreden bij [talkshow] de gewraakte uitlatingen te doen.

Samenvatting en het lot van de diverse vorderingen

in de zaak 20-406

5.55.

De publicatie van het onder 3.14 omschreven artikel (online en in de papieren krant) is niet onrechtmatig jegens [eiser] . De vordering onder I van zijn petitum is daarom niet toewijsbaar voor zover deze op dat artikel ziet. De vordering onder II van zijn petitum ziet uitsluitend op dat artikel en moet daarom geheel worden afgewezen.

5.56.

De publicatie van het onder 3.15 omschreven artikel is wel onrechtmatig jegens [eiser] , zoals hiervoor overwogen. Dat artikel is geschreven door de [krant] -journalist [T] (en dus niet door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ), onder verantwoordelijkheid (dat wil zeggen: met medeweten en goedkeuring) van [gedaagde sub 4] als hoofdredacteur. Omdat [T] geen partij is in dit geding, is de vordering onder I van het petitum, voor zover op het bedoelde artikel ziende, alleen toewijsbaar jegens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] . Dat zal in het dictum tot uiting worden gebracht. [gedaagde sub 4] heeft nog als verweer aangevoerd dat hij niet in privé aansprakelijk is jegens [eiser] , omdat zijn handelen plaatsvond in het kader van zijn arbeidsovereenkomst met [gedaagde sub 1] , maar dat verweer faalt. Van een beperking van aansprakelijkheid van een werknemer waarop [gedaagde sub 4] doelt, kan sprake zijn in de rechtsrelatie tussen de werknemer en de werkgever. Indien een werknemer jegens een derde onrechtmatig handelt, kan die derde (ook als de werknemer handelde in de uitoefening van zijn functie) de werknemer daarop zonder beperking aanspreken.

5.57.

De vordering onder III van het petitum moet hoe dan ook worden afgewezen, voor zover deze ziet op de publicatie van het onder 3.14 omschreven artikel. Voor zover de vordering ziet op de publicatie van het onder 3.15 omschreven artikel, is deze slechts gedeeltelijk toewijsbaar. Anders dan [eiser] vordert, behoeft [gedaagde sub 1] de bedoelde publicatie niet uit haar online-archieven te verwijderen en onvindbaar te maken voor externe zoekmachines. Een dergelijke veroordeling is strijdig met de bescherming die internetarchieven van de pers op grond van artikel 10 EVRM genieten. Zij leveren immers een substantiële bijdrage aan het behoud en de verspreiding van nieuws en informatie en vormen ook een belangrijke bron voor onderwijs en historisch onderzoek, aangezien deze archieven gemakkelijk toegankelijk zijn en meestal gratis zijn voor het algemene publiek. Aan de pers komt een belangrijke rol toe bij behoud en ter beschikkingstelling aan het publiek van internetarchieven met nieuws waarvan eerder verslag is gedaan. Die functie moet, mede gezien de afweging van de hier relevante wederzijdse belangen, prevaleren boven het belang van [eiser] bij verwijdering van het artikel, indien (zoals in het dictum tot uiting zal worden gebracht) de mindere variant van vordering III zal worden toegewezen. Die toewijzing zal inhouden dat aan [gedaagde sub 1] de plicht wordt opgelegd aan het desbetreffende artikel in haar internetarchieven de tekst toe te voegen dat de publicatie ervan door [gedaagde sub 1] op [2020] bij vonnis van deze rechtbank van heden onrechtmatig is bevonden, omdat de strekking ervan (dat de deken van de orde van advocaten toentertijd een onderzoek was gestart naar het lekken door [eiser] medio juli 2015 uit het strafdossier in de zaak [onderzoek] ) geen steun vond in de feiten.

5.58.

De vordering onder IV moet hoe dan ook worden afgewezen, voor zover deze ziet op de publicatie van het onder 3.14 omschreven artikel. Voor zover de vordering ziet op de publicatie van het onder 3.15 omschreven artikel, is de vordering tot vergoeding van immateriële schade in beginsel toewijsbaar jegens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] . De gevorderde € 15.000 is blijkens de stellingen van [eiser] echter een totaalbedrag, dat betrekking heeft op alle publicaties die volgens hem onrechtmatig zijn. Omdat dat uitgangspunt niet juist is, is bij deze stand van het geding niet voldoende gespecificeerd in hoeverre [eiser] immateriële schade heeft geleden als gevolg van hetgeen in dit vonnis onrechtmatig wordt geoordeeld. De standpunten van partijen zullen aan dat oordeel aangepast dienen te worden, alvorens de rechtbank over de gevorderde immateriële schade kan oordelen. Nu de vordering tot vergoeding van materiële schade (de vordering onder V) ten aanzien van de vast te stellen onrechtmatigheid in een schadestaatprocedure zal dienen te worden beslecht, zal ook de (verdere) beoordeling van de vordering tot vergoeding van immateriële schade naar die schadestaatprocedure worden verwezen. Nu al moet geoordeeld worden dat een eventueel door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] te betalen immateriële schadevergoeding niet aan de wettelijke handelsrente onderworpen kan zijn, omdat een dergelijke betalingsplicht niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:119a BW.

5.59.

De vordering onder V is, zoals gezegd toewijsbaar, voor zover het gaat om schade die voortvloeit uit het onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] ten aanzien van de publicatie van het onder 3.15 omschreven artikel. Ook hier geldt wat onder 5.58 is overwogen omtrent de wettelijke handelsrente.

5.60.

De vordering onder VI is toewijsbaar ten laste van [gedaagde sub 1] , tot zekerheid van haar naleving van de verplichting zoals onder 5.57 omschreven, namelijk de toevoeging van de daar genoemde tekst aan het onder 3.15 genoemde artikel in haar internetarchief. De dwangsom zal op € 2.500 worden gesteld per dag dat [gedaagde sub 1] nalatig is aan die verplichting te voldoen, met een maximum van € 50.000, een en ander zoals hieronder nader omschreven.

5.61.

De rechtbank constateert dat [eiser] en [gedaagden c.s.] ieder voor een deel in het (on)gelijk zijn gesteld. Dit brengt met zich dat de kosten van deze procedure worden gecompenseerd in die zin dat partijen de eigen kosten moeten dragen en er geen kostenveroordeling zal volgen.

5.62.

Tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van hetgeen wordt toegewezen is verweer gevoerd. [gedaagden c.s.] heeft betoogd dat – zodra de rectificatie is gepubliceerd – het instellen van een rechtsmiddel geen praktische waarde meer zal hebben omdat (na beslissing in hoger beroep) het weer wijzigen van het artikel na zo’n geruime tijd voor een gemiddelde lezer verwarrend zal zijn. Dit belang staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad en weegt ook minder zwaar dan het belang van [eiser] bij toewijzing van die uitvoerbaarheid. De gevorderde nakosten, waartegen geen verweer is gevoerd, zijn eveneens toewijsbaar jegens [gedaagde sub 1] . Dat de gedingkosten tussen partijen worden gecompenseerd, staat daaraan niet in de weg. Bij die nakosten gaat het bij de huidige stand van het geding om de kosten die [eiser] mogelijk moet maken om de nakoming door [gedaagde sub 1] (van haar onder 6.2 te omschrijven verplichting en de daaraan te verbinden dwangsom) te verzekeren. Die kosten staan los van de kosten van het geding zoals dat tot heden is gevoerd en van het feit dat een deel van de vorderingen van [eiser] wordt afgewezen. [eiser] heeft ook nakosten gevorderd ten aanzien van [gedaagde sub 4] , maar [gedaagde sub 4] wordt uitsluitend veroordeeld schade aan [eiser] te vergoeden die in een schadestaatprocedure moet worden begroot. Of [gedaagde sub 4] veroordeeld moet worden in nakosten die samenhangen met zijn nakoming van het in die schadestaatprocedure te verwachten vonnis, kan in die procedure aan de orde komen.

in de zaak 20-522

5.63.

De vorderingen onder I, II, III, V en VII zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat de publicatie van de onder 3.21 en 3.22 omschreven artikelen (online en in de papieren krant) onrechtmatig was jegens [eiser] . Dat uitgangspunt is onjuist, zoals hiervoor is overwogen. Daarom zullen die vijf vorderingen worden afgewezen.

5.64.

De vordering onder IV is op zichzelf bezien terecht gebaseerd op het uitgangspunt dat [gedaagde 5] zich in de [talkshow] -uitzending van [2021] onrechtmatig jegens [eiser] heeft uitgelaten, maar toch zal deze vordering worden afgewezen. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat [eiser] de brief die hij door [gedaagde 5] aan de redactie/presentatoren van [talkshow] geschreven wenst te zien, nodig heeft om het door hem beoogde doel te bereiken. Het staat hem immers zelf vrij om van dit vonnis aan die redactie/presentatoren kennis te geven en daarbij het verzoek te doen om op de inhoud van het vonnis in de uitzending in te gaan. Bij deze vordering heeft hij dus onvoldoende belang.

5.65.

De vordering onder VI, tot vergoeding van immateriële schadevergoeding door [gedaagde 5] is in beginsel toewijsbaar, maar slechts voor zover betrekking hebbend op diens uitlatingen in het programma [talkshow] . Op gelijke grond als onder 5.58 vermeld, zal ook de verdere beoordeling van deze vordering worden verwezen naar de tussen [eiser] en [gedaagde 5] te voeren schadestaatprocedure, waarin ook de van [gedaagde 5] gevorderde materiële schade aan de orde zal kunnen komen. Ook geldt hier wat onder 5.58 is overwogen omtrent de wettelijke handelsrente.

5.66.

De vordering onder VIII zal worden toegewezen, maar slechts voor zover het de materiële schade betreft die [eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde 5] in de [talkshow] -uitzending van [2021] . Wat onder 5.58 over de gevorderde wettelijke handelsrente is overwogen, geldt ook hier.

5.67.

De vorderingen onder IX en X worden afgewezen, omdat [eiser] deze heeft ingesteld tot zekerheid van de nakoming door [gedaagden c.s.] en [gedaagde 5] van de verplichting die in de vordering onder III is beschreven. Die vordering wordt echter afgewezen, zodat er ook geen grond bestaat voor een op te leggen dwangsom.

5.68.

In deze procedure tussen [eiser] enerzijds en [gedaagden c.s.] anderzijds, wordt [eiser] in het ongelijk gesteld. Hij dient daarom ten aanzien van die deelprocedure in de kosten van het geding te worden veroordeeld. Aan de zijde van [gedaagden c.s.] worden die kosten tot op heden begroot op

vast recht € 2.042,00

salaris advocaat € 1.407,50 (2,5 salarispunt van € 563 per punt)

totaal € 3.449,50

5.69.

In deze procedure tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde 5] anderzijds wordt de laatstgenoemde gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. Daarin ligt voor de rechtbank grond om hem in de kosten van die deelprocedure te veroordelen. Die kosten, voor zover aan de zijde van [eiser] tot op heden gevallen, worden begroot op :

vast recht € 937,00

salaris advocaat € 1.407,50 (2,5 salarispunt van € 563 per punt)

totaal € 2.344,50

Van deze begroting maken geen explootkosten deel uit, omdat [gedaagde 5] vrijwillig in het geding is verschenen.

5.70.

Tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van hetgeen wordt toegewezen en tegen de gevorderde vergoeding van nakosten is door [gedaagde 5] geen afzonderlijk verweer gevoerd. In het door partijen gestelde ziet de rechtbank ook geen reden het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het vonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard en de nakosten zullen worden toegewezen.

6 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 20-406

6.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] door de publicatie van het onder 3.15 omschreven artikel (online en in de papieren krant),

6.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen vijf werkdagen na de betekening van dit vonnis aan het onder 3.15 omschreven artikel in haar internet-archieven door middel van een pop-upvenster toe te voegen dat de publicatie daarvan onrechtmatig was van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] jegens [eiser] , zoals in het vonnis van 18 augustus 2021 door de rechtbank Midden-Nederland is beslist,

6.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk, aldus dat als de één betaalt, de ander is bevrijd, om aan [eiser] de immateriële schade te vergoeden die hij heeft geleden als gevolg van de onder 6.1 omschreven onrechtmatigheid, welke schade nader dient te worden opgemaakt in een tussen hen te voeren schadestaatprocedure,

6.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk, aldus dat als de één betaalt, de ander is bevrijd, om aan [eiser] de materiële schade te vergoeden die hij heeft geleden als gevolg van de onder 6.1 omschreven onrechtmatigheid, welke schade nader dient te worden opgemaakt in een tussen hen te voeren schadestaatprocedure,

6.5.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] een dwangsom verbeurt van € 2.500 (vijfentwintighonderd euro) per dag of gedeelte van een dag dat zij, na twee dagen na betekening van dit vonnis verzuimt de onder 6.2 omschreven veroordeling geheel na te komen, met een maximum van € 50.000 (vijftigduizend euro),

6.6.

compenseert de kosten van het geding tussen partijen, aldus dat zij elk de eigen kosten dragen,

6.7.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , als zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoen, hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 157,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

6.8.

verklaart de onder 6.2, 6.3, 6.4, 6.5 en 6.7 omschreven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.9.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

in de zaak 20-522

6.10.

veroordeelt [gedaagde 5] om aan [eiser] de immateriële schade te vergoeden die hij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige uitlatingen die [gedaagde 5] in de uitzending van [talkshow] op [2021] jegens [eiser] heeft gedaan, welke schade nader dient te worden opgemaakt in een tussen hen te voeren schadestaatprocedure,

6.11.

veroordeelt [gedaagde 5] om aan [eiser] de materiële schade te vergoeden die hij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige uitlatingen die [gedaagde 5] in de uitzending van [talkshow] op [2021] jegens [eiser] heeft gedaan, welke schade nader dient te worden opgemaakt in een tussen hen te voeren schadestaatprocedure,

6.12.

veroordeelt [gedaagde 5] in de kosten van het geding voor zover dat is gevoerd tussen hem enerzijds en [eiser] anderzijds en begroot de in zoverre aan de zijde van [eiser] gevallen kosten tot op heden op € 2.344,50,

6.13.

veroordeelt [gedaagde 5] , als hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 157,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

6.14.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding voor zover dat is gevoerd tussen hem enerzijds en [gedaagden c.s.] anderzijds en begroot de in zoverre aan de zijde van [gedaagden c.s.] gevallen kosten tot op heden op € 3.449,50,

6.15.

verklaart de onder 6.10, 6.11, 6.12 en 6.13 omschreven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

6.16.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.A. Steenbergen, J.P. Killian en M.M.J. Schoenaker met bijstand van mr. T. Stokvis, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021.1

1 type: TS (4428)