Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:3741

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-08-2021
Datum publicatie
09-08-2021
Zaaknummer
05/300049-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 19-jarige man die in november vorig jaar een man doodreed in Wijchen is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en tbs met dwangverpleging. De rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat de pakketbezorger de man opzettelijk van het leven heeft beroofd door met zijn auto frontaal op hem in te rijden en meerdere malen over hem heen te rijden. Juridisch is er sprake van doodslag.

Op 24 november 2020 is de 42-jarige man met zijn vrouw aan het wandelen in hun woonwijk in Wijchen. Zij zien dat de bestuurder van een bestelbusje hard door de straat reed. Even later zien zij het busje in de wijk staan. Als de bestuurder van het busje, de pakketbezorger, komt aanlopen spreekt de man hem aan op zijn rijgedrag van kort daarvoor. Daarop ontstaat een woordenwisseling. De man wil een foto van het kenteken van het bestelbusje maken en gaat – iets voorovergebogen – voor de auto staan. Op dat moment stapt de pakketbezorger in en geeft gas. De man belandt op de motorkap van de auto en wordt meters meegesleurd. Hoewel hij zich probeert vast te houden glijdt hij van de motorkap af waardoor het busje over hem heen rijdt. De pakketbezorger stopt, rijdt achteruit en vervolgens weer vooruit. Het slachtoffer is dus drie keer overreden. Daarna vlucht de bestuurder de wijk uit. Hij laat de man dood op straat achter.

Niet alleen de vrouw van de man is getuige van dit vreselijke incident, verschillende buren zijn op de woordenwisseling afgekomen en hebben daarna gezien hoe de man tot drie maal toe overreden werd. Zij zijn als getuige gehoord. Volgens de bestuurder was hij op het moment van de aanrijding boos. Op zitting verklaarde hij dat hij niet de intentie had om het slachtoffer aan te rijden, maar hij wilde om hem heen rijden. De rechtbank vindt dit volstrekt ongeloofwaardig en, gezien de positie van het slachtoffer in combinatie met het geven van veel gas bij het optrekken zelfs feitelijk onmogelijk. Het leed voor de nabestaanden, waaronder de vrouw en hun kinderen, is onherstelbaar en zal zonder twijfel hun verdere bestaan blijven overschaduwen. De rechtbank noemt het ook hartverscheurend dat de dochter van het slachtoffer geen afscheid heeft kunnen nemen van haar vader. Het letsel was zo ernstig dat het niet verantwoord was dat zij daarmee geconfronteerd werd. Voor de vrienden, kennissen, buurt en de hele samenleving is deze afschuwelijke gebeurtenis schokkend. Een dergelijk feit leidt ertoe dat mensen elkaar niet meer durven aan te spreken op hun gedrag en verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer.

Bij de verdachte is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met psychopatische trekken. Dit vraagt om een langdurige en intensieve behandeling. Deskundigen adviseren tbs met dwangverpleging. Een lichtere behandeling biedt onvoldoende veiligheid en is niet aan de orde omdat de man een gebrek aan inzicht en motivatie laat zien. De rechtbank neemt het advies over en legt de man, naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 jaar, tbs met dwangverpleging op. Deze behandeling in een gesloten inrichting is niet gemaximeerd. De straf is gelijk aan de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 05/300049-20 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 9 augustus 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2001] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,
gedetineerd in P.I. Nieuwegein, locatie Zeist.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2021, 26 april 2021 en 19 juli 2021. Het onderzoek is op de terechtzitting van 26 juli 2021 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.K. Kooij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J. Gunning, advocaat te Amsterdam, alsmede de benadeelde partijen mevr. [benadeelde 1] , haar zoon [benadeelde 2] , mevr. [benadeelde 3] , en dhr. [benadeelde 4] , naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 26 april 2021 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

primair: op 24 november 2020 te Wijchen [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door met een bestelwagen op hem in te rijden, hem over enige afstand mee te sleuren en nadat die [slachtoffer] op de grond was gevallen, (meermalen ) over hem heen te rijden;

subsidiair: zijn de onder primair genoemde handelingen tenlastegelegd als zware mishandeling, de dood tot gevolg hebbend;

meer subsidiair: zijn de onder primair genoemde handelingen tenlastegelegd als overtreding

van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Feit 2 op 24 november 2020 te Wijchen nadat hij een verkeersongeval had

veroorzaakt de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of had

moeten vermoeden dat [slachtoffer] was gedood dan wel letsel was

toegebracht, en hem in hulpeloze toestand heeft achtergelaten .

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde en daarvoor aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer. Daartoe heeft de raadsman een aantal argumenten aangevoerd en deze zullen hierna worden besproken.

Ten aanzien van hetgeen onder feit 1 subsidiair en meer subsidiair en feit 2 is tenlastegelegd heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Getuige [benadeelde 1] verklaarde als volgt.

‘Op 24 november 2020 ben ik samen met mij man, [slachtoffer] , onze hond uit gaan laten.2 We zijn ons huis aan [straat] te [woonplaats] uit gelopen. Voordat wij de oprit waren uitgelopen, kwam het busje aanrijden met volle snelheid. Toen zijn wij de 15e straat in gelopen. Daar zagen wij dat busje staan. Die was al gekeerd zodat hij makkelijk de wijk kon uitrijden. De lichten stonden aan en de motor was ook nog draaiend. Mijn man zag de man die een pakketje had bezorgd rechtsboven bij een bovenwoning, waarop mijn man zegt: “Hee gozer, kun je niet ff normaal rijden in de wijk?’’ Op dat moment loopt de pakketbezorger het trappetje naar beneden en toen zei hij tegen mijn man: “Wat zeg je?” Mijn man zei: “Kun je niet wat normaler rijden?” Toen gaf de verdachte aan: “Hoezo ik rijd toch 30 km?” Waarop mijn man zei: “Je rijdt echt een stuk harder”. Waarop de bezorger zei: “40 dan?” Toen zei mijn man: “Je rijdt wel bijna 70/80 km. Je rijdt hartstikke hard. Ik vraag alleen of je wat rustiger wil rijden in de woonwijk”. Toen begon de woordenwisseling. Ik zei: “Kom we lopen verder, maak maar een foto van het kenteken, dan kunnen wij wel achterhalen voor wie hij werkt en dan kunnen we dat aan zijn baas doorgeven”. Mijn man loopt met de hond naar de voorkant van de auto en zijn telefoon had hij in tussentijd uit zijn jaszak gehaald. Op dat moment stapt de verdachte in. Op het moment dat mijn man er voor staat, bukt hij een beetje voor de auto om de foto te maken en toen gaf de verdachte in een3 keer vol gas. Waarop mijn man op de motorkap belandde.4 Het busje remde nadat mijn man 30 of 40 meter op de motorkap was meegenomen. Dat ging in volle vaart. Toen moest hij remmen om de bocht te nemen om de wijk uit te gaan. Op dat moment hoorde ik dat er iets op de grond belandde. Ik hoorde ook geluid alsof er iemand heel hard over een drempel ging, dat zag ik ook aan het busje. Dat was op het moment dat hij achteruit reed. Later, toen hij links de straat uit reed om de wijk uit te rijden, heb ik het nog een keer gezien en gehoord.’5

Getuige [getuige 1] verklaarde als volgt

‘Ik was in mijn woning en hoorde twee mannen bekvechten. Ik ging naar het raam toe om te kijken wat er aan de hand was. Daar zag ik een bestelbusje staan, schuin tegenover mijn woning, aan de overkant van de weg. Er stonden daar twee mannen die aan het bekvechten waren.6 Het busje stond met zijn neus de wijk uit. Het slachtoffer wees de dader op zijn rijgedrag in de wijk. Het waren voornamelijk scheldwoorden. Toen gaf het slachtoffer de dader een duw met een licht handgebaar. Toen liep de man iets terug voor de auto langs. Hij zei: “Ik maak een foto voor je baas, ik meld het aan je baas.” Op het moment dat het slachtoffer voor de auto langs liep, stapte de verdachte in. En toen gaf hij flink gas. Toen zag ik het slachtoffer eerst op de motorkap liggen. Ik denk dat hij een meter of 5 verder vanaf dat punt onder de auto sloeg. Dat heb ik zien gebeuren, dat hij van de motorkap afgleed op de weg. Toen ik dat zag, zag ik het busje iets omhoog komen en dat is het laatste punt dat ik gezien heb, want toen ben ik in paniek naar beneden gerend.7

Het slachtoffer heeft even op de motorkap gelegen en hij is uiteindelijk onder de auto geslagen. Hij is ook onder de auto meegesleurd.8 Toen ik zag dat het busje omhoog kwam, dat was alweer een aantal meters verder, toen ben ik naar beneden gegaan.

Het slachtoffer stond op het moment dat gas werd gegeven nog iets door zijn knieën gezakt. Het ging zo snel dat hij daar niet op kon reageren. De afstand tussen het slachtoffer en de auto was een halve meter/een meter. Hij stond dichtbij.9 De bestuurder had hem niet kunnen ontwijken met welke stuurbeweging dan ook.’10

Getuige [getuige 2] verklaarde als volgt.

‘Ik was in mijn woonkamer11 en hoorde gebekvecht. Ik keek eerst uit mijn raam en toen zag ik een wit busje staan en twee mensen die aan het bekvechten waren. Toen ben ik naar het balkon gelopen. Toen zag ik dat het [benadeelde 1] en [slachtoffer] waren. Er zat 1 persoon in het busje. [slachtoffer] stond voor het busje en hij maakte een foto op dat moment. Hij had zijn telefoon vast. De auto trok vol op en [slachtoffer] kwam op de motorkap. Hij probeerde zich aan de motorkap vast te houden. Ik zag dat [slachtoffer] er af viel. Dit heb ik niet allemaal gezien terwijl ik op het balkon stond, want toen hij optrok en [slachtoffer] op de motorkap lag, ben ik gelijk naar beneden gerend. Toen ik beneden aankwam, zag ik nog net dat [slachtoffer] van de auto afrolde aan de voorzijde. Het busje reed nog een stuk door, toen stond hij 2 seconden stil en reed hij achteruit er vol overheen.12

Ik heb gezien dat het busje twee keer over [slachtoffer] heen reed.

Het busje reed 3,5 a 4 meter door nadat hij over [slachtoffer] heen gereden was. Op dat moment heb ik [slachtoffer] zien liggen achter het busje.

Daarna zag ik het busje achteruit rijden en dat was opnieuw over [slachtoffer] heen. Met het linker voor- en achterwiel, heen en terug.

Voordat [slachtoffer] van de motorkap afrolde of daarvoor heb ik totaal niet iets gezien van snelheidsvermindering bij de auto. Hij bleef vol gas doorrijden.’13

Getuige [getuige 3] verklaarde als volgt.

‘Ik kwam ‘s avonds de straat in rijden met mijn vriendin. Ik zette de auto voor de deur van de onderbuurvrouw neer. Toen stapten we uit en toen hoorde ik wat geschreeuw, maar dat was om de hoek en niet in mijn gezichtsveld. Ik hoorde een auto gas geven en een vrouw hard gillen. Toen zag ik de witte Caddy de hoek om komen. Ik stond toen al boven. Toen zag ik de Caddy nog een keer achteruit rijden. Toen hij weg wilde rijden, zag ik dat hij ergens overheen reed. Dat kun je zien door hoe de auto bewoog en inveerde. Het zag er uit alsof je voor het stoplicht staat en de auto staat nog in z’n 3 in plaats van in z’n 1 en dan probeer je weg te rijden, alsof je ergens over heen rijdt. Toen was de auto de straat uit.14 Ik zei net dat op enig moment de auto iets omhoog leek te komen toen hij weg reed.

Nadat hij naar achter gereden was en toen hij weer naar voren reed. Ik kon zien dat de auto ergens overheen reed, dat kun je zien, dat hij schokt als het ware. Ik kon de Caddy in zijn geheel waarnemen toen hij weg reed. Ik zag dat de auto schokte toen hij weg reed dus dat hij ergens over heen reed, maar niet speciaal het achterwiel. Daar heb ik mij niet op gefocust. Ik heb die beweging die de auto zou maken maar een keer waargenomen. Alleen toen hij weg reed, de laatste rijbeweging. Toen gaf hij meer gas, je hoorde meer toeren, zoals ik eerder beschreef als je in je 3 staat voor het stoplicht en daarbij zag ik dus die beweging van omhoog komen. De auto schokte.15

Forensisch onderzoek ter plaatse

Bij meting is gebleken dat de afstand vanaf de plaats waar de auto van verdachte geparkeerd stond tot aan de plaats van neerkomen van het slachtoffer op de straat ongeveer 35 - 38 meter is.16

We zagen dat op het wegdek een sleep/veegspoor was afgetekend, in de richting van de eindpositie van het slachtoffer en startend ter hoogte van huisnummer [nummer] . 17 Dit veegspoor op het wegdek is visueel weergegeven in een tekening van de plaats delict op een schaal van 1:125, waarbij het groene vlak het veegspoor is.18

Pathalogieonderzoek

Er is pathologisch onderzoek gedaan aan het lichaam van [slachtoffer] , geboren [1978] . Hierbij werd het volgende geconstateerd.

De sectie betrof een blanke man met tekenen van recent medisch handelen en zeer uitgebreide uit- en inwendige letsels aan de romp, het hoofd en de ledematen. Deze letsels zijn alle ontstaan door een hevige stomp botsende, mogelijk deels comprimerende krachtsinwerking. Deze krachtsinwerking moet, gezien de aanwezigheid van de botbreuken en de uitgebreidheid van de inwendige letsels, ten minste ten dele zeer hevig of hoogenergetisch zijn geweest. De letsels toonden uitgebreide bloeduitstorting en zijn derhalve bij leven opgeleverd.

Bij de letsels aan de romp waren er onder andere verscheuringen van beide longen, het middenrif, de lever, de linkernier, de weke delen in het kleine bekken en meerdere botbreuken, waaronder vrijwel alle ribben met verplaatsing van breukdelen. De ribbreuken en verscheuringen van de longen en het middenrif hebben geleid tot ernstige ademhalings- en longfunctiestoornissen. De hierboven genoemde letsels aan organen inclusief de uitgebreide breuken en letsels van de ledematen en hoofd/aangezicht hebben geleid tot ernstig bloedverlies. De uitgebreide krachtsinwerking op het hoofd kan tot bewusteloosheid hebben geleid. De krachtsinwerking op het hoofd heeft echter volgens de neuropatholoog niet tot aantoonbare hersenschade geleid.

Conclusie

Het overlijden van [slachtoffer] , wordt verklaard door de verwikkelingen van zeer hevig/hoogenergetisch stomp botsende, mogelijk (deels) comprimerende krachtsinwerking. Dit past volledig bij de aangeleverde informatie, namelijk dat hij enkele malen aan-/overreden zou zijn met een voertuig.19

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter zitting van 19 juli 2021 verklaard dat hij het slachtoffer voor zijn auto zag staan op een afstand van ongeveer 1 meter en dat hij toen flink gas gaf. Hij zag dat het slachtoffer op zijn motorkap terecht kwam, op de motorkap bleef liggen, er toen vanaf gleed en onder de auto terecht kwam. Hij voelde dat hij over het slachtoffer heen reed. Hij weet niet of hij vervolgens meermalen (achteruit en weer vooruit) over het slachtoffer is heen gereden, maar dat zou wel kunnen. Verdachte heeft verklaard dat hij boos was op dat moment.20

De standpunten van de officier van justitie en de raadsman

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben de gebeurtenis opgedeeld in verschillende afzonderlijke momenten.

De officier van justitie komt tot vier momenten, te weten het inrijden op het slachtoffer, het doorrijden met het slachtoffer op de motorkap, het overrijden nadat het slachtoffer van de motorkap is gevallen en het achteruit rijden om de bocht te kunnen nemen en daarbij opnieuw het slachtoffer te overrijden. De officier van justitie is van oordeel dat verdachte telkens opnieuw een wilsbesluit nam om te handelen, zoals hij handelde en dat telkens sprake was van vol opzet op die handelingen en daarmee op de dood van het slachtoffer.

De raadsman komt tot drie momenten, te weten het moment van de aanrijding, het moment dat het slachtoffer op de motorkap lag en verdachte doorreed en het moment dat verdachte achteruit reed om de bocht te kunnen maken. De raadsman is van oordeel dat bij verdachte op geen van deze momenten sprake was van opzet, al dan niet in de voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien volgt dat na een woordenwisseling over het rijgedrag van verdachte het slachtoffer op ongeveer een meter voor de auto van verdachte ging staan, dat verdachte op dat moment in zijn auto stapte - waarvan de motor nog draaide - en direct vol gas gaf. Het slachtoffer kwam hierdoor op de motorkap terecht en werd door de auto meegesleurd. De rechtbank trekt op basis van de hiervoor genoemde tekening21 de conclusie dat het slachtoffer zeker twee keer de lengte van de bestelbus is meegesleurd. Ondanks dat het slachtoffer zich probeerde vast te houden aan de auto, gleed hij na enige tijd van de motorkap af en kwam hij onder de auto van verdachte terecht. Verdachte overreed het slachtoffer hierbij. Kort daarna stopte verdachte en reed hij met zijn auto vol gas achteruit. Hierbij overreed hij het slachtoffer opnieuw. Vervolgens gaf verdachte weer vol gas vooruit en nam met zijn auto de bocht naar links, teneinde de wijk uit te rijden. Hierbij overreed hij het slachtoffer voor de derde maal.

De rechtbank is van oordeel dat deze ontstellende gebeurtenis zich niet leent om ontrafeld te worden in meerdere wilsmomenten, zoals door de officier van justitie en de raadsman is betoogd. Het gebeurde allemaal heel snel, binnen een tijdsbestek van enkele seconden, zoals verdachte ook meermalen op zitting verklaarde. Dit maakt dat de rechtbank de (juridische) vaststelling van wat er is gebeurd, als één feitencomplex ziet en ook als zodanig zal beoordelen.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvormen van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte daadwerkelijk de bedoeling had om het slachtoffer van het leven te beroven. Dat betekent dat er sprake is van ‘boos’ dan wel ‘vol’ opzet.
Verdachte heeft immers met zijn auto vanuit stilstand vol gas gegeven terwijl het slachtoffer een meter voor de auto stond, waarna het slachtoffer op de motorkap terecht kwam, er vervolgens van afgleed en onder de auto van verdachte kwam waarbij hij werd overreden. Dat verdachte de bedoeling had om met zijn auto om het slachtoffer heen te rijden, zoals hij ter zitting heeft verklaard, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk en, gezien de positie van het slachtoffer in combinatie met het geven van veel gas bij het optrekken zelfs feitelijk onmogelijk. Ook heeft verdachte op geen enkel moment geremd of gas geminderd terwijl hij zag dat het slachtoffer zich op zijn motorkap bevond. Nadat verdachte éénmaal met zijn auto over het slachtoffer reed, is verdachte vervolgens nóg tweemaal vol gas over het slachtoffer heen en weer gereden. Op basis van de uiterlijke verschijningsvormen van dit geheel aan handelen (en niet handelen) van verdachte, staat het voor de rechtbank vast dat verdachte de bedoeling had om het slachtoffer te doden en heeft hij daarvoor zijn auto als wapen gebruikt.

Hiermee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 primair, de doodslag van [slachtoffer] .

Feit 2

Het feit is wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- een proces-verbaal van aanhouding van verdachte22;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 juli 2021.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1
Primair
op 24 november 2020 te Wijchen [slachtoffer] (geboren op [1978] ) opzettelijk van

het leven heeft beroofd, door, nadat de verdachte en [slachtoffer] kort daarvoor een

woordenwisseling hadden gehad, met een bedrijfsauto (bestelwagen) vanuit stilstand gas te

geven en met hoge snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer] te rijden, die

zich voor de auto bevond, en in te rijden op en in botsing te komen met die [slachtoffer]

en niet te stoppen en die [slachtoffer] op en onder de door hem, verdachte, bestuurde

bedrijfsauto mee te sleuren en te overrijden en, nadat hij over [slachtoffer] had gereden,

naar achter te rijden, in de richting van [slachtoffer] , die achter de bedrijfsauto op de

grond lag en wederom in te rijden op die [slachtoffer] en door te rijden en die [slachtoffer] onder de door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto te overrijden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Feit 2
als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Wijchen op [straat] , op 24 november 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand heeft achtergelaten;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair: doodslag

Feit 2 overtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder b en c van de Wegenverkeerswet 1994

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 7 jaar, met aftrek van het voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit het adolescentenstrafrecht (ASR) toe te passen. Verdachte is een jonge jongen die met problematiek te kampen heeft. Ten tijde van het incident werd verdachte in het kader van een schorsing begeleid door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (WSJ). Zijn begeleider is positief over verdachte en rapporteert dat hij zich aan de afspraken hield, zich begeleidbaar opstelde en dat hij hulp inriep op punten waar hij dat nodig achtte. Ter zitting heeft deze reclasseerder haar standpunt herhaald. Dit maakt dat de verdediging van oordeel is dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel het meest passend is.

Subsidiair, in het geval verdachte toch als volwassene wordt berecht en de rechtbank een maatregel noodzakelijk acht, is de verdediging van oordeel dat tbs met voorwaarden afdoende is om het recidiverisico in te perken. Ten aanzien van de hoogte van de op te leggen straf heeft de verdediging zich niet uitgelaten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte reed als pakketjesbezorger in een woonwijk en werd aangesproken op zijn rijgedrag. Hierbij ontstond een woordenwisseling en werd over en weer gescholden. De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat een woordenwisseling uiteindelijk kan leiden tot de daaropvolgende ontstellende handelingen van verdachte. Terwijl het slachtoffer namelijk een foto van het kenteken van de auto van verdachte maakte, stapte verdachte in de auto en gaf vol gas, waardoor het slachtoffer op de motorkap van de auto terecht kwam. Het slachtoffer werd meegesleurd, viel van de motorkap af en kwam onder de auto terecht, waarbij hij overreden werd. Vervolgens stopte verdachte de auto, reed achteruit en weer vooruit, waarbij hij de bocht nam en de wijk uitreed. Hierbij heeft hij het slachtoffer dat op de grond lag nog tweemaal overreden. Dit alles gebeurde voor de ogen van de vrouw van het slachtoffer en andere wijkbewoners, die gealarmeerd door de woordenwisseling en het gillen van de vrouw, toesnelden.

Verdachte heeft door zijn handelen op een vreselijke wijze het meest fundamentele recht – het recht op leven – van het slachtoffer ontnomen. Hiermee is enorm leed toegebracht aan zijn vrouw, zijn jonge kinderen, zijn ouders en andere nabestaanden. Dit leed is onherstelbaar en zal zonder twijfel hun verdere bestaan blijven overschaduwen. De slachtoffers hebben op indringende wijze ter zitting verklaard over hun leed, wat hun is aangedaan en welke toekomst hen samen met het slachtoffer is ontnomen.

De vrouw van het slachtoffer en de moeder van hun twee kinderen is op 39 jarige leeftijd weduwe geworden, terwijl zij samen nog vele dromen hadden over hun toekomst. De moeder van het slachtoffer verklaarde dat zij het overlijden van haar andere zoon een plaats heeft kunnen geven, maar dat zij het overlijden van het slachtoffer nooit zal verwerken. Het was zo vreselijk onnodig. De vader van het slachtoffer verklaarde over de pijn en het verdriet dat hem en zijn gezin is aangedaan, dat zijn kleinkinderen geen vader meer hebben en dat hij niet weet hoe hij zal moeten doorgaan met zijn leven. En de 15 jarige zoon van het slachtoffer heeft dapper verteld over zijn verdriet en dat hij zijn vader zo zal missen, omdat hij nooit meer bij het voetbal en de teakwondo zal zijn. Ook wil hij nu de sterke man zijn, maar ziet hij ook dat hij zijn vader niet kan vervangen.

Voorts is het hartverscheurend dat de dochter van het slachtoffer geen afscheid heeft kunnen nemen van haar vader. Het aan het slachtoffer toegebrachte letsel was namelijk dermate ernstig, dat het voor haar niet verantwoord werd gevonden om haar vader nog te zien na zijn overlijden. Ook dat leed moet zij de rest van haar leven met haar mee dragen.

Voor de vrienden, kennissen, buurt en de hele samenleving is deze afschuwelijke gebeurtenis schokkend. Een dergelijk feit leidt ertoe dat mensen elkaar niet meer durven aan te spreken op hun gedrag en verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Dit alles neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van 15 juli 2021, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake geweldsdelicten waaronder voor bedreigingen, mishandeling en een straatroof.

Verdachte is voor een verlengde periode van ruim 9 weken opgenomen geweest en onderzocht in Teylingereind. Hierover is een Pro Justitia rapportage opgesteld door drs. L. Heukelom, GZ-psycholoog, en drs. B.G.J. Gunnewijk, kinder- en jeugdpsychiater, gedateerd 24 juni 2021. De rechtbank heeft kennis genomen van dit rapport en deskundige Gunnewijk heeft zijn standpunt ter zitting nader toegelicht.

Verdachte heeft meegewerkt aan het observatieonderzoek. De deskundigen concluderen dat verdachte functioneert op een benedengemiddeld intelligentieniveau. In de loop van zijn kindertijd bleek er sprake van een neurobiologische ontwikkelingsstoornis die zich liet kenmerken door aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis (ADHD), een zwakke sociale afstemming en tekortschietende copingvaardigheden. Zijn gedragsproblemen namen in zijn adolescentie toe en resulteerden in normoverschrijdende gedragsproblematiek met herhaalde justitiecontacten in verband met diverse strafbare feiten. De psychische stoornis ADHD is inmiddels geconsolideerd in de persoonlijkheid van verdachte. Dit mondt uit in een antisociale persoonlijkheidsstoornis, met psychopatische trekken. Deze stoornis kenmerkt zich bij verdachte erin dat hij regelmatig in aanraking komt met justitie, wantrouwend, verhoogd krenkbaar en snel geprikkeld is. Hij voelt zich niet serieus genomen, heeft gebrek aan empathie en een zeer gebrekkige beheersing van zijn impulsen en heeft agressieve ontladingen. De psychopatische kenmerken komen vooral tot uiting in zijn tekortschietende affectieve beleving (geen verantwoordelijkheid nemen voor het eigen gedrag en een gebrek aan empathie), een impulsieve levensstijl (impulsiviteit, prikkelhonger) en antisociaal gedrag. Voornoemde psychische stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde feit.

Voorts zien de onderzoekers de psychische stoornis van verdachte zeer nadrukkelijk tot uiting komen in de tenlastegelegde strafbare feiten, waar onderzoekers zijn gebrekkige copingvaardigheden naar voren zien komen. Er was sprake van een conflictsituatie waar verdachte werd aangesproken op zijn gedrag. Passend bij zijn problematiek kan verdachte de spanning daarvan niet hanteren en komt hij tot een agressieve uitbarsting. Bij een bewezenverklaring heeft verdachte rijdend in het busje zijn woede en frustratie in een impulsief agressief acting-out gedrag uitgeleefd, door het slachtoffer te overrijden, ernstig gewond achter te laten en door te rijden. Geadviseerd wordt verdachte het feit in verminderde mate toe te rekenen.

Het risico op recidive wordt door de gedragsdeskundigen als hoog ingeschat, zowel vanuit klinische als historische factoren. Gezien wordt dat er een geschiedenis is van problemen

met geweld, er wordt antisociaal gedrag gezien, er is sprake van niet nader vastgesteld

middelengebruik, van neurobiologische ontwikkelingsproblematiek, van een antisociale

persoonlijkheidsstoornis en verdachte is emotioneel belast door het zich herhaald afgewezen voelen vanwege zijn agressieve gedragingen. Vanuit de klinische factoren zien onderzoekers problemen met inzicht in zijn functioneren, gewelddadige denkbeelden, een instabiel gedragsmatig functioneren, waarbij de respons op eerdere behandelingen beperkt is. Vanuit risicohanteringsfactoren zien onderzoekers een gebrek aan motivatie voor hulp, met gebrekkige copingvaardigheden. Gezien deze risicofactoren is de klinische inschatting dat er sprake is van een hoog risico op hernieuwd gewelddadig gedrag van verdachte.

In de ASR-wegingslijst wordt geen aanleiding gezien het minderjarigenstrafrecht toe te passen. De psychische stoornis van verdachte is van chronische aard en al verankerd in zijn

persoonlijkheid. Verdachte heeft op grond van zijn problematiek geen problemen in zijn dagelijks functioneren en uitvoeren van taken. Hij laat zich aansturen, maar niet zozeer pedagogisch beïnvloeden, hij staat hier niet voor open. In het verleden is hier al intensief op ingezet in onder andere Groot Emaus en de verwachting is dat de maximale behandelwinst van heropvoeding inmiddels behaald is. Hij woonde tot zijn aanhouding weliswaar weer thuis maar leidde een redelijk zelfstandig leven, waarbij hij gericht was op werk en zijn vriendin. Op het vlak van administratie vroeg hij ondersteuning aan moeder, maar hij blijkt verder goed in staat zelfstandig te functioneren. Indicaties voor het jeugdstrafrecht rondom handelingsvaardigheden en pedagogische beïnvloeding worden niet van toepassing geacht.

De justitiële voorgeschiedenis en antisociale ontwikkelingsgang met psychopathische trekken vormt daarnaast een contra-indicatie voor toepassen van het minderjarigenstrafrecht. De problematiek van verdachte behoeft psychotherapeutische behandeling die verderstrekkend is dan het bieden van een pedagogisch klimaat, zoals dat geboden wordt binnen een Justitiële Jeugd Inrichting (JJI). De pedagogische invalshoek sluit niet aan op zijn problematiek en is, gezien de geconsolideerde persoonlijkheidsproblematiek, een gepasseerd station.

Om het recidiverisico te beperken moet verdachte behandeld worden. De inschatting is dat als er meer van verdachte wordt verwacht en hij minder ruimte krijgt om te manipuleren, hij dit slecht zal kunnen verdragen en dat de spanning dan oploopt. Om die reden wordt een behandelsetting met een voldoende mate van beveiligingsniveau nodig geacht.

De problematiek van verdachte vergt een langdurige en intensieve psychotherapeutische behandeling, binnen een gestructureerd leefklimaat. Geadviseerd wordt verdachte te behandelen in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Een ambulant strafrechtelijk kader of een tbs-maatregel met voorwaarden biedt onvoldoende veiligheid en is niet toereikend omdat verdachte een gebrek aan inzicht en motivatie heeft. Voorts beseft en doorziet verdachte onvoldoende de reikwijdte van zijn psychische problematiek zodat hij geneigd zal zijn de behandeling vroegtijdig te willen beëindigen.

De rechtbank is van oordeel dat de rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de bevindingen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet de rechtbank in dit kader geen aanleiding om af te wijken van het rapport ten aanzien van het toepassen van het volwassenenstrafrecht. Dat de reclasseringswerker van de WSJ in december 2020 een ander oordeel hierover had en in overweging gaf om het adolescentenstrafrecht toe te passen, maakt dit niet anders. Zoals door de reclasseringswerker van WSJ op zitting is toegelicht is zij immers geen deskundige op dit gebied. De deskundigen van Teylingereind hebben dit advies van WSJ meegenomen in hun rapportage, echter hebben zij weloverwogen en na extensief onderzoek onderbouwd aangegeven waarom hun oordeel anders is. Op zitting is dit oordeel nog eens besproken en nader toegelicht door de deskundige Gunnewijk, waarbij onder meer is stilgestaan bij de variatie in delictgedrag van verdachte (contra-indicatie voor toepassing ASR) en de vele (al dan niet vrijwillige) behandelingen die verdachte in zijn nog jonge leven heeft gehad die met name waren gericht op het reguleren van zijn emoties en agressie. Deze behandelingen hebben echter onvoldoende effect gehad en zoals in het rapport is aangegeven lijkt de maximale behandelwinst van de heropvoeding behaald. De problematiek van verdachte is inmiddels te diep verankerd. Er zijn geen mogelijkheden meer om via pedagogische beïnvloeding nog veranderingen tot stand te brengen. Dit alles maakt dat er geen reden is om af te wijken van het uitgangspunt dat een volwassene op basis van het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van de conclusie van het rapport en zal dan ook het volwassenenstrafrecht toepassen.

Voorts merkt de rechtbank op dat in het rapport gesproken wordt over verminderde toerekeningsvatbaarheid en sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Dit laatste is gebaseerd op de vijfpuntsschaal, die sinds enige jaren slechts gebruikt wordt om het advies nader te onderbouwen.

De rechtbank maakt de bevindingen en de daaruit getrokken conclusies, onder meer dat verdachte het feit verminderd kan worden toegerekend, aldus tot de hare.

De strafoplegging

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank ook gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. In strafverminderende zin heeft de rechtbank de hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid meegewogen. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest, zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden is.

De oplegging van een maatregel

De deskundigen hebben geadviseerd tot behandeling van verdachte binnen het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging. De verdediging heeft echter bepleit dat de maatregel van tbs met voorwaarden afdoende moet zijn om het recidiverisico te beperken. De rechtbank is het niet met de verdediging eens. Zowel in het rapport, als door deskundige Gunnewijk op zitting, is nader toegelicht en onderbouwd waarom een tbs met voorwaarden onvoldoende veiligheid biedt en dat verdachte (kennelijk) niet beseft hoe groot het probleem is. Voorts is gebleken dat bij verdachte de motivatie en innerlijke noodzaak ontbreekt voor het laten slagen van een tbs met voorwaarden. De rechtbank neemt het advies van de deskundigen ook op dit punt over.

Het bewezen verklaarde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is, gelet op de persoon van verdachte, het ingeschatte hoge recidivegevaar alsmede de aard en de ernst van de bewezen verklaarde doodslag, van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen behandeling van verdachte in het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk maakt.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betreft het onder 1 bewezen verklaarde feit. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaren.

De tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    37a, 37b, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7(zeven) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr.. E.H.M. Druijf en mr. A. Blanke, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2021.

Bijlage: de (gewijzigde) tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1:
Primair (artikel 287 Wetboek van Strafrecht):
hij op of omstreeks 24 november 2020 te Wijchen [slachtoffer] (geboren op [1978] )
opzettelijk van het leven heeft beroofd,
door, nadat de verdachte en [slachtoffer] kort daarvoor een woordenwisseling hadden

gehad, met een bedrijfsauto (bestelwagen) vanuit stilstand gas te geven en/of met hoge

snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer] te rijden, die zich voor de auto
bevond, en/of in te rijden op en/of in botsing te komen met die [slachtoffer] en/of
te besluiten om niet te stoppen, althans om door te rijden, en/of die [slachtoffer] op en/of
onder de door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto mee te sleuren en/of voor zich uit te
schuiven en/of te overrijden en/of, nadat hij over [slachtoffer] had gereden, naar achter te
rijden en/of in de richting van [slachtoffer] te rijden, die achter de bedrijfsauto op de

grond lag, althans zich achter het voertuig bevond, en/of (wederom) in te rijden op en/of in

botsing te komen met die [slachtoffer] en/of te besluiten om niet te stoppen, althans om door te rijden en/ of die [slachtoffer] onder de door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto mee te

sleuren en/of te overrijden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
Subsidiair (artikel 302/2 Wetboek van Strafrecht)
hij op of omstreeks 24 november 2020 te Wijchen aan [slachtoffer] (geboren op [1978] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere fracturen in het gezicht, hoofd,

borst en/of de ledematen en/of meerdere (diepe) scheurwonden in/over lichaam en/of een afgezet linkerbeen, heeft toegebracht, door, nadat de verdachte en [slachtoffer] kort daarvooreen woordenwisseling hadden gehad, met een bedrijfsauto (bestelwagen) vanuit stilstand gas te geven en/of met hoge snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer] te rijden, diezich voor de auto bevond, en/of in te rijden op en/of in botsing te komen met die [slachtoffer] en/of te besluiten om niet te stoppen, althans om door te rijden, en/of die [slachtoffer] op en/of onder de door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto mee te sleuren en/of voor zichuit te schuiven en/of te overrijden en/of, nadat hij over [slachtoffer] had gereden, naar achter te rijden en/of in de richting van [slachtoffer] te rijden, die achter de bedrijfsauto op de grond lag, althans zich achter het voertuig bevond, en/of (wederom) in te rijden op en/of in

botsing te komen met die [slachtoffer] en/of te besluiten om niet te stoppen, althans om

door te rijden en/of die [slachtoffer] onder de door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto mee te sleuren en/of te overrijden, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
meer subsidiair (artikel 6 Wegenverkeerswet)
hij op of omstreeks 24 november 2020 te Wijchen, als verkeersdeelnemer, namelijk als
bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmee zich bevindende en/of rijdende op de weg, [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, nadat verdachte en een voetganger, te weten [slachtoffer] , kort daarvoor een woordenwisseling hadden gehad en/of terwijl voornoemde [slachtoffer] zich op korte afstand voor, althans in de nabijheid van, het door verdachte bestuurde voertuig

bevond,
‐ onvoldoende aandacht gehad voor het overige verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse
en/of
‐met de door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto (bestelwagen) vanuit stilstand gas
gegeven en/of
‐met hoge toeren en/of met een gezien de situatie ter plaatse onverantwoord(de)(hoge)
snelheid in de richting van voornoemde [slachtoffer] gereden en/of
-niet is gestopt en/of het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto) niet tijdig
tot stilstand gebracht, maar is doorgereden en/of in botsing dan wel in aanrijding met die [slachtoffer]
gekomen en/of die [slachtoffer] op en/of onder de door hem, verdachte,
bestuurde bedrijfsauto meegesleurd en/of voor zich uitgeschoven en/of overreden en/of,

nadat hij over [slachtoffer] had gereden,
‐niet of in onvoldoende mate in de buitenspiegel(s) en/of door de (zij)ruiten van dat door hem,
verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto) heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of
‐ (vervolgens) achteruit is gereden en/of bij welk achteruitrijden hij, verdachte, niet of in
onvoldoende mate op het direct achter hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg ( [straat]
) heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of
‐in de richting van die [slachtoffer] is gereden, die achter, althans in de nabijheid van, de
bedrijfsauto op de grond lag, althans zich bevond, en/of
‐het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto) niet tijdig tot stilstand

gebracht en/of
‐(vervolgens) in botsing gekomen dan wel in aanrijding gekomen met die [slachtoffer]

en/of
‐niet is gestopt, maar is doorgereden, terwijl die [slachtoffer] onder de door hem,

verdachte, bestuurde bedrijfsauto mee werd gesleurd en/of overreden,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) werd gedood;

Feit 2
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke
gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk
verkeersongeval had plaatsgevonden in Wijchen op/aan [straat] , op of
omstreeks 24 november 2020
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander
(te weten [slachtoffer] ) is gedood, dan wel aan wie bij dat ongeval letsel was
toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahf/ond c
Wegenverkeerswet 1994 )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 19 januari 2021, genummerd PL0600-2020563579, opgemaakt door politie Gelderland-Zuid, doorgenummerd ZD-1 t/m ZD-302, FO-1 t/m FO-173 en PD-1 t/m PD-67. Ook zijn er een proces-verbaal van invordering van het rijbewijs van 1 december 2020 en twee aanvullende ongenummerde processen-verbaal van 3 en 8 februari 2021 toegevoegd aan het dossier. Ten slotte is een sectierapport van 25 maart 2021 van het NFI toegevoegd aan het dossier. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde 1] , pagina ZD-50 en ZD-55 e.v.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 1] , afgelegd bij de rechter-commissaris, pagina 3

4 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 4

5 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 5

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt door de rechter-commissaris, pagina 2

7 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 3

8 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 4

9 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 5

10 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 8

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , opgemaakt door de rechter-commissaris, pagina 2

12 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 3

13 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 4

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , opgemaakt door de rechter-commissaris, pagina 2

15 Voornoemd bewijsmiddel, pagina 4

16 Bijlage bij proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , proces-verbaal op pagina ZD-160.

17 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , pagina FO-9

18 Tekening PD+SIN, pagina FO-46

19 Een geschrift, te weten rapport van het NFI van 25 maart 2021, opgesteld door B.G.H. Latten, arts en forensisch patholoog

20 Proces-verbaal terechtzitting 19 juli 2021 (nader op te maken bij appel)

21 FO-46

22 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 4] , pagina PD-14.