Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:3703

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
C/16/516077 / FO RK 21-60
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing naar het buitenland. De noodzaak voor de verhuizing is onvoldoende onderbouwd. Een verhuizing naar het buitenland is ingrijpend en vereist een weloverwogen voorbereiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/516077 / FO RK 21-60

Verhuizing

Beschikking van 9 juni 2021

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster tevens verweerster in het tegenverzoek,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F. Kilic-Arslan te Amsterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder tevens verzoeker in het tegenverzoek,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H. Zobuoglu te Amsterdam.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw (met bijlagen), ontvangen op 20 januari 2021;

  • -

    het F-9 formulier van de vrouw, ontvangen op 6 mei 2021;

  • -

    het verweerschrift van de man (met bijlagen), ontvangen op 7 mei 2021;

  • -

    het F-9 formulier van de man, ontvangen op 7 mei 2021;

  • -

    het F-9 formulier van de vrouw, ontvangen op 11 mei 2021;

  • -

    het F-9 formulier van de man, ontvangen op 12 mei 2021.

Mondelinge behandeling van het verzoek en het tegenverzoek heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 17 mei 2021. De vrouw is in persoon verschenen en bijgestaan door haar advocaat. De man is eveneens in persoon verschenen en bijgestaan door zijn advocaat. De advocaat van de man heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Verder zijn ter terechtzitting verschenen mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna verder te noemen: de Raad) en mevrouw A. Kabaktepe als tolk voor de man.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

Partijen zijn op [trouwdatum] 2018 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren:

- [minderjarige 1] op [geboortedatum 1] 2011; en

- [minderjarige 2] op [geboortedatum 2] 2014.

Bij beschikking van [.] 2018 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

In het van de beschikking deel uitmakende ouderschapsplan is verwoord dat partijen het gezamenlijk ouderlijk gezag uitoefenen en de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw is.

Als bijlage 1 is aan het ouderschapsplan gehecht een verdeling van zorg- en opvoedingstaken. Kort samengevat zijn partijen in het ouderschapsplan overeengekomen dat de kinderen één weekend per twee weken bij de man verblijven, de vakanties en feestdagen worden gedeeld en dat er extra contactmomenten zijn als de man de kinderen haalt en brengt voor sport.

3 Het verzoek, het tegenverzoek en de standpunten van partijen

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: “Het verlenen van vervangende toestemming voor de verhuizing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Duitsland, [plaatsnaam 1] , waar zij hun gewone verblijfplaats zullen voortzetten bij de vrouw.”

3.2.

De vrouw voert aan dat zij ná de echtscheiding in een financieel moeilijke positie is geraakt. Zij ontvangt thans een uitkering op bijstandsniveau. Zij wenst met de kinderen naar [plaatsnaam 1] in Duitsland te verhuizen. In [plaatsnaam 1] woont de enige zus van de vrouw met haar gezin. De echtgenoot van haar zus heeft een onderneming en de vrouw kan in die onderneming direct aan de slag als administratief medewerkster. De vrouw voert verder aan dat zij een huurwoning heeft gevonden en dat zij een geschikte school voor de kinderen heeft gevonden waar beide kinderen ná de zomervakantie 2021 kunnen beginnen. Bij verhuizing naar Duitsland zullen beide kinderen Duitse taallessen krijgen van een Nederlandse docente die in [plaatsnaam 1] woont en voorheen docent Nederlands was in [plaatsnaam 2] aan de [naam organisatie] ( [naam organisatie] ). Deze docente heeft het nodige materiaal meegegeven waarmee de vrouw en de kinderen nu al kunnen beginnen met de voorbereiding op de verhuizing. Er zal verder, aldus de vrouw, niets veranderen in de omgang van de man met de kinderen. De afstand naar [plaatsnaam 1] is niet onbehoorlijk lang of ver. De vrouw heeft voorgesteld dat zij de kinderen tot aan Eindhoven brengt en de man de kinderen aldaar ophaalt. Tenslotte voert de vrouw aan: “Het is in het belang van de kinderen dat zij in een beter leefklimaat en met een mentaal gezondere situatie van hun moeder, hun leven kunnen voortzetten.” en “De vrouw verwacht dat zij zelf en de kinderen na de verhuizing zullen opbloeien en in een veel positiever leefklimaat haar bijdrage kan leveren aan het leven en ontwikkeling van haar kinderen.”

De vrouw heeft eerst pogingen ondernomen om met de man tot overeenstemming te komen met betrekking tot haar wens om te verhuizen. Aanvankelijk stond de man open voor deze wens doch thans, zonder enige goede reden, niet meer. De vrouw ziet zich dan ook genoodzaakt de rechtbank te vragen haar vervangende toestemming te verlenen.

3.3.

De man heeft -kort samengevat- het volgende verweer gevoerd.

Allereerst voert de man aan dat de vrouw pas in december 2020, kort vóór indiening van haar verzoekschrift, haar wens om met de kinderen naar Duitsland te verhuizen aan de man heeft kenbaar gemaakt. De man begrijpt die wens maar stemt niet in met de verhuizing. Er bestaat geen noodzaak tot verhuizing. De vrouw, aldus de man, is prima in staat om werk in Nederland te vinden. De vrouw spreekt goed Nederlands en heeft ook altijd gewerkt in Nederland. Ook in Nederland is de vrouw financieel onafhankelijk. De vrouw daarentegen spreekt geen woord Duits wat toch nodig zal zijn om in Duitsland te kunnen werken. Voor het eerst in het verzoekschrift leest de man welke school de vrouw voor de kinderen op het oog heeft. Zulks zonder verdere informatie over deze school, de overgang van een Nederlandse school naar een Duitse school en zonder dat de vrouw tevens om vervangende toestemming voor aanmelding van de beide kinderen op de school in Duitsland vraagt. De voorgenomen verhuizing heeft verder grote gevolgen voor de huidige zorgregeling. De afstand tussen de woonplaats van de man en de vrouw bedraagt thans 30 kilometer en wordt bij verhuizing 230 kilometer. Dit maakt in ieder geval de extra zorgmomenten (zoals verwoord in bijlage 1 van het ouderschapsplan) onmogelijk. Verder wordt reistijd langer en worden de reiskosten hoger. De vrouw geeft op geen enkele wijze aan hoe de gevolgen van deze langere reistijd en hogere reiskosten voor de man kunnen worden verzacht. De man betwist dat de omgeving en het sociaal netwerk in Duitsland de kinderen niet vreemd is, zoals de vrouw heeft aangevoerd. De kinderen zijn 9 en 7 jaar oud en zijn hier in hun omgeving geworteld. Zij hebben hier hun school, vriendjes en sport en niet in Duitsland en bovendien spreken zij geen Duits. De man wijst er verder op dat voor [minderjarige 1] recent een hulptraject (systeemtherapie) is uitgezet. Een verhuizing naar Duitsland doorkruist dit hulptraject. Tenslotte wijst de man op de slechte communicatie tussen partijen. De man vreest dat bij verhuizing naar Duitsland het contact tussen de kinderen zal verwateren, zo niet geheel zal stagneren. De man verzoekt de rechtbank dan ook het verzoek van de vrouw af te wijzen.

3.4.

Bij wege van zelfstandig tegenverzoek verzoekt de man de rechtbank: “Te bepalen dat het de vrouw wordt verboden om het hoofdverblijf van de kinderen te wijzigen naar een gemeente buiten [plaatsnaam 3] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, een gedeelte van een dag daarbij inbegrepen, dat de vrouw daarmede in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,00.

3.5.

Voor dit verbod heeft de man het volgende aangevoerd: “De man verneemt van derden dat de vrouw bezig is met een verhuizing naar Maastricht en omstreken voor het geval zij geen toestemming zou krijgen van uw Rechtbank. Zo zal zij dicht bij de Duitse grens woonachtig zijn en alsnog haar zin krijgen.”

4 Het standpunt van de Raad

De Raad heeft -kort samengevat- ter terechtzitting verklaard bezorgd te zijn over het plan van de vrouw om met de kinderen naar Duitsland te verhuizen. De Raad betwijfelt of het plan wel goed is doordacht en wijst erop dat verhuizing naar een andere cultuur, andere gewoonten en andere taal ingrijpend voor kinderen is. Dit geldt ook ingeval de kinderen vanwege familiebezoek al regelmatig in Duitsland zijn geweest. Bezoek en vakantie in het buitenland is iets anders dan vestiging in het buitenland. De Raad acht het noodzakelijk dat partijen proberen hun onderlinge communicatie te verbeteren. Ook dient, aldus de Raad, te worden bezien of er andere mogelijkheden zijn (dan verhuizing naar Duitsland) waardoor de vrouw zich beter gaat voelen.

5 De beoordeling

5.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.1.1.

Aan de rechtbank ligt ter beoordeling voor de vraag of aan de vrouw vervangende toestemming verleend dient te worden om met de kinderen naar [plaatsnaam 1] in Duitsland te verhuizen. De rechtbank dient bij deze beoordeling de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van de kinderen staat daarbij voorop en dient een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Bij de andere belangen kan onder andere gedacht worden aan:

 de noodzaak om te verhuizen;

 de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

 de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

 de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

 de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

 de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

 de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder vóór en ná de verhuizing;

 de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

 de (extra) kosten van de omgang ná de verhuizing.

5.2.

Zoals in het verzoekschrift aangegeven, en door de vrouw bij de mondelinge behandeling benadrukt is de noodzaak tot verhuizen niet alleen aangegeven door de mogelijkheid in Duitsland te kunnen werken en een inkomen te generen doch ook en vooral om een geheel nieuwe en betere toekomst voor haarzelf en de kinderen op te bouwen.

5.2.1.

De rechtbank is met de man van oordeel dat de noodzaak tot verhuizen niet voortvloeit uit het feit dat de vrouw in Duitsland kan werken en financieel onafhankelijk zal zijn. De vrouw heeft immers altijd gewerkt (zoals de vrouw ook zelf bij de mondelinge behandeling heeft verklaard), is thans doende weer terug te keren in het arbeidsproces en is financieel niet afhankelijk van de man. Wellicht is het salaris dat genoemd wordt in de door de vrouw in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst (beduidend) meer dan hetgeen de vrouw thans ontvangt doch de rechtbank kan dit niet beoordelen nu ieder gegeven over het inkomen van de vrouw (in het F9 formulier van 11 mei 2021 word vermeld dat de vrouw een WGA uitkering ontvangt en, iets verder, een uitkering ingevolge de WIA; bij de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij een WIA uitkering ontvangt bij een arbeidsongeschiktheid van 48% en voorts dat zij net gestart is met betaald werk in het kader van reïntegratie verplichtingen). Wat hier ook van mogen zijn, in ieder geval verbaast het de rechtbank dat de vrouw kennelijk voltijds werkzaam kan zijn in Duitsland terwijl zij op dit moment gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Voorts verbaast het ook dat in de gedingstukken niets is te lezen of de vrouw zich heeft laten informeren wat de gevolgen zijn voor de uitkering (inclusief reïntegratie verplichtingen) die zij thans ontvangt bij verhuizing naar Duitsland.

5.2.2.

De noodzaak tot verhuizen vloeit naar het oordeel van de rechtbank evenmin voort uit het feit dat de vrouw, zoals zij bij de mondelinge behandeling heeft verklaard, hier geen toekomst (meer) heeft en dat een nieuw leven, in de nabijheid van haar enige zus, zowel haar zelf als de kinderen ten goede zal komen. De rechtbank vermag niet in te zien dat de vrouw hier geen toekomst heeft. Zij kan hier werken, zij heeft hier huisvesting en zij heeft hier ook familie en vrienden. De rechtbank begrijpt alleszins dat de vrouw als gevolg van de echtscheiding en het verlies van werk na een burn-out een moeilijke periode doormaakt en elders een nieuw leven wil beginnen doch dit betekent niet, dat er een noodzaak tot verhuizing met de kinderen naar [plaatsnaam 1] in Duitsland bestaat.

5.3.

De rechtbank is verder van oordeel dat de vrouw de verhuizing naar Duitsland niet voldoende heeft doordacht en voorbereid. Dit geldt voornamelijk -en in de eerste plaats- de gevolgen voor beide kinderen. De vrouw noemt in haar verzoekschrift een school voor de kinderen. Dit is een andere school dan de school die de vrouw noemt in haar reactie op het verweerschrift van de man d.d. 11 mei 2021. Waarom de vrouw de keuze voor deze school heeft gemaakt is niet duidelijk. Iedere informatie over deze school (en andere scholen) ontbreekt. Dit geldt ook de informatie in hoeverre het onderwijs op de school in Duitsland aansluit op de scholing die de kinderen tot nu toe in Nederland hebben gehad (kan er horizontaal worden ingestroomd of is er sprake van achterstand?) en welke betekenis toekomt aan het feit dat de kinderen thans (nog) geen Duits spreken. Ook is gesteld noch gebleken dat de vrouw met de kinderen de school heeft bezocht en zelf met de school heeft gesproken over geschikt onderwijs voor de kinderen. Dat de vrouw thans niet om vervangende toestemming voor inschrijving op de betreffende school vraagt duidt eveneens op een gebrekkige, althans onvoldoende, voorbereiding.

5.3.1.

Verder is niet gebleken dat de vrouw voortzetting van nevenactiviteiten van de kinderen (de vrouw noemt zelf zwemles en kickboksen) heeft voorbereid. Kunnen deze activiteiten worden voortgezet en worden deze activiteiten ook voortgezet bij verhuizing naar [plaatsnaam 1] ?

Voor [minderjarige 1] geldt bovendien dat recent een hulptraject (systeemtherapie) is uitgezet. Een verhuizing naar Duitsland doorkruist dit, althans door de vrouw wordt niet aangegeven of, en op welke wijze, dit hulptraject wordt voortgezet bij verhuizing naar Duitsland.

5.3.2.

De rechtbank moet verder constateren dat bij verhuizing naar [plaatsnaam 1] de vrouw de zelfstandige huisvesting die zij hier heeft prijsgeeft voor een onzekere toekomstige woonsituatie. In de brief van Stichting De Paarse Pelikaan die de vrouw bij F9-formuler van 6 mei 2021 in het geding heeft gebracht is te lezen dat de vrouw woonruimte heeft gevonden in de buurt van haar zus en gezin doch in de reactie op het verweerschrift d.d. 11 mei 2021 is te lezen dat de vrouw bij haar zus gaat wonen totdat zij zelfstandige woonruimte heeft gevonden. Of de vrouw in aanmerking kan komen voor zelfstandige woonruimte in Duitsland en hoe lang dat kan duren is niet duidelijk.

5.4.

De rechtbank overweegt verder dat de verhuizing naar Duitsland ingrijpende gevolgen heeft voor de huidige zorgregeling. Partijen wonen thans 30 kilometer van elkaar en dat wordt, bij verhuizing, 230 kilometer. Dit maakt in ieder geval de doordeweekse contactmomenten, zoals verwoord in het ouderschapsplan, onmogelijk en leidt in ieder geval tot langere reistijd en hogere reiskosten voor de weekend- en vakantiecontacten. Op geen enkele wijze heeft de vrouw aangegeven hoe zij de man hierin tegemoet wenst te komen, behalve dan haar voorstel -eerst één week voor de mondelinge behandeling- om overdracht van kinderen ongeveer halverwege (in Eindhoven) te laten plaatsvinden.

Voor zover de vrouw betoogt dat de man de zorgregeling niet, althans niet voldoende of niet volledig, nakomt zodat hierin geen bezwaar kan zijn gelegen voor de voorgenomen verhuizing, overweegt de rechtbank dat de vrouw dit betoog onvoldoende heeft onderbouwd. Dit mede gelet op het feit dat de man onweersproken heeft verklaard dat partijen soms afwijken van hetgeen zij zijn overeengekomen als dit in verband met het werk van de man nodig is.

5.5.

De rechtbank constateert tenslotte dat partijen slecht, althans gebrekkig, met elkaar communiceren. De rechtbank laat in het midden hoe dit komt, doch zeker bij een verhuizing naar het buitenland mag van partijen worden verwacht dat zij -voor wat betreft de kinderen- in staat en bereid zijn met elkaar op normale wijze te communiceren.

5.6.

Alles overwegende en alle belangen afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de vrouw de noodzaak om op dit moment met de kinderen naar Duitsland te verhuizen onvoldoende heeft aangetoond en vooral onvoldoende heeft doordacht en voorbereid. Zoals ook door de Raad is aangevoerd betekent een verhuizing naar een ander land, een verhuizing naar een andere cultuur, een andere taal en andere gewoonten. Dit is ingrijpend voor kinderen en vereist een weloverwogen voorbereiding. Hiervan is echter in deze zaak niet gebleken.

5.7.

Het door de man gevraagde verbod aan de vrouw om de kinderen te verhuizen naar een andere gemeente dan [plaatsnaam 3] wordt afgewezen. Uit niets blijkt dat de vrouw de bedoeling heeft om, als haar verzoek voor vervangende toestemming om naar Duitsland te verhuizen, wordt afgewezen voornemens is naar Maastricht te verhuizen zoals de man aanvoert. Bovendien blijkt uit deze procedure dat de vrouw weet dat zij voor verhuizing van de kinderen -indien de man niet instemt met de verhuizing- vervangende toestemming van de rechtbank nodig heeft. Tenslotte geldt dat het oordeel in deze zaak (geen vervangende toestemming voor verhuizing naar [plaatsnaam 1] in Duitsland) niet in de weg hoeft te staan aan een eventuele andere voorgenomen verhuizing. Alsdan zullen -wanneer de man wederom geen toestemming voor verhuizing van de kinderen geeft- opnieuw alle in geding zijnde belangen moeten worden gewogen.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de vrouw voor vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaatsnaam 1] in Duitsland te verhuizen af;

wijst het verzoek van de man om de vrouw te verbieden het hoofdverblijf van de kinderen te wijzigen naar een gemeente buiten [plaatsnaam 3] af;

compenseert de proceskosten aldus dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.W.J. van Veen (voorzitter), mr. E.A.A. van Kalveen en mr. N.J.W.G. Simons, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S. Clement als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.