Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:3687

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
C/16/493860 / HA ZA 19-263
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De zaak gaat over de vraag of de assurantietussenpersoon tekort is geschoten in de nakoming van de zorgplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2021/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/493860 / HA ZA 19-263

Vonnis van 4 augustus 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. M.J.W. Hoek te Alphen aan den Rijn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.B.G. Stevens te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties (16),

  • -

    de conclusie van antwoord met producties (7),

  • -

    het bericht van deze rechtbank van 11 november 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 20 januari 2021,

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Stevens,

  • -

    de brieven van 29 januari 2021 en 2 februari 2021 van respectievelijk [eiseres] en [gedaagde] met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal,

  • -

    de conclusie van repliek tevens houdende akte vermindering van eis met bijgevoegd producties 17 tot en met 19,

  • -

    de conclusie van dupliek met bijgevoegd productie 8.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is eigenaar van bestelwagens, ongeveer 22 à 23. Zij stelt deze bestelwagens ter beschikking aan de transportonderneming van haar dochtervennootschap [onderneming 1] B.V.

2.2.

[gedaagde] exploiteert een financieel adviesbureau. Sinds 2008 beheert [gedaagde] , althans haar rechtsvoorganger [onderneming 2] B.V., een aantal verzekeringen van [eiseres] .

2.3.

Tot en met 2018 stond [gedaagde] [eiseres] ook jaarlijks bij bij het sluiten van de benodigde wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringen (WA-verzekeringen) en (beperkt)cascoverzekeringen van het transportbedrijf van (de dochter van) [eiseres] .

2.4.

Per 1 januari 2017 waren deze verzekeringen van het bestelwagenpark van [eiseres] - met tussenkomst van [gedaagde] - ondergebracht bij HDI Global SE (hierna HDI ). [gedaagde] had de verzekeringen via de tussenschakel SAA Verzekeringen B.V. bij HDI ingekocht.

2.5.

Eind 2017 heeft HDI aangegeven de verzekering met [eiseres] per 31 december 2017 te beëindigen. Met het oog daarop heeft mevrouw [A] (hierna [A] ) , werkzaam bij [gedaagde] , aanvragen uitgezet bij verschillende verzekeraars.

2.6.

Over het jaar 2017 heeft [eiseres] in totaal € 45.844,19 aan verzekeringspremie aan HDI afgedragen.

2.7.

[gedaagde] heeft aan [eiseres] laten weten dat Amlin Insurance SE (hierna Amlin ) het meest passende aanbod voor 2018 deed. De verwachte verzekeringspremie voor 2018 bij Amlin bedroeg op jaarbasis € 93.337,40.

2.8.

[eiseres] heeft het advies van [gedaagde] opgevolgd. De bedrijfswagenverzekering van [eiseres] is per 1 januari 2018 ondergebracht bij Amlin .

2.9.

Tijdens een bespreking op 21 november 2018 over de verzekeringen voor het jaar 2019 heeft [A] van [gedaagde] aan [eiseres] laten weten dat na een inventarisatieronde is gebleken dat Avéro Achmea het voordeligste aanbod deed met een jaarlijkse premie van € 88.088,00 per jaar. De andere geoffreerde premies voor 2019 waren: Nationale Nederlanden € 95.056,92 en Amlin 97.988,60.

2.10.

[eiseres] heeft voor 2019 zelf geïnformeerd bij TVM Verzekeringen N.V. (hierna TVM). TVM is een verzekeraar die al jarenlang uitsluitend wegvervoer in haar pakket heeft. Uit de polisvoorwaarden van TMV bleek dat [eiseres] naar verwachting een premie van € 46.486,99 – € 48.543,39 verschuldigd zou zijn. [eiseres] heeft vervolgens per 1 januari 2019 haar bedrijfswagenpark - zonder tussenkomst van [gedaagde] - ondergebracht bij TVM.

Over het jaar 2019 heeft [eiseres] uiteindelijk € 48.543,39 aan premie aan TVM betaald.

2.11.

[eiseres] heeft aan [gedaagde] laten weten dat door de premieverschillen over de jaren 2017-2019 bij haar het gevoel is ontstaan dat de offerte van Amlin voor het jaar 2018 niet marktconform was.

2.12.

Bij email van 3 mei 2019 heeft TVM het volgende aan [eiseres] laten weten:

‘Bijgaand tref je een exceloverzicht met een indicatie van de premies die jouw bedrijf in 2017/2018 had betaald bij TVM verzekeringen.

Dit overzicht is gebaseerd op de algemene premieverhoging en indexeringen die wij hebben gekend in 2018/2019.

De huidige premies (2019) zijn vastgesteld aan de hand van het schadeoverzicht van de laatste 36 maanden (2016,2017,2018).

Nu kan het natuurlijk wel zo zijn dat het wagenpark of de dekkingen zijn gewijzigd in de loop van de tijd of dat er no claim terugval heeft plaatsgevonden aan de hand van een schuldschade. Het betreft dus wel een indicatie.’

2.13.

Bij brief van 16 januari 2019 heeft [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van gebrekkige advisering door [gedaagde] . De schade heeft zij begroot op € 42.335,38: het verschil tussen de jaarlijkse premie die zij aan Amlin betaalde en de jaarlijkse premie die zij in 2018 - naar schatting - had kunnen betalen als de verzekering bij TVM was ondergebracht. [eiseres] heeft daarnaast aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – na wijziging van eis – om [gedaagde] :

  • -

    i) primair te veroordelen tot betaling van € 44.600,35 uit hoofde van schadevergoeding en de buitengerechtelijke incassokosten, subsidiair tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 42.335,38 vanaf 31 januari 2019 tot en met 25 oktober 2019, per 26 oktober 2019 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 44.600,35, althans over dat bedrag dat de rechtbank zal bepalen, tot en met de dag van algehele voldoening,

  • -

    ii) te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] is van mening dat [gedaagde] haar ontoereikend heeft geadviseerd. [eiseres] stelt dat zij als verzekeringnemer een kenbaar en vanzelfsprekend belang had bij (a) het afsluiten van een passende verzekering (b) tegen een zo voordelig mogelijke premie en dat uit de nacalculatie van TVM is gebleken dat [gedaagde] haar niet heeft voorzien van een verzekering met een voordelige premie. [eiseres] had haar verzekering bij TVM per 1 januari 2018 tegen een substantieel lagere premie kunnen onderbrengen dan bij Amlin , namelijk voor een jaarlijkse premie van € 42.561,45 tegenover € 85.952,89 bij Amlin . Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] , door niet de optie van TVM aan te dragen, als professioneel assurantietussenpersoon niet de zorg betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mocht worden verwacht. [eiseres] stelt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en dat zij op grond daarvan aansprakelijk is voor de door haar geleden schade. [eiseres] berekent haar schade op het verschil tussen de premie die [eiseres] in 2018 betaalde (€ 85.952,89) en de premie die zij bij een overeenkomst met TVM verschuldigd zou zijn geweest (€ 42.561,45), te weten op een bedrag van € 43.391,44.

3.3.

[gedaagde] , althans haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar Markel, betwist dat sprake is van een zorgplichtschending.

Voor zover aansprakelijkheid wordt aangenomen, beroept [gedaagde] zich er op dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] (artikel 6:101 BW).

Subsidiair betwist [gedaagde] de (omvang van de) schade en het causaal verband tussen de gestelde zorgplichtschending en een deel van de schade.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

De vraag waar het in deze zaak om draait is of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht die tot stand is gekomen tussen haar en [eiseres] doordat zij geen offerte voor een verzekering van het bestelwagenpark heeft opgevraagd bij TVM, ofwel - kort gezegd - of [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt,.

Uitgangspunt

4.2.

Een assurantietussenpersoon moet tegenover zijn opdrachtgever de zorg betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak om te waken voor de belangen van de verzekeringnemer bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen en van degene die via hem een verzekering aanvragen. Hoever die taak gaat en wat die taak precies inhoudt, hangt mede af van de overeenkomst van opdracht die hij met zijn klant heeft gesloten.

Over het algemeen wenden mensen zich tot een assurantietussenpersoon omdat zij advies wensen bij het vinden van een passende verzekering. Wat een passende verzekering is, hangt mede af van de wensen van de klant. Dat kunnen wensen zijn die deze heeft uitgesproken, maar ook aspecten waarvan de tussenpersoon redelijkerwijs moet begrijpen dat die voor hem van belang zijn. Het is denkbaar dat een klant ergens niet om vraagt, mogelijk omdat hij niet weet dat het bestaat, terwijl het wel bestaat en voor hem veel gunstiger is. Dat kan meebrengen dat de tussenpersoon hem daarover spontaan moet adviseren. Of dat zo is, hangt ervan af hoeveel gunstiger het product is, of er ook nadelen aan verbonden zijn, en ook in hoeverre het een gangbaar product is.

Passende verzekering - premiestijging

4.3.

[gedaagde] is van mening dat zij [eiseres] van een passende verzekering heeft voorzien. Zij stelt dat zij niet gehouden was om voor [eiseres] de goedkoopste verzekering uit te zoeken. Volgens [gedaagde] kon zij redelijkerwijs volstaan met het opvragen van offertes bij door haar geselecteerde verzekeraars en heeft zij [eiseres] er ook op heeft gewezen dat dit haar werkwijze is. In aanvulling op haar eigen selectie heeft [gedaagde] bovendien SAA verzocht om een uitvraag te doen in de markt. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit verweer niet op. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.4.

Bij de beoordeling van beroepsaansprakelijkheid is van belang dat er altijd een zekere marge bestaat. Een tussenpersoon maakt op zichzelf geen fout als hij zijn klant wel een passende maar niet de allergoedkoopste polis adviseert. In deze zaak is echter van belang dat sprake was van een aanzienlijke premiestijging voor het jaar 2018. De premie steeg van € 45.844,19 voor het jaar 2017 naar € 88.088,00 voor het jaar 2018: bijna een verdubbeling. Het ligt dan voor de hand dat een assurantietussenpersoon meer mogelijkheden verkent en verder kijkt dan alleen naar haar selectie van verzekeraars. Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat het ver gaat om van een assurantietussenpersoon te verlangen dat zij bij verschillende, niet tot haar selectie behorende verzekeraars, nagaat of er bereidheid bestaat om een offerte uit te brengen. In zijn algemeenheid kan een dergelijke verplichting ook niet worden aangenomen. In deze situatie met bijna een verdubbeling van de premie van het ene op het ander jaar, ligt dit naar het oordeel van de rechtbank echter anders. De omzet, liquiditeit en de winst van de onderneming kan daardoor immers onder druk komen te staan, waardoor de verzekerde een bijzonder, te voorzien en redelijk belang heeft bij een dergelijke uitgebreidere zoektocht. Naar het oordeel van de rechtbank kon daarom in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van [gedaagde] worden verwacht dat zij bij het opvragen van de offertes bijzondere aandacht had voor de hoogte van de premie als selectiecriterium en dat zij op zoek was gaan goedkopere opties, desnoods met aangepaste voorwaarden, om dit pakket vervolgens voor te leggen aan de verzekerde.

4.5.

Het was voor [gedaagde] kennelijk niet mogelijk om (via SAA) ten behoeve van [eiseres] een verzekering bij TVM af te sluiten. Zij stelt dat TVM bij de aanvraag eind 2018 heeft aangegeven dat alleen vrachtauto’s bij haar ondergebracht konden worden, dus geen bestelwagens. Zij had echter wel kunnen doorvragen naar mogelijkheden voor [eiseres] om op een andere manier bij TVM een offerte op te vragen. TVM is een verzekeraar die vooral wegvervoer in haar pakket heeft, zodat het verkennen van deze optie voor de hand lag. Gebleken is dat TVM wel zaken doet met tussenpersonen, zodat ook kan worden aangenomen dat er op zichzelf wel mogelijkheden waren. [gedaagde] had eventueel [eiseres] in de gelegenheid kunnen stellen om zelf contact op te nemen met TVM door haar op die mogelijkheid te wijzen. Het argument dat de praktijk van een assurantietussenpersoon onwerkbaar en onrendabel zou worden als van haar zou worden verlangd dat zij buiten door haar geselecteerde verzekeraars zoekt en/of verzekerden zelf laat informeren gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op als dit betekent dat een verzekerde daardoor anders een substantieel lagere premie mist en die lagere premie van bijzonder belang is voor haar bedrijfsvoering.

De vergelijking gaat niet op?

4.6.

Vastgesteld kan worden dat de offerte die TVM voor het jaar 2019 heeft uitgebracht aanzienlijk lager is dan de offerte van Amlin voor het jaar 2018 en de door [gedaagde] verstrekte offertes over 2019 (zie 2.9). Het staat ook vast dat [gedaagde] voor het jaar 2018 niet heeft geïnformeerd bij TVM of [eiseres] heeft gewezen op de mogelijkheid om zelf contact op te nemen met TVM. Volgens [eiseres] had TVM ook voor dat jaar een verzekering kunnen bieden die wat betreft de hoogte van de premie aansluit bij de premie van de offerte van TVM voor 2019. [eiseres] onderbouwt dit met de stelling dat zij aan TVM de vraag heeft voorgelegd of [eiseres] bij TVM per 1 januari 2018 een soortgelijke verzekering als in 2019 had kunnen afsluiten als bij Amlin , en zo ja, tegen welke premie en dat TVM bij e-mail van 3 mei 2019 heeft laten weten dat [eiseres] bij haar een verzekering had kunnen onderbrengen voor een jaarlijkse premie van € 42.561,45. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende aangetoond dat TVM bereid was geweest om een dergelijke offerte uit te brengen. [gedaagde] voert nog aan dat nergens uit blijkt dat als zij zich eind 2017 (via SAA) tot TVM had gewend, TVM dan bereid zou zijn geweest om een dergelijke offerte ten behoeve [eiseres] uit te brengen, laat staan dezelfde offerte als TVM aan [eiseres] uitbracht, maar hier wordt aan voorbij gegaan. De stelling dat TVM [eiseres] in 2018, al dan niet met tussenkomst van een tussenpersoon, niet als verzekerde zou hebben geaccepteerd wordt niet ondersteund door de feiten. [eiseres] heeft per 1 januari 2019 immers een verzekering bij TVM afgesloten.

4.7.

Rest de vraag of de verzekeringsproducten van TVM en Amlin wel vergelijkbaar zijn. Volgens [gedaagde] vergelijkt [eiseres] appels met peren. Zij stelt dat de lagere premie bij TVM kan worden verklaard doordat TVM niet van dezelfde informatie (over het schadeverleden, (letsel)schadereserve en eerdere beëindiging door HDI ) is uitgegaan als de andere verzekeraars. De gemaakte vergelijking gaat volgens haar bovendien niet op omdat TVM in vergelijking met Amlin minder voertuigen (casco) en voor een lagere waarde verzekert, tegen ongunstigere voorwaarden.

[eiseres] heeft op haar beurt bestreden dat de producten van TVM niet te vergelijken zouden zijn met het verzekeringsproduct van Amlin . Zij erkent dat er inhoudelijke verschillen zijn tussen de offertes van TVM en Amlin , maar volgens haar zijn dit slechts verschillen op detailniveau die hooguit tot een gering premieverschil leiden. [eiseres] verwijst ook naar de trend van de gemiddelde jaarlijkse premies over de periode 2017 tot 2021 waar alleen de premie over 2018 uitspringt.

4.8.

Hierna komen de door [gedaagde] genoemde verschillen achtereenvolgens aan de orde.

Schadeverleden/(letsel)schadereserve/beëindiging TVM

4.9.

De vraag is allereerst of [eiseres] TVM voldoende heeft geïnformeerd over haar schadeverleden. Volgens [gedaagde] is niet duidelijk geworden of [eiseres] aan TVM een juist en volledig schadeoverzicht heeft verstrekt toen zij per 1 januari 2019 klant werd bij TVM, omdat uit de overgelegde correspondentie enkel blijkt dat er informatie over een schadeverleden is verstrekt, maar niet welk schadeverleden. [gedaagde] wijst er op dat het schadeverleden in de praktijk van doorslaggevend belang is voor een verzekeraar bij de beslissing om al dan niet een offerte uit te brengen, en steeds van belang is bij het vaststellen van de hoogte van de te offreren premie. In dat kader weegt volgens [gedaagde] ook de aanwezigheid (en omvang) van de schadereserve mee en het feit dat de verzekering eerder (eenzijdig) is beëindigd door HDI .

4.10.

[eiseres] heeft nadrukkelijk bestreden dat zij onvolledige en onjuiste informatie heeft verstrekt aan TVM. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij wel degelijk de volledige geschiedenis van januari 2014-augustus 2018 heeft doorgegeven aan TVM heeft [eiseres] verwezen naar emailberichten waarin zij [gedaagde] verzoekt om informatie over haar schadeverleden waarop [gedaagde] haar op 18 november 2018 digitaal het gevraagde schadeoverzicht (in twee bestanden) over de jaren 2014-2017 stuurde. Volgens [eiseres] heeft zij dit overzicht vervolgens integraal en ongewijzigd doorgestuurd naar haar contactpersoon bij TVM en heeft zij deze contactpersoon ook overigens voldoende geïnformeerd.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat niet voldoende is gebleken dat [eiseres] heeft gehandeld in strijd met haar waarheidsplicht (artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het mag zo zijn dat niet duidelijk wat in de bij de email van [eiseres] aan TVM gevoegde bijlage ‘scan.pdf’ (een bestand) over haar schadeverleden staat, vast staat wel dat TVM zich daarna voldoende geïnformeerd achtte. Gebleken is dat TVM per email van 20 november 2018 (direct na ontvangst van de scan) nog heeft gevraagd om de schadegegevens van 2017 en 2018 op te sturen, maar daaruit valt niet af te leiden dat [eiseres] informatie heeft achterhouden over haar schadeverleden en schade reserve. Hieruit blijkt veeleer dat TVM aandacht had voor deze gegevens, waarmee aannemelijk is dat zij deze heeft betrokken bij de haar verstrekte offerte.

4.12.

Het is gebleken dat [eiseres] TVM in verband met de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst door HDI in 2017 op de vraag ‘heeft een verzekeringsmaatschappij ooit (…) een contract met u opgezegd’ heeft geantwoord ‘nee’. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis daarvan echter ook niet worden aangenomen dat zij onjuiste informatie heeft verstrekt. Volgens [gedaagde] had [eiseres] de vraag met ‘ja’ moeten beantwoorden omdat HDI de overeenkomst per 1 januari 2018 heeft opgezegd vanwege de ongunstige schade/premiestatistiek van [eiseres] en heeft zij TVM op het verkeerde been heeft gezet door dit niet te doen. De ongunstige schade/premiestatistiek was ook de reden waarom verschillende verzekeraars geen offerte wilden uitbrengen vanwege het schadeverleden van [eiseres] , aldus [gedaagde] . [gedaagde] stelt dat het daarmee ook de vraag is of TVM een (zelfde) offerte aan [eiseres] had willen uitbrengen als TVM had geweten dat TDI de overeenkomst met [eiseres] had beëindigd.

4.13.

De rechtbank volgt [gedaagde] hier niet in. Geoordeeld wordt dat [eiseres] terecht heeft aangevoerd dat zij de vraag naar de opzegging in redelijkheid zo heeft mogen begrijpen dat daarvoor sprake moest zijn van nalatigheid van haar kant en dat daarmee niet werd bedoeld het eindigen van de jaarlijkse verzekering op initiatief van de verzekeraar om commerciële redenen. Voor afwijzing van de vordering op grond van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dan ook geen plaats.

De rechtbank gaat er vanuit dat [eiseres] op basis van dezelfde informatie en uitgangspunten bij TVM een offerte heeft opgevraagd als de informatie die zij de andere verzekeraars verstrekte.

Aantal voertuigen/waarde voertuigen/andere voorwaarden

4.14.

Volgens [gedaagde] gaat de door [eiseres] gemaakte vergelijking ook niet op omdat is gebleken dat TVM – in vergelijking met Amlin – minder voertuigen verzekert bij TVM, minder voertuigen casco verzekert bij TVM en minder waarde verzekert bij TVM. Dit leidt al tot een premieverschil van ongeveer € 30.000,00, aldus [gedaagde] .

4.15.

Ter toelichting merkt [gedaagde] het volgende op:

- De offerte van TVM is gebaseerd op 22 voertuigen, waar Amlin 24 voertuigen verzekerde. Het ontbreken van deze twee voertuigen betekent volgens [gedaagde] al een jaarlijkse premiebesparing van € 7.140,00.

- [gedaagde] somt daarnaast op welke voertuigen op de polis van TVM niet (volledig) casco zijn verzekerd en bij Amlin wel. Dit leidt volgens [gedaagde] tot een jaarlijkse premiebesparing van € 7.305,20.

- Verder was het wagenpark van [eiseres] bij Amlin verzekerd tegen een totale (nieuw- en dag)waarde van € 599.261,00 terwijl het wagenpark van [eiseres] bij TVM is verzekerd tegen een totale waarde van € 476.472,00. Het spreekt volgens [gedaagde] vanzelf dat dit een lager risico meebrengt voor TVM en tot een lagere verzekeringspremie leidt. Zij begroot dit premieverschil op € 15.710,52. Ook dit gegeven maakt volgens [gedaagde] dat de offertes onvergelijkbaar zijn.

Over de overige voorwaarden merkt [gedaagde] op dat de maximaal verzekerde som in geval van aansprakelijkheid voor letsel bij TVM € 1.400.000,00 lager is en dat de bonus/malus-systematiek ongunstiger is voor [eiseres] dan bij Amlin : de no-claim korting kan bij Amlin oplopen tot 75% waar de no claim korting bij TVM is gemaximeerd op 50% (in trede 10). Daarnaast verliest [eiseres] deze no claim korting bij TVM sneller dan bij Amlin . Dit verklaart volgens [gedaagde] een groot deel van het resterende premieverschil. Verder is nog relevant dat [eiseres] zich rechtstreeks tot TVM heeft gewend zodat zij geen provisie verschuldigd was.

4.16.

De vraag is of [gedaagde] hiermee voldoende heeft onderbouwd dat het gaat om dermate grote verschillen dat de offertes van TVM en Amlin – en de daarbij behorende premies – niet te vergelijken zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. [eiseres] heeft op de verschillende onderdelen verweer gevoerd. Naar aanleiding de stelling dat in de offerte van TVM minder auto’s zijn opgenomen heeft zij opgemerkt dat voertuigen zijn vervangen, wat gevolgen had voor de omvang van de verzekeringen, en dat ook de afschrijvingen van invloed zijn geweest. Volgens haar zijn ook de andere verschillen slechts verschillen op detailniveau die hooguit tot een gering premieverschil leiden en had [gedaagde] in het adviestraject bij het afsluiten van de verzekering voor 2018 op onderdelen ook anders kunnen adviseren.

Gelet op dit verweer lag het vervolgens op de weg van [gedaagde] om voldoende onderbouwd te stellen dat de geconstateerde verschillen wel een afdoende verklaring bieden voor de grote verschillen in premie tussen de producten van TVM en Amlin , maar uit haar (nadere) stellingen komt dit onvoldoende naar voren. Daaruit blijkt namelijk niet dat TVM [eiseres] een geheel andere dekking met een ander kwaliteitsniveau biedt dan Amlin deed.

Schending zorgplicht

4.17.

[gedaagde] was als assurantietussenpersoon tegenover haar opdrachtgever [eiseres] verplicht de overeenkomst met zorg uit te voeren. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagde] dat niet in voldoende mate heeft gedaan. [eiseres] had [gedaagde] vanwege het grote premieverschil in de gegeven omstandigheden moeten wijzen op de optie om bij TVM te informeren voor een verzekering voor haar wagenpark. Door dit niet te doen heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank niet de zorg betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon mag worden verwacht. Dit betekent dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst van opdracht en dat zij gehouden is de schade als gevolg daarvan te vergoeden.

Eigen schuld

4.18.

Vervolgens is aan de orde of er aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden zijn die aan de schade hebben bijgedragen. [gedaagde] beroept zich er op dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] omdat zij ondanks de aanzienlijke premieverhoging heeft ingestemd met de offerte van Amlin zodat op grond daarvan de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van [eiseres] moet blijven.

4.19.

De rechtbank overweegt het volgende. Bij eigen schuld is het uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, naar rato van de causaliteit van die omstandigheden (artikel 6:101 lid 1 BW). De vraag of sprake is van eigen schuld hangt nauw samen met de vraag of de zorgplicht is geschonden. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] [eiseres] ten onrechte niet heeft gewezen op de mogelijkheid om bij TVM te informeren. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd waarom [eiseres] dan desondanks zelf voldoende alert had moeten zijn, temeer omdat sprake was van een jarenlange samenwerking en dat zij daarom vertrouwde op het advies van [gedaagde] . Aan [eiseres] kan onder die omstandigheden geen verwijt worden gemaakt ten aanzien van het feit dat zij ervoor heeft gekozen om in te gaan op het voorstel van [gedaagde] om een verzekeringsovereenkomst te sluiten met Amlin . Feitelijk verwacht [gedaagde] nu, achteraf, dat [eiseres] haar adviezen niet serieus neemt en dat [eiseres] , door dat wel te doen, verwijtbaar zou handelen.

Schade en causaal verband

4.20.

[eiseres] vordert betaling van een schadebedrag van € 43.391,44. Zij baseert deze vordering op het premieverschil tussen de offerte van Amlin en de indicatie van TVM voor het jaar 2018. De rechtbank acht dit uitgangspunt redelijk. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.21.

Hiervoor is al overwogen dat er vanuit wordt gegaan dat de vergelijking tussen de beide offertes opgaat. Dit werkt ook door bij de schadeberekening. Evident is dat er op onderdelen verschillen zijn maar onvoldoende gebleken is dat dit tot het aanzienlijke premieverschil leidt waarop [gedaagde] zich beroept. [eiseres] erkent bijvoorbeeld dat zij per 1 januari 2019 twee bestelwagens heeft verkocht en dat [gedaagde] terecht heeft betoogd dat dit tot een premiedaling leidt. Zij stelt daar echter tegenover dat de beide voertuigen waren afgeschreven en dat medio januari 2019 twee nieuwe bestelwagens door haar zijn aangeschaft die bovendien volledig casco werden verzekerd in plaats van beperkt casco, waarmee de eerdere premiebesparing is teniet gedaan. Het is volgens [eiseres] bovendien juist dat, zoals [gedaagde] heeft betoogd, de verzekerde waarde tussen Amlin (2018) en TVM (2019) verschilt. [eiseres] stelt echter dat dit grotendeels met de jaarlijkse afschrijving correspondeert, wat niet onaannemelijk is. Ook voor andere verschillen heeft [gedaagde] tegenover het verweer van [eiseres] geen afdoende verklaring gegeven. Uit de stellingen van [gedaagde] over het aantal schadegevallen in 2018, de verschillende bonus/malussystematiek, direct-writing en de premietoeslag kan in ieder geval niet in voldoende mate worden afgeleid hoe dit verdisconteerd zou moeten worden in de schadevergoedingsvordering.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] bovendien terecht gesteld dat [gedaagde] haar bij de besprekingen eind 2018 ook anders had kunnen adviseren: bijvoorbeeld over al dan niet beperkt casco in plaats van volledig casco verzekeren van bepaalde voertuigen en over het beperken van de dekking van letselschade op de polis van Amlin .

4.22.

De conclusie is dat voor de schadeberekening tot uitgangspunt wordt genomen: het verschil tussen offertes van Amlin en TVM. De rechtbank betrekt daarbij ook dat gebleken is dat sprake is van een gelijkmatige trend van de gemiddelde jaarlijkse premies die [eiseres] verschuldigd was over de periode 2017 tot 2021 en alleen de premie van Amlin over 2018 naar boven uitspringt.

De gevorderde schade van € 43.391,44 wordt dan ook toegewezen.

4.23.

De wettelijke rente is niet weersproken en wordt toegewezen zoals gevorderd.

De kosten

4.24.

[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 1.208,91 aan buitengerechtelijke kosten. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht en dat het gevorderde bedrag als een redelijke vergoeding worden aangemerkt. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.

4.25.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiseres] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 84,00

- griffierecht 1992,00

- salaris advocaat 3.342,00 (3,0 punt × tarief € 1.114,00 )

Totaal € 5.418,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 43.391,44 aan schadevergoeding

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.208,91 aan buitengerechtelijke kosten,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 5.418,00,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2021.1

1 type: HH (4182) coll: