Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:3591

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
1612949320
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige. Tweemaal poging zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.129493.20 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 juni 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.P. Altena en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Veenstra, advocaat te Almere, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer 1] , bijgestaan door mr. R.G. van der Laan, advocaat te Leiden, en mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam, namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] , en [A] , jeugdreclasseerder van [instelling 1] , naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. primair

op 12 mei 2020 te Lelystad heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven door hem met een mes meerdere keren in de rug te steken;

Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als mishandeling.

2. primair

op 12 mei 2020 te Lelystad heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes meerdere keren in de arm en/of schouder en/of het bovenbeen te steken;

Subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling.

3.

op 12 mei 2020 te Lelystad openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag jegens [slachtoffer 1] . Hij acht het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde. Zij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Voor feit 2 primair dient vrijspraak te volgen omdat er geen opzet is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Er is sprake geweest van een mishandeling, zoals onder 2 subsidiair ten laste gelegd, maar omdat verdachte uit noodweer heeft gehandeld, dient ook voor dat feit vrijspraak te volgen. Ten slotte moet verdachte ook van de onder 3 ten laste gelegde openlijke geweldpleging worden vrijgesproken omdat onduidelijk is met wie verdachte in vereniging zou hebben gehandeld en welke geweldshandelingen zouden zijn verricht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van feit 1 primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Vast staat dat verdachte met een mes in de onderrug van [slachtoffer 1 (voornaam)] heeft gestoken, ter hoogte van de ruggengraat. De steekverwonding is met twee hechtingen gehecht en er werden op de röntgenfoto geen aanwijzingen gezien voor intern letsel. De plek in het lichaam waar [slachtoffer 1 (voornaam)] is gestoken in combinatie met de verklaring van verdachte dat hij bewust koos voor een plek waar het niet al te gevaarlijk of schadelijk zou zijn, maken dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet heeft gehad op de dood, ook niet in voorwaardelijke zin. De kans dat door de messteek fataal letsel zou ontstaan is niet zodanig groot dat daardoor reeds kan worden gezegd dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood van [slachtoffer 1 (voornaam)] zou intreden.

Bewijsmiddelen voor de feiten 1, 2 en 3 1

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan en verklaard dat hij op 12 mei 2020 op de afgesproken plek bij het fietspad bij de basisschool [naam basisschool] was, dat is de [straatnaam 1] in [plaatsnaam 1] . [slachtoffer 1 (voornaam)] zag daar dat verdachte en [B (voornaam)] (de rechtbank begrijpt: [B] ) naar hem toe kwamen lopen. Verdachte gaf hem een harde duw. [slachtoffer 1 (voornaam)] viel samen met verdachte op de grond. Hij lag met zijn buik op de grond. Hij is gaan zitten omdat hij last had van zijn neus en mond. Toen hij opstond, voelde hij dat zijn rug nat was. Hij hoorde van [C (voornaam)] (de rechtbank begrijpt: [C] ) dat hij bloedde. Daarop zag hij verdachte in de richting van [slachtoffer 2 (voornaam)] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) rennen met een mes in zijn hand. Hij zag dat verdachte [slachtoffer 2 (voornaam)] met het mes in zijn rechter bovenarm stak. Het bloed spoot uit zijn arm.2 Bij de rechter-commissaris verklaarde [slachtoffer 1 (voornaam)] dat het duwen, trekken en slaan was. Verdachte en [B (voornaam)] probeerden hem te slaan. Alleen verdachte raakte hem. Hij heeft drie steekwonden in zijn rug.3

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan en verklaard dat [slachtoffer 1 (voornaam)] met verdachte één op één begon te vechten. [B (voornaam)] kwam ook op [slachtoffer 1 (voornaam)] aflopen. [slachtoffer 2 (voornaam)] heeft [B (voornaam)] toen onderuit geveegd. Het werd een groepsgevecht, waarbij [slachtoffer 2 (voornaam)] met [D (voornaam)] (de rechtbank begrijpt: de broer van verdachte) aan het vechten was. Op een gegeven moment was het gevecht klaar en rende [slachtoffer 2 (voornaam)] weg. Hij keek tijdens het rennen achterom en zag verdachte met een mes in zijn handen staan. Hij rende door en voelde toen wat over zijn rechterarm stromen. Hij zag dat het bloed was.4 De verbalisant die ter plaatse kwam, zag bij [slachtoffer 2 (voornaam)] een bloedende wond van één tot twee centimeter groot op de rechter bovenarm ter hoogte van de schouderkop.5

[B (voornaam)] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2 (voornaam)] terug heeft geslagen.6 Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat [B (voornaam)] [slachtoffer 1 (voornaam)] in zijn gezicht sloeg.7 [getuige (voornaam)] wees de politie de plaats delict aan, namelijk een fietspad dat parallel loopt aan het water aan de achterzijde van de [straatnaam 2] .8

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1 (voornaam)] naar de grond heeft getrokken. Verdachte heeft toen een mes gepakt en dit gericht op het onderlichaam van [slachtoffer 1 (voornaam)] , zodat het niet echt gevaarlijk zou zijn.9 Hij heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] gestoken.10 Hij zag dat [D (voornaam)] in elkaar geslagen werd door [slachtoffer 2 (voornaam)] , [getuige (voornaam)] en [E (voornaam)] . Hij is naar [D (voornaam)] gegaan en heeft [slachtoffer 2 (voornaam)] in zijn arm gestoken. Hij wilde hem raken waar het niet zo schadelijk zou zijn.11

Uit de letselrapportage van [slachtoffer 1 (voornaam)] volgt dat er laag op de rug een steekverwonding is geconstateerd, die gehecht is met twee hechtingen. Tussen de schouderbladen zijn twee snijwonden geconstateerd.12

Uit de letselrapportage van [slachtoffer 2 (voornaam)] volgt dat hoog op de rechter bovenarm een scherp begrensde ellipsvormig huiddefect zichtbaar was. Het betrof een snijverwonding.13

Bewijsoverwegingen voor de feiten 1, 2 en 3

De rechtbank leidt uit het dossier af dat de ruzie tussen onder meer verdachte en [B (voornaam)] enerzijds en [slachtoffer 1 (voornaam)] , [slachtoffer 2 (voornaam)] en een aantal van hun vrienden anderzijds betrekking had op een bedrag van € 50,00 dat [slachtoffer 1 (voornaam)] volgens verdachte van hem had gestolen. Het dossier bevat aanwijzingen dat er via social media een afspraak is gemaakt om deze ruzie uit te praten dan wel uit te vechten. Tijdens het gevecht dat vrijwel direct na de ontmoeting ontstond, zijn [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] door verdachte en [B (voornaam)] geslagen en geduwd – de onder 3 ten laste openlijke geweldpleging acht de rechtbank bewezen. Verdachte heeft op enig moment een mes gepakt en daarmee [slachtoffer 1 (voornaam)] driemaal in de rug gestoken. De onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling acht de rechtbank eveneens bewezen. Ten slotte heeft verdachte [slachtoffer 2 (voornaam)] met het mes in zijn bovenarm gestoken.

Verdachte heeft ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] (feit 2) met opzet gehandeld. Hij stak [slachtoffer 2 (voornaam)] , kennelijk tijdens een worsteling waarbij er voortdurend bewogen werd, in diens bovenarm. Onder die omstandigheden was er de aanmerkelijke kans dat verdachte een slagader in de arm zou raken of dat hij niet de arm, maar het bovenlichaam met daarin vitale organen, bloedvaten en zenuwbanen, zou raken met het mes. Uit de verklaring van verdachte dat hij bewust koos voor de bovenarm omdat hij niet wilde dat het echt gevaarlijk of schadelijk zou zijn blijkt dat verdachte zich ook bewust is geweest van deze aanmerkelijke kans. Door toch met het mes [slachtoffer 2 (voornaam)] in diens bovenarm te steken, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard.

Concluderend is de rechtbank op grond van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1 (voornaam)] , de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2 (voornaam)] en de onder 3 ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1. subsidiair

op 12 mei 2020 te [plaatsnaam 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes meerdere keren in de rug van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair

op 12 mei 2020 te [plaatsnaam 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes een keer in de rechterarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

op 12 mei 2020 te [plaatsnaam 1] openlijk, te weten, op de [straatnaam 2] en/of de [straatnaam 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere personen, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door een of meerdere malen

- in het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan en

- met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen en

- die [slachtoffer 2] te slaan.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Beroep op noodweer ten aanzien van feit 1

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Verdachte werd door meerdere personen tegen onder meer het hoofd geslagen, tegen de grond gewerkt, en ook toen werd er nog doorgetrapt. Verdachte kon zich niet aan de situatie onttrekken en er waren voor hem geen minder verstrekkende middelen binnen handbereik waarmee hij zich effectief tegen de aanval kon verdedigen.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de raadsvrouw aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [slachtoffer 1 (voornaam)] beiden op de grond lagen toen verdachte het mes pakte en [slachtoffer 1 (voornaam)] daarmee in zijn rug stak. [slachtoffer 1 (voornaam)] lag op dat moment op zijn buik. Onder die omstandigheden was er op dat moment geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte. De handelingen van verdachte, namelijk het meermalen steken, kunnen, gelet op diens bedoeling en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet worden aangemerkt als verdedigende handelingen. Het zijn aanvallende handelingen. Reeds om die reden wordt het beroep op noodweer verworpen.

Los daarvan en ten overvloede merkt de rechtbank op dat verdachte, op het moment dat zowel hij als [slachtoffer 1 (voornaam)] op de grond lagen, op had kunnen staan en weg had kunnen lopen. Dat die mogelijkheid er was, blijkt uit het gegeven dat verdachte dit ook daadwerkelijk heeft gedaan nadat hij [slachtoffer 1 (voornaam)] had gestoken. Hij is immers opgestaan en naar zijn broer [D (voornaam)] gegaan die met [slachtoffer 2 (voornaam)] in een gevecht was verwikkeld en heeft toen [slachtoffer 2 (voornaam)] met het mes gestoken. Dat weglopen had verdachte dus ook eerder kunnen doen.

Beroep op noodweer ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft ook ten aanzien van feit 2 bepleit dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld. De broer van verdachte werd door meerdere personen aangevallen, zodat voor verdachte de verdediging van zijn broer, tegen deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, geboden was.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van [slachtoffer 2 (voornaam)] weliswaar worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [D (voornaam)] , de broer van verdachte, maar is niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van de verdachte geboden waren door de noodzakelijke verdediging van zijn broer. De gekozen gedragingen van de verdachte staan – als verdedigingsmiddel – in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte had immers kunnen slaan of trappen, [slachtoffer 2 (voornaam)] van zijn broer af kunnen trekken, de hulp van anderen in kunnen roepen of desnoods kunnen dreigen met het mes. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

De kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

de eendaadse samenloop van:

feit 1 subsidiair en feit 2 primair:

telkens poging tot zware mishandeling;

feit 3:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Beroep op noodweerexces ten aanzien van feit 1

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw – subsidiair – aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft met zijn gedragingen weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden, maar deze overschrijding is het onmiddellijk gevolg geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging, namelijk angst en paniek.

Op grond van de onder punt 6 van dit vonnis vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het verweer wordt verworpen.

Beroep op noodweerexces ten aanzien van feit 2

Ook wat betreft feit 2 heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op noodweerexces. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er bij verdachte sprake was van angst, vrees en/of radeloosheid.

De rechtbank is echter van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat er bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn broer. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij geschrokken was en bang, maar dat enkele gegeven levert geen hevige gemoedsbeweging op als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien was verdachte, zo blijkt uit zijn verklaring, zeer wel in staat om na te denken en het mes bewust op een bepaald deel van het lichaam te richten waar het naar zijn idee minder gevaarlijk zou zijn. Het beroep op noodweerexces faalt daarom en het verweer wordt verworpen.

Toerekenbaarheid

Over verdachte is een rapport opgemaakt van 4 augustus 2020 door A.I. de Zwart , GZ-psycholoog. Uit dit rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een lichte Autismespectrumstoornis die invloed heeft gehad op het maken van keuzes en op zijn gedrag. Geadviseerd wordt verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank is gelet op de conclusies van de deskundige van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot:

- een jeugddetentie van drie maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan Forensische Ambulante Systeem Therapie (FAST);

- een taakstraf van 200 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen jeugddetentie.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om in de strafoplegging mee te nemen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, dat sprake is van eendaadse samenloop en dat verdachte al geruime tijd een bepaalde mate van afstraffing heeft ervaren doordat hij in een streng kader werd geschorst.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling van twee personen door bij de één met een mes in diens onderrug te steken en bij de ander in diens bovenarm. Ook heeft verdachte zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens deze zelfde personen.

De aanleiding hiervoor was een ruzie tussen verdachte en één van de slachtoffers over een bedrag van € 50,00 dat hij volgens verdachte van hem had gestolen. Er is, zo valt uit het dossier op te maken, via social media een afspraak gemaakt om de ruzie uit te spreken dan wel uit te vechten. Eenmaal op de afgesproken plek aangekomen, is er direct een handgemeen ontstaan tussen verdachte en zijn vrienden enerzijds en de slachtoffers en hun vrienden anderzijds. In dat gevecht heeft verdachte beide slachtoffers op enig moment gestoken met het mes. Verschillende jongeren, zowel uit het kamp van verdachte als uit dat van de slachtoffers, zijn getuige geweest van dit voorval.

De rechtbank vindt het uitermate kwalijk en zorgelijk dat verdachte een mes heeft gepakt én gebruikt. Hij heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, die de littekens van het voorval blijvend bij zich dragen. Bovendien heeft hij bij hen en hun families de nodige schrik en angst veroorzaakt. De schriftelijke slachtofferverklaringen geven daar ook blijk van.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 10 mei 2021 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het onder punt 7 van dit vonnis genoemde Pro Justitia rapport van de psycholoog. De psycholoog rapporteert dat het wenselijk is dat verdachte en zijn ouders psycho-educatie krijgen aangaande de diagnose ASS om verdachte tot een zo gunstig mogelijk verdere ontwikkeling te doen komen. Deze vorm van hulpverlening of behandeling kan geboden worden door een instantie als [instelling 2] in de vorm van Forensische Ambulante Systeem Therapie (FAST), eventueel aangevuld met een individueel traject voor verdachte zelf. Verdachte zal namelijk zeer gebaat zijn bij individuele gesprekken waarin hij leert wat zijn sterke en minder sterke kanten zijn en hoe hij al aanwezige vaardigheden kan inzetten ter compensatie van minder sterke vaardigheden. Dit behandeladvies kan opgelegd worden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 7 juni 2021. De Raad noemt het zeer zorgelijk dat verdachte op deze leeftijd al veel bij de politie in beeld komt en op dit moment verdacht wordt van ernstige feiten. De ASS maakt verdachte kwetsbaarder in gevallen waarin anderen het minder goed met hem bedoelen of misbruik van hem willen maken. Verdachte heeft de ASS niet geaccepteerd en weet onvoldoende wat het inhoudt. Het is van belang dat verdachte psycho-educatie krijgt over de ASS, meer over zichzelf leert en hierdoor inzicht krijgt in waar zijn kracht zit en wat zijn leerpunten zijn. De Raad acht een deels voorwaardelijke werkstraf en een deels onvoorwaardelijke werkstraf een passende consequentie voor verdachte. Een voorwaardelijke jeugddetentie heeft de Raad ook overwogen, maar pedagogisch gezien vindt zij een werkstraf passender. Verdachte maakt een positieve ontwikkeling door en het is van belang dat die niet doorkruist wordt. Daarnaast zal de kans op herhaling vooral worden ingeperkt door middel van een behandeling waarin hij leert pro-sociale keuzes te maken en is het van belang dat hij niet wordt beïnvloed door antisociale leeftijdsgenoten. Als bijzondere voorwaarden adviseert de Raad het meewerken aan Forensische Ambulante Systeem Therapie (FAST) of eventuele andere vormen van hulp of begeleiding gericht op ASS vanuit [instelling 2] of een soortgelijke instelling en het volgen van onderwijs dan wel het hebben van dagbesteding.

Ten slotte heeft [A] van [instelling 1] ter terechtzitting verklaard dat de contacten met verdachte goed verlopen. Verdachte heeft aangegeven niet open te staan voor behandeling. Behandeling zal dan ook niet het gewenste effect hebben. Zij heeft gemerkt dat verdachte erg vasthoudend is. Anders dan de Raad adviseert zij een voorwaardelijke jeugddetentie, vanwege de ernst van de feiten en het afschrikkend effect daarvan. Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij wel mee zal werken aan behandeling als de rechtbank hem die oplegt.

De straf

Alles afwegende vindt de rechtbank, met name gelet op de ernst van de feiten, de oplegging van een jeugddetentie passend en geboden. Zij vindt het echter niet nodig dat verdachte opnieuw vast komt te zitten en zal verdachte daarom een geheel voorwaardelijke jeugddetentie opleggen voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank ziet het nut en de noodzaak van behandeling, zoals voorgesteld door de Raad, om verder afglijden te voorkomen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen daarom de bijzondere voorwaarden worden verbonden dat verdachte meewerkt aan Forensische Ambulante Systeem Therapie en het volgen van onderwijs dan wel het hebben van dagbesteding.

Omdat de rechtbank het nodig en passend vindt dat verdachte ook daadwerkelijk de consequenties van zijn handelen ondervindt, zal zij daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uur aan verdachte opleggen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten aan twee pogingen tot zware mishandeling en aan openlijke geweldpleging. Gelet op de inhoud van voornoemde rapportages waaruit blijkt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die aan verdachte zullen worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Gelet op de straffen die aan verdachte zullen worden opgelegd, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.338,97. Dit bedrag bestaat uit € 588,97 materiële schade en € 1.750,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.572,00. Dit bedrag bestaat uit € 200,00 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit. Ook vordert de benadeelde partij € 372,00 aan proceskosten.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van beide vorderingen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot beide vorderingen – indien de tenlastegelegde feiten worden bewezen – op het standpunt gesteld dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partijen en zij daarom vijftig procent van de schade zelf dienen te dragen. Zij heeft geen opmerkingen gemaakt over de door [slachtoffer 1] gevorderde immateriële schade en heeft verzocht de gevorderde schade aan zijn kleding te schatten en te begroten op € 250,00. De door [slachtoffer 2] gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 750,00. De raadsvrouw heeft de door [slachtoffer 2] gevorderde materiële schade niet betwist en zich gerefereerd wat betreft de gevorderde proceskosten.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer 1]

De schade voor zover die betrekking heeft op de materiële schadeposten reis- en parkeerkosten ter hoogte van in totaal € 59,20 komt voor vergoeding in aanmerking. De gevorderde schade aan de kleding zal de rechtbank schatten en begroten op € 300,00, nu er van deze kleding geen bonnen zijn overgelegd. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en schadevergoedingen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden toegewezen, acht de rechtbank de gevorderde vergoeding van € 1.750,00,- voor de geleden immateriële schade billijk. De rechtbank zal de vergoeding voor immateriële schade dan ook voor dit bedrag toewijzen.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 2.109,20 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 mei 2020 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.109,20, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 mei 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting, in verband met de minderjarigheid van verdachte, niet worden aangevuld met gijzeling.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

De vordering van [slachtoffer 2]

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 1.200,00 – te weten een bedrag groot € 200,- aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade – en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 mei 2020 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op grond van het zogenoemde liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent drie punten toe zodat de kosten worden begroot op € 372,00.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.200,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 mei 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting, in verband met de minderjarigheid van verdachte, niet worden aangevuld met gijzeling.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Eigen schuld

Met betrekking tot het door de raadsvrouw gevoerde verweer dat beide benadeelde partijen eigen schuld hebben in het bewezen verklaarde en zij daarom een deel van de schade zelf moeten dragen, vindt de rechtbank dat de schade, ontstaan door het steken met een mes, niet mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelden kan worden toegerekend. De rechtbank passeert daarom dit verweer.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 3 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht

- bepaalt dat de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich onder behandeling zal stellen van [instelling 2] of een soortgelijke instantie, ten einde mee te werken aan Forensische Ambulante Systeem Therapie of eventuele andere vormen van hulp of begeleiding gericht op ASS, op de tijden en plaatsen als door of namens die instantie aan te geven, teneinde zich te laten behandelen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal houden aan de (het gedrag van de veroordeelde betreffende) voorwaarde dat hij onderwijs volgt dan wel een dagbesteding heeft;

- waarbij de gecertificeerde instelling [instelling 1] te [plaatsnaam 2] opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 150 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen jeugddetentie;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 2.109,20, bestaande uit een vergoeding van € 359,20 voor materiële schade en een vergoeding van € 1.750,00 voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2020 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer 1] wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 2.109,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 0 (nul) dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 1.200,00, bestaande uit een vergoeding van € 200,00 voor materiële schade en een vergoeding van € 1.000,00 voor immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2020 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 372,00;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 1.200,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 0 (nul) dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. R.F. van Aalst en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2021.

Mrs. Eigeman en Wiersma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 12 mei 2020 te Lelystad

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1]

opzettelijk van het leven te beroven,

met een mes althans met een scherp voorwerp een of meerdere keren in/op/tegen

de rug althans het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 mei 2020 te Lelystad

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes althans met een scherp voorwerp een of meerdere keren in/op/tegen

de rug althans het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 mei 2020 te Lelystad

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met een mes althans met een scherp

voorwerp een of meerdere keren in/op/tegen de rug althans het (boven)lichaam

van die [slachtoffer 1] te steken;

2

hij op of omstreeks 12 mei 2020 te Lelystad

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes althans met een scherp voorwerp een of meerdere keren

in/op/tegen de (rechter)arm en/of (rechter)schouder althans het (boven)lichaam

van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of

in/op/tegen het (rechter)bovenbeen althans het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft

gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 mei 2020 te Lelystad

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een mes althans met een

scherp voorwerp een of meerdere keren

in/op/tegen de (rechter)arm en/of (rechter)schouder althans het (boven)lichaam

van die [slachtoffer 2] te steken en/of

in/op/tegen het (rechter)bovenbeen althans het lichaam van die [slachtoffer 2] te steken;

3

hij op of omstreeks 12 mei 2020 te Lelystad

openlijk, te weten, op de [straatnaam 2] en/of de [straatnaam 1] , in elk geval op

of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een of meerder personen, te weten [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 1]

door een of meerdere malen

- in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd althans het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan

en/of te stompen en/of

- ( met kracht) tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen en/of

- in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd althans het lichaam van die [slachtoffer 2] te

slaan en/of te stompen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 3 augustus 2020, genummerd MD2R020116-71, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 307. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 67 en 68.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris d.d. 28 september 2020, blad 4 en 5.

4 Pagina 64.

5 Pagina 35.

6 Pagina 102.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 28 september 2020, blad 2.

8 Pagina 35.

9 Pagina 32.

10 Pagina 26.

11 Pagina 32.

12 Pagina 266, 268 en 269.

13 Pagina 244, 246 en 247.