Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:352

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-02-2021
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
UTR 20/4651 en UTR 21/230
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

vovo hangende beroep, 8:86, woningsluiting,13b Opiumwet, sluiting noodzakelijk, maar gevolgen sluiting niet evenredig, obv feiten en verklaring niet aannemelijk dat eiseres wist van drugshadel door meerderjarige zoons, gegrond, bip herroepen,afwijzen vovo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 20/4651 (verzoek om voorlopige voorziening) en UTR 21/230 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Bosma),

en

de burgemeester van Amersfoort , verweerder

(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting De Alliantie, te Hilversum , gemachtigde: K. Sluijs.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten de woning aan de [adres] (de woning) te [woonplaats] te sluiten voor drie maanden vanaf 4 januari 2021 om 15.00 uur.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 31 december 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij wijze van ordemaatregel het primaire besluit geschorst tot uitspraak zal zijn gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2020 via een Skype-beeldverbinding. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Battaloglu.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat eiseres op 6 januari 2021 is gehoord door een ambtelijke commissie over haar bezwaren. Verweerder heeft op de zitting medegedeeld dat de beslissing op bezwaar spoedig zal volgen.

Bij besluit van 18 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit gehandhaafd, waarbij hij de nieuwe datum van de sluiting van de woning heeft bepaald op 10 februari 2021 om 15.00 uur.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het vervolg van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Kabatebe.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Waarom wil verweerder de woning sluiten?

2. Eiseres huurt de woning van Stichting De Alliantie en woont hier met haar

meerderjarige zoon, [zoon 1] . Haar andere zoon, [zoon 2] , staat niet op het adres van eiseres ingeschreven, maar verblijft wel in de woning van eiseres. Op 27 oktober 2020 heeft de politie de zoon van eiseres, [zoon 1] , op straat aangehouden op verdenking van drugshandel op straat. De politie trof 15 bolletjes met witte substantie, 9 bolletjes met bruine substantie en twee ponypacks met daarin een witte substantie aan in zijn broekzak. Uit later onderzoek is gebleken dat deze substanties cocaïne en heroïne betroffen. Nadat [zoon 1] was aangehouden is er direct onderzoek in zijn woning ingesteld. Uit het onderzoek van de politie, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een bestuurlijke rapportage van 12 november 2020, bleek dat in de woning een totale hoeveelheid van 19,2 gram cocaïne en een totale hoeveelheid van 6,89 gram heroïne aanwezig was. Er was dus een ruime handelshoeveelheid harddrugs van 26,09 gram aanwezig in de woning. Verder zijn in de woning 7 telefoons en een losse simkaart aangetroffen, en ook een geldbedrag van

€ 1.445,-, twee weegschaaltjes, een apparaat om plastic zakjes dicht te sealen, zes rolletjes gekleurde plakband om plastic zakjes te sealen en een zak wit poeder, wat fenacetine (versnijdingsmiddel voor cocaïne) bleek te zijn.

3. Gelet op deze omstandigheden vindt verweerder het aannemelijk dat de woning een rol vervulde binnen de keten van drugshandel en heeft de burgemeester besloten om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te sluiten. Op grond van die bepaling is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Cocaïne en heroïne staan op lijst I van de Opiumwet, over harddrugs. In overeenstemming met het door hem gevoerde Beleidsregel Damoclesbeleid gemeente Amersfoort (het Damoclesbeleid) heeft verweerder de woning voor drie maanden gesloten.

4. Het doel van de sluiting is de drugshandel in of vanuit de woning te beëindigen en de bekendheid van de woning als drugspand te doorbreken en de loop naar het pand eruit te halen. De maatregel is een herstelmaatregel en niet bedoeld als straf. De sluiting is er ook op gericht om verdere aantasting van het woon- en leefklimaat rondom de woning te voorkomen. Het algemeen belang daarvan prevaleert boven het belang van eiseres als bewoonster van de woning.

Waarop is de sluitingsbevoegdheid gebaseerd?

5. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel op daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. In het Damoclesbeleid heeft verweerder vastgelegd op welke wijze hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om woningen te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Damoclesbeleid gaat verweerder bij een eerste overtreding van de Opiumwet met betrekking tot de handel in harddrugs in een woning over tot woningsluiting van drie maanden.

6. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan verweerder is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. Het is aan de bestuursrechter om te toetsen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?

7. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester in beginsel bevoegd is om de woning te sluiten, omdat er een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om tot sluiting van de woning over te gaan. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt verweerder overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Bij de beantwoording van die vraag, hanteert de voorzieningenrechter het toetsingskader, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat heeft uiteengezet in de uitspraak van 28 augustus 20191. Daarbij dient in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Aan de voor eiseres mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning – die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht kan vormen – dient een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is. Bij die beoordeling dient in ieder geval te worden betrokken of eiseres een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt en de gevolgen van de sluiting voor eiseres.

Is er een noodzaak om de woning te sluiten?

8. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat bij de woning te beschermen en de openbare orde te herstellen.

9. Eiseres betwist dat haar woning een rol speelt in de drugshandel. Zij woont al jaren in de woning. Noch door haar, noch door haar twee kinderen is in de (directe) omgeving van de woning voor enige overlast gezorgd. De woning staat in de buurt niet bekend als drugspand. Vanuit de woning heeft geen verkoop van drugs plaatsgevonden en de woning kent ook geen aanloop die samenhangt met drugscriminaliteit. Er is dan ook geen sprake van een relatie tussen de woning en het aan drugshandel gelieerde milieu. De overweging van verweerder dat met de sluiting van de woning wordt voorkomen dat de woning opnieuw wordt gebruikt voor handel in harddrugs is onjuist. De woning wordt immers bewoond door eiseres en zij heeft niet in harddrugs gehandeld en is ook geen verdachte. De personen die wel worden verdacht, haar twee meerderjarige zoons, verblijven inmiddels al enkele maanden in detentie en zullen de woning niet (meer) bewonen. Zij kunnen de woning dus ook niet opnieuw gebruiken door de handel in drugs. Daarmee is door feitelijk ingrijpen van politie en justitie al voorkomen dat de woning überhaupt nog kan worden gebruikt voor de handel in drugs. Ook meldt verweerder dat sluiting tot een grotere meldingsbereidheid onder buurtbewoners met betrekking tot drugscriminaliteit leidt. Bij gebrek aan wetenschap wordt dit door eiseres betwist.

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sluiting van de woning noodzakelijk is. Daarbij heeft verweerder belang mogen toekennen aan de hoeveelheid drugs die in de woning aanwezig was, de voorwerpen die zijn aangetroffen in de woning en de ligging van de woning in een kwetsbare woonwijk. In het appartementencomplex wonen ook gezinnen met jonge kinderen. De hoeveelheid drugs die is aangetroffen kan aangemerkt worden als een handelshoeveelheid. Als een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen in een pand, mag aangenomen worden dat het pand een rol vervult binnen een keten van drugshandel. Dit levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd2. Ook het contante geld dat is aangetroffen wijst op handelsactiviteiten. Uit de meldingen bij de politie blijkt dat de woning van eiseres wordt genoemd in relatie tot de drugshandel van haar zoons. Haar zoons hebben bovendien de auto, die op naam van eiseres staat, gebruikt voor handelsactiviteiten. Dit blijkt eveneens uit de bestuurlijke rapportage. Deze omstandigheden maken dat de woning van eiseres de uitvalsbasis was voor de drugshandel van haar zoons. Met een sluiting wordt het pand aan het drugscircuit onttrokken. Verweerder heeft bij zijn keuze om tot sluiting over te gaan ook belang mogen toekennen aan de ligging van de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk. Dat er geen overlast in de buurt zou zijn geconstateerd en dat er geen loop was naar de woning, doet gezien het voorgaande geen afbreuk aan de noodzaak van de sluiting3.

Is de sluiting evenredig?

11. Uit het voorgaande volgt dat de sluiting van de woning in beginsel noodzakelijk is. De voorzieningenrechter zal vervolgens beoordelen of sluiting, gegeven de noodzaak daartoe, ook evenredig is. Voor de beoordeling van de evenredigheid zijn onder meer de verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting van belang.

Verwijtbaarheid

12. Verweerder heeft aangevoerd dat eiseres hoofdhuurder is van de woning en als zodanig wordt zij geacht te weten wat zich in de woning voordoet. Het kan eiseres moeilijk ontgaan zijn dat er meerdere telefoons aanwezig waren en dat in de kledingkasten van haar zoons dure merkkleding hing terwijl zij een uitkering ontvingen. Het kan eiseres volgens verweerder ook niet ontgaan zijn dat de zoons regelmatig werden gebeld en dat zij daarna de woning verlieten. Ook de aangetroffen voorwerpen op de slaapkamers van de zoons, zoals twee digitale weegschaaltjes, plastic zakjes en andere materialen moeten voor eiseres toch te denken hebben gegeven. Verder lag er een zak met fenacetine in de voorraadkast. De drugs en het geld lagen bij de inval in de woning zichtbaar op de slaapkamers van haar zoons. Als hoofdhuurder heeft zij een verantwoordelijkheid om op te letten wat er in de woning gebeurt4 en zij heeft zich onvoldoende van deze verantwoordelijkheid gekweten. Het moet voor eiseres redelijkerwijs mogelijk zijn geweest om de harddrugs en/of de voor de handel bestemde voorwerpen en materialen waar te nemen. Dit betekent voor verweerder dat eiseres een zeker verwijt van de overtreding kan worden gemaakt omdat zij in ieder geval redelijkerwijs heeft kunnen weten wat er in haar woning omging.

13. Eiseres voert aan dat de sluiting niet evenredig is, omdat zij geen weet had van wat er in haar woning gebeurde. Ten onrechte stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres zich onvoldoende van haar verantwoordelijkheid als hoofdhuurder heeft gekweten door niet op de hoogte te zijn (geweest) van wat zich in de woning heeft afgespeeld of in de woning voorhanden is geweest, met name met betrekking tot telefoons en voorwerpen die te maken kunnen hebben met de handel in drugs. Zoals uit de informatie van de politie blijkt zijn de goederen aangetroffen op de slaapkamers van de volwassen zoons. Haar zoons zorgden voor hun eigen kamer en hielden deze schoon en opgeruimd. Bij incidentele controles van deze kamers heeft eiseres geconstateerd dat haar zoons de kamers schoon en opgeruimd hielden en zij heeft daarbij niet geconstateerd dat er drugs aanwezig waren of goederen die bedoeld zijn voor de handel in verdovende middelen of de aanwezigheid van (grote hoeveelheden) contant geld. Zij meent dat zij zich heeft gekweten van haar taak als hoofdhuurder door de kamers incidenteel te bekijken. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat de spullen zijn aangetroffen bij een doorzoeking van de woning door de politie. Zij was niet thuis op dat moment. Zij heeft verder gewezen op haar dagritme. Ze staat vroeg op om naar haar werk te gaan en gaat ook vroeg weer naar bed. Het is voor eiseres op geen enkele wijze duidelijk geweest dat haar zoons betrokken waren bij drugshandel, zodat er voor haar ook geen enkele aanleiding bestond om te waarschuwen of in te grijpen. Zij kon het daarom niet weten en zij had ook niet hoeven weten wat er in haar woning omging.

14. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder tegenover de ontkenning van eiseres te weinig feiten heeft gesteld om aannemelijk te maken dat zij ervan op de hoogte was of had kunnen zijn dat haar woning door haar zoons als uitvalsbasis voor hun drugshandel werd gebruikt. De omstandigheid dat de deur van de slaapkamers van haar zoons openstond op het moment dat de politie de woning doorzocht en dat zij de drugs en spullen zagen liggen, is onvoldoende om aan te nemen dat eiseres ervan op de hoogte moest zijn dat deze spullen in haar woning aanwezig waren. Eiseres was immers niet thuis op het moment dat de politie de woning doorzocht. Zij heeft dus niet kunnen zien wat de politie op dat moment zag. In de bestuurlijke rapportage zijn voorts geen feiten of verklaringen opgenomen die erop wijzen dat de deur van de slaapkamers van de zoons altijd openstond of dat de drugs of aan drugs gerelateerde goederen overal in de woning zichtbaar zijn aangetroffen. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter dat uit de bestuurlijke rapportage niet is af te leiden dat het versnijdingsmiddel dat is aangetroffen in de voorraadkast/gangkast zichtbaar was voor eiseres. Het blijkt immers niet hoe groot de zak met versnijdingsmiddel was, temeer omdat in de bestuurlijke rapportage de woorden ‘zak’ en ‘zakje’ worden gebruikt. Over de telefoons overweegt de voorzieningenrechter dat uit de bestuurlijke rapportage niet blijkt waar die zeven mobiele telefoons zijn gevonden, zodat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres had moeten weten dat er zeven mobiele telefoons zouden zijn. Ook al zouden deze zijn gevonden in de slaapkamers van haar zoons, dan kwam eiseres daar niet, dan wel incidenteel, omdat haar zoons zelf hun slaapkamer schoonmaakten. Verweerder heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Uit de bestuurlijke rapportage zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus onvoldoende feitelijkheden naar voren gekomen om aannemelijk te vinden dat eiseres had moeten weten dat haar zoons handelden in drugs. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder geen eigen onderzoek heeft gedaan of laten doen naar de wetenschap van eiseres of naar feiten waaruit niet anders kan worden afgeleid dan dat zij redelijkerwijs wetenschap moet hebben gehad. Dit ligt wel op de weg van verweerder, omdat verweerder de evenredigheid in acht moet nemen bij zijn besluit om de woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verweerder moet immers een zwaar gewicht toekennen aan de zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning. De ontkenning van eiseres dat zij niet op de hoogte was of had kunnen zijn, heeft verweerder op basis van de feiten die er nu liggen niet kunnen weerleggen op basis van de feiten die in de bestuurlijke rapportage staan.

Wat zijn de gevolgen van de sluiting?

15. Eiseres voert aan dat verweerder op grond van haar persoonlijke omstandigheden moet afzien van de woningsluiting. Zij heeft geen familie die of een sociaal netwerk dat haar tijdelijk onderdak kan bieden. Zij heeft financiële verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst. Als zij ook elders woonruimte moet huren, is dat kostbaar. Zij kan die lasten niet dragen en komt in financiële nood. Eiseres heeft een fulltimebaan in [plaats] en werkt daar via [uitzendbureau] . Haar inkomen is ongeveer € 1.675,- per maand netto exclusief toeslagen. Dit betekent dat eiseres niet in staat is om naast de maandelijkse huur ook huur voor een ander verblijf te betalen, zeker omdat blijkt dat deze kosten hoog zijn. Eiseres heeft een afschrift van haar bankrekeningen overgelegd waaruit volgens haar volgt dat zij niet in staat is om extra woonlasten voor deze drie maanden te betalen. Daarnaast zal de verhuurder overgaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst en wordt eiseres geplaatst op een zogenaamde zwarte lijst, zodat zij bij deze verhuurder niet meer in aanmerking komt voor een sociale huurwoning. Stichting De Alliantie (De Alliantie) is een grote aanbieder van sociale huurwoningen in [woonplaats] . De wachttijd voor sociale huurwoningen in [woonplaats] is 9 jaar, in [plaats] 8 jaar en in [plaats] 6 jaar. Mocht eiseres op de zwarte lijst komen, dan is het verkrijgen van zelfstandige woonruimte volgens eiseres nagenoeg uitgesloten omdat grote verhuurders een verhuurdersverklaring aan De Alliantie zullen vragen. De alternatieve locaties die verweerder noemt bieden volgens eiseres geen oplossing.

16. Verweerder heeft eiseres op verschillende mogelijkheden gewezen om vervangende woonruimte te vinden en gewezen op mogelijkheden om hulp te krijgen bij het vinden van tijdelijke woonruimte. Voor wat betreft de financiële kant heeft verweerder op de zitting gesteld dat eiseres haar auto zou kunnen verkopen om tijdelijk andere woonruimte te huren.

17. De voorzieningenrechter overweegt dat het gevolg van de woningsluiting is dat eiseres de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid om van woningsluiting af te zien. Gelet op de verklaringen op de zitting van verweerder en De Alliantie is het aannemelijk dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk zal worden ontbonden als de woning door verweerder wordt gesloten en dat eiseres vervolgens voor drie jaren op de zwarte lijst van De Alliantie komt te staan. Daarnaast is de kans groot dat andere verhuurders een verhuurdersverklaring aan De Alliantie zullen vragen, zodat er een groot risico bestaat dat deze verhuurders geen huurovereenkomst met eiseres zullen aangaan als blijkt dat de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten en de huurovereenkomst is ontbonden vanwege drugshandel. Naast de directe gevolgen van de sluiting en de financiële consequenties voor eiseres, bestaat daarnaast dus het reële risico dat eiseres de komende jaren niet voor een sociale huurwoning in aanmerking zal komen. De handreikingen die verweerder heeft gedaan zijn weliswaar gemeend, maar de voorzieningenrechter ziet niet in dat eiseres daaraan op dit moment enige woonzekerheid voor de toekomst kan ontlenen.

Conclusie

18. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn die maken dat verweerders handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Dit betekent dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ernst van de overtreding, mede gelet op de ligging van de woning in een kwetsbare woonwijk, de sluiting in beginsel noodzakelijk maakt. Uit de bestuurlijke rapportage of het bestreden besluit blijkt niet dat de aangetroffen hoeveelheid drugs zo omvangrijk is of dat de aangetroffen spullen zodanig gevaarlijk zijn dat sluiting zonder meer aangewezen is. Sluiting is, hoewel in beginsel noodzakelijk, niettemin niet evenredig omdat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres wist of had kunnen weten dat er vanuit haar woning werd gehandeld in drugs. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat eiseres geen wetenschap had of kon hebben van het gebruik van haar woning door haar zoons als uitvalsbasis voor hun drugshandel. Tegen die achtergrond zijn de gevolgen van een sluiting voor de toekomstige woonsituatie van eiseres zeer ingrijpend en onevenredig, omdat het aannemelijk is dat eiseres na sluiting het reële risico loopt dat zij in de toekomst geen passende sociale huurwoning kan krijgen. De voorzieningenrechter heeft zwaar gewicht toegekend aan de gevolgen van de woningsluiting omdat die een inmenging vormt in de rechten die in artikel 8 van het EVRM zijn neergelegd.

19. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 4:84 van de Awb. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verder ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het primaire besluit te herroepen.

20. Omdat onmiddellijk uitspraak is gedaan in de hoofdzaak komt het belang bij de gevraagde voorziening te vervallen.

21. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

22. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.204,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 12 januari 2021, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 1 februari 2021, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.204,-.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 359,- (€ 178,- + € 181,-) aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is uitgesproken en bekendgemaakt op 4 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De voorzieningenrechter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2019:2912

2 Zie uitspraak van de ABRvS van 28 augustus 2019, r.o. 4.1.2 (ECLI:NL:RVS:2019:2912

3 Zie uitspraak van de ABRvS van 1 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1435)

4 Uitspraak van de ABRvS van 2 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2897, r.o. 5.2)