Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:3467

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
C/16/518485 / FO RK 21-225
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging hoofdverblijfplaats en informatierecht stiefouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/518485 / FO RK 21-225

Hoofdverblijfplaats en informatieregeling stiefouder

Beschikking van 18 mei 2021

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. M. van Hunnik,

en

[verzoekster]

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen de stiefmoeder,

advocaat mr. M. van Hunnik,

tegen

[verweerster] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. J. de Haan.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, hierna: de GI,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

1 De procedure

1.1.

De rechter heeft de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het verzoekschrift van vader en de stiefmoeder (met bijlagen), binnengekomen op 8 maart 2021;

  • -

    het F9-formulier van de vader van 8 april 2021 met bijlage;

  • -

    de brief van de GI van 13 april 2021 met bijlagen;

  • -

    de brief van de GI van 14 april 2021 met bijlagen;

  • -

    het F9-formulier van de vader van 16 april 2021 met bijlage;

  • -

    het verweerschrift van de moeder met bijlagen van 16 april 2021, binnengekomen op 19 april 2021.

1.2.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 19 april 2021. Daarbij waren aanwezig:

  • -

    de vader en de stiefmoeder, bijgestaan door hun advocaat;

  • -

    de advocaat van de moeder;

  • -

    mevrouw [A] en mevrouw [B] namens de GI;

  • -

    mevrouw [C] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), via beeldbellen.

De moeder heeft wel een uitnodiging voor de zitting gekregen maar is niet gekomen.

1.3.

De rechter heeft aan [minderjarige 2 (roepnaam)] en [minderjarige 3 (roepnaam)] , de oudste twee zonen van de ouders, gevraagd wat zij van het verzoek ten aanzien van de informatieregeling vinden. Zij hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun mening te geven.

2 Waar gaat het over?

2.1.

De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.

2.2.

Zij hebben samen vijf kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] , roepnaam: [minderjarige 1 (roepnaam)] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2004;

  • -

    [minderjarige 2] , roepnaam: [minderjarige 2 (roepnaam)] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2006;

  • -

    [minderjarige 3] , roepnaam: [minderjarige 3 (roepnaam)] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 3] 2007;

  • -

    [minderjarige 4] , roepnaam: [minderjarige 4 (roepnaam)] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 4] 2010;

  • -

    [minderjarige 5] , roepnaam: [minderjarige 5 (roepnaam)] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum 5] 2013.

2.3.

In de beschikking van 11 juli 2019 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI.

In de beschikking van 20 juli 2020 is de ondertoezichtstelling van de kinderen voor het laatst verlengd tot 11 juli 2021.

2.4.

In de beschikking van 23 juni 2020 is beslist dat [minderjarige 2 (roepnaam)] en [minderjarige 3 (roepnaam)] hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben en dat [minderjarige 1 (roepnaam)] , [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. In de beschikking van 7 juli 2020 zijn [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] met spoed uit huis geplaatst bij de vader. In de beschikking van 20 oktober 2020 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 5 (roepnaam)] en [minderjarige 4 (roepnaam)] bij de vader voor het laatst verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 11 juli 2021. Deze beschikking is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, bekrachtigd in de beschikking van 1 april 2021.

2.5.

De vader verzoekt de rechtbank om te bepalen dat [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben.

2.6.

De vader en de stiefmoeder verzoeken de rechtbank om te bepalen dat de stiefmoeder ten aanzien van [minderjarige 2 (roepnaam)] , [minderjarige 3 (roepnaam)] , [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] het recht heeft om geïnformeerd te worden over en informatie te delen met betrekking tot de verzorging en opvoeding, schoolvoortgang, medische aangelegenheden en al hetgeen op kinderen betrekking heeft door onder meer de school, de hulpverlening en overige instanties of derden aan wie de zorg voor de kinderen tijdelijk worden toevertrouwd. Verder willen zij dat de stiefmoeder het recht heeft om bij gesprekken over deze onderwerpen aanwezig mag zijn.

2.7.

De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. De moeder stelt dat uit de evaluaties van verschillende instanties die de relatie tussen haar en [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] hebben onderzocht blijkt dat zij goed in staat is om aan te sluiten bij de kinderen. De spanning die de kinderen ervaren, wordt veroorzaakt door de spanning die er in het hele systeem is. Door de ingezette hulpverlening is er geen oordeel gegeven wie daarvan de oorzaak is. Omdat de kinderen zich bij beide ouders geliefd voelen, de spanningen in het gehele systeem zitten en er sprake is van een machtiging uithuisplaatsing bij de vader die loopt tot 11 juli 2021, is dit niet het moment om een beslissing over de wijziging van de hoofdverblijf van [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] te nemen. De moeder is het er niet mee eens dat er rust zal ontstaan als de rechtbank nu al een beslissing neemt over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] . Op korte termijn zal waarschijnlijk de traumabehandeling voor het hele gezin starten. Het is juist belangrijk dat de ouders uitdragen naar de kinderen dat zij aan zichzelf gaan werken. Daarmee kunnen ze rust creëren voor de kinderen. Als de hoofdverblijfplaats nu wordt gewijzigd, zal naar [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] worden uitgedragen dat het niet goed is bij de moeder.

Verder heeft de moeder bezwaar tegen het verzoek over het recht op informatie. Hoewel zij SAVE heeft gevraagd om haar te laten kennismaken met de stiefmoeder, is dat nog niet gebeurd. Toch wordt zij op verschillende momenten geconfronteerd met verzoeken om de stiefmoeder te betrekken bij gesprekken met hulpverleners. Deze gang van zaken draagt wat haar betreft niet bij aan het herstel van vertrouwen tussen partijen en dat zal het vaststellen van een informatierecht van de stiefmoeder ook niet doen.

2.8.

De GI kan zich vinden in het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] omdat er daarmee duidelijkheid komt over waar zij zullen opgroeien. Zij verkeren daarover nu in onzekerheid, terwijl het in hun belang is dat zij weten waar zij aan toe zijn. Verder is het noodzakelijk dat er traumabehandeling komt voor het gehele gezin, maar dit komt moeilijk van de grond omdat de GI nog geen passende zorg heeft kunnen vinden.

3 De beoordeling

Beslissing

3.1.

De rechter zal beslissen dat:

  1. [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] voortaan bij de vader zullen wonen;

  2. de stiefmoeder ten aanzien van [minderjarige 2 (roepnaam)] , [minderjarige 3 (roepnaam)] , [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] het recht heeft om geïnformeerd te worden over en informatie te delen met betrekking tot de verzorging en opvoeding, schoolvoortgang, medische aangelegenheden en al hetgeen op kinderen betrekking heeft door onder meer de school, de hulpverlening en overige instanties of derden aan wie de zorg voor de kinderen tijdelijk worden toevertrouwd. Daarnaast zal zij ook de gesprekken over de kinderen op school, de hulpverleningsinstanties en over medische zaken mogen bijwonen.

De rechter zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

Hoofdverblijfplaats

3.2.

Ter zitting heeft de Raad geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] bij de vader vast te stellen omdat zij daar sinds de uithuisplaatsing wonen. [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] hebben behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid. De Raad maakt zich grote zorgen over de huidige situatie waarin de kinderen verkeren, vanwege de spanningen waarmee zij leven en de onzekerheid over hoe het verder gaat. Voor de kinderen is het belangrijk dat de moeder naar hen uitdraagt dat het goed is dat zij nu bij hun vader wonen en dat de moeder en de vader als ouders van hun kinderen de samenwerking verbeteren. Het is belangrijk dat er hulpverlening komt voor het hele systeem.

3.3.

De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] dat zij niet langer in onzekerheid verkeren over het wonen bij hun vader. Op 7 juli 2020 zijn zij uit huis geplaatst omdat de moeder op dat moment niet in staat was om [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] een opvoedingsklimaat te bieden waarin continuïteit van en veiligheid voor hun dagelijkse verzorging en opvoeding waren gewaarborgd. Het Hof heeft in zijn beschikking van 1 april jl. waarin de beslissing tot de uithuisplaatsing is bekrachtigd, vastgesteld dat bij de kinderen sprake is van een zeer ernstige ontwikkelingsbedreiging doordat zij klem en verloren zijn geraakt tussen de ouders. [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] ervaren nog steeds spanning door de strijd tussen de ouders die inmiddels al jaren duurt. De kinderen verkeerden toen en verkeren nu nog steeds in een loyaliteitsconflict en dit is schadelijk voor hun ontwikkeling gebleken.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat de kinderen gebaat zijn bij een stabiele en voorspelbare opvoedsituatie. Deze situatie is op dit moment bij de vader en uit niets is gebleken dat er redenen zijn om deze te veranderen. Met het Hof concludeert de rechtbank dat de kinderen de stabiele situatie nodig hebben voor de ontwikkeling van hun eigen identiteit, zonder dat zij voortdurend in een staat van alertheid zijn en zich conformeren aan wat (zij menen dat) de ouders van hen verwachten. Zolang het onduidelijk blijft waar de kinderen opgroeien, zal dat een onderwerp van strijd blijven de ouders. De vader heeft verteld dat de kinderen stress krijgen zodra zij door hebben dat er weer een zitting is bij de rechtbank. Ook al krijgen zij inhoudelijk niet alles mee, zij pikken kennelijk toch op dat er (nog steeds) strijd is tussen de ouders, dat er rechtszaken zijn en dat het steeds onduidelijk is waar zij gaan opgroeien. De strijd lijkt alleen beslecht te kunnen worden door hierover een beslissing te nemen en vanuit die situatie een behandeling voor het hele systeem te starten.

Informatieregeling voor stiefmoeder

3.5.

De wet kent slechts een wettelijk recht op informatie toe aan de niet met het gezag belaste ouder.1 De rechter kan op verzoek van een ouder hierover een regeling vaststellen zodat de niet met het gezag belaste ouder informatie over een kind krijgt van de met het gezag belaste ouder. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 1:377b en 1:377f BW blijkt dat het recht op informatie niet beperkt is tot de niet met het gezag belaste ouder maar kan worden uitgebreid tot de categorie personen die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. In de jurisprudentie is dit recht ook toegekend aan derden die een nauwe persoonlijke betrekking hebben met een kind.2 Met een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) kan deze categorie personen dan ook aanspraak maken op het recht op informatie. Een dergelijk verzoek moet naar analogie van artikel 1:377b lid 2 BW worden afgewezen indien dit verzoek in strijd is met het belang van de kinderen.

3.6.

De rechtbank is van oordeel dat er tussen [minderjarige 2 (roepnaam)] , [minderjarige 3 (roepnaam)] , [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] en de stiefmoeder een nauwe persoonlijke betrekking bestaat. [minderjarige 2 (roepnaam)] en [minderjarige 3 (roepnaam)] wonen al geruime tijd in het gezin van de vader en de stiefmoeder en [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] sinds hun uit huis plaatsing bij de vader op 7 juli 2020. De vader en de stiefmoeder zijn op [trouwdatum] 2020 getrouwd, als gevolg waarvan zij juridisch een stiefouder is van [minderjarige 2 (roepnaam)] , [minderjarige 3 (roepnaam)] , [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] . Dat de stiefmoeder nu stelt recht te hebben op informatie vanwege de ontstane nauwe persoonlijke betrekkingen, heeft de moeder niet betwist.

3.7.

De rechtbank heeft begrepen dat het geschil zich toespitst op de vraag of de stiefmoeder informatie mag krijgen van de school en de hulpverlening van de kinderen. De vader en de stiefmoeder vinden het belangrijk dat de stiefmoeder in haar dagelijkse rol van medeverzorgende ouder bij zaken die de school en de hulpverlening aangaan betrokken wordt. De moeder wenst de stiefmoeder niet bij de gesprekken over de kinderen te laten betrekken omdat het systeem al teveel onder druk staat en de samenwerking tussen de moeder en de stiefmoeder een doel kan zijn binnen de nog te organiseren behandeling.

3.8.

Hoewel het voorliggende verzoek tot informatieverstrekking niet ziet op het recht op informatie van een van de gezaghebbende ouders aan de stiefmoeder, zijn er redenen om het verzoek wel toe te wijzen. Ten eerste heeft de moeder zich op dit punt niet verweerd. Ten tweede is het in het belang van de kinderen dat de stiefmoeder op de hoogte wordt gebracht van de gang van zaken op school, medische aangelegenheden en andere belangrijke zaken die de kinderen aangaan en dat zij bij de gesprekken hierover met instanties aanwezig kan zijn. De stiefmoeder is immers intensief betrokken bij de verzorging en opvoeding van de vier kinderen.

Tenslotte wil de rechtbank hier nog de opmerking aan toevoegen dat de moeder niets wordt ontnomen door de beslissing aan de stiefmoeder het recht op informatie toe te kennen. De moeder heeft als gezaghebbende ouder immers medezeggenschap over [minderjarige 2 (roepnaam)] , [minderjarige 3 (roepnaam)] , [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] en dat wordt niet aangetast.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

3.9.

De rechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechter geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

Hierna volgt de beslissing. De rechter gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] voortaan hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vader;

4.2.

bepaalt dat de stiefmoeder ten aanzien van [minderjarige 2 (roepnaam)] , [minderjarige 3 (roepnaam)] , [minderjarige 4 (roepnaam)] en [minderjarige 5 (roepnaam)] het recht heeft om geïnformeerd te worden over en informatie te delen met betrekking tot de verzorging en opvoeding, schoolvoortgang, medische aangelegenheden en al hetgeen op kinderen betrekking heeft door onder meer de school, de hulpverlening en overige instanties of derden aan wie de zorg voor de kinderen tijdelijk wordt toevertrouwd

en dat de stiefmoeder het recht heeft gesprekken bij te wonen met betrekking tot de verzorging en opvoeding, schoolvoortgang en medische aangelegenheden;

4.3.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.C. Oostendorp, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

SC

1 Artikel 1:377b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2 Hof Leeuwarden 9 mei 2001, ECLI:NL:GHLEE:2001:BL8165.