Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:3081

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
03-08-2021
Zaaknummer
C/16/518713 / KL ZA 21-65
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Commanditaire vennootschap, uitleg statuten, vordering stille vennoot tot verstrekken controleopdracht aan registeraccountant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/518713 / KL ZA 21-65

Vonnis in kort geding van 17 mei 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat: mr. E.W. Baart te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaten: mr. M.E.C. Lok en mr. F.J. Haasjes te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties van [eiseres] ,

  • -

    de akte overlegging producties van [gedaagde] ,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] ,

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ,

  • -

    de mondelinge behandeling van 3 mei 2021, waarvan aantekening is bijgehouden.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft daarna bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2 Waar gaat het over?

2.1.

[eiseres] is participant in een commanditaire vennootschap waarvan [gedaagde] de beherend vennoot is. [eiseres] vindt dat [gedaagde] haar statutaire verplichtingen niet nakomt. Volgens [eiseres] moet [gedaagde] zorgen voor een controleverklaring bij elke jaarrekening en voor tijdige informatieverschaffing aan [eiseres] als commanditaire vennoot. [gedaagde] betwist de uitleg die [eiseres] aan de statuten geeft en voert aan dat zij [eiseres] voldoende heeft geïnformeerd.

Welke vorderingen heeft [eiseres] ingesteld?

2.2.

[eiseres] vordert in dit kort geding [gedaagde] te veroordelen om:

  1. [naam accountantskantoor] te verzoeken de controle van de jaarrekening 2017 binnen drie maanden na het in deze procedure te wijzen vonnis te voltooien, voorzien van een verklaring van getrouwheid,

  2. binnen één week na het in deze procedure te wijzen vonnis een registeraccountant een controleopdracht te verstrekken voor de jaarrekeningen 2018 en 2019, waarbij een verklaring omtrent de getrouwheid wordt afgegeven, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-,

  3. jaarlijks binnen drie maanden na afloop van elk boekjaar, aan een registeraccountant een controleopdracht te verstrekken, waarbij een verklaring omtrent de getrouwheid wordt afgegeven, en de jaarrekening binnen vier maanden na afloop van elk boekjaar aan de vergadering van vennoten ter goedkeuring voor te leggen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-,

  4. jaarlijks, binnen vier maanden na afloop van elk boekjaar, een begroting op te stellen waarbij een door een accountant getekende omzetverklaring van de exploitant is toegevoegd voor de berekening van de nieuwe huursom, en deze aan de vergadering van vennoten ter goedkeuring voor te leggen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-,

  5. halfjaarlijks, een verslag omtrent de relevante gang van zaken op te stellen en kosteloos aan de vennoten te sturen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,-.

Welke verweren heeft [gedaagde] gevoerd?

2.3.

[gedaagde] voert verweer en onderbouwt dat, samengevat, als volgt. De voorzieningenrechter is niet bevoegd omdat partijen arbitrage zijn overeengekomen. Verder ontbreekt het spoedeisend belang en lenen de vorderingen van [eiseres] zich niet voor een beoordeling in kort geding. Daarnaast geeft [eiseres] een onjuiste uitleg aan de statuten, is [gedaagde] verschillende informatieverplichtingen al nagekomen en valt het [eiseres] te verwijten dat de controle van de jaarrekeningen vertraging oploopt. De vorderingen van [eiseres] moeten volgens [gedaagde] worden afgewezen.

Tot welk oordeel komt de voorzieningenrechter?

2.4.

De voorzieningenrechter komt in dit vonnis tot het oordeel dat [gedaagde] [naam accountantskantoor] moet verzoeken de controle van de jaarrekening 2017 van de commanditaire vennootschap [naam gedaagde] C.V. (hierna: de CV) binnen drie maanden te voltooien. [gedaagde] moet ook binnen één week na dit vonnis controleopdrachten voor de jaarrekeningen 2018 en 2019 aan een registeraccountant verstrekken, op straffe van een dwangsom.

2.5.

De voorzieningenrechter zal de andere vorderingen van [eiseres] afwijzen. Het gaat om de vorderingen waarmee [eiseres] beoogt om in de toekomst nakoming van statutaire bepalingen door [gedaagde] af te dwingen. Die vorderingen lenen zich gelet op hun aard niet voor een beoordeling in kort geding, omdat de vereiste spoedeisendheid ontbreekt.

2.6.

De voorzieningenrechter zal de beoordeling van de vorderingen hierna motiveren. Allereerst gaat de voorzieningenrechter in op de bevoegdheidsvraag. Daarna komt de verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] aan de orde. Vervolgens gaat de voorzieningenrechter achtereenvolgens in op de uitleg van art. 15 van de statuten, op de verplichtingen die het artikel met zich brengt en op de vorderingen van [eiseres] die samenhangen met het artikel. Ten slotte behandelt de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiseres] die gaan over gestelde toekomstige verplichtingen van [gedaagde] .

3 De beoordeling van de vorderingen

Bevoegdheid voorzieningenrechter

3.1.

[gedaagde] heeft voorafgaand aan het inhoudelijk verweer aangevoerd dat de voorzieningenrechter onbevoegd is omdat partijen in art. 22 van de statuten van de CV arbitrage zijn overeengekomen. [eiseres] heeft dat weersproken onder verwijzing naar art. 22 lid 6 van de statuten, waarmee partijen volgens [eiseres] , naast arbitrage, de bevoegdheid van de gewone burgerlijke rechter voor kort gedingen zijn overeengekomen.

3.2.

De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat hij bevoegd is te oordelen over de vorderingen. Partijen hebben in art. 22 lid 6 van de statuten van de CV bepaald dat het arbitragebeding geen wijziging brengt in de bevoegdheid van de voorzieningenrechter in kort geding. De door [gedaagde] voorgestane uitleg van het arbitragebeding ziet op de situatie dat partijen een dergelijke uitzondering niet hebben gemaakt. In die gevallen is een voorzieningenrechter op grond van art. 1022a jo art. 1022c Rv uitsluitend bevoegd indien de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden gekregen. Die situatie doet zich hier niet voor omdat de voorzieningenrechter zijn bevoegdheid niet ontleent aan art. 1022a Rv, maar aan art. 22 lid 6 van de statuten van de CV.

De verhouding tussen partijen

3.3.

De heer [A] (hierna: [A] ) is bestuurder van [gedaagde] . [A] is omstreeks 2014 gestart met de ontwikkeling van een vastgoedobject in [vestigingsplaats] tot een hotel-restaurant. De heer [B] was geïnteresseerd in de ontwikkeling en heeft in 2015, via zijn vennootschap [eiseres] , besloten om te investeren in het vastgoedobject. Ten behoeve van de investeringen in het vastgoedobject is de CV opgericht. [eiseres] houdt 21 participaties in de CV, waarvoor hij in 2015 in totaal € 1.050.000,- heeft betaald. Daarmee houdt [eiseres] 91 procent van het participatiebelang in de CV. De CV heeft onder meer met de inleg van [eiseres] de (economisch) eigendom van het vastgoedobject in [vestigingsplaats] verworven.

3.4.

[gedaagde] is de beherend vennoot van de CV en is op grond van een directie- en beheersovereenkomst belast met het beheer van de CV en het door de CV verworven vastgoedobject. [gedaagde] heeft namens de CV een huurovereenkomst gesloten met [gedaagde] B.V., de uitbater van het hotel-restaurant in [vestigingsplaats] .

3.5.

In 2016 is tussen [eiseres] en [gedaagde] discussie ontstaan over de informatievoorziening aan [eiseres] . [eiseres] vond, kort samengevat, dat zij onvoldoende informatie kreeg over de bouw- en stichtingskosten van het vastgoedobject, over de rol van [A] als aandeelhouder van [gedaagde] B.V. (de exploitant van het hotel-restaurant) en over de ontwikkeling en verkoop van een naastgelegen perceel grond. [gedaagde] vond daarentegen dat zij [eiseres] ruimschoots voldoende had geïnformeerd, mede door [eiseres] zelfs de gelegenheid te bieden om zelf een boekenonderzoek te laten uitvoeren. [eiseres] stelde zich volgens [gedaagde] ten onrechte op als beheerder of bestuurder van de CV. [eiseres] heeft over onder meer de kwestie van de informatievoorziening in 2018 een arbitrageprocedure bij het NAI aanhangig gemaakt. Het NAI heeft de vorderingen van [eiseres] afgewezen.

3.6.

Partijen discussiëren daarnaast al geruime tijd (en zeer uitvoerig) over de vraag of [gedaagde] de jaarrekeningen conform de statuten van de CV laat opstellen en of [gedaagde] [eiseres] conform de statuten informeert. In 2015 en 2016 heeft [eiseres] de (samengestelde) jaarrekeningen van de CV nog goedgekeurd, maar vanaf de jaarrekening 2017 heeft [eiseres] geëist dat [gedaagde] een controleopdracht aan een registeraccountant verstrekt. [gedaagde] vond dat in eerste instantie niet noodzakelijk, maar heeft daar later mee ingestemd, mits [eiseres] voor de controlekosten een financiering aan de CV zou verstrekken. [eiseres] heeft die financiering in 2019 verstrekt en daarop heeft [gedaagde] medio 2019 aan een registeraccountant van [naam accountantskantoor] een controleopdracht verstrekt. De controle van de jaarrekening 2017 van de CV was tijdens de mondelinge behandeling nog niet afgerond, onder meer omdat partijen van mening verschillen over de vraag wie de aanvullende kosten van de controle moet dragen. [gedaagde] heeft nog geen controleopdrachten voor de jaarrekeningen 2018 en 2019 van de CV verstrekt.

3.7.

Ten slotte zijn [eiseres] en [gedaagde] het ook niet eens over de wijze waarop [gedaagde] de begrotingen en de (half)jaarlijkse rapportages aan [eiseres] voorlegt. [gedaagde] verstrekt [eiseres] met enige regelmaat updates maar volgens [eiseres] zijn die updates incompleet en niet op tijd. Partijen hebben hierover uitvoerig gecorrespondeerd zonder dat zij over deze informatievoorziening tot overeenstemming zijn gekomen.

De uitleg van art. 15 lid 2 van de statuten

3.8.

De voorzieningenrechter gaat eerst in op de betekenis van art. 15 lid 2 van de statuten van de CV (hierna: Artikel 15). Dat artikellid bepaalt:

2. Binnen drie (3) maanden na afloop van ieder boekjaar alsmede bij ontbinding van de Vennootschap in de loop van enig boekjaar, sluit de Beherend Vennoot de boeken van de Vennootschap en maakt hij een balans en een winst- en verliesrekening op, voorzien van een toelichting, welke stukken, ten bewijze van hun goedkeuring door de Vergadering van Vennoten worden vastgesteld binnen vier (4) maanden na afloop van het boekjaar respectievelijk het einde van de Vennootschap. De jaarrekening dient te zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een registeraccountant, aan wie de Beherend Vennoot de opdracht tot onderzoek van de jaarrekening heeft verstrekt.

3.9.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat statuten objectief moeten worden uitgelegd. Daarbij is de tekst van de bepaling leidend, waarbij de wettekst en de kenbare bedoelingen van de opstellers een rol kunnen spelen. Uit de tekst van Artikel 15 volgt dat bij elke jaarrekening van de CV een controleverklaring moet worden afgegeven. De term verklaring omtrent de getrouwheid is namelijk een wettelijke term (zie art. 2:393 lid 5 en 6 BW jo. art. 2:362 BW) en wordt ook wel de accountants- of controleverklaring genoemd.

3.10.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat met verklaring omtrent de getrouwheid ook iets anders kan zijn bedoeld, bijvoorbeeld een beoordelingsverklaring. Een controleverklaring zou gelet op de omvang van de CV niet logisch en nooit bedoeld zijn, aldus [gedaagde] . Deze uitleg van Artikel 15, die afwijkt van de tekst van de bepaling, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Uit niets blijkt dat partijen bij het opstellen van de statuten hebben gesproken over een beoordelingsverklaring of anderszins hun bedoelingen bij Artikel 15 hebben besproken. Daar komt bij dat [eiseres] naar voren heeft gebracht dat het vereiste van een controleverklaring bij een CV van beperkte omvang vaak ten behoeve van stille vennoten wordt opgenomen. [gedaagde] heeft dit onvoldoende weersproken en uit e-mails van accountants (die [gedaagde] zelf in het geding heeft gebracht) blijkt dat een controleverklaring voor kleine vennootschappen onder bepaalde omstandigheden wel aangewezen kan zijn, bijvoorbeeld als dat verplicht is gesteld door een financier. Ten slotte heeft [gedaagde] bij de jaarrekeningen 2015 tot en met 2019 evenmin beoordelingsverklaringen laten opstellen. Daarmee staat vast dat [gedaagde] niet heeft gehandeld in lijn met de uitleg van de statuten die zij in deze procedure voorstaat. De door [gedaagde] verdedigde partijbedoeling bij Artikel 15 is daarom niet aannemelijk.

3.11.

De conclusie is dat een redelijke en waarschijnlijke uitleg van Artikel 15 met zich brengt dat [gedaagde] verplicht is om de jaarrekeningen van de CV binnen vier maanden na afloop van het boekjaar door een registeraccountant te laten controleren.

Nakoming van Artikel 15

3.12.

Voor de vraag of [gedaagde] op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan haar statutaire verplichting zal de voorzieningenrechter eerst ingaan op de controle van de jaarrekening 2017 (vordering 1 van [eiseres] ) en daarna op de controle van de jaarrekeningen 2018 en 2019 (vordering 2 van [eiseres] ).

3.13.

[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij voor de jaarrekening 2017 al een controleopdracht aan [naam accountantskantoor] heeft verstrekt. De afronding van die opdracht heeft volgens [gedaagde] vertraging opgelopen door, onder meer, het uitblijven van financiering door [eiseres] en door vragen die [eiseres] heeft gesteld. Daarom is de vordering van [eiseres] die ertoe strekt [naam accountantskantoor] te verzoeken de controle te voltooien niet toewijsbaar, aldus [gedaagde] . [eiseres] heeft dit weersproken.

3.14.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of [eiseres] gehouden is een aanvullende financiering te verstrekken niet relevant is voor de beoordeling van de vordering. [gedaagde] was op grond van Artikel 15 namelijk verplicht om uiterlijk vier maanden na het boekjaar 2017, en dus uiterlijk 30 april 2018, een gecontroleerde jaarrekening ter goedkeuring aan de vennoten van de CV voor te leggen. Niet in geschil is dat [gedaagde] niet (tijdig) aan die verplichting heeft voldaan en de omstandigheden die [gedaagde] aanvoert als oorzaken van de vertraging, dateren alle van ná 30 april 2018. Die omstandigheden zijn dus niet relevant voor de beoordeling van de vordering die strekt tot nakoming van Artikel 15, zodat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet daarop in te gaan.

3.15.

[gedaagde] heeft daarnaast onvoldoende onderbouwd waarom het uitblijven van een aanvullende financiering van [eiseres] , zo [eiseres] tot het verstrekken daarvan al verplicht zou zijn, haar ontslaat van de plicht de jaarrekening tijdig te laten controleren. De plicht tot het verstrekken van controleopdrachten rust immers op [gedaagde] als beherend vennoot en de verantwoordelijkheid voor de financiering van uit te voeren verplichtingen rust bij de beherend vennoot. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verder aangevoerd dat zij zich al maanden inspant om de controleverklaring gereed te krijgen, maar dat doet niet af aan het feit dat [gedaagde] daarmee ruim drie jaar te laat is.

3.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de eerste vordering van [eiseres] toewijsbaar is. [eiseres] heeft daarbij ook een spoedeisend belang, nu [gedaagde] al geruime tijd nalaat om een statutaire verplichting na te komen en aannemelijk is dat het nakomen van die verplichting mede ten doel heeft de belangen van [eiseres] als commanditair vennoot te waarborgen. De enkele omstandigheid dat [eiseres] heeft gewacht met het instellen van vorderingen in dit kort geding, staat in dit geval niet in de weg aan het aannemen van een spoedeisend belang. Doorslaggevend daarbij is dat [gedaagde] medio 2019 al heeft toegezegd een controleopdracht te zullen verstrekken, maar dat die controle tot op heden nog altijd niet is afgerond. Het lange tijdsverloop is dus ten minste deels te wijten aan het eigen handelen en nalaten van [gedaagde] .

3.17.

Voor de vordering van [eiseres] die ziet op de controle van de jaarrekeningen 2018 en 2019 geldt het volgende. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard bereid te zijn een controleopdracht voor de jaarrekeningen 2018 en 2019 van de CV te verstrekken, mits [eiseres] daarvoor de benodigde financiering beschikbaar stelt. [gedaagde] voert ter onderbouwing aan dat het niet redelijk is om van de CV te verlangen dat zij op aandringen van één vennoot een accountantscontrole moet laten uitvoeren en financieren. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. [gedaagde] is als beherend vennoot verantwoordelijk voor de financiering van (de verplichtingen van) de CV. Het jaarlijks verstrekken van een controleopdracht aan een registeraccountant is onderdeel van die verantwoordelijkheid. Mocht als gevolg van die opdrachtverstrekking een liquiditeitstekort bij de CV ontstaan, dan is het aan [gedaagde] als beherend vennoot om daarvoor een oplossing te vinden, maar dat ontslaat haar niet van haar statutaire plicht om de jaarrekeningen tijdig te laten controleren.

3.18.

Het voorgaande betekent dat ook de tweede vordering van [eiseres] toewijsbaar is. [gedaagde] heeft tegen de termijn geen bezwaar gemaakt en moet daarom binnen één week na dit vonnis een registeraccountant de opdracht verstrekken om de jaarrekeningen 2017 en 2018 te controleren, op straffe van een dwangsom. [gedaagde] heeft over de dwangsom aangevoerd dat die onnodig is omdat uitsluitend de financiering van de accountantscontroles reden is voor het uitblijven ervan, maar dat is door [eiseres] voldoende weersproken. Uit de gang van zaken blijkt dat [gedaagde] om verschillende redenen geen opdracht heeft verstrekt, waarbij [gedaagde] dat meerdere keren af laat hangen van het handelen en de financieringsbereidheid van [eiseres] . De voorzieningenrechter heeft hiervoor al geoordeeld dat die omstandigheden [gedaagde] niet ontslaan van haar plicht om de jaarrekeningen conform Artikel 15 te laten controleren door een registeraccountant. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen.

3.19.

[gedaagde] heeft de voorzieningenrechter verzocht om, in geval van toewijzing van een vordering, daaraan de voorwaarde te verbinden dat [eiseres] eerst aanvullende geldleningen van € 4.362,05 en € 1.815,- aan de CV verstrekt om de controleopdracht 2017 af te kunnen ronden. Die verplichting voor [eiseres] volgt volgens [gedaagde] uit de leningsovereenkomst die partijen in april 2019 hebben gesloten. [eiseres] heeft weersproken dat zij gehouden is een aanvullende financiering aan de CV te verstrekken, omdat de CV in verzuim is met de terugbetaling van (een deel van) de initiële lening. Hoe het ook zij, de CV is (als leningnemer) geen partij in deze procedure. Daar komt bij dat op [gedaagde] als beherend vennoot de plicht rust om de jaarrekeningen tijdig te laten controleren. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom het uitblijven van een al dan niet toegezegde financiering (aan de CV) haar verplichting als beherend vennoot zou opschorten. Daarnaast heeft [gedaagde] het verzoek om andere voorwaarden te verbinden aan toewijzing (zie alinea 9.6 pleitnotities [gedaagde] ) niet voor de tweede vordering gedaan (maar uitsluitend voor de derde vordering van [eiseres] ). Dit betekent dat de voorzieningenrechter de eerste en tweede vordering van [eiseres] zal toewijzen zoals gevorderd.

De overige vorderingen van [eiseres]

3.20.

De vorderingen van [eiseres] zoals hiervoor onder 2.2 met nummers 3, 4 en 5 aangeduid, zien op de nakoming van toekomstige verplichtingen. Voor die (gestelde) verplichtingen is onzeker of [gedaagde] in de nakoming daarvan tekort zal schieten, en waar dat mogelijke tekortschieten in gelegen zal zijn. [gedaagde] heeft ten aanzien van die vorderingen dan ook terecht aangevoerd dat het spoedeisend belang van [eiseres] ontbreekt. Daar komt bij dat [eiseres] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke begroting [gedaagde] niet heeft toegezonden en welke (half)jaarlijkse verslagen ontbreken, zodat de vorderingen ook niet toewijsbaar zijn waar het om (gestelde) verplichtingen van [gedaagde] uit het verleden zou gaan.

Slotsom

3.21.

Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de discussie over Artikel 15 het zwaartepunt in deze procedure is. [gedaagde] zal daarom als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

3.22.

De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 88,27

- griffierecht € 667,00

- salaris gemachtigde € 1.016,00 (1 punten x tarief € 1.016,00)

Totaal € 1.771,27

4 De beslissing

de voorzieningenrechter:

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om [naam accountantskantoor] te verzoeken om de controle van de jaarrekening over 2017 van de CV binnen drie maanden na de dagtekening van dit vonnis te voltooien, waarbij de jaarrekening moet worden voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na de dagtekening van dit vonnis controleopdrachten aan een registeraccountant te verstrekken voor de controle van de jaarrekeningen 2018 en 2019 van de CV, waarbij de jaarrekeningen moeten worden voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag dat hij niet aan de in 4.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt,

4.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.771,27,

4.5.

verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Konings en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. van Jaarsveld op 17 mei 2021.