Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:3076

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-07-2021
Datum publicatie
23-08-2021
Zaaknummer
9068898 UC EXPL 21-1938
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling werkgever tot verlenen medewerking aan beëindiging slapend dienstverband met toekenning van een transitievergoeding. Arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsconflict aangenomen, ondanks weigering WIA-uitkering door het UWV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0945
JAR 2021/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 9068898 UC EXPL 21-1938 MS/1270

Vonnis van 21 juli 2021

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. P.L. Wilke (Stichting Achmea Rechtsbijstand),

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

statutair gevestigd in de gemeente [naam gemeente] en kantoorhoudende te [plaatsnaam] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. W.P. Ganzeboom.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Op 22 juni 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar [eiser] met mr. Wilke is verschenen. Namens [gedaagde] is mr. Ganzeboom verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en hebben op elkaars standpunten kunnen reageren. Zij hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 13 maart 1996 in dienst getreden bij [bedrijfsnaam] B.V. als calculator/werkvoorbereider voor 40 uur per week. Deze onderneming heeft in 2020 haar naam gewijzigd in [gedaagde] B.V. en zal hierna ook [gedaagde] worden genoemd.

2.2.

Op 9 januari 2014 is [eiser] uitgevallen wegens ziekte. De loondoorbetalingsverplichting van [gedaagde] is na 104 weken op 8 januari 2016 geëindigd.

2.3.

Het UWV heeft [eiser] per 8 januari 2016 (deze datum wordt hierna ook aangeduid als: per einde wachttijd) geen WIA-uitkering toegekend. [eiser] heeft aanvankelijk een WW-uitkering gekregen en is per 1 januari 2017 bij een andere werkgever in dienst getreden als projectleider. De arbeidsovereenkomst met [gedaagde] is echter nooit beëindigd.

2.4.

[eiser] heeft [gedaagde] op 30 juli 2020 verzocht in te stemmen met een beëindiging van zijn dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding van € 32.604,02 bruto. [gedaagde] heeft dit (uiteindelijk) geweigerd, omdat zij verwacht dat zij voor de transitievergoeding geen compensatie van het UWV zal krijgen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

primair:

I. tot medewerking aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst (‘het slapend dienstverband’) middels het sluiten van een vaststellingsovereenkomst met toekenning van een transitievergoeding van € 32.604,02 bruto en het vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats te stellen van de wilsverklaring van [gedaagde] ;

subsidiair:

II. binnen drie dagen na betekening van het vonnis de arbeidsovereenkomst zonder inachtneming van de opzegtermijn op te zeggen met instemming van [eiser] (op grond van artikel 7:671 lid 1 BW) onder toekenning van een transitievergoeding van € 32.604,02, op straffe van een dwangsom en vermeerderd met wettelijke rente;

meer subsidiair:

III. binnen drie dagen na betekening van het vonnis aan [gedaagde] (de kantonrechter leest: [eiser] ) te betalen een schadevergoeding van € 32.604,02 bruto wegens handelen in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap zoals vastgelegd in artikel 7:611 BW, op straffe van een dwangsom en vermeerderd met wettelijke rente;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

IV. tot overlegging van de eindafrekening met daarin een deugdelijke bruto/nettospecificatie binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag waarin [gedaagde] daarin nalatig is;

V. tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.198,54 binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis;

VI. tot betaling van de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1734; hierna: de beslissing) volgt dat [gedaagde] in de gegeven omstandigheden op grond van de eisen van goed werkgeverschap verplicht is mee te werken aan de beëindiging van het slapend dienstverband met betaling van de transitievergoeding. Nu [gedaagde] hieraan niet meewerkt, schiet zij toerekenbaar tekort in de nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst.

3.3.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij uit oogpunt van goed werkgeverschap niet gehouden is mee te werken aan een beëindiging van het dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding, omdat bij [eiser] geen sprake is van arbeidsongeschiktheid en de betaling van een transitievergoeding om die reden niet door het UWV wordt gecompenseerd. [gedaagde] wijst erop dat [eiser] zijn verzoek pas vierenhalf jaar na het eindigen van de loondoorbetalingsverplichting heeft ingediend, terwijl hij al lang en breed elders aan de slag was. Dit verzoek heeft volgens [gedaagde] geen ander doel dan te proberen in aanmerking te komen voor de transitievergoeding.

4 De beoordeling

tijdsverloop

4.1.

De kantonrechter merkt over het tijdsverloop het volgende op. Op 8 januari 2016 was het tijdvak van 104 weken waarvoor [eiser] recht had op doorbetaling van loon verstreken. Vanaf dat moment tot januari 2017 heeft hij een WW-uitkering ontvangen. Vanaf januari 2017 is hij bij een andere werkgever in dienst getreden. In de tussentijd is er geen contact geweest tussen hem en [gedaagde] (behalve dan in het kader van een door hem aangespannen procedure tot nabetaling van diverse looncomponenten) tot 30 juli 2020, toen hij het verzoek deed aan [gedaagde] om mee te werken aan een beëindiging van het dienstverband onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding die volgens hem € 32.604,02 bruto bedroeg. Er was toen dus vierenhalf jaar verstreken sinds het einde van de 104 weken-periode en drieënhalf jaar sinds hij bij een andere werkgever in dienst is getreden.

4.2.

Bij deze stand van zaken kan de vraag worden gesteld of nog wel voldaan is aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor de "Xella-vergoeding" dat de arbeidsovereenkomst op die datum, 30 juli 2020, nog wel bestond. [gedaagde] stelt daarover (conclusie van antwoord punt 16) dat zij erkent dat het dienstverband met [eiser] formeel nog in stand is. De kantonrechter zal daar dus van uitgaan. [gedaagde] heeft hieraan toegevoegd dat [eiser] , omdat hij reeds meerdere jaren elders in dienst is, geen invulling meer kan geven aan zijn dienstverband bij haar en dat daarom de norm van goed werknemerschap met zich meebrengt dat [eiser] zelf zijn dienstverband bij [gedaagde] dient op te zeggen. Dit verweer gaat niet op. Dat geen invulling meer kan worden gegeven aan een (slechts) formeel nog bestaand dienstverband is immers juist het kenmerk van een slapend dienstverband zoals in de beslissing bedoeld, en ook overigens is de door [gedaagde] bepleite norm niet in de Xella-beslissing van de Hoge Raad te lezen.

is [gedaagde] verplicht mee te werken aan de beëindiging van het dienstverband?

4.3.

Beoordeeld dient dus te worden of [gedaagde] - gezien de beslissing - op grond van de normen van goed werkgeverschap verplicht is mee te werken aan de beëindiging van het dienstverband met toekenning van een transitievergoeding.

4.4.

De Hoge Raad heeft in deze beslissing onder meer het volgende overwogen:

“Als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder b, BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, geldt als uitgangspunt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW, gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Daarbij geldt dat die vergoeding niet meer behoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen.

Op dit uitgangspunt moet een uitzondering worden aanvaard als – op grond van door de werkgever te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden – de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Zo’n belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer. Zo’n belang kan niet gelegen zijn in de omstandigheid dat de werknemer op het moment dat hij zijn beëindigingsvoorstel doet, de pensioengerechtigde leeftijd bijna heeft bereikt.”

was [eiser] per einde wachttijd arbeidsongeschikt?

4.5.

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of [eiser] per einde wachttijd arbeidsongeschikt was in de zin van artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder b BW (de b-grond).

4.6.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval was. Dat blijkt volgens [gedaagde] uit het feit dat [eiser] van het UWV geen WIA-uitkering heeft gekregen. Er was hooguit sprake van situatieve arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsconflict, maar dat kan volgens [gedaagde] niet worden aangemerkt als arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte in de zin van artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder b BW.

4.7.

[eiser] stelt zich naar het oordeel van de kantonrechter terecht op het standpunt dat het enkele feit dat het UWV hem per einde wachttijd geen WIA-uitkering heeft toegekend, niet betekent dat hij niet arbeidsongeschikt was in de zin van artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder b BW. Voor de toekenning van een WIA-uitkering geldt immers een andere definitie van arbeidsongeschiktheid dan in het Burgerlijk Wetboek en wordt de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald door een vergelijking tussen het maatmanloon en de restverdiencapaciteit. Bij de beoordeling of sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder b BW is van belang of de werknemer als gevolg van ziekte of gebreken niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten. Er wordt in dat geval - anders dan bij de WIA-beoordeling - dus niet gekeken naar iemands restverdiencapaciteit maar alleen naar (on)geschiktheid om de bedongen arbeid bij de eigen werkgever te verrichten.

4.8.

Anders dan [gedaagde] stelt, betekent de omstandigheid dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] verband houdt met een arbeidsconflict, niet dat er alleen hierom al geen sprake zou kunnen zijn van ziekte of gebrek in de zin van artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder b BW. Ook een arbeidsconflict kan immers leiden tot medische beperkingen die zijn aan te merken als ziekte of gebrek in de zin van dit artikel. Hierna zal aan de hand van de beschikbare medische gegevens worden beoordeeld of dit bij [eiser] inderdaad het geval was.

de rapportages van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts

4.9.

De bedrijfsarts heeft op 24 september 2015 in het document ‘Actueel oordeel bedrijfsarts of arbodienst’ het volgende standpunt over de arbeidsgeschiktheid van [eiser] voor zijn werk bij [gedaagde] ingenomen:

4 Verloop van de ongeschiktheid tot werken

Betrokkene is uitgevallen voor zijn werk als calculator met medisch mentale klachten als gevolg van een opgelopen en ervaren werkdruk in combinatie met werkgerelateerde factoren. Adewquate behandeling volgde in eerste maanden. Omdat er in die tijd ook een conflict ontstond met werkgever, lostte de medische klachten niet meer op. Inzet van mediation, tot 2 maal toe, heeft niet geleid tot afronden van het conflict. Uiteindelijk werd besloten tot inzet van spoor 2. Bij actueel oordeel is de feitelijke situatie nog gelijk: er zijn mogelijkheden voor inzet in eigen/aangepaste arbeid bij andere werkgever. Omdat er nog een onopgelost conflict gaande is, wordt terugkeer bij eigen werkgever ook vanuit preventief perspectief niet wenselijk geacht. De verwachting is dat de situatie niet noemenswaardig zal wijzigen in de komende maanden.

Prognose op terugkeer in eigen/aangepaste arbeid bij eigen werkgeer: zeer slecht/uitgesloten/niet wenselijk. Spoor 2 prevaleert.”

4.10.

De verzekeringsarts van het UWV schrijft hierover in zijn rapportage van 16 november 2015 onder meer het volgende:

3 Beschouwing

3.1

Overwegingen en functionele mogelijkheden

Overwegingen

Bij betrokkene is met name sprake van een voortslepend arbeidsconflict wat wel enige reden tot ziekte en gebrek geeft. Er is met name sprake van beperkingen bij het boven normaal functioneren tav zaken en druk en stress en deadlines en productie pieken. Tav de lage standaard normaalwaarden zoals deze er zijn in het fml zijn er geen beperkingen.

(…)

4 Conclusie

Er is sprake van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Hierdoor is cliënt aangewezen op werkzaamheden conform de opgestelde functionele mogelijkhedenlijst. Cliënt kan deze mogelijkheden duurzaam benutten.”

4.11.

De kantonrechter stelt vast dat de bedrijfsarts zich in zijn ‘Actueel oordeel’ van 24 september 2015 op het standpunt stelt dat [eiser] is uitgevallen met medische mentale klachten, dat deze als gevolg van een niet opgeloste arbeidsconflict nog steeds aanwezig zijn en dat de prognose op terugkeer in eigen/aangepaste arbeid bij de eigen werkgever zeer slecht/uitgesloten/niet wenselijk is. De verzekeringsarts is blijkens zijn rapportage van 16 november 2015 eveneens van oordeel dat bij [eiser] als gevolg van het voortslepende arbeidsconflict sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Er is met name sprake van beperkingen bij het boven normaal functioneren ten aanzien van zaken en druk en stress en deadlines en productie pieken. De kantonrechter leidt hieruit af dat de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van oordeel zijn dat het arbeidsconflict bij [eiser] heeft geleid tot medische beperkingen die zijn aan te merken als ziekte of gebrek in de zin van artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder b BW.

de rapportage van de arbeidsdeskundige

4.12.

De arbeidsdeskundige van het UWV schrijft in zijn rapportage van 25 november 2016 naar aanleiding van de rapportage van de verzekeringsarts het volgende:

Samenvatting

(…) De mate van arbeidsongeschiktheid van de heer [eiser] is vastgesteld op 0,00%.

Voordat hij ziek werd, werkte de heer [eiser] als calculator/werkvoorbereider bij [bedrijfsnaam] B.V. voor 40 uur per week.

Vanwege psychische klachten bij een arbeidsconflict kan hij zijn werk bij deze werkgever niet meer doen. (…)

De heer [eiser] kan zijn werkzaamheden doen van calculator/werkvoorbereider bij een andere werkgever en daarmee zijn uurloon van € 27,45 per uur verdienen.

8 Beoordeling arbeidsmogelijkheden

Maatgevende arbeid

Ik ben van mening dat zijn belastbaarheid ten aanzien van deadlines en productiepieken in de functie niet wordt overschreden omdat de heer [eiser] het organiseren van zijn werk zelfstandig vorm kan geven, hij zelfstandig een planning kan hanteren en zijn werk zelfstandig kan uitvoeren zodat bovennormale deadlines en productie pieken voorkomen kunnen worden. Bovendien is bij een frequentie van ongeveer 20 aanbestedingstrajecten per jaar de tijdsduur van een traject langer dan 1 week. Daarnaast is gebleken dat klant nooit een deadline heeft overschreden en bij minder of geen calculatiewerk in staat was om de projectleider te ondersteunen in zijn werk. Het werk bij de eigen werkgever levert vanwege de conflictsituatie te veel druk en stress waarvoor hij een beperking heeft. Daarom is de heer [eiser] geschikt voor de maatgevende arbeid bij een andere werkgever.”

4.13.

De kantonrechter stelt vast dat de arbeidsdeskundige in zijn rapportage in lijn met de medische oordelen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts concludeert dat het werk van [eiser] bij [gedaagde] vanwege de conflictsituatie te veel druk en stress oplevert, waarvoor hij een beperking heeft, en dat hij vanwege zijn psychische klachten als gevolg van het arbeidsconflict zijn werk bij [gedaagde] niet meer kan doen.

4.14.

[gedaagde] stelt dat uit de rapportage van de arbeidsdeskundige blijkt dat [eiser] wél geschikt is voor zijn eigen arbeid als calculator/werkvoorbereider bij [gedaagde] , omdat volgens de arbeidsdeskundige de belastbaarheid van [eiser] ten aanzien van deadlines en productiepieken in de functie bij [gedaagde] niet wordt overschreden. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dit standpunt. De arbeidsdeskundige merkt aan het eind van zijn beoordeling immers op dat het werk bij de eigen werkgever vanwege de conflictsituatie bij [eiser] te veel druk en stress oplevert, waarvoor hij een beperking heeft. De kantonrechter begrijpt dit aldus, dat [eiser] vanwege het arbeidsconflict ongeschikt is voor zijn werk bij [gedaagde] en dat dit niet afhankelijk is van de overige (psychische) belasting van de functie.

conclusie

4.15.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan op basis van de rapportages van de bedrijfsarts, de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige worden vastgesteld dat bij [eiser] als gevolg van het arbeidsconflict per einde wachttijd sprake was van ziekte waardoor hij de bedongen arbeid bij [gedaagde] niet meer kon verrichten. Partijen hebben niet betoogd dat herplaatsing of werkhervatting binnen 26 weken, al dan niet in aangepaste vorm, mogelijk is. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat dit niet in de rede ligt. Er is daarom voldaan aan de vereisten van artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder b BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Nu niet is gebleken dat [gedaagde] een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst, diende [gedaagde] op grond van de normen van goed werkgeverschap in te stemmen met het voorstel van [eiser] tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Tussen partijen is niet in geschil dat dit een bedrag van € 32.604,02 bruto is, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van dit bedrag. Nu de verzekeringsarts van het UWV in zijn rapportage van 16 november 2015 heeft geoordeeld dat bij [eiser] als gevolg van het arbeidsconflict sprake was van medische beperkingen die zijn aan te merken als ziekte of gebrek in de zin van artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder b BW, ziet de kantonrechter - anders dan [gedaagde] - geen reden om te veronderstellen dat het UWV deze transitievergoeding niet zal compenseren.

4.16.

Het voorgaande betekent dat de primaire vordering in die zin zal worden toegewezen, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot medewerking aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst met toekenning van de transitievergoeding van € 32.604,02 bruto. Aan deze veroordeling zal een termijn worden verbonden van 4 weken na betekening van dit vonnis. Daarnaast wordt bepaald dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de daartoe te verrichten rechtshandeling van [gedaagde] als [gedaagde] niet binnen deze termijn aan deze veroordeling heeft voldaan.

4.17.

[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering tot overlegging van de eindafrekening met daarin een deugdelijke bruto/nettospecificatie binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis. Deze vordering zal daarom ook worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 100,-- per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 2.000,-- is bereikt.

kosten

4.18.

[eiser] heeft ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.198,54 gevorderd. Dit bedrag is op grond van de toepasselijke wettelijke regeling toewijsbaar.

4.19.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 109,71

- griffierecht € 507,--

- salaris gemachtigde € 1.494,-- (3 punten x tarief € 498,--)

Totaal € 2.110,71.

4.20.

De gevorderde nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is bepaald.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 4 weken na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst met toekenning aan [eiser] van de transitievergoeding van € 32.604,02 bruto;

5.2.

bepaalt dat, indien [gedaagde] niet binnen 4 weken betekening van dit vonnis aan de onder 5.1. genoemde veroordeling heeft voldaan, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats treedt van de daartoe te verrichten rechtshandeling van [gedaagde] ;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot overlegging van de eindafrekening met daarin een deugdelijke bruto/nettospecificatie binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag waarin [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.000,-- is bereikt;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.198,54 binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.110,71, waarin begrepen € 1.494,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 124,-- - aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2021.