Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:3040

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
15-07-2021
Zaaknummer
UTR 20/881 en UTR 21/244
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom en bestuurlijke boete voor achterstallig onderhoud. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het college ten onrechte een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete heeft opgelegd aan eiser. De last onder dwangsom die het college heeft opgelegd aan eiseres is ten onrechte opgelegd ten aanzien van de boiler, kit(voeg) en tegels, dakpan, voegwerk gevel, loodstrook/loodslabben/lekkage hoogte dakgoot en ventilatie doucheruimte en schuiframen. Voor het overige laat de rechtbank het aan eiseres gerichte besluit op bezwaar in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 20/881 en UTR 21/244

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaken tussen


[eiseres] en [eiser], uit [woonplaats] , eiseres en eiser (samen aangeduid als eisers),

(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (het college), verweerder

(gemachtigde: A.J. Braxhoven).

Procesverloop

Eiseres is eigenaresse van het pand op het adres [adres] in [woonplaats] , dat wordt bewoond door meerdere huurders. Op 4 april 2016, 5 december 2018 en 27 maart 2019 hebben inspecteurs van de afdeling Toezicht en Handhaving Bebouwde Omgeving het pand gecontroleerd. Tijdens de controles hebben de inspecteurs diverse overtredingen geconstateerd, met name op het gebied van achterstallig onderhoud en gebreken.

Het college heeft eisers in zijn brief van 11 april 2019 op de hoogte gesteld van de geconstateerde overtredingen en in de gelegenheid gesteld deze te herstellen. Het college heeft aangekondigd dat hij handhavend zal optreden en een bestuurlijke boete zal opleggen als eisers de overtredingen niet tijdig (laten) beëindigen. Eisers hebben op 26 april 2019 hun zienswijze op dit voornemen ingediend.

Met het besluit van 4 juli 2019 heeft het college besloten om eisers een bestuurlijke boete op te leggen van € 20.250,-. Ook heeft het college eisers een last onder dwangsom van

€ 10.000,- opgelegd om de gebreken te (laten) herstellen en hersteld te (laten) houden vóór

1 oktober 2019.

Eisers hebben bezwaar gemaakt bij het college en vervolgens hebben zij beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaren.

Op 1 april 2020 heeft het college eisers een dwangsom van € 1.442,- toegekend omdat het niet tijdig heeft beslist op hun bezwaren. Op diezelfde dag heeft het college twee afzonderlijke besluiten op het bezwaar van eisers genomen.

Het bezwaar van eiseres heeft het college gegrond verklaard ten aanzien van het opleggen van de bestuurlijke boete en een aantal gestelde overtredingen. Het besluit van 4 juli 2019 heeft het college op deze punten ingetrokken. De last onder dwangsom heeft het college gematigd tot € 9.000,-. Voor het overige heeft het college het besluit van 4 juli 2019 in stand gelaten.

Het bezwaar van eiser heeft het college gegrond verklaard ten aanzien van een aantal gestelde overtredingen. Het besluit van 4 juli 2019 heeft het college op deze punten ingetrokken. De last onder dwangsom heeft het college gematigd tot € 9.000,-. Voor het overige heeft het college het besluit van 4 juli 2019 in stand gelaten.

Het beroep dat eisers in eerste instantie hadden ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaren is voortgezet als een beroep van eiseres (UTR 20/881) tegen het aan haar gerichte besluit op bezwaar en een apart beroep van eiser (UTR 21/244) tegen het aan hem gerichte besluit op bezwaar. De beroepen zijn gevoegd behandeld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 19 januari 2021. Namens eisers was hun gemachtigde daarbij aanwezig. Namens het college waren zijn gemachtigde en [toezichthouder] (toezichthouder) aanwezig.

De zaken zijn vervolgens aangehouden zodat het college nog nader kon reageren op het vraagstuk recidive bij de bestuurlijke boete en nog twee uitspraken kon insturen. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld een USB-stick met daarop het tijdens de zitting vertoonde fragment van de rookmelders naar de rechtbank en het college te sturen. Eisers en het college hebben over en weer nog gereageerd op elkaars stukken.

De zaken zijn vervolgens opnieuw behandeld op de zitting van 10 juni 2021. Namens eisers was hun gemachtigde aanwezig samen met [A] (algemeen manager bij [naam] ). Namens het college waren opnieuw zijn gemachtigden aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het college ten onrechte een

last onder dwangsom en een bestuurlijke boete heeft opgelegd aan eiser. De rechtbank zal het aan eiser gerichte bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit voor zover gericht aan eiser herroepen. De last onder dwangsom die het college heeft opgelegd aan eiseres is ten onrechte opgelegd ten aanzien van de boiler, kit(voeg) en tegels, dakpan, voegwerk gevel, loodstrook/loodslabben/lekkage hoogte dakgoot en ventilatie doucheruimte en schuiframen. De rechtbank zal het aan eiseres bestreden besluit op deze punten vernietigen en het primaire beluit op deze punten herroepen. Voor het overige laat de rechtbank het aan eiseres gerichte besluit op bezwaar in stand.

2. De rechtbank zal hieronder uitleggen hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

Procesbelang

3. Partijen zijn het er over eens dat alle gebreken, waarvoor de last is opgelegd, in en aan

het pand zijn hersteld. Aan de last is dus op dit moment voldaan. Eisers hebben echter nog steeds belang bij een beoordeling van hun beroepen omdat zij stellen dat deze gebreken al vóór het opleggen van de last onder dwangsom waren hersteld. Verder is het (voor de toekomst) van belang om vast te stellen of inderdaad sprake was van overtredingen omdat deze mogelijk een rol kunnen spelen bij het opleggen van bestuurlijke boetes. De rechtbank zal de beroepen daarom inhoudelijk beoordelen.

4. De rechtbank zal eerst ingaan op de last onder dwangsom en vervolgens, voor zover

nog nodig, op de bestuurlijke boete.

Last onder dwangsom

5. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat als sprake is van een overtreding, het college

bevoegd en in beginsel ook verplicht is om handhavend op te treden. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan het college van handhavend optreden afzien, namelijk als er concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

6. Om de vraag te beantwoorden of het college in dit geval bevoegd was om handhavend

op te treden, moet de rechtbank beoordelen of sprake is van een of meerdere overtredingen. Daarvoor komt ook de vraag aan de orde of eisers kunnen worden aangemerkt als overtreders. Vervolgens kan worden beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien.

Wie is overtreder?

7. Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan

iemand als overtreder worden aangemerkt als hij een overtreding heeft gepleegd of medegepleegd. Voor de vraag of iemand overtreder is, is niet van belang of hij het in zijn macht heeft de overtreding te beëindigen, maar is van belang of hij de overtreding heeft gepleegd of medegepleegd. Pas nadat is vastgesteld dat iemand overtreder is komt de vraag aan de orde of de overtreder het in zijn macht heeft de overtreding te beëindigen.1

8. De overtreder is degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk

heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht of, zoals hier, heeft nagelaten. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en dus als overtreder worden aangemerkt.2

Is eiseres overtreder?

9. Eiseres voert aan dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt. Zij heeft het pand

verhuurd en zij heeft geen toestemming om het pand te betreden. De vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat (ook) een eigenaar verantwoordelijk blijft voor het pand, vindt zij veel te streng en zij verzoekt de rechtbank daarvan af te wijken.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college eiseres terecht aangemerkt als

overtreder aangezien zij eigenaar van het pand is. In die hoedanigheid is zij verantwoordelijk voor de staat van onderhoud en het gebruik van het pand, ook als zij dat pand verhuurd heeft.3 De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat deze lijn onredelijk hard is, zoals eiseres bepleit. Gelet op haar eigen verantwoordelijkheid mag van eiseres verlangd worden dat zij tot op zekere hoogte de toestand en het gebruik van het pand in de gaten houdt. Zij ontvangt immers ook de baten van (de verhuur van) het pand. Verder heeft zij het als eigenaar van het pand in haar macht om de illegale situatie te beëindigen. Dat zij, zoals zij aanvoert, in een contractuele verhouding staat tot haar huurder en dat deze is overgaan tot onderverhuur vormt geen beletsel om de last uit te voeren. Als eigenaar van het pand behoudt eiseres haar eigen verantwoordelijkheid. Het ligt daarom op haar weg om een oplossing te vinden voor het kunnen betreden voor het pand. De beroepsgrond slaagt niet.

Is eiser overtreder?

11. Eiser voert aan dat hij geen zeggenschap heeft over het pand en het evenmin

beheert. De huur wordt weliswaar geïnd door administratiekantoor STAK RBU, waarvan hij eigenaar is, maar wordt direct doorgesluisd naar eiseres als verhuurder van het pand.

12. Eiser is geen eigenaar van het pand en ook anderszins niet verantwoordelijk voor de

staat van onderhoud of het gebruik van het pand. Het college heeft weliswaar gewezen op eventuele financiële betrokkenheid van eiser maar heeft zijn vermoeden niet hard kunnen maken. Daarbij komt dat indirecte betrokkenheid naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is om de verweten overtredingen ook aan eiser toe te rekenen. Voor zover het college eiser als medepleger heeft willen aanmerken, heeft het college met de overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser bewust en nauw met eiseres heeft samengewerkt, waardoor hij als medepleger van de overtredingen kan worden aangemerkt. Evenmin is gebleken dat hij feitelijk de directe zeggenschap had over het pand, zodat ook al om die reden geen last onder dwangsom aan eiser had kunnen worden opgelegd.

De beroepsgrond slaagt.

13. Omdat eiser geen overtreder is, was het college niet bevoegd om aan eiser een last onder

dwangsom op te leggen. Hiermee ontvalt ook de grondslag van de bestuurlijke boete,

De rechtbank zal aan het eind van de uitspraak de processuele gevolgen hiervan bespreken.

Beoordeling overige beroepsgronden van eiseres

14. De rechtbank zal hierna de overige beroepsgronden van eiseres tegen de last onder

dwangsom beoordelen.

Fair play en vooringenomenheid

15. Eiseres vindt het niet fair en vooringenomen dat het college een paar jaar lang

diverse controles heeft laten verrichten zonder haar van de bevindingen van de toezichthouders op de hoogte te stellen. Als het college daadwerkelijk de toestand en veiligheid van het pand zo belangrijk vond, had het voor de hand gelegen dat het college haar zo snel mogelijk had aangeschreven om de vermeende gebreken te (laten) verhelpen. Nu lijkt het er meer op dat het college haar heeft willen treffen met een zo groot mogelijke last onder dwangsom.

16. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat het college al op een eerder moment handhavend

had kunnen optreden maakt hem niet vooringenomen. Daarbij komt dat de lijst met gebreken niet aanzienlijk is uitgebreid na de eerste constatering. De rechtbank benadrukt bovendien dat het (mede) aan eiseres is om ervoor te zorgen dat de staat van onderhoud en het gebruik van het pand voldoen aan wettelijke eisen. Dat zou dus niet moeten afhangen van al dan niet handhavend optreden van het college.

Was een hercontrole nodig vóór het opleggen van de last?

17. Eiseres voert aan dat de vermeende gebreken al waren hersteld op het moment dat

het college de last onder dwangsom oplegde. Het college had dit makkelijk kunnen en ook moeten vaststellen door middel van een hercontrole. Ook om die reden had het college de last niet meer mogen opleggen.

18. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding was om nogmaals te

controleren omdat eisers in hun zienswijze op elk gebrek zijn ingegaan en voor ieder gebrek hebben aangevoerd dat geen sprake is van een overtreding. Uit de zienswijze valt volgens het college niet af te leiden dat eisers hard aan de slag zijn gegaan om de gebreken te verhelpen. Een enkele algemene opmerking dat eisers zullen bewerkstelligen dat onderhoud zal worden uitgevoerd, is daarvoor onvoldoende, zeker nu eisers ook niet vermelden op welke termijn dat onderhoud zal plaatsvinden.

19. Voordat de rechtbank ingaat op deze beroepsgrond, wil zij eerst het volgende

opmerken over de wijze van procesvoeren door partijen. Tijdens beide zittingen is aan de orde geweest dat tussen eisers en het college op dit moment nog meer procedures lopen die gaan over het opleggen van lasten vanwege overtredingen van het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit). Deze rechtbank en de ABRvS hebben de afgelopen jaren ook al meerdere uitspraken gedaan in soortgelijke zaken. Daarbij valt de rechtbank op dat partijen elkaar weinig duidelijkheid geven over de relevante feiten en omstandigheden in, bijvoorbeeld, de fase tussen het voornemen om handhavend op te treden en het daadwerkelijke opleggen van een last (het primaire besluit). Ook de rechtbank krijgt van partijen weinig concrete en/of verifieerbare informatie over welk (vermeend) gebrek er nu precies op welk moment en waar is geconstateerd door het college of is verholpen door eisers. Dit bemoeilijkt een goede en efficiënte beoordeling van de zaak. De rechtbank rekent dat beide partijen aan waarbij zij benadrukt dat uiteindelijk de (onder)huurders van de kamers diegenen zijn die de dupe zijn of worden van overtredingen van bijvoorbeeld brandveiligheidsvoorschriften.

20. Voor het college geldt dat volgens vaste rechtspraak het bevoegd gezag het bewijs

dient te leveren van de overtreding. Aan een handhavingsbesluit dient een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat sprake is van een overtreding. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd.4 In dit geval heeft het college weliswaar processen-verbaal van bevindingen en constateringsrapporten met daarbij een groot aantal foto’s overgelegd, maar welke foto bij welke overtreding hoort, is niet altijd duidelijk. Zo zijn er bijvoorbeeld gedateerde foto’s van brandblussers, kozijnen, onvolledige rookmelders en lekkages maar ook ongedateerde. Van veel foto’s is ook niet duidelijk in welke ruimte ze zijn genomen of van welke gevel ze zijn. Uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding had het college dit op een zorgvuldigere wijze moeten documenteren.

21. Voor eisers geldt dat ook van hen een actieve opstelling wordt verwacht in de fase

tussen het voornemen en het besluit tot het opleggen van de last. Als zij het college duidelijk en concreet hadden laten weten dat de gebreken waren hersteld, zo heeft ook de gemachtigde van het college tijdens de zitting bevestigd, zou een toezichthouder het pand opnieuw geïnspecteerd hebben. Ook Zijlmans had makkelijk contact op kunnen nemen met een van de bij hem bekende toezichthouders nu zij geen onbekenden zijn van elkaar. Op deze wijze hadden eisers het opleggen van deze last en de vervolgprocedures op eenvoudige wijze kunnen voorkomen.

Geen hercontrole nodig

22. De feiten en omstandigheden afwegend komt de rechtbank tot het

oordeel dat het college in dit geval het pand niet nogmaals hoefde te inspecteren voordat hij de last oplegde. Door in de zienswijze de vermeende overtredingen uitgebreid te weerleggen en slechts een enkele opmerking te maken over ‘het bewerkstelligen dat onderhoud in het pand zal worden uitgevoerd, waarbij de genoemde zaken ook zullen worden meegenomen’ hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gebreken daadwerkelijk voor het opleggen van de last hersteld zouden zijn. Daarbij komt dat eisers niet hebben aangegeven wanneer het onderhoud dan zou plaatsvinden. Zij hebben weliswaar gewezen op de beperkte beschikbaarheid van aannemers, maar als zij daadwerkelijk een probleem hadden met het vinden van een aannemer hadden zij hierover met het college kunnen overleggen. Het bijgevoegde e-mailbericht van 10 mei 2019 geeft evenmin concrete informatie over de planning van werkzaamheden. Onder deze omstandigheden had het college niet hoeven te verwachten dat er op het moment van het opleggen van de last geen overtredingen meer aanwezig waren. De beroepsgrond slaagt dus niet. Daaraan voegt de rechtbank wel toe dat zij bij haar verdere beoordeling zal meenemen dat de wijze van documenteren van het college op een aantal punten te wensen overlaat. Als de rechtbank niet (goed) kan vaststellen of er bij het opleggen van de last nog sprake was van een overtreding, zal zij oordelen in het voordeel van eiseres.

De (vermeende) gebreken/overtredingen - algemeen

23. Eiseres voert aan dat er verschil zit tussen het tweede en derde lid van artikel 1b van

de Woningwet. Volgens haar linkt het tweede lid alleen aan technische eisen (en dus hoofdstuk 2) uit het Bouwbesluit en het derde lid alleen aan gebruiksvoorschriften (en dus hoofdstuk 7) van het Bouwbesluit. Omdat het college alleen overtredingen van het tweede lid van artikel 1b ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit, staat voor een aantal zaken al vast dat het besluit geen stand kan houden.

24. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet zonder nadere onderbouwing die

ontbreekt geen aanleiding voor het oordeel dat de combinatie van artikel 1b van de Woningwet en het Bouwbesluit zo beperkt moet worden opgevat als eiseres aanvoert. Daaraan voegt de rechtbank toe dat, als voor een aantal gebreken (ook) een overtreding van het derde lid van toepassing is, dit de grondslag van het besluit niet wezenlijk wijzigt omdat het college per gebrek ook steeds het betreffende artikel uit het Bouwbesluit vermeldt dat volgens hem door eiseres is overtreden. Daarover kan voor eiseres geen onduidelijkheid hebben bestaan.

De (vermeende) gebreken/overtredingen - specifiek

25. De rechtbank zal, waar nodig, hieronder per gebrek ingaan op de vraag of het

college bevoegd was om handhavend op te treden of dat op het moment van het opleggen van de last daadwerkelijk al aan de last was voldaan, zoals eiseres stelt.

Woonfunctie voor kamergewijze verhuur en gebruiksmelding

26. Eiseres voert aan dat het gebruik door de onderhuurder al voor de oplegging van de

last is teruggebracht naar vier wooneenheden. Zij verwijst ter ondersteuning naar de verklaring van een voormalige huurder en de verhuurder, waaruit blijkt dat er uiterlijk met ingang van 4 juli 2019 niet meer dan vier kamers in gebruik waren. In dat geval is een gebruiksmelding niet nodig.

27. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens het Bouwbesluit is een woonfunctie voor

kamergewijze verhuur een niet-gemeenschappelijk deel van een woonfunctie waarin zich vijf of meer wooneenheden bevinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op het moment van het opleggen van de last geen sprake meer was van een vijfde wooneenheid. De verklaring van de huurder en verhuurder is daarvoor onvoldoende omdat daar alleen uit blijkt dat de verhuur aan die huurder is beëindigd en niet dat de wooneenheid niet opnieuw kan of zal worden verhuurd. Dat sprake was van een opslagruimte, zoals eiseres tijdens de zitting heeft benadrukt, kan nergens uit worden opgemaakt.

Slot voordeur

28. Eiseres voert aan dat het college voor het slot van de voordeur ten onrechte stelt dat

artikel 7.12 van het Bouwbesluit is overtreden. Artikel 7.12 van het Bouwbesluit ziet op de feitelijke situatie en is bovendien alleen van toepassing op een gemeenschappelijke vluchtroute. Bij kamergewijze bewoning is sprake is van één woonfunctie en kamerverhuur valt daarom onder de uitzondering zoals opgenomen in het derde lid.

29. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank sluit zich bij haar oordeel aan in de

tijdens de zitting besproken en bij partijen bekende uitspraak van deze rechtbank van 26 november 2018 (zaaknummer UTR 18/1273). De rechtbank gaat er vanuit dat ook met artikel 7.12, eerste lid, van het Bouwbesluit is bedoeld dat een deur op een vluchtroute niet voorzien mag zijn van een slot dat alleen met een sleutel kan worden geopend. Eiseres heeft gelijk als zij stelt dat kamergewijze verhuur niet valt onder het begrip gemeenschappelijk maar onder gezamenlijk5. Dat betekent echter niet dat artikel 7.12 van het Bouwbesluit niet van toepassing is op het pand. Het derde lid maakt immers alleen een uitzondering voor een niet-gemeenschappelijke vluchtroute zoals aan de orde is bij een reguliere woning. Bij kamerverhuur mogen weliswaar de toegangsdeuren van een wooneenheid met een sleutel afsluitbaar zijn, maar elke gezamenlijke deur waardoor een vluchtroute loopt moet van binnenuit altijd met een deurkruk of een drukplaat kunnen worden geopend.

Boiler

30. Eiseres voert aan dat de boiler geen installatie is zoals bedoeld in hoofdstuk 6 van

het Bouwbesluit 2012. Artikel 1.16 van het Bouwbesluit 2012 is dan ook niet van toepassing. Bovendien heeft er op 20 juni 2019, dus vóór het opleggen van de last onderhoud, onderhoud plaatsgevonden gevonden zoals blijkt uit de sticker die is aangebracht op de boiler.

31. Dit betoog slaagt. Indien een cv-installatie aanwezig is in een gebouw, zijn daarop

weliswaar de voorschriften van hoofdstuk 6 van het Bouwbesluit van toepassing, maar de cv-installatie is niet bij of krachtens de wet verplicht aanwezig in het gebouw. Daarom is artikel 1.16, eerste lid, van het Bouwbesluit niet van toepassing op de boiler. Er is daarom met betrekking tot de boiler/cv-installatie geen sprake van een overtreding van artikel 1.16, eerste lid, van het Bouwbesluit, zodat het college niet op die grond bevoegd was handhavend op te treden.

Brandblusser

32. Eiseres voert aan dat de brandblussers niet verplicht waren nu er geen sprake was

van kamergewijze bewoning. Bovendien is het door het college genoemde artikel 1.16 van het Bouwbesluit sowieso niet van toepassing omdat artikel 6.31 Bouwbesluit een eigen regeling voor onderhoud kent. Ook de brandblussers waren volgens eiseres voor de oplegging van de last al aanwezig en voorzien van een onderhoudssticker.

33. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat zij,

anders dan eiseres betoogt, uitgaat van kamergewijze verhuur. De rechtbank is het wel met eiseres eens dat een overtreding van artikel 6.31 van het Bouwbesluit aan de orde is. De rechtbank acht het echter niet aannemelijk dat eiseres door het noemen van een verkeerd artikel in haar belangen is geschaad, nu het college duidelijk heeft omschreven wat de overtreding was en hoe eiseres deze kon (laten) beëindigen. Dit gebrek wordt gepasseerd met artikel 6:22 van de Awb. Eiseres heeft aan de hand van foto’s aangetoond dat er aan in ieder geval één brandblusser in april 2019 onderhoud heeft plaatsgevonden. Niet duidelijk is echter om welke brandblusser dit gaat en of dat ook geldt voor de andere vereiste brandblussers. Mede gelet op de veiligheid van de huurders laat de rechtbank deze last daarom in stand.

Rookmelders

34. Eiseres voert aan dat de rookmelders niet verplicht waren nu er geen sprake was van

kamergewijze bewoning. Verder is volgens eiseres een koppeling van de rookmelders niet verplicht, omdat voor een bestaande bouwsituatie een oudere versie van de NEN-normen geldt. Eiseres heeft een filmpje ingezonden ter onderbouwing van haar standpunt dat de rookmelders al aanwezig waren op het moment van het opleggen van de last.

35. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het controlerapport volgt dat rookmelders in veel

gevallen helemaal ontbraken en op enkele plaatsen slechts de sokkel (basisplaat) van een rookmelder hing, niet de rookmelders zelf. Dit betekent dat het totale systeem van de rookmelders geheel moet worden vernieuwd en daarmee moeten de nieuw aan te brengen rookmelders voldoen aan de normen van nieuwbouw, de NEN 2555:2008. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van de ABRvS van 27 januari 20216, en de eerdere uitspraak van deze rechtbank van 18 december 20207. Over het filmpje op de USB-stick overweegt de rechtbank dat, nu de opnamedatum ontbreekt, onvoldoende aannemelijk is geworden dat de rookmelders op het moment van het opleggen van de last al aanwezig waren. Dat uit de e-mailwisseling van 10 mei 2020 blijkt dat er druk gewerkt werd aan het verhelpen van (vermeende) overtredingen, is eveneens onvoldoende omdat niet duidelijk wordt welke werkzaamheden er verricht werden. Verder heeft eiseres in haar reactie van

28 januari 2021 nog gewezen op een bericht van [B] maar heeft zij dit bericht zelf niet bijgevoegd. Tijdens de zitting kon de gemachtigde van eiseres dit bericht ook niet overleggen en de rechtbank kan daar dus geen oordeel over geven. De twee facturen van [naam] geadresseerd aan [naam] zijn weliswaar van een datum voor het opleggen van de last maar geven onvoldoende uitsluitsel over welke werkzaamheden zijn verricht. Ook daar kan de rechtbank dus geen doorslaggevende waarde aan hechten.

Belemmering vluchtroute

36. Eiseres voert aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag

of de vluchtroute door eventueel aanwezige voorwerpen daadwerkelijk werd belemmerd. Uit het controlerapport valt niet op te maken of er onvoldoende ruimte overbleef. Er is daarom geen overtreding van artikel 7.16 van het Bouwbesluit, omdat niet objectief is vastgesteld waaruit de belemmeringen bestaan nu er niet gemeten is.

37. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft toegelicht dat in de nauwe gang

fietsen stonden, zoals ook te zien is op een foto bij het rapport. Eiseres heeft twijfel geuit of het standpunt dat de vluchtroute door die fietsen wordt belemmerd, wel juist is. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft mogen vertrouwen op de deskundigheid van de toezichthouder, die heeft vastgesteld dat deze situatie leidt tot een belemmering van de vluchtroute. Dit past bij een redelijke uitleg en de ratio van artikel 7.16 van het Bouwbesluit.

De rechtbank kan het college verder volgen in zijn standpunt dat een vluchtroute geschikt moet zijn om te kunnen vluchten. Dat was hier niet het geval.

Voldoende verlichte trap

38. Eiseres voert aan dat de daadwerkelijke lichtsterkte niet objectief is vastgesteld

zodat niet kan worden geoordeeld dat sprake is van onvoldoende verlichting. De constatering dat op een aansluitpunt een peertje ontbrak, is daarvoor onvoldoende. Daarnaast geldt de eis van voldoende verlichting alleen voor een beschermde (vlucht)route en daarvan is in dit geval geen sprake.

39. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gebrekenlijst in combinatie met het

controlerapport voldoende duidelijk was wat eiseres werd verweten. De toezichthouder heeft volgens het controlerapport geconstateerd dat er geen oriëntatieverlichting aanwezig was. Deze constatering acht de rechtbank voldoende voor het vaststellen van een overtreding van artikel 6.2 van het Bouwbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.

Beglazing, kit(voeg) en tegels, dakpan, voegwerk gevel, loodstrook/loodslabben/lekkage hoogte dakgoot

40. Eiseres voert aan dat een overtreding van artikel 3.25 van het Bouwbesluit 2012

voor al deze onderwerpen niet objectief is aangetoond en dat het college niet conform de geldende NEN-normen heeft getoetst. Aanvullend merkt zij het volgende op. Ten aanzien van de beglazing geldt dat nergens uit blijkt dat sprake is van lekkage aan de binnenzijde. Dat de stopverf er niet goed uitzag, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Voor het kit- en tegelwerk in de keuken en badkamer voert eiseres aan dat artikel 3.25 van het Bouwbesluit 2012 niet is overtreden, omdat het hier gaat om een aansturingsartikel. Dat een ontbrekende kitvoeg of een gescheurde tegel leidt tot een inwendige scheidingsconstructie die niet waterdicht is conform de NEN-normen, heeft het college verder niet aangetoond. Het ontbreken van een dakpan maakt volgens eiseres niet dat kan worden vastgesteld dat de uitwendige scheidingsconstructie niet kan voldoen aan de eis van waterdichtheid. Bovendien is hier geen sprake van een achtergelegen verblijfsruimte, dus geldt de eis niet. Daarnaast voert eiseres aan dat, hoewel de dakpan geruime tijd zou hebben ontbroken, niet blijkt dat er sprake is van lekkage. Bij het gevelwerk heeft het college nagelaten te kijken hoe de scheidingsconstructie is opgebouwd. Zo is er niet vastgesteld dat sprake is van een open verbinding van de buitenlucht met de verblijfsruimten en ook uit de foto’s blijkt dat er geen sprake is van een open verbinding. De waterdichtheid is niet gemeten en er zijn ook geen lekkages aangetroffen. Voor de loodstrook en loodslabben stelt het Bouwbesluit 2012 geen eisen op het gebied van onderhoud. Ook blijft het volgens eiseres onduidelijk hoe de hoe de lekkage door de dakgoot is vastgesteld. Eventuele lekkage hoeft immers niet afkomstig te zijn van water van buiten. Ter onderbouwing van haar standpunt over deze onderwerpen verwijst eiseres (ook) naar de uitspraken van deze rechtbank van 1 april 20208 en van 14 oktober 20209.

41. Deze gronden slagen gedeeltelijk. Ten aanzien van de beglazing heeft het college in

dit geval, anders dan in de door eisers genoemde uitspraken, in de lijst van gebreken en te treffen voorzieningen wél gespecificeerd om welke ramen het precies gaat en daarbij passende foto’s overgelegd. Daarmee heeft het college de overtreding voldoende onderbouwd. Over de andere gebreken is de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van overtredingen. Weliswaar heeft de toezichthouder per ruimte beschreven welke gebreken hij heeft aangetroffen maar de rechtbank kan niet zien welke foto’s uit het dikke pakket foto’s bij welke constatering horen. Ook wordt onvoldoende onderbouwd dat als gevolg van de slechte kitranden, gescheurde tegels, het voegwerk van de gevels en de loodstrook en loodslabben daadwerkelijk vaststaat dat er niet wordt voldaan aan het Bouwbesluit. Dat er in en aan het pand sprake is van achterstallig onderhoud is de rechtbank duidelijk maar dat betekent nog niet meteen dat ook sprake is van overtredingen van de voorschriften van het Bouwbesluit. Daarvoor is een visuele waarneming onvoldoende. De toezichthouder heeft tijdens de zitting nog toegelicht dat hij een kamer van een bewoonster niet kon betreden omdat deze op slot zat. Dat ontslaat het college echter niet van de verplichting om de overtredingen goed te onderbouwen nu hem kennelijk niet daadwerkelijk de toegang tot de kamer is ontzegd.

Over de ontbrekende dakpan overweegt de rechtbank nog dat uit het proces-verbaal kan worden opgemaakt dat er op een aantal kamers lekkage of leksporen zijn waargenomen maar het verband tussen deze waarneming en de ontbrekende dakpan wordt de rechtbank niet duidelijk.

Trapbordes

42. Eiseres voert aan dat dat het aanwezig zijn van een schuifdeur geen overtreding

van de eisen voor luchtverversing van artikel 3.38 van het Bouwbesluit 2012 kan opleveren.

43. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank maakt uit de lijst van gebreken op dat

de aanwezigheid van de schuifdeur betekent dat er geen bordes op de plek van de bovenste reden is als de schuifdeur is gesloten. De gestelde overtreding heeft dus niets te maken met de eisen voor luchtverversing.

Ventilatie doucheruimte en schuiframen

44. Eiseres voert aan dat het college niet vastgesteld heeft welke voorziening die voor

de luchtverversing had moeten zorgen, ontbrak. Het klopt dat er een bepaalde capaciteit aan luchtverversing moet zijn maar die capaciteit kan ook behaald worden door een combinatie van andere factoren. Ook blijkt nergens uit dat er geen werkende spuivoorzieningen zijn. Dat er geen contragewichten zijn, maakt nog niet dat de ramen niet op andere wijze opengehouden kunnen worden, zoals in de praktijk ook gebeurt.

45. Deze beroepsgrond slaagt. Voor de kamers aan de achter- en voorzijde op de tweede

geldt dat deze ramen wel opengeschoven kunnen worden en er dus wordt voorzien in luchtverversing. Dat er iets tussen het kozijn en raam geplaatst moet worden om het open te houden, is niet ongebruikelijk De bewoners van deze kamer zijn dus niet aangewezen op een installatie voor luchtverversing. Voor de doucheruimte op de tweede verdieping geldt dat de toezichthouder onder meer een rooster waarachter een kleine opening zit, heeft waargenomen en een opening in het plafond. Hoe hij heeft vastgesteld dat de (mechanische?) ventilatievoorziening onvoldoende is, wordt uit het proces-verbaal van bevindingen niet duidelijk. Dat niet wordt voldaan aan de vereisten van de artikelen 3.37, 3:46 en 3.38 van het Bouwbesluit, is niet komen vast te staan.

Gasslang fornuis

46. Eiseres voert aan dat niet vaststaat dat de gasslang te oud zou zijn of niet naar behoren

zou functioneren. Dat de toezichthouder heeft waargenomen dat het rubber iets is uitgedroogd, betekent nog niet dat de gasslang niet veilig is. Bovendien is er geen lekkage geconstateerd. Ook hier is dus geen sprake van een overtreding.

47. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de

toezichthouder de sticker(s) niet heeft kunnen ontcijferen en heeft vastgesteld dat er scheurtjes in de slang zitten. Daarmee is naar het oordeel het ontstaan van een gevaarlijke situatie door het college voldoende aangetoond. Dat er mogelijk geen lekkage is, maakt dit niet anders omdat de voorschriften er juist op zijn gericht lekkage te voorkomen.

Conclusie ten aanzien van de (vermeende) gebreken

48. De beroepsgronden ten aanzien van de boiler, kit(voeg) en tegels, dakpan, voegwerk

gevel, loodstrook/loodslabben/lekkage hoogte dakgoot en ventilatie doucheruimte en schuiframen slagen. Dat betekent dat voor deze onderdelen geen sprake is van een overtreding en het college geen last onder dwangsom mocht opleggen. De lasten ten aanzien van de overige overtredingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank in stand blijven.

Zijn er bijzondere omstandigheden?

49. Eiseres heeft niet aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken

dat het college van handhaving af had moeten zien. De rechtbank ziet dan ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval van handhavend optreden had moeten afzien.

50. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder in redelijkheid van zijn

bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom voor de resterende gebreken gebruik gemaakt.

Slotsom

Conclusie last onder dwangsom en bestuurlijke boete voor eiser

51. Gelet op overwegingen 12 en 13 verklaart de rechtbank het beroep van eiser gegrond,

vernietigt het aan hem gerichte besluit op bezwaar en herroept het primaire besluit voor zover dat is gericht aan eiser. Dat betekent er voor eiser geen last onder dwangsom meer geldt en ook geen bestuurlijke boete.

Conclusie last onder dwangsom voor eiseres

52. Het beroep van eiseres is gegrond. De rechtbank zal het aan eiseres gerichte besluit

op bezwaar vernietigen voor zover de last onder dwangsom ten aanzien van de overtredingen boiler, kit(voeg) en tegels, dakpan, voegwerk gevel, loodstrook/loodslabben/lekkage hoogte dakgoot en ventilatie doucheruimte is gehandhaafd. Voor het overige laat de rechtbank het besluit op bezwaar in stand. De rechtbank ziet verder aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij lasten onder dwangsom ten aanzien van de hiervoor genoemde overtredingen zijn opgelegd.

Proceskosten en griffierecht

53. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in

verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.670,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 534,-, en een wegingsfactor 1). Ook moet het college het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

zaaknummer UTR 21/244

  • -

    verklaart het beroep van eiser gegrond;

  • -

    vernietigt het aan eiser gerichte bestreden besluit van 1 april 2020;

  • -

    herroept het primaire besluit van 4 juli 2019 voor zover daarbij aan eiser een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete zijn opgelegd;

zaaknummer UTR 21/881

  • -

    verklaart het beroep van eiseres gegrond;

  • -

    vernietigt het aan eiseres gerichte bestreden besluit van 1 april 2020 voor zover daarbij de lasten onder dwangsom ten aanzien van de boiler, kit(voeg) en tegels, dakpan, voegwerk gevel, loodstrook/loodslabben/lekkage hoogte dakgoot en ventilatie doucheruimte en schuiframen zijn gehandhaafd;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij aan eiseres een last onder dwangsom is opgelegd voor de hiervoor genoemde overtredingen;

beide zaaknummers

  • -

    veroordeelt het college tot het vergoeden van de proceskosten van eisers in bezwaar en in beroep tot een bedrag van € 2.670,-;

  • -

    draagt het college op het door eisers betaald griffierecht van € 178,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS 2018:2804

2 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:288

3 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:428

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het CBb van 18 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:128.

5 Zie voor beide begrippen artikel 1.4 van het Bouwbesluit 2021.

6 ECLI:NL:RVS:2021:169.

7 ECLI:NL:RBMNE:2020:5680.

8 ECLI:NL:RBMNE:2020:1437.

9 ECLI:NL:RBMNE:2020:4806.