Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:292

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2021
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
UTR 20/4317
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening tijdens bezwaarprocedure Wabo. Omgevingsvergunning voor het slopen van een gemeentelijk monument, het slopen in beschermd dorpsgezicht en het bouwen van een woning wordt niet geschorst. Het college van B&W heeft de belangen van de eigenaar van het monument bij de sloop ervan in redelijkheid voor mogen laten gaan. De onderdelen van het nieuwbouwplan die buiten het bouwvlak vallen zijn aan te merken als uitbreiding van een hoofdgebouw. Het college is daarom bevoegd om voor het overschrijden van het bebouwingspercentage af te wijken van het bestemmingsplan. Het college moet nog wel opnieuw bezien of ten aanzien van eventuele stikstofdepositie alsnog een AERIUS-berekening nodig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/4317

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 februari 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Niermeijer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder

(gemachtigde: O. Claasen).

Verder heeft als partij aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder] , vergunninghouder

(gemachtigde: mr. J.S. Haakmeester).

Inleiding

Het pand aan de [adres] in [woonplaats] is in 1901 gebouwd als paviljoen in het [park] , maar werd daarna als woning gebruikt. In 1947 is het paviljoen door brand grotendeels verwoest, met uitzondering van de onderste bouwlaag. Het pand wordt in de huidige vorm nog steeds als woning gebruikt en staat bekend als het theehuisje. Het werd in 2018 aangewezen als gemeentelijk monument en ligt in het beschermd dorpsgezicht Noordwestelijk Villagebied.

Vergunninghouder is eigenaar van het perceel. Hij wil het theehuisje slopen en het oorspronkelijke paviljoen als woning herbouwen, vergroot en aangepast aan de huidige bouw- en woonwensen. Een eerdere door vergunninghouder gevraagde omgevingsvergunning is door verweerder geweigerd op 22 maart 2020. Vergunninghouder heeft het bouwplan daarna op onderdelen aangepast en zijn aanvraag gewijzigd.

In deze zaak gaat het over verweerders besluit van 22 oktober 2020 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de gewijzigde aanvraag heeft vergund en het besluit van 22 maart 2020 heeft ingetrokken. De vergunning is onder meer verleend voor de sloop van het gemeentelijk monument in een beschermd dorpsgezicht en voor de nieuwbouw gedeeltelijk in afwijking van het bestemmingsplan.

Verzoeker woont naast vergunninghouder en is het niet eens met het bouwplan en de omvang van de beoogde nieuwe woning. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 18 januari 2021. Verzoeker was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde via Skype. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door ing. [A] . Ook vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het beoordelingskader van de voorzieningenrechter

1. Vergunninghouder heeft laten weten dat hij zo snel mogelijk wil starten met de sloop- en bouwwerkzaamheden op het perceel. Het zal nog enige tijd duren totdat verweerder een beslissing neemt op het bezwaar van verzoeker. Verzoeker heeft daarom voldoende spoedeisend belang bij een beoordeling van zijn verzoek om de sloop- en bouwactiviteiten in de tussentijd te schorsen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de sloop van het bestaande, als monument aangewezen theehuisje onomkeerbaar is.

2. De voorzieningenrechter geeft een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning en daarmee van de kans van slagen van het bezwaarschrift, en hij weegt de belangen van partijen bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoeker bij een schorsing daarvan. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.

3. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat verweerder met het bestreden besluit heeft beslist op het bezwaar van vergunninghouder tegen de eerdere afwijzing, en dat daarom nu sprake is van een beroepsprocedure. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt immers dat verweerder daarin de afwijzing van 22 maart 2020 heeft ingetrokken en opnieuw op de aanvraag heeft beslist. Verweerder heeft het daartegen gerichte bezwaar van verzoeker tegen het bestreden besluit dan ook terecht als zodanig in behandeling genomen en dat stuk kan niet als beroepschrift worden aangemerkt.

4. Verzoeker heeft er op de zitting mee ingestemd dat de voorzieningenrechter zijn beoordeling beperkt tot de bezwaargronden die gaan over de toetsing van het bouwplan aan het geldende bestemmingsplan en de vergunde sloop van het theehuisje. Op de bezwaren over het aanleggen van een weg en het maken van een uitrit wordt in deze uitspraak niet ingegaan. Hetzelfde geldt voor het betoog van verzoeker over de onduidelijkheid van de bouwtekeningen.

Overwegingen over de sloop van het theehuisje

Het gemeentelijk monument mag worden gesloopt

5. Voor het slopen van het theehuisje als gemeentelijk monument is een omgevingsvergunning nodig.1 Een aanvraag om zo’n omgevingsvergunning wordt getoetst aan de gemeentelijke monumentenverordening.2 De geldende verordening bepaalt dat de vergunning slechts kan worden verleend als naar het oordeel van verweerder het belang van de monumentenzorg zich niet verzet tegen de sloop, waarbij het college rekening houdt met het gebruik van het monument.3 Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet worden afgeleid dat verweerder bij een beslissing over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een monument binnen dit kader beoordelingsruimte heeft. Verweerder moet bij deze beslissing de belangen van de aanvrager afwegen tegen het algemeen belang dat is gediend met het behoud van het monument. Dit betekent niet dat er een uitzonderlijke noodzaak tot sloop moet bestaan of dat er sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden. De sloopvergunning kan ook worden verleend als in het concrete geval de belangen van de aanvrager, afgewogen tegen de belangen van het beschermde monument, naar het oordeel van verweerder in redelijkheid moeten prevaleren.4 De voorzieningenrechter beoordeelt of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen de omgevingsvergunning voor de sloop van het theehuisje naar verwachting in redelijkheid zal kunnen handhaven in de nog te nemen beslissing op bezwaar.

6. Voor de aanwijzing van het theehuisje als monument is in 2018 een redengevende omschrijving gegeven. Reden voor de aanwijzing was onder meer dat het theehuisje in samenhang met de tuin en ligging een bijzondere herinneringswaarde heeft en daarmee een unieke ‘lieu de memoire’ voor het [park] betekent. Ook komt in de redengevende omschrijving naar voren dat de toekomstwaarde van het theehuisje een belangrijke bijdrage kan leveren aan de herkenbaarheid van het bijzondere [park] , omdat de verdwenen verdieping en bekroning zouden kunnen worden gereconstrueerd, ook in een moderne referentie aan de oorspronkelijke staat.

7. Verweerder heeft zich voor de sloopvergunning gebaseerd op een positief advies van de Commissie Welstand en Monumenten van 24 september 2020. Op de zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat de Commissie Welstand en Monumenten het de redengevende omschrijving bij haar advies heeft betrokken. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming verder het volgende betrokken. Uit nader onderzoek, verricht ná de aanwijzing als monument, is gebleken dat het verband in de huidige fundering van het theehuisje door scheurvorming in ieder geval verstoord is en dat dit naar alle waarschijnlijkheid zal verergeren als de fundering de (zwaardere) belasting moet dragen van een nieuwe constructieve opbouw naar het oorspronkelijke ontwerp die voldoet aan de huidige (isolatie)eisen. Met de reconstructie van het paviljoen en het behoud van zoveel mogelijk oorspronkelijk materiaal zal het theehuisje weliswaar slechts op detailniveau bewaard blijven, maar met het bouwplan voor het paviljoen wordt wel wordt gepoogd om zowel de cultuurhistorische waarde als de herinneringswaarde in het [park] opnieuw te beleven. Het huidige pand is een rudiment van het oorspronkelijke theehuisje, omdat slechts de kelder en de begane grond na de brand bewaard zijn gebleven. De kosten voor herstel van de bestaande veranda en fundering zijn echter hoog. Een nieuwe kelder en fundering geven bovendien meer constructieve en bouwtechnische mogelijkheden voor de isolatie van het paviljoen conform de huidige eisen. Daarbij hecht verweerder ook belang aan het feit dat het gereconstrueerde paviljoen vrijer op het perceel komt te staan, op meer afstand tot de erfgrens. Verweerder heeft de vergunning dan ook verleend, maar daarin opgenomen dat de sloop alleen mag plaatsvinden onder de voorwaarde dat het voormalige theehuisje in zijn oorspronkelijke karakter en kenmerkende architectuur, conform de omgevingsvergunning, in de vorm van het nieuwe paviljoen in het [park] terugkomt.

8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de betrokken belangen op deze wijze voldoende afgewogen. Op grond hiervan kan de vergunning voor de sloop van het theehuisje naar verwachting in stand blijven in de te nemen beslissing op het bezwaar van verzoeker.

Er mag ook in het beschermd dorpsgezicht worden gesloopt

9. Ook voor het slopen van het theehuisje als onderdeel van een beschermd dorpsgezicht is een omgevingsvergunning nodig.5 Zo’n vergunning kan worden geweigerd als naar het oordeel van verweerder niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.6 Verweerder heeft in de vergunning opgenomen dat de sloop alleen mag plaatsvinden onder de voorwaarde dat het oorspronkelijke paviljoen als woning daarvoor in de plaats wordt gebouwd, zodat hieraan wordt voldaan. Verweerder moet in de beslissing op bezwaar wel alsnog tot uitdrukking brengen dat de omgevingsvergunning ook voor deze separate vergunningplichtige activiteit wordt verleend op deze grondslag. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert moet deze aangevraagde activiteit niet getoetst worden aan de bepalingen uit het bestemmingsplan over het beschermde dorpsgezicht. Ook voor deze activiteit is er geen reden om te verwachten dat de omgevingsvergunning in de beslissing op bezwaar niet in stand kan blijven.

Overwegingen over de bouw van het nieuwe paviljoen

Verweerder heeft de juiste afwijkingsbevoegdheid gebruikt

10. Voor de nieuwbouw van het paviljoen is eveneens een omgevingsvergunning nodig.7 Daarbij moest verweerder onder meer toetsen aan het bestemmingsplan.8 Voor het perceel geldt het bestemmingsplan ‘Herziening Noordwestelijk Villagebied’. Het perceel heeft de bestemming Wonen. Op de plankaart is een bouwvlak ingetekend, met de aanduiding ‘te bebouwen erven’ aan de achterzijde van het perceel en de aanduiding ‘tuin’ aan de voorzijde. De rechtbank verwijst naar de hieronder opgenomen uitsnede van de plankaart en een deel van de legenda daarbij.

11. Binnen de bestemming Wonen mogen hoofdgebouwen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd.9 Verder is bepaald dat het bouwvlak op dit perceel volledig mag worden bebouwd, en dat het hoofdgebouw het bouwvlak mag overschrijden, onder de volgende voorwaarden (voor zover in deze zaak relevant)10:

  1. […]

  2. […]

  3. de overschrijding mag alleen op gronden met de aanduiding ‘te bebouwen erven’;

  4. de overschrijding mag alleen direct aansluitend aan het hoofdgebouw;

  5. de overschrijding mag ook plaatsvinden als het bouwvlak niet volledig voor het hoofdgebouw is benut;

  6. de totale oppervlakte aan bebouwing mag bij een perceelgrootte van 1.000 m2 tot 2.500 m2 niet meer bedragen dan 8% van de perceelgrootte + 80 m2.

[…]

12. Het is niet in geschil dat het bouwplan van vergunninghouder in strijd is met de maximale bebouwingsoppervlakte die de planvoorschriften voorschrijven. Verweerder is bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen afgeweken van het bestemmingsplan, met toepassing van de in het Besluit omgevingsrecht (Bor) opgenomen gevallen waarin dat mag.11 De door verweerder toegepaste bepaling maakt het mogelijk om bijbehorende bouwwerken – waaronder de uitbreiding van een hoofdgebouw – in afwijking van het bestemmingsplan te vergunnen.

13. Ook is niet in geschil dat het nieuwe paviljoen het bouwvlak overschrijdt, en zowel in ‘te bebouwen erven’ als in ‘tuin’ is voorzien. Verzoeker voert aan dat die overschrijding zodanig is, dat dit niet meer kan worden aangemerkt als uitbreiding van een hoofdgebouw. Omdat meer dan de helft van het paviljoen buiten het bouwvlak is voorzien, zou sprake zijn van het oprichten van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak. Om die reden is verweerder volgens verzoeker niet bevoegd om toepassing te geven aan de hiervoor genoemde bepaling uit het Bor. Om dit te onderbouwen wijst verzoeker op een uitspraak van de Afdeling over de voorganger van het Bor.12

14. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een onjuiste interpretatie voorstaat van de beperkingen die de planvoorschriften toekennen aan een bouwvlak op de plankaart. Uit de hiervoor aangehaalde bepalingen volgt immers dat op het perceel van vergunninghouder een overschrijding van het bouwvlak mogelijk is, zonder dat daarvoor hoeft te worden afgeweken van het bestemmingsplan. Verweerder heeft op de juiste wijze berekend dat het bestemmingsplan op die manier bij recht 207 m2 aan bebouwing is toegestaan, uitgaande van een perceelgrootte van 1.588 m2 (8% van 1.588 + 80). In het licht van de plansystematiek moet daarom bij het bepalen van de mate van afwijking van het bouwplan van vergunninghouder dan ook als uitgangspunt worden genomen dat deze oppervlakte aan bebouwing al mogelijk is, ook buiten het bouwvlak. De overschrijding van het bouwvlak in de aanduiding ‘te bebouwen erven’ is in het licht van het voorgaande op zichzelf dus geen afwijking van het bestemmingsplan. Dat verweerder het nieuwe paviljoen als geheel had moeten afzetten tegen het op de plankaart ingetekende bouwvlak in plaats van tegen het bij recht toegestane bouwoppervlak, volgt de voorzieningenrechter niet. De systematiek in de planvoorschriften geeft daarvoor geen aanknopingspunt.

15. Verweerder heeft vervolgens berekend dat het bouwplan van vergunninghouder de maximale bebouwingsoppervlakte overschrijdt met 45 m2. Daarbij is rekening gehouden met een al vergund bijgebouw van 71 m2, en met een oppervlakte van 181 m2 van het nu vergunde bouwplan (181 + 71 – 207 = 45). De voorzieningenrechter volgt deze berekening, die door verzoeker op zichzelf ook niet wordt betwist. Dit betekent dat de afwijking van het bestemmingsplan bestaat uit een overschrijding van de toegestane bebouwingsoppervlakte van 207 m2 met 45 m2.

16. Het bouwplan wijkt daarnaast af van het bestemmingsplan, voor zover de overschrijding van het bouwvlak is voorzien in de aanduiding ‘tuin’. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze afwijking alleen de bouwvoorschriften uit het bestemmingsplan betreft, en niet de gebruiksbepalingen. De aanduiding ‘tuin’ geldt voor de onderliggende bestemming Wonen, waarbinnen het toekomstige gebruik van het paviljoen als woning is toegestaan. Er zijn in het bestemmingsplan geen voorschriften opgenomen die de gebruiksmogelijkheden van gronden met de aanduiding ‘tuin’ reguleren, zoals bijvoorbeeld in artikel 12 van de planregels wél wordt gedaan voor andere aanduidingen. De aanduiding ‘tuin’ houdt dan ook geen beperking in van het gebruik van gronden met de bestemming Wonen. Anders dan verzoeker stelt, is er dus geen sprake van dat het bouwplan gebruik mogelijk maakt dat afwijkt van de bestemming.

17. De voorzieningenrechter oordeelt dat de afwijkingen van de bouwvoorschriften uit het bestemmingsplan naar hun aard en omvang zijn aan te merken als uitbreiding van een hoofdgebouw, die vallen onder de in het Bor opgenomen definitie van het begrip bijbehorend bouwwerk.13 Het is dan ook mogelijk om met het oog op de gedeelten van het paviljoen die in strijd zijn met het bestemmingsplan, voor het bouwplan een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor. Uit de rechtspraak die verzoeker aanhaalt zou kunnen worden afgeleid dat een gebouw dat in aanzienlijke mate afwijkt van wat een bestemmingsplan ten aanzien van een hoofdgebouw toestaat, niet op deze wijze vergund kan worden. Deze situatie doet zich hier echter niet voor, omdat de afwijkingen van wat bij recht is toegestaan naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier niet zodanig zijn, dat niet meer kan worden gesproken van de uitbreiding van een hoofdgebouw. Er is daarom geen reden om verder op die rechtspraak in te gaan.

18. De conclusie is dat verweerder bevoegd is om, zoals hij heeft gedaan, de gebruikte bevoegdheid uit het Bor toe te passen voor de afwijkingen van het bestemmingsplan.

Het bouwplan past binnen een goede ruimtelijke ordening

19. Bij het toepassen van zijn bevoegdheid om van het bestemmingsplan af te wijken heeft verweerder beleidsruimte. Als verweerder van mening is dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kan hij ervoor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De voorzieningenrechter beoordeelt of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen de omgevingsvergunning voor de bouw van het paviljoen naar verwachting in redelijkheid zal kunnen handhaven in de nog te nemen beslissing op bezwaar.

20. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom hij het bouwplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening acht. Verweerder heeft daarbij onder meer belang gehecht aan de vergrotingen en aanpassingen die aan het ontwerp zijn gedaan om een volume te creëren dat past bij het paviljoen als vrijstaande villa in de villawijk. Verweerder wijst er verder op dat de reconstructie van het oorspronkelijke paviljoen vanuit cultuurhistorisch perspectief is te waarderen. De voorzieningenrechter kan deze motivering in het bestreden besluit volgen en ziet daarin geen aanleiding om nu te zeggen dat de omgevingsvergunning niet in stand kan blijven. Volgens verzoeker zou verweerder het bouwplan onder druk hebben vergund, nadat vergunninghouder liet weten dat hij een schadeclaim van € 300.000,‑ zou indienen als zijn aanvraag niet zou worden toegewezen. Het dossier geeft echter geen aanleiding voor een bevestiging van deze veronderstelling, en verweerder heeft op de zitting betwist dat verzoekers vrees voor financieel nadeel een rol heeft gespeeld bij zijn besluitvorming. De voorzieningenrechter heeft, kortom, geen aanleiding om te oordelen dat verweerder in de beslissing op bezwaar tot de conclusie moet komen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Overwegingen over de natuurtoets

Stikstofdepositie op natuurgebieden

21. Verzoeker voert aan dat niet is uitgesloten dat als gevolg van de omgevingsvergunning de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden verslechtert. Volgens hem had een AERIUS-berekening moeten worden gemaakt om de gevolgen van het project voor deze stikstofgevoelige gebieden verder te onderzoeken.

22. Het perceel ligt op 2,4 km afstand van het Natura-2000 gebied Oostelijke Vechtplassen en op 4,4 km afstand van het Natura-2000 gebied Naardermeer. Dit zijn stikstofgevoelige en overbelaste natuurgebieden. Als de sloop van het theehuisje of de bouw van het nieuwe paviljoen tot negatieve effecten leidt voor deze gebieden, kan dat ertoe leiden dat voor de vergunde activiteiten ook een toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. Er is in dat geval sprake van een ‘aanhaakplicht’ bij de omgevingsvergunning.14

23. In opdracht van vergunninghouder heeft [adviesbureau] B.V. hiernaar oriënterend onderzoek verricht. In het rapport van 30 januari 2018 concludeert [adviesbureau] dat de werkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect), maar dat permanente effecten gelet op de ligging van de locatie ten opzichte van de Natura 2000-gebieden en tussenliggende bebouwing kan worden uitgesloten. Verweerder heeft verder advies gevraagd aan het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, als bevoegd gezag voor de Wnb. Namens hem heeft de regionale uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord in een brief van 18 april 2018 geconcludeerd dat op voorhand kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden voor wat betreft stikstofdepositie vergunningplichtig zijn, door de geringe omvang ervan in combinatie met de afstand tot de natuurgebieden.

24. De voorzieningenrechter twijfelt erover of de eventuele gevolgen van het project op de stikstofdepositie van de natuurgebieden voldoende in kaart is gebracht. Hij constateert dat de conclusie van de regionale uitvoeringsdienst zich niet lijkt te verhouden met die van [adviesbureau] , over de projecteffecten. Daar komt bij dat deze conclusies dateren uit 2018, terwijl er in de rechtspraak daarna veel ontwikkelingen zijn geweest op het gebied van stikstof en Natura 2000-gebieden. Het ligt op de weg van verweerder om zich er in de bezwaarfase van te vergewissen dat de onderzoeksinformatie van [adviesbureau] en het oordeel van het bevoegd gezag uit 2018 op dit moment nog steeds actueel is. Meer specifiek is dan de vraag of de conclusie dat er geen aanhaakplicht is zonder AERIUS-berekening nog steeds kan worden volgehouden. In juridische zin moet bij de beslissing op bezwaar het volgende in acht nemen, gelet op de recente rechtspraak van de Afdeling. Niet elke overschrijding van de kritische depositiewaarden heeft een significant negatief effect of moet anderszins niet toelaatbaar worden geacht. Als een project leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan moeten de gevolgen van die toename te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), moet een passende beoordeling te worden gemaakt.15

Beschermde flora en fauna

25. Verzoeker heeft verder gewezen op de ecologische gevolgen van het bouwplan voor beschermde flora en fauna. In het onderzoeksrapport van [adviesbureau] is volgens verzoeker bijvoorbeeld niet onderkend dat zich vlak bij het perceel, in het Spanderswoud, een populatie ringslangen bevindt. Op de zitting hebben zowel verzoeker als zijn gemachtigde (die ook in de buurt van het perceel woont), toegelicht zelf zo’n vier keer per jaar op een ringslang te stuiten in de wijk. Ook uit de gegevens van de NGFF Verspreidingsatlas blijkt dat er veel ringslangen in de omgeving van het plangebied voorkomen.

26. Als de sloop van het theehuisje of de bouw van het nieuwe paviljoen beschermde flora of fauna – zoals de ringslang – verstoort, kan ook dat ertoe leiden dat voor de vergunde activiteiten een toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist. Er is ook in dat geval sprake van een ‘aanhaakplicht’ bij de omgevingsvergunning.16

27. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder de conclusies uit het onderzoeksrapport van [adviesbureau] heeft kunnen volgen. Het is vaste rechtspraak dat verweerder zich bij zijn besluitvorming op het rapport van een deskundige mag baseren als daarin op onpartijdige deskundige en objectieve wijze verslag is gedaan van het verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies van het onderzoek ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies mogen niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. In het rapport van [adviesbureau] wordt een aantal maatregelen geadviseerd om effecten van het bouwplan op de (mogelijk) aanwezige rugstreeppad, vleermuizen en algemene broedvogels te voorkomen. Bij het veldonderzoek dat [adviesbureau] heeft verricht zijn geen sporen van de ringslang aangetroffen. [adviesbureau] overweegt dat uitgestrekte extensieve graslanden en waterrijke gebieden onderdeel zijn van het functionele leefgebied van de ringslang en dat een natuurlijke vegetatiestructuur en oppervlaktewater op de planlocatie ontbreekt. De voorzieningenrechter kan dit volgen en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich hier in het bestreden besluit in redelijkheid niet bij heeft kunnen aansluiten. In de eigen ervaring van verzoeker en zijn gemachtigde en in de verwijzing naar algemene gegevens van de NGFF Verspreidingsatlas, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om aan de conclusies van [adviesbureau] te twijfelen. Dit betoog legt tegenover het deskundig rapport van [adviesbureau] onvoldoende gewicht in de schaal. Verzoeker wijst er wel terecht op dat in het rapport van [adviesbureau] ten onrechte het dorp Middelbeers wordt genoemd als planlocatie. Omdat de locatie in de rest van het rapport wél juist is omschreven en aangeduid gaat de voorzieningenrechter er echter van uit dat dit een verschrijving is geweest.

De omgevingsvergunning wordt niet geschorst

28. Uit het voorgaande blijkt dat de voorzieningenrechter niet twijfelt aan de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning voor de sloop van het theehuisje en voor de bouw van het nieuwe paviljoen. Dat betekent dat er in zoverre weinig ruimte is om het belang van verzoeker bij het stilleggen van deze activiteiten nu voor te laten gaan. De voorzieningenrechter heeft wel twijfel over de natuurtoets, voor wat betreft de gevolgen van de activiteiten op de stikstofdepositie van nabijgelegen natuurgebieden. Daaruit volgt echter nog niet zonder meer dat de verleende omgevingsvergunning bij de beslissing op bezwaar geen stand zal kunnen houden. Als dit wordt afgezet tegen de genoemde belangen van verzoeker enerzijds, en het belang van vergunninghouder om met de uitvoering van het project te kunnen starten anderzijds, dan moet dat laatste naar het oordeel van de voorzieningenrechter nu zwaarder wegen.

29. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Dat betekent dat de bouwplannen, voor risico van vergunninghouder, kunnen worden uitgevoerd tijdens de bezwaarprocedure. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 1 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

de griffier is verhinderd om

de uitspraak te ondertekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Artikel 2.2, eerste lid, aanhef, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

2 Artikel 2.18 van de Wabo.

3 Artikel 11, eerste lid, van de Monumentenverordening Hilversum 2016.

4 Bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1468.

5 Artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de Wabo.

6 Artikel 2.16 van de Wabo.

7 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

8 Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

9 Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften.

10 Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

11 Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor.

12 Uitspraak van 6 september 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY7593.

13 Artikel 1, onder 1, van bijlage II bij het Bor.

14 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in combinatie met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Bor en artikel 2.7 van de Wnb.

15 Uitspraak van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1125.

16 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in combinatie met artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor en artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb.