Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2881

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
8931127
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering werkvoorbereider tot vergoeding voor bereikbaarheidsdiensten op grond van bereikbaarheidsregeling afgewezen. Werknemer was achterwacht. Niet gebleken dat werknemer verplicht was tot achterwachttaak, die geen onderdeel van de functie was. Vanwege ontbreken verplichting wordt niet voldaan aan voorwaarden voor aanspraak op vergoeding op grond van bereikbaarheidsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0895
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8931127 UC EXPL 20-10448 SV/40160

Vonnis van 30 juni 2021

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.A.C.M. van Ginneken,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] BV,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.H. Mahieu.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 8 producties

- de conclusie van antwoord met 1 productie

- de mondelinge behandeling op 22 april 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 22 april 2021 via Skype for Business plaatsgevonden. [eiser] en zijn gemachtigde van FNV Bondgenoten, mr. J.A.C.M. van Ginneken, waren aanwezig. [gedaagde] BV werd vertegenwoordigd door [A] , directeur, en [B] , HR-Business Partner, bijgestaan door de gemachtigde, mr. P.H. Mahieu. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter de behandeling aangehouden voor overleg tussen partijen. Bij brief van 28 april 2021 heeft de gemachtigde van [eiser] bericht dat partijen geen schikking hebben getroffen. Daarna heeft de kantonrechter vonnis bepaald.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

[eiser] is in de periode van 1 augustus 2017 tot 1 april 2019 op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest voor [gedaagde] BV en haar rechtsvoorgangers, laatstelijk als werkvoorbereider voor 40 uur per week, tegen een loon van € 4.107,90 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Op de arbeidsrelatie was de cao Bouwnijverheid (UTA-gedeelte) van toepassing. De functie van werkvoorbereider bij [gedaagde] BV is ingedeeld in functiegroep 7.

2.2.

De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] BV op 7 november 2019 namens [eiser] schriftelijk verzocht € 7.753,59 bruto te betalen voor in 2018 en 2019 door hem gedraaide consignatiediensten die niet zijn uitbetaald. [eiser] heeft daarbij een beroep gedaan op de ‘Bereikbaarheidsregeling UTA’ (de UTA-regeling) van [gedaagde] BV.

2.3.

[gedaagde] BV heeft het verzoek van [eiser] op 19 november 2019 afgewezen omdat de UTA-regeling niet op hem van toepassing is zodat een grondslag voor de vordering ontbreekt.

2.4.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde] BV om aan [eiser] te betalen:

  1. € 7.573,59 bruto aan loon voor consignatiediensten;

  2. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over de hiervoor genoemde post;

  3. € 750,- (exclusief BTW) voor buitengerechtelijke incassokosten;

  4. e wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;

  5. de proceskosten.

2.5.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat hij binnen de reikwijdte van de overgelegde “bereikbaarheidsregeling UTA” van [gedaagde] BV valt omdat hij UTA-personeel is, zijn functiegroep 7 deel uitmaakt van de functiegroepen 1 tot en met 9 en hij feitelijk beschikbaar moest zijn als achterwacht voor de service-medewerkers. [eiser] stelt dat hij in 2018 en 2019 door zijn werkgever is aangewezen als aanspreekpunt voor crisissen en onvoorspelbare calamiteiten en 43 weken ingeroosterd is geweest voor bereikbaarheidsdiensten, waarin hij opgeroepen kon worden.

2.6.

[eiser] maakt aanspraak op de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten omdat [gedaagde] BV ondanks zijn verzoek en sommatie, de vordering niet heeft betaald en [eiser] de vordering uit handen heeft moeten geven.

2.7.

[gedaagde] BV voert verweer. Volgens [gedaagde] BV heeft [eiser] geen recht op loon voor consignatiediensten. [gedaagde] BV stelt dat [eiser] niet was ingeroosterd, maar op een zogenoemde belboom stond, zonder rooster. De belboom was een lijst van medewerkers van [gedaagde] BV die bij calamiteiten kunnen worden gebeld. Op de belboom stonden medewerkers op vrijwillige basis. Er was geen verplichting om, indien na werktijd werd gebeld, werkzaamheden te verrichten.

3 De beoordeling

3.1.

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Uit de toelichting van partijen ter zitting volgt dat zij niet van mening verschillen dat het bij [gedaagde] BV nodig is dat service monteurs en service engineers bij storingen een beroep kunnen doen op een werkvoorbereider voor overleg. Verder staat vast dat er ook buiten de normale werktijd een medewerker op het niveau van een werkvoorbereider als achterwacht beschikbaar moet zijn voor dit overleg. Het ligt voor de hand dat een dergelijke achterwachttaak in een rooster wordt vastgelegd.

3.2.

[eiser] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij bij [gedaagde] BV tijdens een project met de gemeente [naam gemeente] op een ‘escalatielijst’ stond, samen met zijn leidinggevende en een hiërarchisch hoger dan [eiser] geplaatste medewerker; deze lijst is gedeeld met de gemeente [naam gemeente] . Dit betekende in de praktijk dat [eiser] en de beide medewerkers buiten normale werktijd gebeld konden worden als achterwacht voor storingen in het project bij de gemeente [naam gemeente] .

3.3.

Niet in geschil is dat [eiser] valt onder de werkingssfeer van de bereikbaarheidsregeling UTA zoals die sinds 1 januari 2013 bij [gedaagde] BV geldt: [eiser] was tijdens het dienstverband met [gedaagde] BV ‘UTA-werknemer’ en ingedeeld in de functiegroepen 1 tot en met 9. Op grond van de UTA-regeling bedraagt de vergoeding voor een bereikbaarheidsdienst € 176,13 bruto per kalenderweek. In de UTA-regeling is onder het kopje ‘Bereikbaarheid’ het volgende vermeld:

“Van bereikbaarheidsdienst is sprake indien een werknemer gepland en in opdracht van de leidinggevende buiten de normale arbeidsduur bereikbaar en beschikbaar moet zijn voor direct te verrichten werk, ook al wordt er geen beroep op deze werknemer gedaan. Door de werkgever zal, in overleg met de betreffende werknemer(s), schriftelijk een rooster voor de bereikbaarheidsdienst worden vastgelegd.”

3.4.

Gelet op deze omschrijving moet de achterwacht door [eiser] voor een vergoeding voor een bereikbaarheidsdienst op grond van de UTA-regeling voldoen aan twee voorwaarden:

  1. de verplichting om buiten de normale werktijd bereikbaar en beschikbaar te zijn voor direct te verrichten werk;

  2. het vastleggen van de bereikbaarheidsdienst in een rooster door [gedaagde] BV.

3.5.

Partijen zijn het erover eens dat [eiser] permanent op een lijst/belboom stond als achterwacht van [gedaagde] BV voor storingen. Ter zitting is door [eiser] hierover toegelicht dat hij zich destijds vrijwillig heeft aangemeld als achterwacht en dat hij altijd bereikbaar en beschikbaar was. Als hij een keer niet bereikbaar kon zijn, bijvoorbeeld tijdens vakantie, dan regelde hij zelf een collega-werkvoorbereider of zijn leidinggevende [C] die ook op de lijst staat, als vervanger. De kantonrechter concludeert hieruit dat de bereikbaarheidsdienst van [eiser] als achterwacht permanent was. Dit staat op zich op gespannen voet met het begrip ‘rooster’. Dat houdt immers in dat er sprake moet zijn van een afwisselende planmatige inzet van personeel en niet van een volledig continue belasten van slechts één medewerker. De opzet van [gedaagde] BV - een permanente bellijst van drie collega’s waarbij het aan de medewerkers werd overgelaten dit onderling in te vullen - maakt echter dat er sprake was van een rooster dat continu was met het uitgangspunt dat de betrokken medewerkers dat onderling verder invulden. Dit betekent dat aan de hiervoor genoemde voorwaarde 2) is voldaan.

3.6.

De dan te beantwoorden vraag is of [eiser] verplicht was aan de achterwacht deel te nemen. De kantonrechter betrekt in zijn beoordeling van deze vraag het volgende.

Gesteld noch gebleken is dat de achterwacht tot de taken van de functie van [eiser] behoorde. [eiser] is gevraagd om op de lijst te staan en heeft zich vervolgens vrijwillig aangemeld, de twee andere werkvoorbereiders bij [gedaagde] BV waren geen achterwacht (zij zijn niet op de lijst geplaatst). De gemachtigde van [eiser] heeft op de zitting over de taak als achterwacht uitgelegd dat de UTA-regeling alleen voor werknemers in de functiegroepen 1 tot en met 9 geldt, niet voor hogere functiegroepen. Voor de medewerkers die ingedeeld zijn in een hogere functiegroep, die ook op de lijst stonden, was de achterwacht onderdeel van de functie en daarom vallen zij niet onder de UTA-regeling. Aldus die toelichting. Dit alles wijst erop dat binnen [gedaagde] BV niet het uitgangspunt werd gehanteerd dat de werkvoorbereiders verplicht zijn ook als achterwacht te functioneren. Zou [eiser] zich niet vrijwillig hebben aangemeld als achterwacht, dan had [gedaagde] BV wellicht met gebruik making van haar instructiebevoegdheid een beroep op de werkvoorbereiders kunnen doen (waardoor een verplichting tot deelnemen aan de achterwacht voor hen ontstond) voor zover de verplichte achterwacht ondersteuning door de leidinggevende en de andere hoger geplaatste medewerker niet voldoende was. Als [eiser] zich niet vrijwillig had aangemeld, en [gedaagde] BV hem had willen verplichten tot de bereikbaarheidsdienst als achterwacht, dan zou dit haar noodzaken om deze taak over alle werkvoorbereiders te verdelen en dit in een rooster vast te leggen. Zoals een rooster ook is bedoeld. Bij een verplichte taak buiten de normale werktijd is het niet aannemelijk om dit maar aan één werknemer op te leggen, zonder daarbij rustmomenten in te bouwen. [gedaagde] BV heeft de achterwachttaak niet over meerdere werkvoorbereiders verdeeld, maar daar was ook geen noodzaak toe als [eiser] die taak vrijwillig op zich neemt. Dit wijst er ook op dat [eiser] de achterwacht vrijwillig heeft verricht en hiertoe niet verplicht was. [eiser] voldoet daarom niet aan voorwaarde 1), dat hij buiten de normale werktijd bij [gedaagde] BV verplicht was tot bereik- en beschikbaarheidsdiensten.

3.7.

Deze conclusie wordt ook gerechtvaardigd door het gegeven dat het niet alleen [eiser] was die op de bellijst stond, maar ook twee andere medewerkers van [gedaagde] BV. [eiser] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij als eerste contactpersoon op de escalatielijst stond, waardoor hij bij een storing als eerste werd gebeld. Hoewel dit niet is aangevoerd, begrijpt de kantonrechter goed dat daar (uiteraard) veel druk van uit gaat om het gesprek ook echt inhoudelijk in te gaan. En dat de andere medewerkers zijn leidinggevende, respectievelijk een hoger in de organisatie ingedeelde collega zijn, vormt ongetwijfeld ook een rem om de beller naar die collega te verwijzen. Niet in de laatste plaats volgt uit de toelichting van [eiser] dat hij het ook als zijn verantwoordelijkheid voelde als eerste ondersteuning te bieden als hij in de achterwacht werd gebeld. Dat siert hem uiteraard en zal voor veel professionals herkenbaar zijn. Toch had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [eiser] gelegen zijn in de praktijk gerezen bijna vanzelfsprekende rol bij [gedaagde] BV aan de orde te stellen. Dat had [gedaagde] BV ook nog tijdens het dienstverband voor de vraag gesteld hoe zij de achterwacht wilde (gaan) inrichten. Op voorhand valt niet uit te sluiten dat de achterwacht dan aan de hoger geplaatste medewerkers zou zijn opgedragen omdat de taak van achterwacht onderdeel van hun functie is en [gedaagde] BV geen extra kosten hoeft te maken (omdat de Bereikbaarheidsregeling UTA voor die hoger geplaatste medewerkers niet van toepassing is).

3.8.

De kantonrechter komt tot de conclusie dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij voldoet aan beide voorwaarden voor een vergoeding op grond van de UTA-regeling van [gedaagde] BV. De vordering van [eiser] slaagt niet.

3.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] BV worden begroot op het salaris gemachtigde van € 622,00 (2 punten x tarief € 311,00).

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vordering af;

4.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] BV, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 622,00 aan salaris gemachtigde;

4.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.