Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2876

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
9151640
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek werkgever, g-, d- en i-grond afgewezen. Werkgever heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich voldoende heeft ingespannen om samenwerkingsproblemen te verbeteren en dat werknemer voldoende kans is gegeven voor verbetering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0887
RAR 2021/142
XpertHR.nl 2021-20005893
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 9151640 UE VERZ 21-112 SV/40160

Beschikking van 30 juni 2021

in de zaak van:

de stichting

[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. drs. S. Bergwerff,

tegen:

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. J.R. van Damme.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het verzoekschrift met productie 1 tot en met 28, ontvangen op 9 april 2021;

  • -

    het verweerschrift van [verweerster] van 26 mei 2021 met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de brief van de gemachtigde van [verweerster] van 4 juni 2021 met productie 10 tot en met 12;

  • -

    de brief van de gemachtigde van [verzoekster] van 8 juni 2021 met productie 31;

  • -

    de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekster] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2021. Namens [verzoekster] is verschenen [A] , coördinator [organisatieonderdeel] , en [B] , HR-adviseur, bijgestaan door de gemachtigde. [verweerster] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De griffier heeft aantekening gehouden van wat op de zitting is besproken.

1.3.

Aan het einde van de zitting is bepaald dat de beschikking 30 juni 2021 wordt gegeven.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is een zorgorganisatie voor gespecialiseerde ouderenzorg met ongeveer 1400 medewerkers op zeventien locaties in vijf gemeenten.

2.2.

[verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1963, is sinds 15 december 2020 in dienst van [verzoekster] , in de functie van medewerker [.] voor 24 uur per week op de locatie [locatie 1] (het [locatie 1] ) in [plaatsnaam 1] . [verzoekster] heeft het recht [verweerster] op al haar locaties werkzaamheden te laten verrichten. Het maandsalaris is € 1.841,65 bruto. De arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. De overeengekomen proeftijd bedraagt twee maanden. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Verpleeg & Verzorgingshuizen & Thuiszorg van toepassing.

2.3.

Op 15 januari 2021 heeft de leidinggevende, [C] , teammanager bij het

[locatie 1] een evaluatiegesprek met [verweerster] gevoerd. Daarbij is besproken dat de samenwerking met bepaalde collega’s stroef loopt. Op 5 februari 2021 heeft een tweede evaluatiegesprek tussen [C] en [verweerster] plaatsgevonden, waarin ook is besproken dat de samenwerking met een aantal collega’s stroef loopt en dat [verweerster] wordt overgeplaatst naar het [organisatieonderdeel] van [verzoekster] . Vanaf 16 februari 2021 is [verweerster] werkzaam voor het [organisatieonderdeel] op verschillende locaties van [verzoekster] . Op 2 maart 2021 heeft de planningsadviseur bij het [organisatieonderdeel] , [D] , een evaluatiegesprek met [verweerster] gevoerd. Daarin heeft [D] besproken dat de samenwerking op de locatie [locatie 2] in [plaatsnaam 2] niet goed gaat en dat [verweerster] zich teveel bemoeit met de indeling van Somatiek team 2. [verweerster] heeft op 3 maart 2021 een e-mail gestuurd naar [D] waarin zij ingaat op de klachten die met haar zijn besproken. Op

8 maart 2021 heeft de coördinator [organisatieonderdeel] , [A] , [verweerster] meegedeeld dat zij niet meer hoeft te komen werken en dat het dienstverband wordt beëindigd. [verweerster] heeft daarna niet meer voor [verzoekster] gewerkt.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden primair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond van artikel 7:669 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW)), subsidiair vanwege disfunctioneren (de d-grond van artikel 7:669 lid 3 BW), meer subsidiair op grond van een combinatie van een verstoorde arbeidsverhouding en disfunctioneren (de i-grond van artikel 7:669 lid 3 BW).

3.2.

[verweerster] voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst ontbreekt. Volgens [verweerster] heeft [verzoekster] niet aannemelijk gemaakt dat de arbeidsverhouding duurzaam en ernstig verstoord is en heeft [verzoekster] onvoldoende gedaan om de arbeidsverhouding te verbeteren. [verzoekster] heeft geen concrete kritiek op haar functioneren kenbaar gemaakt en heeft geen verbetertraject aangeboden. [verweerster] betwist dat herplaatsing binnen [verzoekster] niet mogelijk zou zijn. Voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] om toewijzing van een transitievergoeding, een aanvullende vergoeding en een billijke vergoeding omdat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

4 De beoordeling

4.1.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden omdat daarvoor een redelijke grond bestaat. De kantonrechter stelt voorop dat hij - op grond van artikel 7:671b lid 2 BW - het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst alleen kan inwilligen indien aan de voorwaarden voor opzegging, bedoeld in artikel 7:669 BW, is voldaan. Deze voorwaarden zijn: dat voor het verzoek tot ontbinding een redelijke grond bestaat én dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

Is sprake van een redelijke grond?

4.2.

Het zwaartepunt van de verwijten van [verzoekster] aan [verweerster] is gelegen in het feit dat meerdere collega’s bij de leidinggevenden hebben gemeld dat zij problemen hebben met het samenwerken met [verweerster] . Omdat na het eerste evaluatiegesprek op 15 januari 2021 nog steeds samenwerkingsproblemen werden gemeld, is [verweerster] na een tweede evaluatiegesprek op 5 februari 2021 overgeplaatst naar het [organisatieonderdeel] , voor een laatste kans. Na de start van [verweerster] op 16 februari 2021 voor het [organisatieonderdeel] , ontving [verzoekster] opnieuw signalen van collega’s die problemen hadden met de samenwerking met [verweerster] . Volgens [verzoekster] is [verweerster] erg druk, denkt zij het beter te weten en beheerst zij het werkproces onvoldoende. Collega’s en leidinggevenden van [verzoekster] hebben geen vertrouwen meer in [verweerster] , waardoor de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord en herplaatsing in een andere functie niet mogelijk is. [verzoekster] vindt [verweerster] door deze situatie ongeschikt voor haar functie als medewerker [.] . Uit de meldingen van collega’s blijkt dat [verweerster] tekort schiet in het uitvoeren van verpleegkundige handelingen volgens de procedures en mist zij de vereiste sociale vaardigheden. Ondanks dat [verweerster] hierop telkens is aangesproken, is hierin geen verbetering gekomen.

4.3.

[verweerster] erkent dat [verzoekster] met haar tijdens de drie gesprekken over samenwerkingsproblemen van collega’s heeft gesproken, maar zij betwist dat [verzoekster] haar heeft aangesproken op het missen van voldoende kennis of vaardigheden voor de functie van medewerker [.] . Volgens [verweerster] staan de door [verzoekster] genoemde kritiekpunten van collega’s niet in de weg aan een goede samenwerking. [verzoekster] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de arbeidsverhouding duurzaam en ernstig verstoord is. [verweerster] stelt dat [verzoekster] in de gesprekken geen details van de klachten heeft genoemd en ook geen concrete handvatten voor verbetering heeft gegeven. Er zijn geen gespreksverslagen opgesteld en er is geen verbetertraject aangeboden. [verweerster] betwist dat [verzoekster] in de gesprekken heeft gesproken over een ‘laatste’ kans of een ontslag als zij zich niet zou verbeteren. [verzoekster] heeft [verweerster] na het gesprek op 2 maart 2021 geen reële kans geboden om haar functioneren te verbeteren omdat op 8 maart 2021 al een vaststellingsovereenkomst werd aangeboden.

4.4.

De kantonrechter overweegt het volgende. Van een verstoorde arbeidsverhouding is sprake wanneer tussen werkgever en werknemer een situatie is ontstaan waarin een behoorlijke samenwerking niet meer mogelijk is. Voor toewijzing van een verzoek tot ontbinding op deze grond moet genoegzaam vast komen te staan dat er geen basis meer is voor verdere instandhouding van de arbeidsovereenkomst; dat de verhouding niet alleen ernstig maar ook duurzaam is verstoord.

Ingevolge artikel 7:669 lid 3 sub d BW wordt onder disfunctioneren verstaan de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, mits de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en de werknemer voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer.

4.5.

Uit de standpunten van partijen blijkt dat medewerkers van [verzoekster] van de locatie [locatie 1] en van twee andere werklocaties ( [locatie 2] en [locatie 3] ) problemen hebben gemeld met de samenwerking met [verweerster] . Alleen de omstandigheid dat meerdere collega’s bij [verzoekster] hebben geklaagd over de samenwerking met [verweerster] , is geen redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding of disfunctioneren. Daarbij komt dat [verweerster] bij [verzoekster] in dienst is getreden in een periode waarin het als gevolg van Covid-19 extra druk was in de zorg, waardoor mogelijk eerder irritatie ontstond bij het samenwerken met een nieuwe collega.

4.6.

De vraag is wat [verzoekster] heeft gedaan om de gesignaleerde samenwerkingsproblemen op te lossen. De klachten van collega’s die [verzoekster] per e-mail heeft ontvangen, zijn niet voorgelegd aan [verweerster] . [verzoekster] heeft tijdens het dienstverband drie keer een evaluatiegesprek met [verweerster] gevoerd. Van deze gesprekken zijn geen verslagen overgelegd. [verzoekster] heeft [verweerster] na het tweede evaluatiegesprek met leidinggevende [C] , op 5 februari 2021, overgeplaatst naar het [organisatieonderdeel] , maar wat daar precies over is afgesproken, blijkt niet uit een verklaring van [C] of uit een gespreksverslag. [verzoekster] stelt dat zij [verweerster] herhaaldelijk heeft aangesproken op specifieke verbeterpunten, maar [verzoekster] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt hoe en wanneer dit is gebeurd. [verzoekster] heeft ook niet gesteld dat zij [verweerster] begeleiding heeft aangeboden, bijvoorbeeld door gesprekken met collega’s of met behulp van een mediator. Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] inspanningen heeft verricht om de door haar gestelde verstoorde arbeidsverhouding op te lossen. [verzoekster] heeft ook niet aannemelijk gemaakt waaruit [verweerster] had moeten begrijpen dat als geen verbetering zou komen, de arbeidsovereenkomst zou eindigen. Niet is gesteld of gebleken dat de interne e-mail van [D] van 4 maart 2021, waar [verzoekster] in dit verband naar heeft verwezen, aan [verweerster] is verzonden. Verder blijkt niet dat een verbetertraject heeft plaatsgevonden. Voor zover al kan worden aangenomen dat na het gesprek met leidinggevende [C] op 2 maart 2021 een verbetertraject is gestart, wat door [verweerster] gemotiveerd wordt betwist, is dit traject, door al op 8 maart 2021 een vaststellingsovereenkomst aan te bieden, zo kort geweest dat het niet kan worden beschouwd als een reëel verbetertraject.

4.7.

De conclusie is dat niet wordt voldaan aan een voldragen g-grond of d-grond. [verzoekster] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende inspanningen heeft verricht om de samenwerkingsproblemen met [verweerster] te verbeteren. [verzoekster] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat [verweerster] voldoende de kans heeft gekregen om naar aanleiding van de gegeven kritiek haar functioneren te verbeteren.

4.8.

Voor het geval wordt geoordeeld dat geen sprake is van een voldragen g-grond of d-grond, stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat sprake is van de cumulatiegrond van artikel 7:669 lid 3 sub i BW. [verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar verzoek op de i-grond verwezen naar de combinatie van omstandigheden op basis waarvan volgens [verzoekster] sprake is van een dusdanige situatie voor [verzoekster] dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet langer van haar kan worden gevergd. [verzoekster] stelt dat [verweerster] al op meerdere locaties en teams is ingezet, wat telkens tot een onhoudbare situatie heeft geleid, waardoor de basis voor een vruchtbare arbeidsverhouding is verdwenen.

4.9.

De kantonrechter stelt voorop dat met deze zogenoemde "cumulatiegrond" wordt beoogd het ontslagstelsel te verruimen, zonder te breken met het huidige stelsel van gesloten ontslaggronden (Kamerstukken I, 2018-2019, 35 074, nr. 9, p. 59). De cumulatiegrond is voor die gevallen bedoeld waarin voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet meer van de werkgever gevergd kan worden, waarbij de werkgever dat niet kan baseren op omstandigheden uit één enkele ontslaggrond, maar dit wel kan motiveren en onderbouwen met omstandigheden uit meerdere ontslaggronden samen (Kamerstukken I, 2018-2019, 35 074, F, p. 26). Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om verwijtbaar handelen van de werknemer gecombineerd met onvoldoende functioneren en/of een verstoorde arbeidsverhouding (Kamerstukken I, 2018-2019, 35 074, nr. 3, p. 52).

4.10.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontbindingsverzoek op de i-grond ook niet toewijsbaar. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat zowel de g-grond als de d-grond niet voldragen zijn. De combinatie van de door [verzoekster] gestelde verstoorde arbeidsrelatie en het door [verzoekster] gestelde disfunctioneren zijn niet zodanig dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van [verzoekster] kan worden gevergd. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking (zoals ook hiervóór al is overwogen) dat van [verzoekster] verwacht had mogen worden dat zij, voor zover de arbeidsverhouding naar haar mening ernstig verstoord is, moeite had behoren te doen dit te herstellen. Daarvan is echter niet gebleken.

4.11.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen.

Herplaatsing

4.12.

Nu vast is komen te staan dat geen sprake is van een voldragen ontslaggrond in de zin van artikel 7:669 lid 3 BW, kan beantwoording van de vraag of [verzoekster] heeft voldaan aan haar herplaatsingsverplichting, achterwege blijven. Ten overvloede merkt de kantonrechter daarover nog wel het volgende op. De kantonrechter is er niet van overtuigd dat herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn op één van de zeventien locaties van [verzoekster] niet mogelijk is of niet in de rede ligt, gelet op wat hiervoor is overwogen over de gestelde verstoorde arbeidsrelatie.

4.13.

De kantonrechter zal het ontbindingsverzoek afwijzen. [verzoekster] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden, tot deze beschikking, aan de zijde van [verweerster] begroot op € 747,-.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzoek af;

5.2.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerster] , tot deze beschikking begroot op € 747,-

5.3.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.